Skip to main content

Full text of "Woordeboek en spraakkunst van de neutrale taal"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 




1 


pM 




i 


m 


^*^Wi.i->?*L 




m 


r 


^^ 




K^^ï^j 


ü[ 


Ê^M 



.Éi^ 



J 



'^^'^.^'Y' '7^ '"'ïfr^c'- 






T>JL^ 



\ 



ïv.'; 









AK4DEMI INTEENASIONAL DB LINGU ÜNIVER8AL 



DIKSIONAR 



G R A M A T I K 



DE 



IDIOM NEUTRAL 

EKS-LABORED PRO LINGU NEDERLANDIK E PUBLIKED 
KO KONSESION DE AEADEMI 



W. BONTO VAN BIJLBVBLT 






Ha arlem 

A. E. VAN DER HEIDE 

1903 



1 



r 






INTERNATIOKALE WERKLDTAAL-AKADEMIE 






WOORDEBOEK 



EN 



SPRAAKKUNST 



VAN DE 

NEUTRALE TAAL 

VOOR HET NEDERLANDS BEWERKT EN MET BEWILLIÖING 
VAN DE AKADEMIE UITOBGEVEN 

DOOR 

W. BONTO VAN BIJLBVBLT 
— GÏO — 



H A ARLBM 

A. E. VAN DER HEIDE 
1903 






TVK FiKMA RI'IJGROK de Co. Haaki.em, 



VOORWOORD. 



Bij het uitgeven van dit woordeboek moet iets voor- 
afgaan omtrent zijn wording die het dankt aan een goed 
georganiseerd internationaal lichaam, waarvan slechts 
weinigen het bestaan kennen. 

Nadat ruim 200 jaren herhaaldelik was beproefd, 

maar telkens zonder sukces, een kunstmatige taal samen 

te stellen die het verkeer tussen personen van ver- 

-t schillende nationaliteit zou kunnen vergemakkeliken, 

f^ lukte het in 4879 J. M. Schleyer, destijds pastoor te 

r: Litzelstetten in Baden, zulk een taal uit te denken^ 

^^ Zijn schepping, volapük geheten, maakte grote opgang. 

^^ Vooral trof de spraakkunst die, vergeleken met de 

(^ grammatika's van de natuurtalen., verrassend eenvoudig 

was; de regels kon men in enkele uren leren en dan 



6 

was men met behulp van het woordeboek in staat tot 
korrespondentie. 

Zeer velen maakten kennis met die interessante taal 
welke daardoor een tijdperk van grote bloei heeft ge- 
kend, waarvan het hoogtepunt in 1887 wordt gesteld. 
Volgens een opgave uit dat jaar bestonden er toen over 
de honderd volapük-klubs en een tiental volapuk-bladen. 
Over deze laatste staat elders vermeld dat in het tijd- 
vak 1879 — 1899 ruim 30 kranten verschenen. Hiervan 
bestaat nu nog een hoogst enkele. 

Na de uitbundige geestdrift van het begin kwam al 
gauw de zakelike kritiek. Deze tipte de zwakke punten 
aan die verbeterd dienden. Enkele volapükisten voerden 
op eigen gezag veranderingen in, waartegen andere 
weer protesteerden. Men vreesde voor uiteenloping van 
de beweging en zocht een middel tot handhaving van 
eenheid . 

In 1887 werd te München het 2e volapük-kongres 
gehouden. Daar nam men enige besluiten met betrek- 
king tot de spraakkunst en stichtte de ^^internationale 
wereldtaal-akademie", waarmee werd beoogd de vol- 
tooiing en verbetering van volapük aan één lichaam toe 
te vertrouwen. Tot direkteur koos men prof. dr. Auguste 
KerckhofFs te Parijs, iemand die ontzaggelik veel had 
gedaan voor de verspreiding van volapük in Frankrijk- 

Schleyer die steeds geroepen had „nach einer Völ- 
kerakademie, die zu gründen ware," heeft dit kongres 




o 

w 

-< 




W 
ü 

e» 



bijgewoond en de besluiten mee ondertekend, maar 
nauweliks weer thuis achtte hij zich niet gebohden, 
omdat volaptlk zijn uitvinding en dus zijn onbeperkt 
eigendom was, waarmee hij ten allen tijde kon doen 
wat hij wou enz. Zo ontstond scheuring in het kamp 
der volapükisten. Eén deel, de „altijd-getrouwen", schaarde 
zich om Schleyer; een ander gedeelte hield vast aan 
de kongres-besluiten . 

De akademie begon haar arbei4- In 1889 vond te 
Parijs het 3e internationale volapük-kongres plaats dat 
de statuten van de akademie, volgens welke deze nog 
altijd werkt, bekrachtigde. Prof. Kerckhoffs die aanvan- 
kelik de arbeid van de akademie met vaste hand leidde , 
toonde na dit kongres minder energie. 

De verdeeldheid in de volapük-wereld nam ondertussen 
al maar toe, van alle zijden kwamen spraakkunst-ont- 
werpen waarover men aan het kibbelen kon gaan, de 
strijd verscherpte en ontaardde in persoonlikheden. En 
Kerckhoffs die wellicht door een verstandig ingrijpen 
veel had kunnen redden, scheen gebelgd en bleef zo 
goed als werkeloos. In 1891 nam hij zijn ontslag als 
direkteur. 

Tot opvolger werd gekozen de ingenieur Woldemar 
Rosenberger te Petersburg. Deze begon zijn taak in 1893, 
in een tijd toen overal de geestdrift voor volapük en te 
gelijk die voor de wereldtaal-idee vrij wel was bekoeld. 

Gebruik makende van de onaf hankelikheid, waarover 



de akademie krachtens haar statuten beschikt, bracht 
hij de arbeid op de nieuwe baan, aangewezen door de 
geschriften van verschillende wereldtaal-kundigen. In het 
biezonder werd een kortelings opgekomen grondbeginsel 
nauwgezet doorgevoerd, namelik dat men bij de opbouw 
van een algemene verkeerstaal allereerst rekening moet 
houden met de europese volken en hun talen, en dat men 
gebruik moet maken van de echte wereld woorden die 
zich al in die talen hebben vastgezet en tot gemeenschappe- 
lik eügendom er van zijn geworden. Woorden als adres, 
fa brik, merkantil, tenor, Australia, India 
komen in de meeste europese talen voor, worden ver- 
staan door het grote aantal mensen dat die talen spreekt 
of begrijpt, en dienen daarom opgenomen in een alge- 
mene verkeei*staal. Deze en soortgelijke woorden stelde 
de akademie in plaats van de volapük-woorden die voor 
een groot deel aan het engels waren ontleend, maar dan 
zo misvormd werden dat men ze niet kon herkennen. 
Voor bovenstaande 6 woorden had het volapük : 1 a d e t, 
f a b l il d , t e d i k , k i 1 i d a v ö g , T a 1 o p , N i d a n . 

Als gevolg moest de volapük-grammaire worden ver- 
anderd, want het waren juist haar regels die door hun 
willekeurigheid zich verzetten tegen vormen als be- 
doelde wereld woorden hadden. 

Zo ontstond onder de krachtige leiding van Rosen- 
berger, wiens direkteurschap heeft geduurd van 1893 
— 1898, allengs een geheel nienwe taal. 



Het aantal leden van de internationale wereldtaal- 
akademie heeft afgewisseld tussen 15 en 36. De aka- 
demie die begonnen is met 17 personen uit 12 ver- 
schillende landen, telde op 1 Januarie 1903 21 leden 
uit 8 landen. 

Na Rosenberger werd Reverend M. A. F. Holmes te 
Macedon N. Y. in de Verenigde Staten tot direkteur 
gekozen. Tijdens diens voorzitterschap werd de taal der 
akademie verder afgewerkt en kreeg in 1899 de naam 
van neutrale taal (idiom neutral). 

In Junie 1902 verscheen het eerste (duitse) leerboek, 
door Rosenberger samengesteld. Daarmee verliet de 
taal de akademie-cirkulaires, waarin ze was uitgewerkt. 
In Mei 1903 volgde een tweede (engels) leerboek van 
Holmes. 

Behalve met het in 1879 geboren volapük^ zal de 
neutrale taal moeten konkureren met de internationale 
taal van de geneesheer L. Zamenhof, esperant(j, dat 
in 1887 werd gelanceerd en op het ogenblik bogen 
kan op zekere verspreiding over een aantal landen. 

De neutrale taal behoeft die strijd niet te vrezen, 
omdat zij van deze 3 geheel uitgewerkte stelsels het 
meest beantwoordt aan de moderne eisen. Bij haar bouw 
werden trouwens alle van enig belang zijnde wereld- 
taal-stelsels, daaronder dat van dr. Zamenhof, geraad- 
pleegd. 

Terwijl volapük en esperanto scheppingen zijn van 



10 



eenlingen, is de neutrale taal het werk van een inter- 
nationaal lichaam, waarvan het voortbestaan haar een 
geleidelike verdere ontwikkeling verzekert die onder 
even brede opvattingen kan geschieden als haar vorming. 
^ De neutrale taal bezit de goede eigenschappen van 
het volapük, maar is in tegenstelling daarmee bijna 
uitsluitend opgebouwd uit internationale elementen. 
Hierdoor wordt het aanleren van haar woordenschat 
voor elk ontwikkelde zeer vergemakkelikt, terwijl de 
minder ontwikkelde de bestede tijd nooit verliest, om- 
dat het verworven woorden-materieel hem vele, ook in 
het nederlauds, gebruikelike termen vertaalt en weer 
te pas zal komen bij de studie van welke europese taal 
ook, waarvan de kennis hem later in 't biezonder nodig 
mocht blijken. Een in de neutrale taal geschreven tekst 
kan door ieder ontwikkelde zonder veel moeite wor- 
den ontcijferd, terwijl het na enige voorbereiding niet 
zwaar zal vallen ook het gesproken woord te verstaan. 
Daarom zal de neutrale taal van dienst kunnen zijn 
in alle gevallen dat personen van verschillende nationa- 
liteit, schriftelik of mondeling, met elkaar moeten ver- 
keren en daarvoor zoeken één enkel, eenvoudig middel, 
met andere woorden: overal, waar behoefte bestaat aan 
een algemene verkeerstaal. 

Dit boek is uitgewerkt naar de besluiten van de 
wereldtaal-akademie. Door de vriendelikheid van de 





P4 
o 

PQ 
O 



11 

heren Rosenberger en Holmes werd een raadpl^a:! van 
hnn woordeboeken mogelik, hetgeen vooral ten goede 
is gekomen aan spraakkunst en aanhangsel. Voor deze 
door mij zeer gewaardeerde stenn betuig ik beiden mijn 
hartelike dank. 

Amsterdam, 19 Jolie 1903. 

W. BONTO VAN BULEVELT, 



SPRAAKKUNST 



VAN DE 



NEUTRALE TAAL 



AFKORTINGEN. 



[R. 115] betekent Resolusion 115 en verwijst naar het 115e besluit van 
de akademie. 

[S. 42/44] betekent Sirkular 42/44 en verwijst naar de 42e en 44e cirkulaire 
yan de direkteur der akademie aan de leden. Het eerste 
c^fer noemt de cirkulaire waarin de woorden werden voor- 
gesteld, het tweede de cirkulaire waarin de direkteur mee- 
deelt dat de woorden, al of niet gewijzigd, door de akademie 
z^n aangenomen. 

[Gl. n.], achter een spraakkunstige regel geplaatst, betekent dat die 
regel indertijd door de akademie werd aangenomen, zich 
bevindt in de in het volapük opgestelde Glamat nomik 
(= normaalgrammaire; uitgave der akademie van 1892) en 
sedert niet meer is veranderd. 

e f d s i r 1 duidt de 7 geraadpleegde talen aan, zie g 72. 

Afkortingen die in de neutrale taal worden gebruikt, vindt men 
in § 84. 



I. Uitspraak en spelling. 
(Pronunsiasion e ortografl.) 

§ 1. Het gewone alfabet van de neutrale taal (idiom 
neutral) telt 23 letters, namelik 5 klinkers en 18 mede- 
klinkers. ^) 

ledere letter, hetzij klinker of medeklinker, wordt 
steeds op één en dezelfde manier uitgesproken, en wel : 

a als a in sta, 

b 9 6 9 het nederlands (maar nooit als p, zoals in 

schub). 
c i> c » » italiaanse woord eena, dat is als Uj. 

[R. 115, 126] 
d > d > 9 nederlands (maar nooit als t, zoals in 
brood). 
e 9 ee 9 zee. 

f > ƒ » het nederlands. 

g 9 gui» > franse woord guerre, als g in het dmUn 

woord guL 
h 1 ^ > > nederlands. [R. 119J 
i 9 ie 9 zie. 

j > i > het frans, dat is als ;?;. [R. IIOJ 
k > ib > » nederlands. 
I » 2 » > » 

m 9 m 9 9 » 

n > n » > > 

o 9 o 9 20. 

p » p > het iiedeHand& 
r 9 r 3 9 > 

8 > « » » aederhÈOÓü (altijd mhHr\k^ wp^/ii h\% $ 

') In de dnitae spnMkkoxiF* r:tjdt Ukex. t^.»?' ^u >7 iuu«^ri)nr>-ft '^«^ 
^eren, omdat daar de «b ^tn' «t loibey^ru^c 



16 

sh als ëh in het engelse woord ahillingj dat is als si. 

[R. 109] 1) 
t > £ B ^ nederlands. 
II » o« > koe. 

V 9 U7 B het nederlands. 

y B J B B B . [R. 412] 

Treft men twee klinkers naast elkaar, dan worden 
zij elk afzonderlik uitgesproken, b.v. Eiirop, Europa, 
spreek uit: Ee-oe-roop^; autoaat, automaat, spreek uit: 
a-oe-to-maat^ : mals, maïs, spreek uit : ma-ies^ ; doi, wij, 
spreek uit: noMe; diet, dieet, spreek uit: die-eet^. 

Aanmerking. De neutrale taal beschikt nog oyer enkele andere 
letters die gebruikt worden bi| 't schr$Ten yan eigennamen en yreemde 
woorden, indien men dat tot aanduiding yan de uitspraak foneties 
wil doen. [R. 116, 117] 



1. a dnid 


i aan de a-klank 


in het dnits. 


2-Ö „ 


„ n Ö- , 


» j» 


n 


3.Ü „ 


n r, Ü- „ 


n n 


n 


4. 95 „ 


n 7, «- n 




, frans. 


5. crli „ 


» n ff- r, 


•» «5 


deens, b.y. in êag. 


Ckh^ 


n -cA- „ 


f n 


, dnits, b.v. in Sache. 


7. til ., 


. .th- „ 


- n 


engels, b.y. in bath. 



§ '2. Voor de klemtoon bestaan de volgende 3 regels 
[R. 57]: 

1. De klemtoon valt bij woorden-zonder-toonteken 
op de klinker die onmiddellik voorafgaat aan de laatste 
medeklinker, indien zulk een klinker aanwezig is, b.v. 
fortun (spreek uit :foor-toeni), geluk: iRanu (spr. u. ma^- 
noe). hand ; aloë (spr. u. a^lo-ee), aloëe; filio (spr. u. fie^- 
lie-o), zoon — 

anders op de eerste klinker, b.v. mai (spr. u. maMe), 
Mei; Deo (spr. u. Dee^-o), God. 

2. Woorden die de klemtoon op een andere klinker 
hebben, worden met een toonteken geschreven, over- 



») Zie g 73 pnnt 15. 



17 



eenkomstig het woordeboek, b.v. alé, allee; depó, depot; 
idé, idee. 

3. Woorden, samengesteld uit een stamwoord-met- 
een-toonteken en een achtervoegsel, worden zonder toon- 
teken geschreven en uitgesproken volgens de hoofdregel, 
b.v. alea^r (spr. u. a-lee-aatr^), allee-achtig. 

Algemene voorbeelden. 



asfalt, 


asfalt, 


spreek 


uit 


: aas-faalt^. 


blond. 


blond. 


» 




bloond; klub, klub, 
spr. u. kloeb. 


violoncel. 


violoncel, 






wie-o-loon-tsjeeP. 


diamant, 


diamant. 






die-a-maant^; land, 
land, spr. u. laand. 


egoist, 


egoïst. 






ee-Go-iest^. 


fundament 


, fundament. 






foen-da-meent^. 


e- 


galop. 






Ga-loopi. 


harp. 






haarp. 


Instinkt, 


instinkt. 






ien-stienkti. 


lodji, 


loge. 






loMzjie; piantaj, 
plantage, spr. u. 
plaan-taazj^. 










korset, 


korset, 






koornseet^. 


lans. 


lans, 






laans. 


matras. 


matras. 






ma-traasi. 


nul, 


nul. 






noel. 


omnibus. 


omnibus. 






oom-nie-boes^. 


pest 


pest. 






peest. 


rebel, 


rebel. 






ree-beeli. 


|f!il!i!g. 


sport. 






spoort. 


shilling, 






sjie-liengi. 


talent, 


talent. 






ta-leenti. 


uniform, 


uniform. 






oe-nie-foormi. 


vernis, 


vernis. 






weer-nie»i. 


yull. 


Julie, 




1 


joeMie. 

2 



18 

II. Zelfstandig naamwoord. (Substantiv.) 

§ 3. De neutrale taal heeft slechts één wijze van 
verbuiging (deklinasion) voor alle zelfstandige naam- 
woorden. [R. 43, 44, 4ö, 46, 47] 

Enkelvoud. (Singular.) 

1. dom het huis of een huis. 

2. de dom van het huis of van een huis. 

3. a dom aan het huis of aan een huis. 

4. dom het huis of een huis. 

Meervoud. (Plural.) 

1. domi de huizen. 

2. de domi van de huizen. 

3. a domi aan de huizen. 

4. domi de huizen. 

De 4e naamval onderscheidt zich van de Ie door de 
plaats in de volzin ; de Ie naamval staat namelik altijd 
vóór, de 4e naamval achter het werkwoord : mi klos 
porta^ ik sluit de deur; patr pum' filio, de vader straft 
de zoon. [R. 46] 

De 3e naamval wordt aangegeven door het voorzetsel 
a. Maar hij kan ook zonder dat voorzetsel voorkomen 
en wordt dan aangeduid door een vaste plaats in de zin, 
namelik vóór de 4e naamval ; dit geldt in het biezonder 
ten opzichte van de voornaamwoorden : il donav mi libr, 
hij gaf mij een boek ; il mit mi flori, hij zendt me bloe- 
men. [R. 55] 

§ 4. Een lidwoord bestaat niet. Daarom worden de 
nederlandse lidwoorden „de, het (*t), een ('n)" niet ver- 
taald. Omgekeerd kan het woord dom zowel „het huis" 
als „een huis", de dom zowel „van het huis" als „van 
een huis" betekenen, wat trouwens makkelik uit het 



19 

zinsverband wordt afgeleid. Is echter het woord „een" 
een telwoord, dan wordt het vertaald : un dom, één huis. 

Staat „een" voor „een zeker", dan wordt het door 
sert vertaald : sert dom, een huis, een zeker huis ; staat 
het echter voor „een of ander", dan vertaalt men het 
door kelk-un: kelk-un dom, een huis, een of ander huis. 

Wil men op een bepaald voorwerp wijzen, dan kan 
men de aanwijzende voornaamwoorden gebruiken: M 
dom, dit huis; el dom, dat huis. [S. 4^44] 

§ 5. De zelfstandige naamwoorden zijn: 

1. mannelik, als ze manneiike personen of dieren 
aanduiden: patr, vader; fratr, broer; oflsir, officier; 
pasha, pasja. 

2. vrouwelik, als ze vrouwelike personen of dieren 
aanduiden: matr, moeder; soror, zuster; madona, 
Madonna. 

3. o n z ij d i g in alle overige gevallen : granit, graniet ; 
relief, reliëf; stal, stal ; torpedo, torpedo ; liga, liga, 

Manneiike zelfstandige naamwoorden worden gevormd 
door aanhechting van het 'achtervoegsel -o : flljo, z^x^n ; 
fcavaio, hengst. 

Vrouwelike zelfstandige naamwoorden worden gevormd 
door aanhechting van het achtervoegsel -a: ffiia, doch- 
ter; kavala, merrie. 

Het stam woord lili betekent kind; kavai bet^lteni 
paard. [R. 34, 35, 122 d] 

§ 6. Verkleinwoorden worden gevormd door aanhech- 
ting van het achtervoegsel -^i: waojret^ «sigaret; kavaie^, 
paardje, hit: fllieta, dochtertje. [R. lOTjJ 

§ 7. Om niet- vol wassen dieren aan te duiden wordden 
samenstellingen met het wo<^*rd ytn, jong, gevormd: 
yun-kaval, veulen; ygn-raii, kikkenisje. f K. 80, S, 5:5^4) 



20 

ni. BqToeglik naamwoord. (Adyektiy.) 

§ 8. Men onderscheidt de bijvoegUke naamwoorden 
in stamwoorden en a%eleide woorden. Tot de eerste 
behoren b.v. gnuNi, groot; fasil, makkelik. [R. 12] 
De laatste worden Tan andere rededelen gevormd door 
aanhechting van een van de 6 achtervoegsels -abl^^an, 
-obTy 'idy -ik (resp. -ai), -o«. 

De bijvo^like naamwoorden op -obl hebben een 
passieve betekenis en duiden aan dat iets mogelik of 
waardig is; dit achtervo^sel wordt hoofdzakelik bij 
werkwoordelike stammen gebruikt, b.v. konpreida^Z, 
b^grijpelik; konvenoóZ, konvenabel, passend. [R. 49] 

De bijvo^like naamwoorden op -an geven een toe- 
behoren aan iets of iemand te kennen, b.v. amerikan, 
amerikaans; Bahonetan, mohammedaans. [R. 32] 

De bijvoeglike naamwoorden op -atr duiden een ge- 
lijkenis aan met de stam die zowel zelfstandig als bij- 
voeglik naamwoord kan zijn, b.v. petrotr, steenachtig; 
verdotr, groenachtig, groenig. [B. 50] 

Aanmerking. Eindigt de stam op a, dan veran- 
deren de achtervoegsels -oèZ, -anr-atr in -bl, -n, -tr, 
b.v. msian, russies (hetgeen tot Rusland behoort); 
akoatr, waterachtig, waterig. [R. 49, 32, 50] 

De uitgang nd, bij een werkwoordelike stam geplaatst, 
vormt bijvoeglike naamwoorden die een eigenschap van 
een persoon of zaak aanduiden, b.v. timtd, vreesachtig ; 
aplendui, glinsterend. [R. 135] 

De bijvoeglike naamwoorden op -o« duiden een gevuld 
zijn met of een aantal van iets aan, b.v. petros, steen- 
rijk; oleos, olierijk; lanos, wollig, van wol voorzien; 
amoros, verliefd. [R. 33] 

Het achtervoegsel -ik is het algemeen bijvoeglik achter- 
voegsel; het duidt een hoedanigheid aan en wordt ge- 
bruikt tot vorming van bijvoeglike naamwoorden, voor 



21 

welke de overige achtervo^sels -ably -caij -abr^ -id^ -o» 
w^ens hnn speciale betekenis niet geschikt lijn, b.Y. 
elektril:, elektries ; rvsiib, russies (in het rossies, rusdes 
sprekende); wmik, jaarliks; atlaatiib, atlanties ; fiurtastiik, 
fantasties; galvaail:, galvanies; hastii;, haastig; histerü;, 
histories; hoaiib, menselik; horisMtil:, horizontaal; IdeaKi, 
ideaal; ident/'ib, identiek; laaiib, wollen ; enz. [R. 31, 139] 
Eindigt de stam op ik, dan wordt de uitgang -^l in 
plaats -ih gebruikt, b.v. gmaasUkol, gymnasties; gre- 
lliatika^ grammatikaal, spraakkunstig. [R. 133] 



§ 9. De trappen van vergelijking worden gevormd 
met behulp van de bijwoorden plu, meer, voor de ver- 
grotende trap; leplu, meest, voor de overtreffende trap, 
b.v. plo grand, groter; leplu grand, grootst. [R. 123] 

,,Dan", na een vergrotende trap (de spreektaal ge- 
bruikt doorgaans „als**), wordt vertaald door ka, b.v. 
soldat 68 plu graad ka ai, de soldaat is groter dan 
(als) ik. 

„Zo— als" wordt vertaald door ial« — kuak, b.v. soldat 
es tale grand kuale ■§, de soldaat is zo groot als ik. 
[S. 42/44] 

Het bi) woord „zeer" dat vaak een bijvoeglik naam- 
woord vergezelt, wordt vertaald door ault^, b.v. muUe 
rik, zeer rijk. [S 42/44] 

§ 1 0. Het bijvoeglik naamwoord blijft onveranderd 
en wordt steeds achter het zelfetandig naamwoord ge- 
plaatst, waarbij het behoort, b.v. dom grand, het grote 
huis; llngu universai, wereldtaal, algemene verkeers- 
taal [R. 84]; patr bon, de goede vader; filia boUy de 
goede dochter; filii ban, de goede kinderen. [Gi. n.] 

§ 11. Elk bijvoeglik naamwoord kan zelfstandig wor- 
den gebruikt en wordt dan verbogen als een zelfstandig 



22 

naamwoord, b.v. beni e mali de goeden en kwaden. 
Het achtervoegsel -o wordt alleen dan aangehangen, als 
men uitdrukkelik een mannelik persoon of dier wil aan- 
wijzen; gibo« betekent „gebocheld, bultig", maar ook 
„bultenaar"; poltron betekent „laf", maar ook „lafaard", 
zonder dat men daartoe het achtervoegsel-o hoeft te bezi- 
gen [R . 1 32] ; JtaitaTia, Italiaanse. [R. 35] 

§ 12. Om van een bijvoeglik naamwoord een werk- 
woord te vormen, mag men geen gebruik maken van 
de algemeen werkwoordelike achtervoegsels; voor de 
duidelikheid gebruike men, óf het werkwoord B^ar, zijn, 
óf een van de achtervoegsels -ifikar of -eskar, b . v. tsar 
san, gezond zijn ; samfikar, gezond maken ; wkneskar^ ge- 
zond worden. [R. i21] 



IVe Telwoord. (Numerativ.) 

§ 13. Bij de hoofdtelwoorden (numerativi kardinal) 
onderscheidt men de volgende stamwoorden [R. 80, 128] : 



nul. 


7 sept. 


1 un. 


8 okt. 


2 du. 


9 nov. 


3 tri. 


10 des. 


4 kuatr. 


100 sent. 


5 kuink. 


1.000 mil. 


6 seks. 


1.000.000 miiion. 


4.000.000.000 bilion, ned. : duizend millioen, milliard 


1.000.000.000.000 trilion, » ibillioen. 


1.000.000.000.000.000 kuadrilion, ï> : duizend billioen. 


1.000.000.000.000.000.000 kuintilion, » itrillioen. 


In het nederlands. 


evenals in het duits, verstaat 


men onder „billioen" 


(1.000.000)2, onder „triUioen" 



23 



(1.000.000)' enz. De neutrale taal gebruikt deze woor- 
den echter in de zin die er in het fnins en engels aan 
wordt gegeven. 

De overige hoofdtelwoorden worden gevormd door 
samenstelling, zoals blijkt uit: 



il desHii. 

12 desdu. 

13 destri. 



200 dttsent. 
300 trisent 
600 sekssent. 



20 dudes. 
30 trides. 
40 kuatrdes. 



1001 niil un. 
1020 mil dudes. 
1300 mil trisent. 



21 dudesun. 
32 tridesdu. 
46 kuatrdesseks. 



2000 du mil. 
10.000 des mil. 
20.000 dudes mii. 



101 sent un. 
120 sent dudes. 
173 sent septdestri. 



2.000.000 du miiion. 
300.000.000 trisent miiion. 



25.768.194 dudeskuink miiion septsent seksdesokt 
mii unsent novdeskuatr. 



Uit de gegeven voorbeelden kan men zien: 

io. dat des steeds met andere telwoorden, zowel 
voorafgaande als volgende, tot één woord verbonden 
wordt ; 

2o . dat sent alleen verbonden wordt met het telwoord 
dat voorafgaat; 

3o. dat de grotere stam woorden mil, miiion, biiion 
enz. steeds geïsoleerd blijven. 



24 

§ 14. De rangtelwoorden (numeratlvt ordinal) worden 
gevormd door achter het hoofdtelwoord, namelik achter 
het laatste woord daarvan, de uitgang -im te plaatsen . 
*tl8 echter geoorloofd de tussen haakJes staande, zeer 
bekende stam woorden te gebruiken, [li. 81 J 

1. unint (prim), eerste. 7. aeptim, zevende. 

2. dutm (aekund), tweede. 8. oktim (oktav), achtste. 

3. tritm (ters), derde. 0. novim, negende. 

4. kuatrim (kuart), vierde. 10. desim, tiende. 

6. kulnktm (kuint), vyfde. 12. desdutm, twaalfde. 
6. aekaim (aekst), zesde. 30. trideaim, dertigste. 
100. aenttm, honderdste. 
120. aent dudeaim, honderd twintigste. 
325. triaent dudeskuinktm, driehonderd v\jfen- 

twintigste. 
1000. milim, duizendste. 
1.000.000. mlilonim, millioenste. 

Men mag een hoofdtelwoord in plaats van een rang- 
telwoord gebruiken, indien uit de betekenis biykt dat 
men niet van een hoofdtelwoord spreekt, b.v. paragraf 
dea, paragraaf tien; pagin triaent dudeskulnk, bladz\j 
driehonderd vyfentwintig. [II. 81] Zoals men ziet, 
neemt in dit geval het hoofdtelwoord de plaats in van 
het rangtelwoord, namelik achter het zelfstandig 
naamwoord (zie § 19). 

§ 15. Ons „-voudig** of „-dubber* (numeratlvi mul- 
tipilkatlv) wordt weergegeven door achter het hoofd- 
telwoord, namelik achter het laatste woord daarvan 
het achtervoegsel -upl te plaatsen, 't Is ecJiter geoor- 
loofd de tussen haakjes staande, zeer bekende stam- 
woorden te bezigen. 

1. unupl (simpi), enkel. 

2. iuupl (dupl), dubbel, tweevoudig. 



25 

3. Wupl (tripl)* drieToodig, driedubbel. 

4. kmaintpL Tienroadig, Ti^^abbel. 

105. sert ioriikttpi, honderd njfroiidig. [R. 92] 
Aanmerking. Hel achtervoegsel -^tpl wordt ook 
by het woord WÊÊÊkj veel, gebniikt, b.T. MÉtupl, vee]- 
▼oadig, menigmldig. [R. §ï] 

§ 16. Een vorm als ,,twee aan twee** (■■■erithfi 
dmribativ} wordt vertaald door het hoofdtelwoord met 
het voorzetsel a, aan, er vöör b.v. 1. a m, een voor 
een; 2. a <■, twee aan twee; enz. [S. 20/28,42/44] 

% 17. Ons„.maal" (■w u r m tlvt itsrativ) wordt weer- 
g^even door achter het hoofd- of achter het rangiel- 
woord, namelik achter het laatste woord daarvan, het 
achtervoegsel -foa te plaatsen. 

1 . mfoa, eenmaal. 

2. du/ba, tweemaal. 
1000. nil/bo, duizendmaal. 

i. prim/oa, (voor) de eerste maal. 
139. sent tridasnovtm/oa, (voor) de honderd 
negenendertigste maal. [R. 83] 
Aanmerking. Het achtervoegsel -foa wordt ook 
bi} andere woorden gebruikt, b.v. nittlt/oa, menigmaal; 
ultim/oa, (voor) de laatste maal; enz. [R. 83] 

§ 18. Breuken (frakslont) worden gevormd door een 
hoofdtelwoord (voor de teller), gevolgd door een rang- 
telwoord (voor de noemer), b.v. 

Vi un sekund of un demi. 



Vi 


du terst. 


0.2 


du desimi. 


0.03 


tri sentiwi. 


Vm 


du unsent novimi. 


0.007 sept ïïAMmi. 



Wordt een hoofdtelwoord in verbinding met een breuk 
gebruikt, dan bezigt men het voegwoord e, en, b.v. 
3V4 tri e un kuart. 

TT = 3,14159... tri totait e un kuatr un kuink nov e setri. 
0.145... nul totali e un kuatr kuink e setri. [R. 85] 

§ 19. Hoofdtelwoorden en breuken worden steeds 
vóór het zelfstandig naamwoord geplaatst, waarbij ze 
behoren, b.v. du ministK, twee ministers; mil oktsent 
novdesseks anuf, achttienhonderd zesennegentig jaren; 
tri kuarti metr, drie kwart meter. 

De overige telwoorden worden steeds achter het 
zelfstandig naamwoord, resp. werkwoord, geplaatst, 
waarbij ze behoren, b.v. paragraf sekund, de tweede 
paragraaf; pagin trisent dudeskuinkm, de driehonderd 
vijfentwintigste bladzij; plesir dupl, een dubbel genoe- 
gen; nol andat; a du, wij gingen twee aan twee; mi 
klamaT; tri/*oa, ik riep driemaal. [R. 84] 

§ 20. Wil men zeggen „ten eerste, ten tweede" 
(adverbi numerativ), dan plaatst men het bijwoordelik 
achtervoegsel -e achter het rangtelwoord, b.v. l.primé; 
2. sekundé; enz. [S. 29/33] 

§ 21. Werkwoorden als ,, vereenvoudigen, verdubbe- 
len" (verbi numerativ) worden gevormd door achter de 
vermenigvuldigingstelwoorden van § 15 het achtervoegsel 
'ifihar te plaatsen, b.v. simpli/iArar, dupli^ A;ar enz. [R. 52] 

§ 22. De datum wordt als volgt aangegeven : in diurn 
tridesim de mens yuli de anu mil novsenttm po nat de 
Krist, wat gewoonlik met weglating van de niet-vet 
gedrukte letters en zelfs van het woord in wordt afge- 
kort tot: trldesm yuli mil novsent, 30 Julie 1900. 

De twaalf maanden heten : yanuar, februar, mars, april, 
mai, yuni,yuli, august, septembr, oktobr, novembr, desembr. 



27 

De zeven weekdagen heten: soldi, Zondag; lundi, 
Maandag; raarsdi, Dinsdag; merkurdi, Woensdag ; yovdl. 
Donderdag; vondrdi, Vrijdag; saturndi, Zaterdag. [R. 100] 

De vier jaargetijden heten : florotemp, lente ; termotemp, 
zomer; fruktotemp, herfst; frigotemp, winter. 

§ 23. Om te zeggen hoe laat het is, bezigt men 
vormen ais de volgende : [It es] hor tri e un kuart, het 
is kwart over drie; hor tri e des minutt, drie uur tien; 
hor tri e kiiinkdeskuatr [minutt], zes minuten voor vier. 



V. Voornaamwoord. (Pronom.) 

§ 24.Persoonlik voornaamwoord. (Pr. personal.)[R.122] 



1. 


mi 


ik, 'k. 




noi 


wij, 


we. 






2. 


vo 


jij. je; 


u; gij, ge. 


voi 


jullie, jelui ; 


u; gij, ge. 




ii 


hij, ie. 




ilt 










3. 


ila 
it 


zij, ze. 
het, 't. 


on 


Wai 
\\i 

men. 


zij, 


ze. 








Het wederkerend, persoonlik voornaamwoord 


(pr. 


per- 


sonal refleksiv) 


is se, zich. 













§ 25. Indien men tegen één persoon spreekt, gebruikt 
men steeds het enkelvoudig voornaamwoord vo. 

Aanmerking. Er bestaat nog een ander voornaam- 
woord voor de 2e persoon enkelvoud, namelik tu; dit 
wordt alleen gebruikt voor de woordelike vertaling — 
indien die bepaald geëist wordt — van de voornaam- 
woorden thou e, tu f, du d, tu s i en tüy r. [R. 79] 

§ 26. Voor het gebruik van de voornaamwoorden 11, 
ila en it gelden de volgende regels: 

il wordt gebruikt, wanneer men zonder geslacht s- 



28 

onderscheiding over personen en dieren spreekt, of 
wanneer men spreekt over mannelike personen en 
dieren ; 

\la wordt gebruikt, wanneer men spreekt over v r o u- 
welike personen en dieren; 

it wordt gebruikt, wanneer men over begrippen spreekt 
die noch personen noch dieren aangeven. 

De meervoudsvorm iiot wordt alleen dan gebruikt, 
als men speciaal over vrouwelike personen en dieren 
spreekt; in de overige gevallen is de meervoudsvorm 
\li. [R. 122] 

§ 27. Het voornaamwoord it, gevolgd door een bijvoeg- 
lik naamwoord of door een deelwoord, wordt gebruikt 
tot aanduiding van iets onbepaalds, b.v. it bel, het schone ; 
it bon, het goede; it lelcted, het gelezene. [R. 122] 

§ 28. De betekenis van een voornaamwoord (en ook 
van een zelfstandig naamwoord) kan worden versterkt 
door het gebruik van het voornaamwoord aut. zelf, b.v. mi 
aut, ik zelf; vo aut, jij zelf; direictor aut, ae direkteur 
zelf. [R. 122] 

§ 29. De persoonlike voornaamwoorden (en verder 
alle overige zelfstandig gebruikte voornaamwoorden) wor- 
den evenals de zelfstandige naamwoorden verbogen met 
behulp van de voorzetsels de en a, b.v. 



1. 


mi. 


1. 


VOi. 


2. 


de mL 


2. 


de voi. 


3. 


a mi; soms: mi. 


3. 


a voi; soms: voi 


4. 


ml. 


4. 


voi. [R. 122] 



§ 30. Bezittelik voornaamwoord. (Pr. posesiv.) 

1. mie mijn, m'n. nostr onze, ons. 

2. votr je, jouw; uw. vostr jullie, jelui; uw. 

3. sie zijn, z'n; haar, 'r,d'r. lor hun, *r, d'r. 



!29 



Het wederkerend bezittelik voornaamwoord (pr. posesiv 
refleksiv) is sue, zijn (eigen), haar (eigen), hun (eigen); 
8116 vervangt sie en lor, indien het voornaamwoord be- 
trekking heeft op het onderwerp van de zin, waarin 
het voorkomt, b.v. Fellx am »ue soror, Felix houdt 
van zijn (eigen) zuster; Felix am sie soror, Felix houdt 
van zijn zuster (van een ander). [S. 31/36] 

Het bij tu behorende bezittelik voornaamwoord is tue ; 
het wordt even zeldzaam gebruikt. [R. 79] 

§ 31. De bezittelike voornaamwoorden en in 't alge- 
meen alle voornaamwoorden die zelfstandige naamwoor- 
den vergezellen, worden steeds vóór het zelfstandig 
naamwoord geplaatst, b.v. mie dom, mijn huis;i8t8lr- 
kuiar, deze cirkulaire; kei tabi ? welke tafel ? kuant homt ? 
hoeveel mensen? kelk parolt, enige woorden; omni 
lingut, alle talen. [R. 84] 

De bezittelike voornaamwoorden kunnen ook zelfstan- 
dig worden gebruikt, b.v. el llbr 68 mie ^), dat boek 
is het mijne. In dat geval worden ze, zoals reeds 
in § 29 werd gezegd, verbogen met behulp van de en a. 

Bijvoeglik gebruikt blijven zij onveranderd, b.v. mie 
fliio, mijn zoon; mie fliia, mijn dochter. 

§ 32. Aanwijzend voornaamwoord. (Pr. demonstrativ.) ^) 



iat deze, dit. 

el die, dat, gene. 

tel degene, diegene, 

diè, dat. 
el aem dezelfde, hetzelfde. 
yu8t6 el aem juist dezelfde, juist 

hetzelfde . 



i8t-k08 

el-ko8 
tel-ko8 



dit. 
dat. 
datgene . 



it sem hetzelfde. 

yu8t6 it sem juist het- 
zelfde. 



*) Natuurlik is het verkieselik gewoonweg te zeggen: el libr es de xni. 

*) Hier zfln inbegrepen enkele voornaamwoorden die in het nedert 
lands bepaling-aankondigend worden genoemd. 



30 

in geval de voornaamwoorden ist en ei zelfstandig 
worden gebruikt^ kunnen zij het mannelik achtervoegsel 
-o en liet vrouwelik -a aannenoen, zo men in het 
biezonder het geslacht van personen of dieren wil aan- 
duiden, b.v. Ista, elo. [S. 42/44, 46/48, R. 122] Ook 
kunnen ist en el, zelfstandig gebruikt, voor het meer- 
voud -» aannemen, 

Ist-kos, el-kos, tei-koe, it een en yuste it sem kunnen 
alleen zelfstandig woixien gebruikt, de overige aanwij- 
zende voornaamwoorden zowel zelfstandig als bij voeglik. 

Voorbeelden, 

Ekse dtt oflsir»; ist es kolonel, el es leutenaat Zie- 
hier twee officieren; deze is kolonel, die is luitenant. 

Ist knvaly dit paard. El kaval, dat paard. 

Eske vo koaos ist du personi? Ken je deze twee 
pei^onen ? 

SI, ist es patr de ela . Ja, deze is de vader van die (vrouw). 

Dit YoorlKvld, h(.>ewt?l graBaiaatikaal juist, is wat .a:ewroD^eu. In de 
rv^el zal lu^u zeggeu: si» Isit eei pAtr de el sizxioru. 

Ist siaior e ei slniara. Deze heer en die dame. 
Ist siaori e ei siaiorai Deze heren en die dames. 
Tel, kei av iiked It, es aieatia^ar. Degene die dat 

gezegd heeft, is een leugenaar. 

Tel radik es lepla boa, kei . . . Dié stam is de beste die. . . 

Tel laad es lepl« salabr, kei... Dat land is het ge- 
zondste dat . . . 

I$t litir es tel de Bie kanarad. Dit is het boek van 
mijn kameraad. 

tl saai lioika. Dezelfde polka. 

Yitst« ei saai noika. Juist dezeilde polka. 

El saai pulvr. Hetzelfde poeder. 

Yast6 el saai pulvr. Juist hetzelfde poeder. 
. El irerson es el saai, kei aM av vis^^c^ ya. Die persoon 
is dezelfde die ik al gezien heb. 



34 

Karl av libr bel, mi av it sem. Karl heeft een mooi 
boek, ik bezit hetzelfde (boek). 

§ 33. Vragend en te gelijk betrekkelik voornaamwoord. 
(Pr. interogativ e simultane reiativ.) 

ki? e ki wie? en wie. kei? e kei welke? welk? en 

A^kos? e kekos wat? én wat. die, dat, welke, hetwelk. 

Het voornaamwoord ki wordt gebruikt voor personen, 
kekos voor de overige begrippen. [R. 122] 

Deze voornaamwoorden worden als de zelfstandige 
naamwoorden met behulp van de voorzetsels de en a 
verbogen, terwijl kei ook de meervouds -i aanneemt: 
keli. Wil men het geslacht van personen en dieren doen 
uitkomen, dan kan men aan kei de achtervoegsels -o 
en -a hechten, b.v. matr de ist sinior, kela veniav a 
mi, de moeder van deze heer die (nl. de moeder) bij 
me kwam. 

Kei kan ook bijvoeglik worden gebruikt en blijft dan 
altijd onveranderd, b.v. kei sinior es votr fratr? welke 
heer is uw broer? kei siniora es votr matr? welke 
dame is uw moeder? Ki en kekos kunnen alleen zelf- 
standig worden gebruikt. [S. 42/44] 

Voorbeelden. 

Ki av iSiSied it? Wie heeft het gedaan? 

Ml desir konosar, ki av fasi^c^ it. Ik wens te weten 
wie het gedaan heeft. 

^ekos il dik? Wat zegt ie? 

Mi desir konosar, kekos il dik. Ik wens te weten wat 
ie zegt. 

Kekos es dik^c^, no es ver. Wat gezegd wordt, is niet 
waar. 

Mie fili es maiad, kekos no es agreabl. Mijn kind is 
ziek, wat niet aangenaam is. 



3'2 

Kei de iet einlort vo konoe? Welke van deze heren 
ken ie? 

Kei de ei sinlorai venlerof Welke van die dames zal 
komen ? 

Hier wordt niet de vorm kela ffebrulkt. I>Ht 1h overbodig, omdat 
men uitHluiUmd over damen npreokt, ssodnt er «een kan» beitaat op 
verwarring. 

Kei dom 7 Welk huis? 

Amik, kei am noi. De vriend die ons liefheeft. 

Amik, kei noi am. De vriend die wy liefhebben. 

Siniora, kef mi am. De dame die ik liefheb. 

No obllvia soror de let hom, a kela vo deM omnl-kos. 
Vergeet de zuster van die man niet, aan wie je alles 
schuldig bent. 

Slnioroi, a kelt vo ekrib. De dames aan wie je schryfi. 

Ekse kavaly kei ml volu donar a vo. Ziehier het paard 
dat ik je wil geven. 

Ml lojl In hotel, In kei vo av lojl^d anterlord. Ik 
logeer in het hotel, waarin jij vroeger hebt gelogeerd. 

Kei de el tabit vo eelekt? Welke van die tafels kiest u? 

8tul, In kei vo eed. De stoel waarin u zit. 

§ 34. Onbepaald voornaamwoord. (Pr. Indeflnlt.) 

kelk, enig. omnl-hom, iedereen, elkeen. 

kelk-hom, iemand. omnI &ekoe, wat ook, al wat. 

kelk-koe, iets, wat. omnI kl, wie ook, al wie. 

kelk-un, een of ander. omnl-kos, alles. 

nohom, niemand. otr, ander. 

nokos, niets, niemendal. otr-kos, iets anders. 

noun, geen. eert, zeker, gewis, bepaald, 
omnI (gevolgd door een en- stellig. 

voud), ieder, elk. sert-kos, een zeker iets. 

omnI (gevolgd door een un...otr, de ene... de andere. 

meervoud), alle. unotr, elkander, elkaar. 
omnI du, beide. 



33 

De voornaamwoorden kelk, omni, otr, sert en un . . . 

otr kunnen zelfstandig en bijvoeglik worden gebruikt. 

De zelfstandig gebruikte voornaamwoorden worden 
verbogen met behulp van de en a, en het achtervoegsel 
-i voor het meervoud. Deze voornaamwoorden kunnen 
-o en -a aannemen, indien het geslacht moet worden 
aangeduid. [R. 1221 

De voornaamwoorden otr en sert kunnen het bijwoor- 
delik achtervoegsel -« krijgen en betekenen dan: otre, 
anders; serté, zeker, gewis, bepaald, stellig. [S. 27/32, 
42/44] 

§ 35. Korrelatief voornaamwoord. (Pr. korelativ.) 

kual? wat voor een? tal zulk, dergelijk, dus- 

danig, zodanig. 
kuant? hoeveel? tant zoveel. 

Deze voornaamwoorden kunnen het bijwoordelik ach- 
tervoegsel -e aannemen en betekenen dan: 
kualé? hoe? tal« zo, aldus. 

kuanté? hoezeer? tante zoveel, zozeer, der- 

mate. [S. 42/44] 



VI. Werkwoord. (Verb.) 

§ 36. Er bestaat in de neutrale taal slechts één ver- 
voeging voor alle werkwoorden 

De aantonende wijs heeft de volgende 6 tijden: 

firesent onvoltooid tegenwoordige tijd. 

mperfekt onvoltooid verleden tijd. 

perfekt voltooid tegenwoordige tijd. 

piuskuamperfekt voltooid verleden tijd. 
futur onvoltooid toekomende tijd. 

futur perfekt voltooid toekomende tijd. 



34 

§ 37. De onvoltooid tegenwoordige tijd van de be- 
drijvende vorm (aktiv) wordt eenvoudig gevormd door 
de stam van het werkwoord en is alleen kenbaar aan 
de plaats die het werkwoord in de zin inneemt, en wel 
achter het onderwerp, b.v. mi am, ik bemin; infant 
dorm, het kind slaapt. [R. 61] 

De vorm van de onvoltooid tegenwoordige tijd, zowel 
als van alle andere tijden van de aantonende wijs (indi- 
Icativ) en voorwaardelike wijs (Icondisional), is onafhan- 
kelik van geslacht, persoon en getal van het onderwerp, 
dat wil zeggen blijft steeds onveranderd [R. 59], b.v. 
mi am ik bemin. noi am wij beminnen. 

vo am jij (u, gij) bemint, ven am jullie (u, gij) be- 
minnen (bemint). 
il am hij bemint. Wi am zij beminnen. 

iia am zij bemint. iiai am zij beminnen. 

it am het bemint. on am men bemint. 

§ 38. De onvoltooid verleden tijd wordt gevormd door 
aan de stam het achtervoegsel -av te hechten [R.87]. b.v. 
mi amav, ik beminde. 
De onvoltooid toekomende tijd wordt gevormd door 
aanhechting van het achtervoegsel -ero [R. 88], b.v. 
mi amero, ik zal beminnen. 

§ 39. Op dezelfde wijze vormt men deze 3 tijden 
bij alle overige werkwoorden, ook bij de werkwoorden 
avar, hebben, en esar, zijn, die als hulpwerkwoorden 
(verlii auksiliar) voor de vorming van de andere tijden 
worden gebruikt, dus: 

mi av, ik heb. 
mi es, ik ben. 
mi ayav, ik had. mi av(5ro, ik zal hebben. 

mi esat?, ik was. mi esero, ik zal zijn. 

Het deelwoord van de lijdende vorm — in het neder- 



35 

lands zegt men: verleden deelwoord — dat ook ge- 
bezigd wordt voor de vorming van enige andere tijden, 
gaat steeds uit op -ed [R. 94], b.v. 

axned, bemind. Bved, gehad. Bsed, geweest. 

§ 40. De voltooid tegenwoordige tijd, voltooid ver- 
leden tijd en voltooid toekomende tijd van de bedr^- 
vende vorm [R. 71, 95] worden samengesteld uit het 
hulpwerkwoord avar met het deelwoord van de lijdende 
vorm van het betrokken werkwoord, en wel gebruikt 
men voor de vorming van 

a) de voltooid tegenwoordige tijd de onvoltooid 
tegenwoordige tijd van avar, b.v. 

mi av Bimed, ik heb bemind. 

b) de voltooid verleden tijd de onvoltooid verleden 
tijd van avar, b.v. 

mi syav amecK, ik had bemind. 

c) de voltooid toekomende tijd de onvoltooid toe- 
komende tijd van avar, b.v. 

mi syero am^ti, ik zal bemind hebben. 

§ 44. Om de onvoltooide tijd van de voorwaardelike 
wijs — men noemt dit in de nederlandse spraakkunst : 
onvoltooid toekomende verleden tijd — te vormen, hecht 
men het achtervoegsel -erio aan de stam, b . v . 
mi amerto, ik zou beminnen. [R. 96] 

§ 42. Om de voltooide tijd van de voorwaardelike 
wijs — men noemt dit in de nederlandse spraakkunst: 
voltooid toekomende verleden tijd — te vormen, gebruikt 
men de onvoltooide tijd van de voorwaardelike wijs van 
het hulpwerkwoord avar met het deelwoord van de 
lijdende vorm van het betrokken werkwoord, b.v. 
mi avmo amed, ik zou bemind hebben. [R. 73] 

§ 43. De aan voegende wijs (subyunictiv) heeft dezelfde 



36 

vorm als de voorwaardelike wijs en wordt gebruikt in 
voorwaardelike bijzinnen met het voegwoord if, indien 
de uitgesproken voorwaarde wordt beschouwd als niet 
te zijn vervuld, b . v . mi akuirerio dom, if mi Bserio riic , 
ik zou een huis kopen, indien ik rijk ware. 

Aanmerking. In bijzinnen met het voegwoord ice, 
dat, wordt niet de aanvoegende, maar de aantonende 
wijs gebezigd, b.v. on diic, ice ii ea malad, men zegt 
dat hij ziek is (d: man sagt, ,,dass er krank sei" oder 
„er sei krank"). [R. 74] Het voegwoord ke, dat, mag 
niet worden weggelaten, gelijk in onze taal wel eens 
in slordige briefstijl gebeurt. 

§ 44. Men vormt de gebiedende wijs (imperativ) door 
aan de werkwoordelike stam de volgende achtervoeg- 
sels te hechten: 

a) voor de 2e persoon enkelvoud -a, b.v. ama I bemin I 

b) » » 2e )) meervoud -ate, » amatel bemint I 

c) ï) » 4e » meervoud -aw, » amowllaat ons 

beminnen I 
Voor de 3e persoon gebruikt men het voegwoord ke, 
dat, b.v. [mi komand, mi demand, mi desir] ke il (\li) 
am Thij beminne (zij beminnen)! ke Nederiandia viv! leve 
Nederland 1 ke Leon de Fiandrm viv ! leve de Leeuw van 
Vlaanderen 1 [R. 75] 

§ 45. Het algemeen achtervoegsel voor de onbepaalde 
wijs (infinitiv) is -arj b.v. 

amar, beminnen. [R. 36] 

I 46. De onbepaalde wijs van de verleden tijd kan^ 
indien de betekenis van de zin het bepaald eist — het- 
geen zelden voorkomt — worden gevormd door het 
achtervoegsel -avar, of door de onbepaalde wijs van 
het hulpwerkwoord avar met het deelwoord van de lij- 
dende vorm van het betrokken werkwoord, b.v. amavar 
of avar am^c^, bemind hebben. [R. 91] 



:^ 






I ^. Hes ji^esie» «cr.t«arvooc$^l t^vmt h^ 3<^^v(\v>«>i 
teeenwoc^rdig deelwoord — i$ wi*fs Kt, 



§ 4S. Het deelwoord vsui de v^H^ien tivi vroixh <ï^ 
Tormd doM- het achterTv«sel -«tfvr^ of dvv^r h<*t d<^U 
woord Tan het hulpwerkwoord av^rr met het d«v)>A\H>rd 
Tan de Igdende P9nn Tan het betrokken vr^^rkwvv^i\i« b.t. 
wmtopomi of want wmeit bemind hebbende. (R.^)| 
Het deelwoord Tan de toekomende t^jd WK^rdt ^torn^d 
door het achtenro^isel -^rami. b.T. 

nmarinL mllende beminnen, ook: iemand die 
zal beminnen. [It 90] 



§ i9. Het deelwoordelik bijwoord (advtlil ptrtlsipiib) 
wordt gevormd door het bywoordeiik aohterTi>egsol -f 
aan het deelwoord te hechten, Kv. 

BManiey (al) beminnende. 
rtéarUe^ (al) lachende. [H. 58) 

§ 50. De aantonende, voorwaardelike, gebiodendo en 
onbepaalde wijs van de liidende vorm (paslv') woixlon 
samengesteld uit de bedrijvende vorm van hot hulp- 
werkwoord 68ar, zijn, met het deelwoord van do lydonde 
vorm van het betrokken werkwoord, b.v. 

Indikativ. 
Present: mi ea wmed ik word heiiiind. 

Imperfekt: ml esav ^med ik werd bemind. 

Perfekt: m\ av esed timed ik ben bemind gowoniiMi 

Pluskuamperfekt: m\ avav esed mned ik was bemind gowonloii 



38 



Futur: 

Futur perfekt: 



Present : 
Temp pased: 



ml esero amed ik zal bemind worden. 
mi avero eaed amed ik zal bemind geworden 

TCondisional. ^ 

mi eserio amed ik zou bemind worden. 
mi averio esedeimed ik zou bemind geworden 



Imperativ. 



zijn. 



Pers. 2i^ sing. : 
Pers. 2*^ plur. : 
Pers. 11™ plur.: 



eaa SLtnedl word bemind I 
esate SLtnedl wordt bemind I 
esam enned ! laat ons bemind worden l 

Infmitiv. 

eaar amed bemind worden. [R. 76] 

§ 51. Het deelwoord van de lijdende vorm — in het 
nederlands zegt men: verleden deelwoord — wordt, 
zoals reeds in § 39 gezegd is, gevormd door -erachter 
aan de stam te hechten, b.v. 

enned, bemind. 
Het deelwoord van de verleden tijd wordt gevormd 
met -aved, dat van de toekomende tijd met -ered, b.v. 
wmaved, bemind geworden zijnde, ook: iemand die 

bemind is geworden. 
eimej'ed, zullende bemind worden, ook: iemand die 
bemind zal worden. [R. 94] 

§ 52. Het gerundivum (gerundiv) wordt gevormd door 
het achtervoegsel -and, b.v. 

amanc^, moetende bemind worden, ook: iemand die 
bemind moet worden. [R. 97] 

§ 53. De volgende tabel geeft een overzicht van de 
vervoeging van het werkwoord amar, beminnen. 





Aktiv. 


Pasiv. 


Present: 

Imperfekt : 

Perfekt: 

Pluskuamperfekt ; 

Futur : 

Futur perfekt: 


a) Indikativ. 
mi am. 

mi amat;. 
mi av ejned. 
: mi avav amed. mi 
mi amero. 
mi avero amec^. mi 

b) Kondisional. 


mi es amec^. 

mi esav ejned, 

mi av esed amecZ. 

avav Bsed amec^. 

mi esero amec2. 

avero esed amec^. 


Present : 
Temp pased: 


mi amerio. 

mi avertoamed. mi 


mi eserio amed. 
averto esed amec^. 


Pers. 2^"^ sing.: 
Pers. 2^^ plur.: 
Pers. i^^ plur.: 


c) Imperativ. 

amal 
ama^e ! 
mnaml 

d) Infinitiv. 


esa amedl 
esate amec^I 
esam eanedl 




amar. 


esar amed. 




e) Partisip. 
amant. 


amed. 




f) Gerundiv. 





amanc^. 

Volgens dit schema kunnen nu, zonder uitzondering, 
alle werkwoorden worden vervoegd, dat wil zeggen de 
stam am kan met elke andere werkwoordelike stam 
worden verwisseld ; ook kan het voornaamwoord ml door 
elk ander onderwerp worden vervangen, b.v. mi skrib^ 
ik schrijf; vo audiat?, jij hoorde; ii av oieec^, hij heeft 
geolied ; voi avav voluedy jullie hadden gewild; noi andero, 
wij zullen gaan; it avero esed dikec^, het zal gezegd zijn 
geworden; paya! betaal I enz. 



40 

§ 54. Bij onpersoonlike werkwoorden wordt het voor- 
naamwoord it, het, als onderwerp gebruikt, b.v. 
it piuvi, het regent . it fulmin, het bliksemt. [R. 78] 

§ 55. De wederkerende werkwoorden (verbt refleksiv) 
worden overeenkomstig de volgende regels vervoegd 
[R. 98]: 

a) voor de Ie en 2e persoon, enkel- en meervoud, 
van de aantonende, voorwaardelike en gebiedende wijs 
wordt het persoonlik voornaamwoord dat overeenkomt 
met het onderwerp [mi, vo, nol, vol], achter het werk- 
woord gebruikt, b.v. 

mi lav mi ik was me. 
YO lav vo jij wast je. 
nol lav noi wij wassen ons. 
mi e mie fratr vis noi In miror ik en mijn broer zien 

ons zelf in de spiegel. 
mi iavmo mi ik zou me wassen. 
lava vol was jel 
\Byate voil wast u! 
lavam rwil laten wij ons wassen I 

b) in de overige gevallen wordt het voornaamwoord 
86 achter het werkwoord gebruikt, b.v. 

il lav se hij wast zich. 

femini lav se vrouwen wassen zich. 

lavar se zich vsrassen. 

leLVant se zich wassende. 

^ 56. Het begrip der wederkerigheid wordt aange- 
duid door het voornaamwoord unotr, elkaar, of door het 
bijwoord reslprok^, wederkerig, b.v. 




-^ -rfl —^ --^ .«"i II »>- ? * H- ïn.i 
► . 1 ^ 

«•- i! pis a HA. A ^^*ei: nw»: r i»-»: i. ^? ---.ï. 
Tak nes ■¥öbfw.».»'t: mIb w**^: jr^ \-iMïr**,v^rc ^rs-»; 

A ii il 1» «ar m taAr? li« vif^ m-*^ r. :t, ,^f :ïch>M;>* S,;-x "'' 
Kaami artari «b ■ viAr InrtT H.>^vi^' K.r.^^r, ïv^Y) <^^ 

ir. «im i^:ïi * 
Kwami pÊnM wm ar skriMIT HvVt^ WvWAim >h^^ y 



§ 58. De ligwoordeo worden r^ixie^M Jn ^nnw\>>Hx<^ 
den en a%eleide woorden. 

§ 59. Stam woorden xijn [S. 4.>'44|: 
ankor, nog. ipse, xeltk 

bene, wel, goed. *) KiMSi, bünn. h\jk}U)s, n^v^'^'- 

denove,opnieuw, weder, weer, noeg» )miist« Hohioi\ \\\\\m, 
ergo, bijgevolg, dus. la, daar, k\v»Ki« 

gratis, gratis, kosteloos. lepliiy moest. 



') In het nederlands heeft het bywoonl v»mk ilo*t>HUr viMtn \\\* IhM 

jvoeglik naamwoord, b.v. goed 
neutrale taal worden bijvoeKÜk 
elkaar onderschelder 
babi, probable. 



bijvoeglik naamwoord, b.v. goed, herhnnldeHk, NM\i\rwi'lü|nll)< In ib» 
neutrale taal worden bijvoeglik n»uinnvnord t«n bUN>«uit'ii «hruK uiii 
elkaar onderscheiden : bon, bene; tVekuont, iVsUttfUttr , jmm» 



42 



minu, minder. 

no, nee(n), niet. 

plu, meer. 

respektive, respektievelik. 

retro, terug. 



si, ja. 

sirka, rondom, in de rondte, 
cirka, ongeveer, omtrent, 
tro, te, al te. omstreeks. 
ya, reeds, al. 



§ 60. De overige bijwoorden zijn afgeleid, en wel 
door aan andere rededelen of stamwoorden het achter- 
voegsel -e te hechten [R. 37], b.v. 



anteriore, vroeger, voor, voor- 
aan, vooraf. 

dekstr^, rechts. 

doiüé, thuis, te huis. 

eksterior^, uitwendig, uiter- 
lik, buiten. 

e nome, en wel, namelik. 

este, in het oosten, oostelik. 

fakté, feitelik, inderdaad. 

flnié, eindelik, ten slotte, ten 
laatste. 

frekuente,vaak, dikwels, dik- 
werf, herhaaldelik. 

inferior^, beneden. 

interiore, inwendig, binnen. 

kelk-loké, ergens. 

kontinué, bestendig, gestadig, 
voortdurend, aanhoudend. 

kontré, te gemoet, tegenover. 

lenté^ langzaam. 

memorie, uit het hoofd. 

muité, veel, zeer, heel. 

noktué, 's nachts, bij nacht. 

Tiokuande, nooit, nimmer. 

noloke, nergens. 



nordê, in het noorden, noor- 
delik. 

obstine, desniettegenstaan- 

pede, te voet. (de. 

pen6, met moeite, nauwe- 
liks, ternauwernood. 

po-breve, binnenkort, spoe- 
dig, weldra. 

poslble, misschien, wellicht, 
mogelik. 

posteriore, posterieur, later, 
achter, achteraan. 

probable, waarschijnlik. 

rare, zelden. 

sempre, altijd, immer. 

serte, zeker, gewis, bepaald, 
stellig. 

setre, overigens. 

didiurne, vandaag, heden. 

^ikause, hierom, derhalve. 

^loke, hier. 

sinistre, links. 

sitempe, nu, tans, tegen- 
woordig. 

sole, alleen, slechts, maar. 



43 



sudé, in het zuiden, zuidelik. te\oke, daar, ginder, ginds. 
8ue-temp6, te zijner tijd, bij- totale, totaal, in 't geheel, 

tijds. geheel en al. 

suflsé, genoeg, tamelik. ueste, in het westen, weste- 

superiore, boven, omhoog. lik. 

tak, zo, aldus. ulteriore, aan gene zijde, 

tekeiU^, daarom, om die verder. 

reden . 

Aanmerking. Voor de bijwoorden op -foa zie 
men hoofdstuk IV, § 17 (herhalingstelwoorden). 

§ 61. Bevragende bijwoorden (adverbi interogativ) die 
ook betrekkelik kunnen worden gebruikt [S. 42/44], zijn : 



kefttkwïAe? hoe dikwels? 
A^kausa? waarom? 
kel/oa? welke keer? 
kelim/ort ? de hoeveelste keer 

(maal)? 
ke\oke? A;6plas6 ? waar ? 



kemeLfiWe ?op welke manier 

l wijze)? 
kuale ? hoe ? als (gelijk,zoals) . 
kuande? wanneer? toen. 
kuanta? hoezeer? 
kuant/oa? hoeveel keer 

(maal)? 

§ 62. De voorvoegsels si- en pre-, het voorzetsel po 
en het bijwoord plu worden samengesteld met het 
woord diurn, dag, en soortgelijke woorden, zoals hor, 
uur; seman, week; mens, maand; anu, jaar; enz. tot 
vorming van verschillende tijdsbepalingen [R. 125], b.v, 

siólurne, vandaag, heden. 
pre9u!i\urne, gister. po-^idiurne, morgen. 

plu-preWdlurne, eergister. plu-po-a/dlurn«, overmorgen. 

sihore, dit uur. 

presim^nse, de vorige maand. 

plu-po-8ianue, het jaar na 't volgende jaar. 

dimomenté, op dit ogenblik. 



§ 63. De vergrotende en overtreffende trap van een 



44 

bijwoord worden, evenals bij het bijvoeglik naamwoord, 

fevormd met behulp van de bijwoorden plu en lepiu 
R. 1231 b.v. 
tarde, laat. plu tard^, later, leplu tarde, het laatst. 

§ 64. Van de bijwoorden die een werkwoord bepalen, 
komt no vóór het werkwoord, de overige steeds er 
achter, b.v. ml no skrib, ik schrijf niet; 8krlbarA;ore^te, 
korrekt schrijven; mi skrib korektey ik schrijf korrekt. 

Bijwoorden die een andere woordsoort bepalen, wor- 
den er vóór geplaatst, b.v. muite grand, zeer groot; 
no ankor, nog niet; yusts ist, juist deze. [R. 84] 

Aanmerking. Bepalingen van tijd, plaats en oor- 
zaak kunnen vóór het werkwoord worden geplaatst, 
als ze van biezonder gewicht zijn, b.v. nohaande mi esav 
in Paris, nooit was ik in Parijs ; in ist dom Goethe nas- 
kav, in dit huis werd Goethe geboren; kausu plv/oi noi 
restero dome, om de regen zullen we thuis blijven. [Gl. n.J 



VIII. Voorzetsel. (Preposision.) 

§ 65. Stamwoorden zijn [S. 42/44] : 

a, aan, te, naar ; 3e naamval ; zin) om te, te *) ; (vóór tel- 
(vóór een onbepaalde wijs woorden) aan, a. 
in de achterste verkorte ad, aan (plaatselik), bij. 

*) lo. wanneer a wordt gebruikt in plaats van a. ke, dan dat. 
indien het woord tro zich bevindt in de voorste zin, b.v. il es tro 
prudent a monstrar su.« lcoi«r in plaats van il es tro 
prudent, a ke il mon»tr sue koler. 

2o. wanneer a wordt gebruikt in plaats van a fini ke, opdat, om 
een bedoeling aan te geven, b.v. mi no viv a edar in plaats van 
mi no viv, a fini ke mi ed. 

Xoot. Ons „om te, te" (overeenkomende met d zu, f de, A, ponr) 
dat bij een onbepaalde wijs staat, wordt in de neutrale taal weerge- 



45 



ante, vóór (tijd ot' plaats). 

da, van, van af, sedert. 

de, van; 2e naamval. 

di, over, b.v. over iets stem- 
men, votar di kk. 

eks, uit, krachtens. 

ekstr, buiten. 

in, in, te. 

intr, tussen. 

ko, met. 

l<ontr, kontra, tegen, jegens, 
tegenover. 

per, door 



po, achter, na (tijd of plaats). 

pro, voor, pro. 

sine, zonder. 

sirka, om, rondom, om.... 

SU, op. heen. 

sub, onder. 

trans, aan gene zijde van, 

over.... heen. 
ultra, boven.... uit. 
usk, tot. 
versu, ten, in de richting 

van. 
via, via, over. 



§ 66. De overige voorzetsels zijn afgeleide woorden ; 
ze worden gevormd van andere rededelen of stam- 
woorden door aanhechting van het achtervoegsel -m, of 
door omschrijving. Hieronder volgen de voornaamste 
[S. 4'2/H R. 38]: 



a kont de, op rekening van. 
dekstre de, rechts van. 
dorste, achter, achter de rug 
durantu, gedurende, van. 
ekseptt^, uitgezonderd, met 
uitzondering van, behalve. 
eksteriore de, buiten. 
ffkvoru, ten gunste van. 
in dom de, ten huize van. 
inferior^ de, beneden. 
in lionor de, ter ere van. 



in manier de, op de manier 
van. 

in mediad de, in het mid- 
den van. 

in nom de, in naam van, 
namens. 

in sentr de, in het centrum 
(middelpunt) van. 

in sosietet de, in gezelschap 

in temp de, [van. 
ten tijde van, tijdens. 

geven door een onbepaalde w^s zonder meer; b.v. mi am skribar, 
ik hou er van te schrijven; mi desir skribar, ik wens te schrij- 
ven; mi pree skribar, ik verzoek te schrijven; mi es sufise 
xdlc akuirar dom, ik ben r^k genoeg om een huis te kopen; il 
dorm jplasu laborar, h^j slaapt in plaats te werken; ka val 
kurs sixie kadar, het paard loopt zonder te vallen. [S. 61/63] 



46 



interiore de, binDen. 

kaust^, om, wegens. 

konsideranft^, ten aanzien 
van. 

ko permit de, met vergun- 
ning van. 

ko sukurs de, met behulp 

longu, langs. van. 

manku, bij gebrek aan. 

medit&, door, door middel 
van, per. 

negligan^u, ongeacht. 

obstin^^, trots, ondanks, niet- 
tegenstaande, in weerwil 
van, in spijt van. 

okasiont^, naar aanleiding 
van, bij gelegenheid van. 

plasu, in pias de, in plaats 
van. 

presentia, in tegenwoordig- 



heid (presentie) van. 
profltt^i ten voordele van, 

tot nut van. 
proksimn, in de nabijheid 

van. 
relativi^, betreffende, met 

betrekking tot. 
sékuantu, volgens, ingevol- 
ge, ten gevolge van. 
sekuan^u komand de, op 

bevel van. 
sinistr^ de, links van. 
siteriore de, aan deze zijde 

van. 
superiors de, boven, 

bovenop. 
superioru, over(p]aatselik). 
uiterior^ de, aan gene zijde 

van. 
visinu, naast, nevens. 



De voorzetsels staan altijd vóór het zelfstandig naam- 
woord in de ie naamval, b.v. 

favorw mie fratr, ten gunste van mijn broer. 
ad mur, bij de muur. 

Ero mi, voor mij. 
ikusu piuvi, wegens de regen. 



IX. Voegwoord. (Konynnksion.) 

§ 67. Stamwoorden zijn [S. 42/44]: 



47 



e, en. 

e«.e, zowel.. .als, èn...èn. 

eske, of (duits: ob); vraag- 

partikel (§ 57). 
et, ook. 

if, indien, wanneer (kausaal). 
if et, ook al, zelfs al. 
ka (na een vergrotende trap, 

§ 9), dan, als. 



ke, dat (het werkwoord dat 
volgt, steeds in de 
aantonende wijs, § 43). 

ma, maar, doch. 

ni...nl, noch...noch. 

u, of (duits: oder). 

U...U, óf... óf, hetzij... hetzij, 

ye, evenwel, echter. 



§ 68. De overige voegwoorden worden door omschrij- 
ving weergegeven; voor enige kan men volstaan met 
bijwoordelike vormen. Hier volgen de voornaamste 
[8. 42/44]: 



a flni ke, opdat. 

a ke (in de achterste zin, 
wanneer het woord tro 
zich in de voorste zin be- 
vindt), dan dat, b.v. il es 
tro fort, a ke vo potes vik- 
torlar. [S. 61/631 

ante ke, voordat, alvorens. 

da temp ke, sedert, sinds. 

óurante ke, terwijl. 

eksepté ke, behalve wan- 
neer, tenzij. 

In kualltet de, als, in hoe- 
danigheid van. 

kau86, omdat, dewijl, wijl, 
daar, want. 

kualé if, alsof. 

kuande, wanneer, toen. 

negligante ke, al, hoewel. 



ofschoon, schoon. 

n^mediaté po ke, zodra. 

no solé...ma et, niet alleen... 
maar ook. 

obstin^ ke, niettegenstaan- 
de dat. 

omnifoa ke, iedere keer dat, 
wanneer ook. 

omni-loke ke, waar ook, 
overal waar. 

plas6 ke, in plaats dat. 

po ke, nadat. 

sine ke, zonder dat. 

suposaf»^ ke, gesteld dat, 
verondersteld dat. 

talé ke, zodat. 

tafó longé ke, zolang. 

usk ke, totdat. 

vere... ma, weliswaar... doch. 



50 

1. men schrijft ku als in het nationale woord qu staat : 
kuadrat, quadraat, kwadraat, vierkant. [R. 120] 

2. c vóór medeklinkers en vóór a o u wordt, in over- 
eenstemming met de algemene uitspraak, vervangen 
door k: kart, kaart; klas, klas, klasse; kolor, kleur; 
kub, kubus, dobbelsteen. 

c vóór e en i wordt vervangen door s : selebr, beroemd ; 
sipres, cypres, cipres. [R. 23] 

3. t in de uitgang -tion wordt vervangen door s ^): 
naslon, natie. [R. 23] 

4. komt hetzelfde woord in het engels, fransenduits 
voor, maar met verschillende uitgang (anchor e, ancre f, 
Anker d; meter e, mètre f. Meter d; Bible e, bible f, 
Bibel d), dan worden aan het eind 2 of 3 medeklinkers 
naast elkaar geschreven: ankr, metr, bibl. 

het invoegen van een klinker, b. v. e, vóór de laatste 
medeklinker, zou — krachtens de algemene regel voor 
de klemtoon — een onnatuurlik akcent veroorzaken, 
b. V. bibèl, terwijl het aan de andere kant geen nut 
heeft aan het einde van een woord een klinker zonder 
enige betekenis neer te schrijven. [R. 23] 

5. de in de natuurtalen voorkomende letter z wordt 
vervangen door s^): basar, bazaar. [R. 23] 

6. ph wordt vervangen door f: fosfor, fosfor. [R. 23] 

7. X wordt vervangen door ks: eksaminar, exammeren, 
eksamineren. [Gl. n., S. 23/28] 

8. indien voor dezelfde betekenis verschillende stammen 
in de natuurtalen voorkomen (vid en vis, redig en redakt, 
kresk krev en kret, kolig en kolekt), dan wordt die 
stam uitgekozen die het bekendst, het algemeenst is: 
visar, zien; redaktar, redigeren; kreskar, groeien; ko- 
lektar, verzamelen. [R. 23] 

9. in enkele gevallen wordt dezelfde vorm toegelaten 

*) s wordt altijd scherp uitgesproken, zie g 1. 



51 

voor stam woorden van verschillende betekenis, maar 
alléén indien ze tot verschillende rededelen behoren: 
dur, hard, durar, duren; libr, boek, iibr, vrij; nov, nieuyr, 
noY, negen. [R. 23] 

10. ae en oe in latijnse woorden worden vervangen 
door e: diet, dieet; homeopati, homeopathie. [R. 23] 

11. ch in griekse woorden wordt vervangen door 
k: kerub, cherub; Krist, Christus, Kristus. [R. 23] 

12. de dubbele medeklinkers van de natuurtalen wor- 
den door enkele vervangen: aprendar, leren; erar, 
dwalen; suposar, veronderstellen. 

dit geschiedt, omdat de dubbele medeklinkers enkel 
een historiese, maar geen praktiese waarde hebben, en 
daarbij volstrekt niet internationaal zijn, b. v. adresse 
f d, address e. [R. 23] 

13. J in latijnse woorden wordt vervangen door y: 
yug, juk; obyekt, objekt, voorwerp; mayestot, majesteit. 
[R. 23, 112] 

14. j en g (vóór e en i) in woorden die aan het frans 
ontleend zijn, worden door middel van J geschreven en 
gelijk in het frans, dat is als zj uitgesproken: Jalus, 
jaloers, ijverzuchtig; kurtaj, courtage. [R. 110] 

15. de klank sj (sh in 't engels) wordt weergegeven 
door sh: shaiup, sloep; sharm, charme, bekoorlikheid. i) 
[R. 109] 

16. in de uitgangen -Ion, -Ier wordt I geschreven: 
nasion, natie; kavaller, ridder. [R. 113] 



*) Hoewel hier slechts één klank wordt gehoord, heeft men gemeend 
niet één letter te moeten gebruiken, 

1^ omdat in de talen e f d ook 2 of 3 letters worden gebruikt, na- 
melik sli, oli« soli; • 

2'. omdat het invoeren van een biezonder teken (zie 18) het schryven 
en drukken moeilik maakt en dus de verspreiding van de taal zal 
belemmeren; 

3*. omdat het geen praktiese waarde heeft enkelvoudige klanken 
steeds door één letter gekompliceerde door meer letters weer te geven» 
zoals moderne fonetici eisen. [S. 39/44] 




52 

17. in woorden die in het frans de il en gn mouiilés 
bevatten, schrijft men I en n, gevolgd door i: biliet» 
biljet; vinlet, vignet, [R. 114] 

18. men besloot : a) geen medeklinkers met een bie- 
zonder teken te gebruiken, b. v. c met een lusje (cedille), 
zoals in het frans voorkomt; 

b) geen omgekeerde letters te gebruiken, b. v. D, zoals 
verenigingen voor fonetiese spelling wel doen. [R. 108] 

Deze regels dienen in het algemeen tot richtsnoer, 
maar de akademie beschouwt ze niet als bindend voor 
alle gevallen en onderzoekt daarom elk woord afzonderlik, 
wat vorm en betekenis aangaat. [R. 24] 

§ 74. Alle woorden die in generlei opzicht te brengen 
zijn oqder de hier volgende regels voor afgeleide en 
samengestelde woorden, worden beschouw^d als stam- 
w oord en van de neutrale taal, ook al zijn het in de 
natuurtalen afgeleide woorden, b. v. dialekt, dialekt; 
doktor, doktor; eksempl, exempel, voorbeeld; optimist, 
optimist; originai, origineel, oorspronkelik ; perpendikuiar, 
perpendikulair, loodrecht. [R. 25] 

§ 75. Een stam blijft steeds onveranderd. Men kan 
er echter voor- of achtervoegsels aan hechten of hem 
verbinden met een ander stamwoord. [R. 26] 

§ 76. Stam woorden kunnen behoren tot alle rededelen : \ 

literatur, literatuur, letterkunde; odor, odeur, geur. \ 

bnin, bruin; total, totaal. i 

nui, nul; dupi, dubbel. | 

nol, wij; kif wie? ' 

(it) mank, (het) 'mankeert; (noi) propag, (wij) verbreiden. | 

Iiratls, gratis; si, ja. i 

D, in, te; pro, voor. | 
e, en; u, of (d: oder). 
fi! foeil; ve! weel [R. 12] 



53 

§ 77. Er zijn een-, twee-, drie-, vier- en zelfs (enkele) 
vijflettergrepige stam woorden : 
bir, bier; hik, hik. 
husar, huzaar; kadet, kadet. 

kontinent, kontinent, vasteland; metropol, hoofdstad. 
kosmopolit, kosmopoliet; lokomotiv, lokomotief. 
entomologi, entomologie; universitet, universiteit. [R. 1, 
% 21] 

§ 78. Stam woorden mogen met een klinker beginnen 
en op een klinker uitgaan: 
agent, agent. musa, muze. 

eKsport, export, uitvoer. musé, museum. 

insul, eiland. Iiarmoni, harmonie. 

osean, oceaan. moto, motto. 

uni versa!, universeel. noktu, nacht. 

akua, water. 

envl, nijd, a%unst. 

indigo, indigo. 

ole, olie. 

usufruktu, vruchtgebruik. [R. 48, 19] 

§ 79. Twee, drie en zelfs vier medeklinkers mogea 
naast elkaar staan, zowel aan het begin als in het 
midden van een woord, indien zulk een schrijfwijze in 
het engels, frans en duits bestaat : 
psalm, psalm; splendar, glinsteren. 
sukses, sukces; katastrof, katastrofe; monstrar, tonen, 
wijzen. [R. 22] 

2. Afgeleide woorden. 

Deze worden gevormd door aan een stam voor- of 
achtervoegsels te hechten. 



54 




§ 80. Voorvoegsels. 
[R. 99, 124, 125, 129, 134, 141] 

1 . anti' komt overeen met het voorzetsel kontr, tegen : 
an^ialkoholi/r, anti-alkoholies; anttpap, tegenpaus. 

2. arH' duidt voorrang, superioriteit aan: arkiwuq^l^ 
aartsengel; ar Aiiepiskop, aartsbisschop. 

3. auto- komt overeen met het voornaamwoord aut, 
zelf (§ 28) : autobiografl , autobiografie ; automobil , 
zelf bewegend. 

4. dis- duidt scheiding aan: disaparar, verdwijnen; 
cZisfrangar, kort en klein breken, verbreken. 

5. eJcui- duidt gelijkheid aan: e Aruiflan kt A;, gelijkzijdig; 
ekuiyeAar^ gelijke waarde hebben. 

6. eUktrO' duidt elektriciteit aan: eUktroVXmx, elektro- 
chemie; e^A:/roteknik, elektro- techniek. 

7 . foto- duidt licht aan : fotografe fotograaf; fotometr, 
fotometer, lichtmeter. 

8. gala- duidt pracht of luister aan :^afediné,galadinee; 
galawBst, galakleed. 

9. hidro- duidt water aan: hidrodens, waterdicht; 
hidrostMk, hydrostatika. 

10. homo- duidt evenredigheid aan: homoton, gelijk- 
luidendheid. 

11. kali- duidt schoonheid aan: kaligraf ^ kalligraaf, 
schoonschrijver ; kaliokvAos, schoonogig. 

12. ke- duidt een vraag aan: keloke? waar? kekfkuse? 
waarom ? 

13. krono- duidt tijd aan: kronometr, chronometer. 

14. kailo- duidt hout aan: ksilograf, xylograaf, hout- 
graveur. 

15. kubik' duidt inhoud aan : kubikm^tr, kubieke meter ; 
kubikrwiik, kubiek wortel. 

16. mikro- duidt kleinheid aan: mikrokeL[nk, kleinhoofdig; 
mikrometr, mikrometer. 



55 

17. mis- duidt iets aan dat niet goed is of geensukces 
heeft: mtakredit, miskrediet, diskrediet; miakom- 
prendar, misverstaan. 

18. ne- duidt een kontradiktoire tegenstelling aan: 
neanAk, vijand; n^mult, weinig; nefasW, moeilik. 

19. TteO' duidt nieuwheid aan : neopersian, nieuw-perzies. 

20. no- duidt een kon traire tegenstelling aan : nokuande, 
nooit; noloke, nergens; nokos, niets. 

21. para- duidt aan bescherming-tegen-iets : paraplu vi, 
regenscherm; parasol, zonnescherm. 

22 . pleni' duidt volheid aan : plenilun, volle maan ; pleni- 
potent, gevolmachtigd. 

23. poli' duidt veelheid aan: po^tangul, veelhoek; poli- 
teknik, polytechniek. 

24. pre- betekent, evenals het voorzetsel ante, voor: 
prelud, voorspel; preskrlbar, voorschrijven. 

25. protO' duidt oorsprong aan: proioforest, oerwoud; 
prototip, prototype. 

26. paeudo' duidt iets aan dat niet authentiek, niet 
echt is: pseudonom, pseudoniem, schuilnaam. 

27 . re- duidt herhaling of terugkomst aan : regenerar, 
regenereren, weder voortbrengen; redonar, terug- 
geven. 

28. semi' duidt halfheid aan: semilun, halve maan; 
semifiWo, stiefzoon. 

29. 8i' dient tot aanduiding van het tegenwoordige (tijd 
en plaats) : «itempe, nu ; ^dlurn^', heden ; si\oke, hier. 

30. te- vormt woorden die in wederzijdse betrekking 
staan tot de door middel van ke- gevormde vraag- 
woorden: teloke, daar; tekause, daarom. 

31. termO' duidt warmte aan: termnvietr, termometer. 

32. ultra- duidt overmaat aan: ultray\oM, ultraviolet. 

33. vise- duidt een plaatsvervangend of ondergeschikt 
persoon aan : t^tsepresldent, vice-president ; visedirek- 
tor, onderdirekteur. 



4^ 



56 




Voor zo ver de betekenis het toestaat, mogen deze 
voorvoegsels aan alle stam woorden worden gehecht. 

§ 81. Achtervoegsels. 

Behalve de achtervoegsels die al zijn genoemd bij de 
behandeling van de rededelen, kent de neutrale taal 
nog de volgende: 

I. -ad; dit achtervoegsel heeft geen bepaalde bete- 
kenis en vormt zelfstandige naamwoorden die 
in een of andere betrekking staan tot de stam : 
bene-fasiod, weldaad ; edaci, spijs ; fontad, bron ; 
garanta^, garantie, waarborg; intract, ingang 
(plaats); kampestroc^, land (in tegenstelling met 
stad), platteland ; kandelac^, kandelaar; kavalkod, 
kavalkade; konosac^, kennis, kunde; limonod, 
limonade; mediact, midden; merkantad, koop- 
waar; piktad, schilderij; plataci, schotel; pre- 
ferac2, preferentie, voorkeur; promenor/', pro- 
menade, wandeling; skribac^, schrift. 

het achtervoegsel wordt ook gebruikt tot 
vorming van zelfstandige naamwoorden die het 
resultaat van een handeling uitdrukken: ganioc^, 
winst; kaptad, buit; pensoc^, gedachte ; r08ta(2, 
gebraad; skribac^, geschrift, verhandeling. [R. 
70, 93] 
II, -aj vormt ver zamel woorden van zaken: foliaj, 
gebladerte; lino;, wasgoed; montaj, gebergte; 
ekipaj, ekipage, uitrusting; plumc^', pluimage, 
gevederte. [R. 104, 110, 127] 
'Oèion^ bij een werkwoordelike stam geplaatst, 
vormt zelfstandige naamwoorden die een han- 
deling aanduiden: deklinosion, deklinatie, ver- 
buiging; preparoaton, preparatie, voorbereiding. 
[R. 53] 
-o<?v, bij een werkwoordelike stam geplaatst, 



57 

vormt bijvoeglike naamwoorden die een be- 
kwaamheid of mogelikheid aanduiden: osten- 
tativ^ praalziek; puruativ, purgatief. [R. 130] 
V . -ator, bij een werkwoordelike stam geplaatst, vormt 
zelfstandige naamwoorden die een persoon of 
zaak aanduiden die iets verricht : orator, orator, 
redenaar ; salva^or, redder; ventilator, ventilator, 
luchtververser; numrator, teller. [R. 54] 
VI . -el vormt vormt verzamelwoorden van personen : 
klienteZ, kliëntele; pareiite?{, maagschap. [R. 105] 
VII. -er, bij een niet- werkwoordelike stam geplaatst, 
vormt zelfritandige naamwoorden die een per- 
/ soon of zaak aanduiden die in zekere betrek- 

king staat tot de stam; het wordt ddar ge- 
bruikt, waar het achtervoegsel -ist (zie verder) 
wegens zijn biezondere betekenis niet op zijn 
plaats is : aksioner, aktionnair, aandeelhouder ; 
milioner, millionnair; senater^ senator ; tabl^r, 
schrijnwerker; pinser, neusknijper, pince-nez. 
[R. 28, 138] 
VIII. ^eri vormt zelfstandige naamwoorden die een 
plaats aanduiden : apim, bijekorf; birm, bier- 
huis; imprimeri, drukkerij: keferi, koffiehuis, 
café; restaurert^ restaurant; taneri, looierij. 
[R. 106] 

IX. -eskar vormt werkwoorden die een wording of 

begin aanduiden: palidesA^ar, bleek worden, 
verbleken; putredA;ar, rotten, verrotten, beder- 
ven ; sanesAxir, gezond worden ; ywAeskar^ groen 
worden, groenen. [R. 51] 

X. -graf vormt zelfstandige naamwoorden die een 

persoon aanduiden die op zekere manier 
schrijft, tekent enz.: fotografe fotograaf; hali- 
graf kalligraaf, schoonschrijver [R. 131] 

XI. 'ia vormt zelfstandige naamwoorden die een 



58 



XII. 



XIII. 



XIV. 




- land aanduiden: Espania, Spanje; Italia, Italië; 
patria, vaderland; Rusia, Rusland. [R. 30] 

'ijikar vormt werkwoorden die aanduiden dat 
iets zo gemaakt wordt als door de stam wordt 
uitgedrukt: falsifiJcar, vervalsen; graniifikar, 
vergroten ; s\mf\ifikar, vereenvoudigen ; veri^ - 
kar, verificeren. [R. 52] 

'iam vormt zelfstandige naamwoorden die een 
godsdienst of geestesrichting aanduiden : pro- 
testantidTn, protestantisme ; kosmopoliti^m, kos- 
mopolitisme ; partikularidm, partikularisme ; 
reeiism, realisme. [R. 48, 440] 

'üi, bij een niet-werkwoordelike stam geplaatst, 
vormt zelfstandige naamwoorden die een per- 
soon aanduiden die zich met iets bezig houdt : 
dentist, dentist, tand meester; drogta^, drogist; 
kopiist kopiist; linpuü^ linguïst; telegrafis^, 
telegrafist; velosipedts^, velocipedist. [R. 29, 140] 

'itet, bij een bijvoeglik naamwoord geplaatst, 
vormt zelfstandige naamwoorden die een hoe- 
danigheid aanduiden: BimabMtet, beminnelik- 
heid; eguali^e^, gelijkheid; kuaii^^ kwaliteit, 
hoedanigheid; rwritet, rariteit, zeldzaamheid; 
totaii^^, totaal, geheel. [R. 27] 

-metr vormt zelfstandige naamwoorden die een 
metende persoon of zaak aanduiden : hovmetr] 
uurwerk; termometr, termometer. [R. 402] 

-071 vormt zelfstandige naamwoorden die een 
vergroting aanduiden : rastron, egge. [R. 401] 

'Or vormt zelfstandige naamwoorden die een 
toestand of gemoedsaandoening aanduiden, 
waarin zich de handelende persoon of zaak 
bevindt: amor, liefde; ardor, gloed, hitte; eror, 
dwaling. [R. 436] 
Al deze achtervoegsels mogen — overeenkomstig de 



XV. 



XVI. 



XVII. 



XVIII. 



59 

aaDgegeven regels — door ieder die zich van de neu- 
trale taal bedient, worden gebruikt tot vorming van 
nieuwe woorden. Alleen het achtervoegsel -ad mag niet 
op die manier worden gebruikt, omdat het geen be- 
paalde betekenis heeft en de akademie zich daarom 
het vormen van nieuwe woorden er mee heeft voor- 
behouden. [R. 70] 

3. Samengestelde woorden. 

§ 82. Samengestelde woorden, dat wil zeggen woorden 
die gevormd zijn uit twee woorden, kunnen van alle 
rededelen (alleen niet van de hoofdtelwoorden, zie ver- 
der) worden gemaakt, voor zo ver de betekenis het 
toelaat. 

Dat geschiedt door de woorden eenvoudig naast elkaar 
te plaatsen met een koppelteken er tussen; dit teken 
laat men echter gewoonlik weg. 

Het bepalende woord komt vóór het woord dat be- 
paald wordt: bank-biliet, bankbiljet; bel-fratr, schoon- 
broer^ zwager; dupl-akuil, dubbeladelaar; eks-posar, ten 
toon stellen, exposeren; obskiiP-blii, donkerblauw ; omni- 
potent, almachtig; post-mark, postzegel : retro-via, terug- 
weg. 

In plaats van hoofdtelwoorden gebruikt men biezon- 
dere voorvoegsels, waarvan de voornaamste zijn : 1 mono-^ 
2 6i-, 3 <rt-, 4 kuadri'^ bpenta-^ 6 heksa-, 7 hepta-, 8 okto-, 
9 nona-, 10 deka-, 100 kekto- en iöOO kilo-: monookuMk, 
eenogig; 6ilingiHA;, tweetalig; ^Wped, drievoet; kuadri- 
anaul, vierhoek; pentametr^ pentameter, vijfvoetig vers; 
heJcaametr, hexameter, zesvoetig vers ; JieptasilMk, zeven - 
lettergrepig; deka4ïwnik, tiendaags. [R. 86] 

§ 83. Aanmerking. Omdat de voor- en achtervoeg- 
sels ontleend zijn aan de natuurtalen en de gebruike- 



60 



likste uitgekozen werdeu, komen vele van de kunstmatig 
gevormde woorden volkomen overeen met de natuurlike 
van dezelfde betekenis. De woorden automobW, mih*ometr^ 
preskrlbar, prototip^ termomelr, viaeadmiral, kavalkad, 
iekWnadon, ventilator, milion^r, patria, fd\sifikar, reali^m, 
kudiitet werden samengesteld overeenkomstig de regels 
van de neatrale taal en toch zijn het heel bekende 
internationale woorden. 

Vaak echter komen de natuurlike woorden die inter- 
nationaal zijn geworden, niet overeen met de volgens 
de regel gevormde, kunstmatige, b. v. 

begunstigen, 

horizontaal. 

konsekwentie. 

motor. 

organist, orgelist. 

pseudoniem. 

repetitie. 

urgent, dringend. 

zichtbaar. 



favorar 

horisonttib 

konsekuenti<6< 

mowator 

orqist 

pseudonom 

repeto^ion . 

urqant 

yisabl 

Zulke internationale woorden worden dan (in de spel- 
ling van de neutrale taal) ook in het woordeboek op- 
genomen en staan daar tussen haakjes naast het volgens 
de regel gevormde, kunstmatige woord. 

Men mag naar believen een van beide vormen ge- 
bruiken. [R. 56] 



favorisar 

horisontal 

konsekuens 

motor 

organist 

pseudonim 

repetision 

urgent 

visibl 



XII. Afkortingen. (Abreviasioni.) 

§ 84. In de neutrale taal gebruikt men de volgende 
afkortingen [R. 137]: 

e s. voor e setrf, enz. (en zo voort), etc. (et cetera). 
I. e. voor it es, d.i. (dat is), d. w. z. (dat wil zeggen). 
kl) voor kelk-liom, iemand. 



61 

kk voor kelk-kos, iets. 

p. e. voor pro eksempl, b. v. (bij voorbeeld). 

8. (vóór een telwoord) voor sirka, ca. (cirka, ongeveer). 



Besluit. 



§ 85. De volgende taalproeven kunnen dienen bij de 
vorming van volzinnen. 

Sankt-Peterburg, 8 februar 1901. 
A sinior 

P, Lachou, injenier 

Boulogne sur Seine (Fransia). 

Respondante votr letr de 1 februar 1901, direktorad 
de sosietet de relsrut S. Peters burg-Tobolsk av honor 
komitar a vo, sinior estimed, trides (30) nivelmetri *) 
de votr sistem pro lokomotivi a pris de seksdeskuink 
(65) franki pro eksemplar frank u S. Peterburg, a ter- 
min 8 april 1901 loku S. Peterburg e a kondisioni se- 
kuant: 

1. Aparati deb esar adresed a shef de stasion Peter- 
burg de relsrut nomed e deb esar asekured per vo e 
pro votr kont; if aparati u partii de ili esero ruined 
u perded in voyaj, vo deb mitar nemediate otri, plasu 
aparati e partii ruined e perded. 

2. Vo prend su vo garantad de funksion rekt de 
aparati durantu un anu da resivasion de ili per ofiseri 
de relsrut nomed. 

3. Mon esero pa^ed a vo no plu tarde ka un seman 
po resivasion defimtiv de aparati. 



*) Aparat pro observaslon de nivel de akua in kaldron. 



62 

Direktorad nomed av honor pregar vo, sinior estimed, 
avisar di akseptasion de ist komision no plu tarde ka 
45 februar 4901. — If tetempe votr respond no esero 
resived, direktorad nomed estimero, ke vo av refused 
ist komision. 



Shef de seksion ekonomik 


President 


de direktorad 


N.N. 




N.N. 


« 


* 


^ 




Kristiania, 27 februar 4902 


A doktor de medisin P. 


0. 




S. Peterburg (Rusia). 





Koleg estimed 1 

Mi aprendav, ke votr artikl di influensa es traduked 
eks lingu rusik in lingu fransik. 

It es motiv pro mi komunikar a vo, ke „Akademi 
internasional de lingu universal" av publiked in ist anu 
diksionar e gramatik de idiom neutral, tale ke sitempe 
artikli medisinik potes esar skribed in ist idiom, kei 
potes esar komprended per omnihom kultived kuasi 
sine aprendasion anterior. 

It es ver, ke ekspresioni muit spesiale medisinik no 
ankor eksist in diksionar nomed, ma it no es obstaki 
pro skribasion de artikli sientifik in ist lingu, kauBe ist 
ekspresioni es paroli internasional. 

Skribasion in idiom neutral don profiti sekuant in 
komparasion ko kelkun lingu nasional: 

4. Libri e broshuri sientifik publiked in ist idiom 
potes esar lekted per omnihom in original, 

2. traduksion no plu es nesesar, 



63 

3. ili avero sirkl muite plu grand de lektatori, e te- 
kause 

4. ili potes esar imprimed in kuantitet plu grand 
de eksemplari; ergo 

5. ili potes esar vended a pris plu minium, e 

6. profit material de editor (respektive de autor) 
esero plu grand. 

Idiom neutral es usabl no sole pro skribasion, ma et 
pro pariasion ; sikause in kongres sekuant internasional 
de medisinisti mi av intension usar ist idiom pro mie 
raport di maladitet „lupus" e mi esper esar kompren- 
ded per omni medisinisti present. 

Publikasion de idiom neutral interesero et votr filio, 
kei kolekt postmarki, kause ist idiom es lingu prak- 
tikal pro korespondad ko kolektatori in otr landi. 

Ko respekt grand e ko saluti kordial mi rest 
votr serv leplu devot 

F. 

• 

Om een idee te geven van de besluiten van de inter- 
nationale wereld taal-akademie volgt hier de tekst van 
het 11e met het grondbeginsel volgens welk de neutrale 
taal is opgebouwd, en van het 84e. De verschillende 
delen van het 84e besluit dat over de woordschik- 
king handelt, zijn reeds bij de voorgaande hoofdstuk- 
ken ondergebracht, maar het is makkelik ze hier alle 
bijeen te hebben. 

Resolusion 11. 

Tel radik es leplu bon, kei eksist kuale parol nasional 
u kuale parol eksotik in lingui prinsipal leplu muit de 
Europ. 



64 

Hes^Aimon 84. 

a) Ad^ektiW es p\suied secapre po sobstantiT, p. e. dom 
gmniJ, lingu oni venaal. 

/>; Pronorni, adyuokted a ^abstantiTi, es plased sempre 
ante «a^i^tantitr, p. e, mie dom, ist sirknlar, kei tabl? 
koant hoitti? kelk paroli, omni lingui. 

<?^ Numerativi kardinal e fraksioni es plased sein[M% 
ante ftubHtantir, p. e. da kavali, mil oktsent anui, tri 
ktiarti metr. 

d) Numerativi ordinal, multiplikatiT e heratiT es pla- 
sed mmyre ^) suf^tantiT, p, e. paragraf sekond, pagin 
trisent dudeskuinkim, plesir dupl. 

e) Adverbi determinant verb es plased sempre po 
verbf ekseptu adverb no, kei es plased sempre ante 
verb, p« e, sknbar korekte, mi sknb korekte, mi no skrib. 
Adverbi determinant parol de otr parolsort es plased 
ante it, p. e. muite grand, no ankor, juste ist. 



•<^^>..gl^ 



WOORDEBOEK 



VAN DE 



J^EÜTRALE TAAL 



AFKOKTINGEN. 



«Il tithf'kUw UyvtH^Uk uAiuii' t>I. 

üxH^Mv pr. 

MU «rUkU IMtt^H^M. (MT. ind. 

tH^l^ U^iiitUk. |\UntkumK 

*t<m» vtunmxu<\\ Vï^rkU^inwx^rtl» i». perk 

(Vfi. Asurtk. (U^utrlik. 

«tHMtt» iBi(H\m<»«rL m^i^^ikumio. pr. pos. 

l&mnK tr^w«*nk. «|\r!iAkkun«t pr. r^l. 

'lü^ir. in5r*«vi;t.^\r,otip5np(mk«?iik. *. 

k. kAv^^^;ïvk'^ï*^ïv. Xvv<>«\x\rds 

k^N%n|\ ko.-v',NAr^, w-xv:; i, *f. 

t*/ AT. r.' *» — r," *" •• «r >r^ 



plural, meerrond. 
pTOnom, Toomaamwoord. 
pr. demonstratiT, aanw^- 

tend rnw. 
pr. indefinit, onbepaald ynw. 
pr. interogatir, rragend 

vnw. 
pr. personaL peraoonlik 

vnw. 
pr. po«s«?siT. bezittelik mw. 
pr. rY>UÜT. betr^kkeük mw 
pTvtik*. To*>rTo«gseL 
pTy^P^^Pisiv^C Tvxvrvets^ 
$ub($taatiT. xelfstandi^ 

XMaaiwvrxL 

5v r:jk>i;-/.:r.. r-.tr -■glit naw. 

Ss r.5V.lT'X j:L5:rv^ dW. 









' v!'4, --ww. V' ci^a: f^a: rr<^*.^!f v^i;r^ ':;xisrhl 
':'<• -v'f^t v'.v.r-'.M'T '^;».c J</i 7tj':i<cifcjja« mar 









J^EUTRAAL-J^EDERLANDS. 



A. 

a! i. ahl ei! hml achl 

a, prep. aan, te, naar; 3e 
naamval, b. v. a dom, (aan) 
het huis; (vóór een onbe- 
paalde wijs in de achter- 
ste verkorte zin, zie § 65) 
om te, te; (vóór telwoor- 
den) aan, a. 

-a, suf. vormt zelfstandige 
naamwoorden die vrouwe- 
like personen of dieren 
aanduiden, b. v. filia, doch- 
ter; kavala, merrie. 

-a, suf. bij een werkwoorde- 
like stam, duidt de 2e per- 
soon enkelvoud van de ge- 
biedende wijs aan, b. v. 
ama/ bemin! 

a anterior^, adv. naar voren. 

abandonar, v. abandonneren, 
verlaten, achterlaten. 



a basé?, adv. naar omlaag, 
neer. 

abat, s. abt. -a, s. abdis, -m, 
s. abdij. 

abatar^ V. vellen. 

abdikar, v. abdi keren, abdi- 
ceren, afstand doen, neer- 
leggen (een waardigheid). 
-asion, s. abdikatie,afstand, 
neerlegging . 

abdomin, s. onderlijf, onder- 
buik. 

aberar, v afdwalen, verdwa- 
len. 'Osioii, s. afdwaling, 
verdwaling, aberratie. 

abiet s. den. 

Abisinia, s. Abyssinië. 

abism, s. grondeloze diepte, 
afgrond . 

-ahl, suf. gewoonlik bij een 
werkwoordelike stam, 
vormt adjektieven die aan- 
duiden dat iets mogelik of 



68 



ablatlv— administrar 



waardig is, b. v. kompren- 
Aabl, begrijpelik. 

ablatlv, s. ablatief, 6e naam- 
val (gram.). 

abominar, v. verafscliuwen, 
verfoeien, -abl, a. afschu- 
welik, verfoeilik, abomi- 
nabel. 'a8io7i, s. afschuw, 
verfoeiing, gruwel. 

abonar, V. abonneren, -anf, 
part. abonnent, abonnee. 

abreviar, v. afkorten, ver- 
korten. -asioHy s. afkorting, 
verkorting. 

abrikos, s. abrikoos. 

absent, a. absent, afwezig. 
'itet (absens), s. absentie, 
afwezigheid . 

abses, s. abces (etterbuil). 

absint, s. absint. 

absolut, a. absoluut, volstrekt, 
onbepaald, onbeperkt, on- 
voor waard elik. -tsm, s. ab- 
solutisme, onbeperkte al- 
leenheerschappij . 

absolvar, v. absolveren, vrij- 
spreken, -asion (absolu- 
Sion), s. absolutie, vrij- 
spi*aak . 

absorbar, v. absorberen (in- 
zuigen, opslorpen). 

abstinar, v. zich onthouden. 

abstinent, a. abstinent, -itet 
(abstinens), s. abstinentie, 
onthouding. 



abstrakt, a. abstrakt, afge- 
trokken . 

abstraktar, v. abstraheren 
(afzonderen, uit een zaak 
iets afleiden). 

absurd, a. absurd, ongerijmd.. 
-itet, s. absurditeit, onge- 
remdheid. 

abundar, v. overvloed heb- 
ben, overvloeien, -ad, s.. 
overvloed . 

abytira?', v. afzweren. 

ad, prep. aan (lok.), bij. 

-ad, suf, zonder bepaalde be- 
tekenis; het vormt sub- 
stantieven die in een of 
andere betrekking tot de 
stam staan, b.v. merkanta(i^ 
koopwaar, of het resultaat 
van een handeling aange- 
ven, b.v. kaptac?, buit. 

ad-bordar, v. landen, aan- 
landen, belanden. 

ad-dorsa>*, v. leunen, aan- 
leunen. 

a dekstrp, adv. naar rechts. 

a Dao.' i. adieu I vaarwel I 

ad-glutlnar, v. aanlijmen. aan- 
kleven, aanplakken, agglu- 
tineren (van talen). 

adiurnar, v. verdagen, uit- 
stellen, verschuiven. 

administrar , v. administre- 
ren, beheren, -asion, s. ad- 
ministratie, beheer, 'ütor. 



admiral— Afgan'istan 



69 



s. administrateur, beheer- 
der, bestuurder. 

admiral, s. admiraal. 

admiralitet, s. admiraliteit. 

-admirar, v. bewonderen. -aöi, 
a. bewonderenswaardig. 
-asion^ s. bewondering. 

admitar, v. admitteren, toe- 
laten . 

a dome, adv. naar huis. 

aioftar, V. adopteren, aan- 
nemen . 

adorar, V. aanbidden, ver- 
eren, -abl, a. aanbiddelik, 
aanbid dens waardig, -asion, 
s. aanbidding, -ator, s. 
aanbidder . 

-ad-pendad, s. aanhangsel^ bij- 
voegsel, bijlage, appendix. 

ad-portar, V. brengen, aan- 
brengen, halen, afhalen, 
apporteren . 

-ad-proksimar, v. naderen, be- 
naderen, -asion, s. nade- 
ring, benadering, approxi- 
matie . 

^d-rangar, v. arrangeren, in 
orde brengen. 

adres, s. adres, -ar, v. adres- 
seren . 

adult, a. volwassen. 

adulterar, v . echtbreken, 
overspel plegen. 

adverb, s. adverbium, bij- 
woord. — interogativ, vra- 



gend bijwoord. — partisi- 
piA:,deelwoordelikbijwoord. 

ad vers, a. rampspoedig, -er, 
s. tegenstander. -iieL s. 
tegenspoed . 

advokat, s. advokaat 

adyektiv, s. adjektief, bijvoeg- 
lik naamwoord. -lA:, a. bij- 
voeglik. 

ad-yudikar, v. adjudiceren, 
toekennen, toewijzen, toe- 
delen . 

ad-yunktar, v. adjungeren, 
toevoegen. 

ad-yustar, v. adjusteren, in 
orde brengen, schikken, 
vereffenen, afpassen. 

adyutantj s. adjudant. 

a eksteriore, adv. naar bui- 
ten. 

aer. s. lucht. 

afabi, a. vriendelik, min- 
zaam, 'itet, s. vriendelik- 
heid, minzaamheid. 

afeksion, s. affektie, neiging, 
genegenheid, ingenomen- 
heid . 

afekt, s. affekt, biezonder 
sterke gemoedsbeweging . 

afektar, v. affekteren, zich 
voordoen, de schijn aan- 
nemen. 

afer, s. affaire, aangelegen- 
heid. 

Afganistan, s. Afghanistan. 



70 



a M ke— a kmA ét 



a M ka^ k> opdat, 
aifwxr^ V, ï)tife%iifemi, ver- 

n. ïmvtiHii^iu^^ verzekering, 
bewering, 

allfWir Madtu ynro^^i onder 
ede bevei^tigen, be^'fdigen^ 
bezwereu, 

aflah. M. fifïiche^ aanplak' 
WHet, plakbrief. -ar, v. 
amcberen, aanplakken* 

a flaak/^ adv« op zyde, 

aflIkaiOfl, M« droefheid, ver- 
dri<*t, bart'/eer, 

afliktar^ V, bedroeven, ver- 
drieten, verdriet aandoen, 
veridtteren, 

aforiam, n. afori»nie (be- 
knopte Mpreuk, «telling, 
vr^orHelirift), 

Afrik, n. Afrika. 

agat, m. agaat. 

aganaly h. ugentuurf ngent- 

agent, n. iigent* 

agil, a. Ixihendig, handig, 
vtuirdig, flink, Uirtn. 

agitats v. agiteren, veront- 
tmivu, opwinden, -aaion, 
H. agitatie, gernomlHbewe- 
gbig, gÏMting, «panning. 
'(Uni\ H. agitator. 

agnely n. him. 

agoni, n. agonio, xioitoging, 
doodHtriJd . 



agr, a. akker. 

af rsf, üs agrafle (haak orn 
een kledingstuk om de 
ïtüiM te doen «luiten). 

af reaM^ a. aangenaam, pret- 
tig, -itel^ », aangenaam- 
heid, prettigfaeid, 

agriklllter, s. agrikultuar» 
landbouw. 

ai, n. ai, aai. 

a Infwiwre^ adv. naar bene- 
den. 

a intariiN'^, adv. naar binnen» 

-o;, «uf. vormt verzamel- 
woorden van zaken, b.v. 
folia;\ gebladerte. 

ajlo, 8. agio, opgeld. 

akademi, s. akademie. 'an^ 
a. akademies ; akademielid. 

akaaia, s. akacia (bot.). 

a ke, k. (in de achterste zin,, 
wanneer het woord £ro zich 
in de voorste zin bevindt)^ 
dan dat, b.v. II ea tro fort^ 
a ke vo potea viktoriar. 

akiamar, v. toejuichen. -emony 
8. toejuiching, akkiamatie. 

akomodar, v. akkomoderen^ 
aannnssen. -aaion, s. akko- 
rnoaatie . 

akomodar ae, v. zich akko- 
nioderen, zich schikken, 
zich voegen. 

a kont de, prep. op rekening 
van. 



akord— akurat 



71 



akord, s. akkoord, -ar^ v. 
akkorderen , overeenko- 
men. 

akordar se, v. het eens zijn, 
eensgezind leven. 

akreditar, v. akkrediteren, 
krediet verschaffen. 

aks, s. as. 

akselerar, v. versnellen, be- 
spoedigen, -axion^ s. ver- 
snelling, bespoediging, ak- 
celeratie. 

aksent, s. kkcent, klemtoon, 
nadruk. 

aksentuar, v. akcentueren 
(met klem uitspreken, het 
akcentteken plaatsen). -oat- 
on^ s. akcentuatie. 

aksept, s. akcept. -ar^ v. ak- 
eepteren, aannemen, op- 
nemen . 

aksidar, v. gebeuren, voor- 
vallen, voorkomen. 

aksident, s. akcident, gebeur- 
tenis, voorval, -e, adv. ak- 
cidenteel, toevallig. 

aksiom, s. axioma (in de 
wiskunde, waarheid die 
zonder bewijs aan de er- 
varing ontleend wordt ; 
bij uitbreiding: onomsto- 
like waarheid). 

aksion, s. aktie, aandeel. -er, 
s. aktionaris, aktion(n)air, 
aandeelhouder. 



akt, s. handeling, daad, akte, 
bedrijf, -ar^ v. handelen, 
akteren . 

aktiv, a. aktief, werkzaam, 
bed rij vig ; bedrij vende 
vorm (gram.), -ttet, s. ak- 
tiviteit, werkzaamheid, be- 

. drijvigheid. 

aktor, s. akteur, toneelspeler, 
-a, s. aktrice, tooneelspeel- 
ster. 

aktual, a. aktueel (aan de 
orde zijnde, vanogenblik- 
kelik belang), -xiei^ s. ak- 
tualiteit. 

aku, s. naald. 

akua. s. water, -tr, a. water- 
achtig, waterig. 

akuafort, s. sterkwater. 

akuarium, s. aquarium (gla- 
zen bak met water waarin 
men levende waterdieren 
en waterplanten bewaart), 

akuavit, s. brandewijn. 

akuil, s. arend, adelaar. 

akuirar, v. kopen, aankopen, 
inkopen, afkopen. 

akuroular, v. ophopen, op- 
stapelen, -asion, s. opho- 
ping, opstapeling, -ator, s. 
akkumulator. 

akurat, a. akkuraat, nauw- 
keurig, nauwgezet. -Het, 
s. akkuratesse, nauwkeu- 
righeid, nauwgezetheid. 



72 



akusar— aline 



eiknsar, v. akkuseren, aan- 
klagen . 

akusatlv, s. akkusatief, 4e 
naamval (gram.), -ik, a. ak- 
kusativies . 

akustik, s. akoustiek (gehoor- 
leer, klankleer). 

akut, a. akuut, scherp, spits. 
'ijikar, v. scherpen, aan- 
scherpen, slijpen, spitsen, 
punten, aanpunten. '4,tet, s. 
scherpte, scherpheid. 

al, s. vleugel, -ar, v. bevleu- 
gelen. -ed, part. bevleu- 
geld, gevleugeld. 

-al, suf. tot vorming van ad- 
jektieven dat gebruikt 
wordt in plaats van -ik, 
als de stam uitgaat op ik, 
b.v. graroatikaZ, grarama- 
tikaal, spraakkunstig. 

alabastr, s. albast. 

alambik, s. distilleerkolf, 
alembiek . 

alarm, s. alarm, -ar, v. alar- 
meren. 

alaud, s. leeuv^erik. 

alb, s. albe, koorhemd. 

Albania, s. Albanië. 

alberg, s. herberg, -ar, v. 
herbergen, -ist^ s. herber- 
gier, waard. 

albom, s. album. 

alé, s. allee, laan. -atr, a. 
allee-achtig, laanachtig. 



alegori, s. allegorie (in de 
stijlleer, voortgezette en 
uitgewerkte vergelijking). 

V 'ik (alegorlk), a. allegories. 

alegr, a. opgeruimd, opge- 
wekt, 'itet, s. opgeruimd- 
heid, opgewektheid. 

alektar, v. lokken, aanlokken, 
verlokken, -(mon, s. lok- 
king, aanlokking, verlok- 
king. 

alen, s. els, priem. 

alfabet, s. alfabet. 

alfenid, s. alfenide (zilverach- 
tig metaal; een legéring 
van koper, nikkel en zink). 

algebra, s. algebra, stelkunde. 
'ik, a. algebraïes, stelkun- 
dig. 

al lans, s. alliantie, bondge- 
nootschap. 

al ienar, v.aliëneren , vervreem - 
den. 'Osion, s. aliënatie, ver- 
vreemding, 'ia, s. vreemd 
land, vreemde, -iky a. 
vreemd. 

aligator, s. alligator (soort 
van krokodil). 

aliment,s.voedingsmidde1.-ar, 
V. alimenteren, voeden, ver- 
plegen, -adon^ s. alimenta- 
tie, voeding, verpleging, on- 
derhoud. 'OS, a. voedzaam. 

aline, s. alinea (gedeelte van 
een geschreven of gedrukt 



Aljerio— ambrosi 



73 



stuk, van een nieuwe regel 
tot een nieuweregel). 

Aljeria, s. Algerië. 

alkali, s. alkali, loogzout. -ik, 
a. alkalies. 

alkimi, s. alchimie (weten- 
schap met het doel on- 
edele metalen in edele om 
te zetten en een levens- 
elixer te bereiden), -iat 
(alkiini8t),s.alchimist.-i«<i/c 
(alkiroistiA:), a. alchimis- 
ties. 

alkohol, s. alkohol. 

alkov, s. alkoof. 

almanak, s. almanak. 

almosin, s. aalmoes. 

aln, s. els, elzeboom. 

aloë, s. aloëe (bot.). 

Al pi, s. Alpen. 

Alsasia, s. Ëlzas. 

alt, a. hoog. -eskar, v. hoog 
worden, -itet s. hoogte, 
verhevenheid . 

altar, s. altaar. 

alternar, v. alterneren, beur- 
telings doen, afwisselen . 
-asion^ s. alternatie, af- 
wisseling . 

alternatlv, s. alternatief (ge- 
dwongen keus tussen twee 
onaangename dingen). 

aludar a kk, v. op iets zin- 
spelen, -asion, s. zinspe- 
ling, toespeling. 



alum. s. aluin. 

aluminium, s. aluminium (Al). 

-am, suf. tot vorming van 
de ie persoon meervoud 
van de gebiedende wijs, 
b.v. andam.' iaat ons gaan 1 

amalgam, s. amalgama, amal- 
gaam (verbindingvan kwik- 
zilver met een ander me- 
taal), -ar, V. amalgameren. 

amar, v. beminnen, liefheb- 
ben, houden van. -a^Z, a. 
beminnelik , beminnens- 
waardig. -itet, s. beminne- 
lik heid, beminnenswaar- 
digheid. -aior, s. minnaar, 
liefhebber, amateur, -or, 
s. liefde, min. -oros, a ver- 
liefd, amoureus, -orositeti 
s. verliefdheid. 

amason, s. amazone (strijd- 
bare vrouw , paardrijd- 
ster) . 

ambasad, s. ambassade, ge- 
zantschap, -er, s. ambas- 
sadeur, gezant. 

ambigu, a. dubbelzinnig. -Het, 
s. dubbelzinnigheid. 

ambisi, s . ambitie, eerzucht. 
-o«, a. ambitieus,eerzuchtig. 

ambi, s. pasgang, telgang, 
-ar, V . in pasgang, telgang 
gaan. -a/or, s. pasganger, 
telganger . 

ambrosi, s. ambrosia, ambro- 



«MjCm^I htmméiitith 

i mlnif, mAs , rriirmUsrm, ten 

AmnMtl, M, urnrx^Mtm, kwyt- 

■ar^ V. kwytH(jti«ld<*n, b«- 

(imonlAk. N. fuiiiiiortiuk. 

Amortlia/', V. tiiiiortiML*reii| 
(Itil^nii vun Niiliul(l<*n.-r/«/rm, 
t4, )Mi)ut'(lNuiin, dol^iriK* 

Ampl, H. w^d, ruim. ^jikaVf 
V. vtM'wydon, vtM'ruimen. 



j&er^tc xéfiruiiiiken . 
m, ^ aous. stars, aehterste. 

-on* «uf. tot Torming van 
a/ij^ktieveo <f ie eeo toebe- 
horen sum iets of iemaiid 
Ui keooen geveo^ b.T. aae- 

Met^xr/, raohammedaans. 

aiiali, «. annalen, jaarboek^i. 

analis, »* analyse, ontleding. 
-ar, V. analyseren. 

aiioiog^ a« analoog (overeen- 
intern rnend). 

ananas, s. ananas. 

anapest, s. anapest (versvoet, 
bestaande uit twee onbe- 
toonde lettergrepen en één 
betoonde, b.v. inderdaad), 
-t/c, a. anapesties. 

anarkl, s* anarchie, -ik (anar- 
klk), a. anarchisties. -tam, 
(anarkism), s. anarchisme. 
'int (anarkist), anarchist. 

anat, s. eend. 

anatem, s. anathema, ban- 
vloek . 



Anatolia-ans 



75 



Anatolta, s. Anatolië, Klein- 
Azië. 

anatoroi, s. anatomie, ont- 
leedkunde, -ik (anatoroik), 
a. anatomies, ontleedkun- 
dig. 'ist (anatoroist), s. 
anatoom, ontleedkundige. 

-and f suf. tot vorming van 
het gerundivum, b.v. ek- 
8aroina7id(, moetende geëxa- 
mineerd worden; iemand 
die geëxamineerd moet 
worden . 

Andaiusia, s. Andalusië. 

andar, v. gaan. 

andar a kontr^, te gemoet 
gaan. 

andar anterior^, voorgaan, 
vooraangaan, voorafgaan. 

andar tro lente, achtergaan 
(van een uurwerk). 

andar tro velose, voorgaan 
(van een uurwerk). 

Andora, s. Andorra. 

anekdot, s. anekdote (kort 
verhaal met een biezon- 
derheid uit het leven van 
een histories persoon, bij 
uitbreiding ook van andere 
personen; een amusant 
kort verhaal, een ui). 

aneks, s. het annex, het bij- 
behorende, -ar^ V. annexe- 
ren, inlijven, bijvoegen, 
aanhechten. 



anel, s. ring. 

anel rotik, velg. 

angel, s. engel. 

angin, s. angina, keelontste- 
king. 

angl, s. angel, vishaak, -ar, 
V. hengelen. 

Anglta, s. Engeland, -ik, a. 
engels (in het engels, en- 
gels sprekende), -ian, a. 
engels (hetgeen aan Enge- 
land behoort) ; Engelsman. 

angoran, a. Angora (kat, ko- 
nijn, geit). 

anguil, s. aal, paling. 

angul, s. hoek. 

angust, s. angst, -ar, v. be- 
angstigen. 

anim, s. ziel. -ar, v. bezielen, 
verlevendigen, opwekken, 
animeren. 

aniroal, s. dier, beest, -ik, a. 
dierlik, animaal. 

animal rapas, roofdier. 

anis, s. anijs. 

aniversar, s. jaardag, verjaar- 
dag. 

ankor, adv. nog. -foa, adv. 
nogmaals . 

ankr, s. anker, -ar, v. ankeren. 

anonim, a. anoniem, naam- 
loos. -4tet, s. anonimiteit, 
naamloosheid . 

ans, s. handvat, handvatsel, 
hengsel, oor. 



76 



ansian— aperiar 



ansian, a. oud, bejaard ; de 
oude,grijsaard.-6sto',v.oud 
worden, verouderen, 'itet, 
s. ouderdom, bejaardheid. 

-ant, suf. tot vorming van 
het tegenwoordig deel- 
woord, b.v. r'lAant, lachen- 
de, 'ante, suf. tot vorming 
van het deelwoordelik bij- 
woord, b.v. rUantCj (al) 
lachende . 

ante, prep. vóór (tijd of plaats). 

ante ke, k. voordat, alvorens. 

anterior, a. vroeger, vooraf- 
gaand, -e, adv. vroeger, 
voor, vooraan, vooraf. 

anti' f pref. komt overeen met 
het voorzetsel kontr, tegen. 

an /tal koholt^, a. anti-alkoho- 
lies. 

antifon, s. antifona, beurt- 
zang, 'ik, a. antifonaal. 

antiky a. antiek, oud. -Itet, 
s. oudheid, antikiteit. 

Antilt, s. Antillen. 

antilop, s. antiloop. 

antimon, s. antimonium (Sb) . 

antipdijf, s. tegenpaus. 

antipati, s. antipathie (na- 
tuurlike afkeer), 'ik (an- 
tipatik), a. antipathiek. 

antipod, s. antipode, tegen- 
voeter . 

anu, s. jaar. -ik (ailual), a. jaar- 
liks. 



anular, v. annuleren, te niet 
doen, nietig verklaren, af- 
schaffen, opheffen, vernie- 
tigen . 

anunsi, s. annonce, adverten- 
tie, advertensie, aankon- 
diging, bekendmaking, -ar, 
V. annonceren, adverteren, 
aankondigen, bekendma- 
ken, verkondigen, melden, 
aanmelden. 

aort, s. aorta, grote slagader. 

a otr-loke, adv. ergens anders 
heen. 

apanaj, s. apanage (toelage uit 
de staatskas aan niet rege- 
rende leden van 't vorstelik 
geslacht), -ar, v. apana- 
geren . 

aparar, v. verschijnen, opgaan 
(van hemellichamen). 

aparat, s. apparaat, toestel. 

apart, a. apart, afzonderlik. 

apartenar, v. behoren, toebe- 
horen . 

apati, s. apathie, gevoelloos- 
heid, 'ik (apatil(), a. apa- 
thies, gevoelloos. 

apel, s. appèl, oproep, -ar, v. 
appeleren, oproepen. 

Apenini, s. Appenijnen. 

aperiar, v. openen, openslui- 
ten, openmaken, opendoen, 
openstellen, ontsluiten. -ad,, 
s. opening. 



I 



apetit—arbitrar 



77 



apetit, s. appetijt, eetlust. 

api, s. bij. -eri, s. bijekorf. 

aplaudar, v. applaudisseeren 
(in de handen klappen als 
teken van goedkeuring, 
toejuichen). 

apo! i. wegl voort I 

apo-aodar, v. weggaan, heen- 
gaan. 

apologi, s. apologie (verdedi- 
gingsrede, verweerschrift). 
-ik (apologetik), a. apologe- 
ties. -üt (apologist), s. apo- 
logeet (verdediger, inzon- 
derheid van *tkristendom). 

apopleksi, s. apoplexie, be- 
roerte, -ik (apoplektik), a. 
apoplekties. 

apo-prendar, v. wegnemen. 

apo-pu8<7r, V. verstoten, weg- 
stoten, wegstompen, weg- 
duwen. 

apo-selar, v. afzeilen, weg- 
zeilen . 

apostat, a. afvallig. 

a posteriora, adv. naar ach- 
teren. 

apostol, s. apostel, -ik, a. apos- 
tolies . 

apostrof, s. apostrofe, weg- 
latingsteken, afkappings- 
teken . 

apostrofar, v. aanspreken, 
toespreken, -ad^ s. aan- 
spraak, toespraak. 



apotek, s. apoteek. -er, s. 
apoteker. 

aprendar, v. leren, aanleren, 
vernemen, -abl, a. leerbaar. 

april, s. April, -an, a., de 
april, aprils. 

aprobar, v. approberen, goed- 
keuren^ billiken. 

aproksimativ, a. approxima- 
tief, benaderend. -€, adv. 

apropriar, v. zich toeëigenen, 
zich eigen maken. 

apt, a. geschikt, bekwaam. 
-ite<, s. geschiktheid, be- 
kwaamheid. 

ar, s. are, 100 M*. 

-ar, suf. tot vorming van de 
onbepaalde wijs, b. v. amar, 
beminnen. 

arabesk, s. arabeske (versie- 
ring in de schone kun- 
sten) . 

Araina, s. Arabië. 

arak,s. arak(rijstbrandewijn). 

aran, s. spin. 

arar, v. akkeren, ploegen, 
beploegen, omploegen. 

arbitr, s. arbiter, scheids- 
rechter , 

arbitraj, s. arbitrage, scheids- 
gerecht. 

arbitrar, a. arbitrair, wille- 
keurig , eigendunkehk . 
'itet, s. willekeur, eigen- 
dunkelikheid . 



78 



arbor— arogant 



arbor, s. boom. -ar, v. recht- 
op zetten als een boom, 
oprichten , hijsen (van 
vlaggen, vanen). 

arbust, s. struik, heester. 

ardar, v. gloeien, -or, s. 
gloed, hitte, vuur. -oros, 
a. heet, vurig. 

aren, s. arena, strijdperk. 

arendar, v. pachten, -ator, 
s. pachter. 

areometr, s. areometer (toe- 
stel waarmee men het 
soortelik gewicht van een 
vloeistof kan bepalen). 

arest, s. arrest, hechtenis. 
-ar, V. arresteren, in hech- 
tenis nemen, aanhouden. 

a rey\sadl i. tot weerziens 1 

argent, s. zilver (Ag), -ar, 
V. verzilveren. 

Argentina, s. Argentina. 

argily s. klei, potaarde, leem. 
-08, a. kieiachtig, leem- 
achtig. 

argon, s. argon (A). 

argument, s. argument, be- 
wijsgrond, -ar, V. argu- 
menteren . 

aria, s. aria, air. 

aristokrat, s. aristokraat 
(voorstander, lid van de 
aristokratie). -t, s. aristo- 
kratie (regering van de 
adelliken of voornamen ; 



de gezamlike groten). 

aritmetik, s. arithmetika, 
rekenkunde. 

ari var, v. arriveren, aanko- 
men, geraken heenkomen. 

ark, s. boog. -ad, s. arkade 
(gewelf of boog op twee 
kolommen rustend). -C7', s. 
boogschutter. 

ar kan, a. verborgen, geheim, 
heimelik. 

arki-^ pref. duidt voorrang, 
superioriteit aan. 

ar^'^angel, s. aartsengel. 

arMduK, s. aartshertog. 

a)*A;iepi8kop, s. aartsbisschop. 

arkïtekt, s. architekt, bouw- 
meester. 

arkiv, s. archief (verzame- 
ling van geschreven stuk- 
ken, oorkonden enz.; be- 
waarplaats van die stuk- 
ken). 

arm, s. wapen, -ar^ v. wa- 
penen, bewapenen. 

armatur, s. wapenrusting, 
rusting. 

arm-emblem, s. wapen (heral- 
diek). 

Armenia, s. Armenië. 

armi, s. leger, armee, -ik, 
a., de armi, leger-. 

arogant, a. arrogant, aanma- 
tigend, verwaand, laatdun- 
kend, 'itet (arogans), s. 



aromat — asion 



79 



arrogantie, aanmatiging, 
verwaandheid, laatdun- 
kendheid . 

aromat, s. aroma, welrie- 
kendheid, -tfc, a. aroma- 
ties, welriekend. 

arorut, s. araroet. 

arsen, s. arsenikum, ratte- 
kruit. 

arsenal, s. arsenaal, tuighuis. 

art, s. kunst. -w<, s. artiest, 
kunstenaar, -istik, a. ar- 
tistiek. 

arter, s. slagader, polsader. 

artiflsi, s. kunstgreep, kunst- 
stuk. '08y a. kunstig, kunst- 
vaardig. 

artlflsial, a. artificieel, kunst- 
matig, gekunsteld. 

artiki, s. artikel, lidwoord. 
— definit, lidwoord van be- 
paaldheid. — indeflnit, lid- 
woord van onbepaaldheid. 

artileri, s. artillerie, -iat (ar- 
tilerist), s. artillerist. 

artishok, s. artisjok (een dis- 
telachtige plant, in Zuid- 

. Europa en Noord-Afrika 
in het wild groeiende en 
bij ons als groente ge- 
kweekt). 

as, s. aas (kaartspel). 

asasinar, v. moorden, ver- 
moorden, -asion, s. moord, 
verraoording. -ator, s^ 



moordenaar, vermoorder. 

asbest, s. asbest. 

asekurar, v. verzekeren, as- 
sureren, -oston, s. verze- 
kering, assurantie, assu- 
ransie. 

asendar, v. opstijgen, stijgen, 
wassen, rijzen, bestijgen. 

asension, s. hemelvaart. 

asenti, s. instemming, be- 
aming, -ar, V. instemmen, 
beamen. 

aser, s. ahorn (bot.). 

aserb, a. wrang. 

asesor, s. assessor (iemand 
die de voorzitter helpt; 
bijzitter). 

asfalt, s. asfalt. 

Asia, s. Azië. -n (asiatik), 
a. aziaties; Aziaat. 

asid, a. zuur. -ad, s. zuur. 
-itet, s. zuurheid. 

asidu, a. onvermoeibaar, on- 
vermoeid, onverdroten. 
'itet, s. onvermoeibaarheid. 

asier, s. staal, -ar, v. stalen, 
harden, -i/r, a. stalen. 

asign<xr, v. assigneren, aan- 
wijzen . 

asil, s. asyl, aziel, toevluchts- 
oord, wijk plaats. 

a 8i\oke, adv. hierheen. 

asin, s. ezel. 

a sinistr^, adv. naar links. 

-asion, suf. bij een werk- 



80 



Aslrio— atest 



woordelike stam, vormt 
substantieven die een han- 
deling aanduiden, b.v. mis- 
tïfikci8io7i, mystifikatie. 

Asirta, s. Assyrië. 

asistar, v. assisteren, bij- 
staan, -ant, part. assistent, 
bijstander . 

asket, s. asceet (eenzame, 
vrome boetedoener; fig 
iemand van buitengewoon 
vrome, strenge levenswan- 
del). 

asosfór, V. associëren (zich 
verenigen om gemeen- 
schappelik handel te drij- 
ven). -asion, s. associatie. 
-ed, part. associé, kom- 
panjon . 

asot, s. stikstof (N). 

asparg, s. asperge (bot.). 

aspekt, s. aspekt, voorko- 
men, zicht, uitzicht, ge- 
zicht, aanzicht, -ar, v. 
aanzien, aanschouwen, be- 
schouwen, bezien, bekij- 
ken, bezichtigen. 

aspirar, v. aspireren, stre- 
ven, trachten, haken. 

dstmat, s. asthma, aambor- 
stigheid, kortademigheid . 

astr, s. ster^ hemellichaam. 

astrolog, s. astroloog, ster- 
rewichelaar. 

astrologi, s. astrologie, ster- 



re wichelarij. 

astronom, s. astronoom, ster- 
rek undige. 

astronomi, s . astronomie, 
sterrekunde. -ik (astrono- 
mik). a. astronomies, ster- 
rek undig. 

astusi, s. list, sluwheid, ge- 
slepenheid, -os, a. listig, 
sluw, geslepen. 

a superiors, adv. naar boven, 
naar omhoog. 

asur, a. azuren, hemelsblauw. 

atak, s. attaque, aanval, -ar, 
V. attaqueren, aanvallen, 
aangrijpen. 

-ate, suf. tot vorming van 
de 2e persoon meervoud 
van de gebiedende wijs, 
b.v. fimate! bemint I 

ateisro, s . atheïsme (het niet 
geloven aan het bestaan 
van God). 

ateist, s. atheïst. 

a teloke, adv. daarheen. 

atend, s. afwachting, -ar, v. 
wachten, afwachten. 

atension, s. attentie, opmerk- 
zaamheid, oplettendheid, 
aandacht. -o«, a. attent, 
opmerkzaam, oplettend, 
aandachtig. 

atest, s. attest, getuigschrift. 
•ar, V. attesteren, getuig- 
schrift afgeven, getuigen, 



atlnar— aut 



84 



betuigen, -ator^ s. getuige. 

atinar, V. bereiken. 

-afóv, suf. bij een werkwoor- 
delike stam, vormt adjek- 
tieven die een bekwaam- 
heid of mogelikheid aan- 
duiden, b. V. purgattVy 
purgatief. 

Atlantic (osean atianti^), a. 
Atlantiese oceaan. 

atlas, s. atlas (boek met 
kaarten) . 

atlet, s. athleet (kampvech- 
ter bij de oude Grieken; 
een sterk, zwaar gebouwd 
man), -ik, a. athleties. 

atmosfer, s. atmosfeer, damp- 
kring. 

atoro, s. atoom (kleinst denk- 
baar stofdeeltje dat zowel 
chemies als fysies ondeel- 
baar wordt verondersteld). 

-ator, suf. bij een werkwoor- 
delike stam, vormt sub- 
stantieven die een persoon 
of zaak aanduiden die iets 
verricht, b. v. orator, ora- 
tor, redenaar; ventiiator, 
ventilator . 

^atr, suf. tot vorming van 
adjektieven die een gelij- 
kenis aanduiden, b. v. 
peiralr, steenachtig; 
verdafr, groenachtig. 

atraktar, v. aantrekken. 



asion (atraksion). s. aan- 
trekking, attraktie. 

atrap, s. val, strik, valstrik. 
-ar, V. attraperen, in een 
val of strik vangen, ver- 
strikken, betrappen. 

audiar, v. horen, toehoren, 
-al i. heil heidaar! holal 
hoor 'esl psti 

audiens, s. audiëntie (plech- 
tig ofofficieel gehoor, door 
een hooggeplaatst persoon 
verleend) . 

audit, s. gehoor (zintuig). 

augment, s. augment, toe- 
voegsel, -ar^ V. vermeer- 
deren. '<mony s. vermeer- 
dering . 

august, s. Augustus, -ar?, a., 
de august, Augustus-. 

ailksion, s. auktie, veiling. 
-ar^ V. veilen, bij opbod 
verkopen . 

a ulteriore e a slterior^, adv. 
heen en weer. 

auP, s. goud (Au), -ar, v. 
vergulden, -cmon, s. ver- 
gulding. 

auskultar, v. auskulteren, 
luisteren, toeluisteren, be- 
luisteren, afluisteren. 

Australia, s. Australië. 

Austria, s. Oostenriik. 

aut, pr. zelf, b.v. mi aut^ ik 
zelf; direktor aut^ de direk- 
6 



82 



autentik—aveniar 



teur zelf. 

autentik, a. authentiek (in 
rechten geldig: echt; be- 
trouwbaar). 

auto-J pref. komt overeen 
met het voornaamwoord 
autj zelf. 

autobiogrally s. autobiografie 
(lévensbeschrijving door de 
persoon zelf). 

automat, s. automaat (kun- 
stige machine, waarin zich 
alles van zelf schijnt te 
bewegen), -ik, a. automa- 
ties. -e, adv. 

automobW, a. zelfbewegend. 
[vehiki] at^tomobil, auto- 
mobiel . 

autor, s. auteur, schrijver, 
maker, vervaardiger. 

autorisar. v. autoriseren, 
machtigen, het rechtgeven. 

autoritet, s. autoriteit, ge- 
zag, overheid. 

-av, suf. tot vorming van 
de onvoltooid verleden tijd, 
b.v. mi amav, ik beminde. 

avansar, v. avanceren, voor- 
waarts gaan, voortrukken. 
-e, adv. te voren, vooruit. 

-avant, suf. tot vorming van 
het verleden deelwoord 
van de bedrijvende vorm, 
b.v. amavant, bemind heb- 
bende . 



avar, a. gierig, vrekkig; gie- 
rigaard, vrek. 'itet, s. gie- 
righeid, vrekkigheid. 

-avar, suf. tot vorming van 
de onbepaalde wijs van de 
verleden tijd, b.v. Simavar, 
bemind hebben. 

avar, V. hebben. 

avar famel, hongeren. 

avar koneks, samenhangen, 
in verband staan. 

avar lok, plaats hebben, voor- 
komen. 

av^r MWSitet de, nodig heb- 
ben, behoeven. 

avar pasienti^^ (pasiens), ge- 
duld hebben. 

avar permit a, mogen, ver- 
gunning hebben tot. 

avar siti, dorst hebben. 

avar sukses ko kk, sukces 
met iets hebben, gelukken, 
slagen, b.v. mi avav suk- 
ses ko voyaj, de reis ge- 
lukte mij. 

avar tendens, de strekking 
hebben. 

-aved, suf. tot vorming van 
het verleden deelwoord 
van de lijdende vorm, b.v. 
9Lmaved, bemind geworden 
zijnde; iemand die bemind 
is geworden. 

aven. s. haver. 

aveniar, v. geschieden. 



aventuP'-bank-biliet 



83 



aventur, s. avontuur (merk- 
waardig lotgeval). 

aversion, s, aversie, afkeer, 
hekel, tegenzin, weerzin. 

avertar, v. wenken, -asion, 
s. wenk. 

avid, a. begerig, gretig, -itet^ 
s. begerigheid, gretigheid. 

avis, s. advies, bericht, na- 
richt, tijding, nieuws. -ar, 
v. adviseren, advizeren, be- 
richten . 

B. 

babiliar, v. babbelen, snap- 
pen, kletsen, kakelen, wau- 
welen . 

bagaj, s. bagage, reisgoed. 

bagatel, s. bagatel, nietig- 
heid. 

bakar, v. bakken, -ad, s. 
gebak, baksel. 

bal, s. bal (danspartij). 

balad, s. ballade (verhalend 
gedicht over een romantics 
voorval) . 

balans, s . balans, evenwicht. 
-ar, V. balanceren. 

balast, s. ballast. 

balbusiar, v. stamelen, stot- 
teren. 

baldakin, s. baldakijn, troon- 
hemel. 

balen, s. walvis. 



balet, s. ballet (kunstige dans, 
door een corps van dan- 
sers en danseressen op het 
toneel uitgevoerd). 

balJstlk, s. ballistiek (leer 
van de baan die projek- 
tielen in de lucht be- 
schrijven). 

balkon, s balkon. 

balon, s. ballon. 

balsam, s. balsem, -ar, v. 
balsemen. 

balsamin, s. balsemijn (bot.). 

BaltiA; (mar balttA:), a. Oost- 
zee, Baltiese zee. 

balustr, s. baluster (leuning- 
pijler), -ad, s. balustrade, 
leuning, hekwerk. 

bambu, s. bamboe. 

banan, s. banaan, pisang. 

band, s. band. -ar, v. bin- 
den. 'OJ, s. verband.-a;is^, 
s. bandagist (iemand die 
breukbanden en andere 
verbandmiddelen maakt). 

bandit, s. bandiet. 

baner, s. banier. 

bani, s. bad. -ar, v. baden. 
-er, s. bader, -eri, s. bad- 
huis. 

bani-kuf, s. badkuip. 

bank, s. bank, wisselbank. 
-n-, s bankier. 

bank-biliet, s. bankbiljet, 
banknoot. 



st 



banket— beduin 



banket, s. banket. 

bankrot, s. bankroet, faillis- 
sement, faljiet. • 

baptar. V. dopen, -adon^ s. 
doop. 'iat^ s. doper. 

bar, s. baar, staaf, slagboom, 
sluitboom, grendel, -ar^ v. 
grendelen, toegrendelen. 

barak, s. barak, hut. 

barb, s. baard, -er, s. barbier. 
'08y a. baardig, gebaard. 

barbar, a. barbaars; bar- 
baar. 

barbi, s. barbeel. 

baret, s. baret (zeker hoofd- 
deksel). 

barier, s. barrière (slagboom, 
hek). 

barlkadj s. barrikade, ver- 
sperrmg. 

bariton, s. bariton (hoge bas 
of diepe tenor). 

barium, s. barium (Ba). 

bark, s. bark. 

barometr, s. barometer (lucht- 
drukmeter, weerglas). 

baron, s. baron. 

bas, a. laag. -^, adv. laag, 
omlaag. -i/A:ar, v. laag ma- 
ken, vernederen, -tat, s. 
bassist, 'iteif s. laagheid. 

basalt, s. bazalt (donker ge- 
kleurd, hard, vulkanies ge- 
steente). 



basar, s. bazaar, markt. 

bas-bot, s. schoen. 

bashkir, s. Basjkier (volk- 
stam). 

basilisk, s. basilisk (fabeU 
achtig beest, slang ; zeker 
oud veldgeschut). 

basin, s. bassin (kom van 
dokken, zweminrichtingen 
enz.). 

basis, s. basis, grondslag. 

bast, s. bast, schors. 

bastard, s. bastaard, basterd. 

bastion, s. bastion, bolwerk. 

baston, s. staf, stok. -ar, v. 
een pak slaag geven, af- 
ranselen, afrossen. 

bat, s. slag. -ar, v. slaan 
(ook in het schaakspel). 

batali, s. slag, veldslag. 

bataiion, s. bataljon. 

batar pasan^a, en passant 
slaan (schaakspel). 

batat, s. batate, pataat (bot.). 

bateri, s. batterij. 

batist, s. batist (fijnste lin- 
nensoort). 

Bavaria, s. Beieren. 

bayonet, s. bajonet. 

beat, a. zalig, -ifikar, v. za- 
ligen. '4tet, s. zaligheid. 

bed, s. bed. 

bedel, s. pedel (dienaar, bode 
op hogescholen enz.). 

beduin, s. Bedoeïen. 



bek— bismut 



85 



bek, s. snavel, -ar, v. pikken. 

bekas, s. snip. 

bel, a. schoon, mooi, fraai. 
'ifikar, v. vermooien, ver- 
fraaien, -ifet, s. schoon- 
heid, mooiheid, fraaiheid. 

beladon, s. belladonna, wolfs- 
kers. 

bel-filio, s. schoonzoon. 

bel-fratr, s. schoonbroer, zwa- 
ger. 

Belgm, s. België. 

bel-patr, s. schoonvader. 

bel veder, s. belvedère (schoon - 
zicht, plaats met schoon 
uitzicht). 

bene, adv. wel, goed. 

benedikar, v. zegenen, -asion, 
s . zegen . 

bene-fasiar, v. weldoen, -ad, 
s. weldaad, -ant, part. wel- 
dadig, -aior, s. weldoener. 

benefis, s. beneficie, benefice, 
voordeel . 

benevolent, a. welwillend. 

bensin, s. benzine. 

bensol, s. benzol. 

ber, s. bes, bezie. 

Berberta, s. Barbarij e. 

beril, s. beril (doorzichtige, 
geelachtig groene of zee- 
groene steen). 

berllium, s. beryllium (Be). 

Besarabia, s. Bessarabië. 

bet, s. bloembed, bloem- 



perk, perk. 
betanibr, s. beet, beetwortel. 
betul, s. berk. 
bi', pref. betekent bi-, twee-. 
bibar, V. drinken, zuipen. 

-ad, s. drank. 
bibi, s. bijbel. 
bibliotek, s. bibliotheek, -er, 

s. bibliothekaris. 
biüsinkik^ a. tweezijdig. 
bifstek, s. biefstuk. 
bigot, a. bigot, domvroom. 
^^kavaÜA:, a. tweespannig. 
bilans, s. balans (handel). 
bili, s. gal. -oa, a. gallig, 

galrijk. 
biliard, s. biljart. 
blliet, s. biljet. 
^ilingut^, a. tweetalig. 
bilion, n. duizend millioen, 

milliard (1.000.000.000). 
binokl, s. binocle, toneel- 
kijker, veldkijker. 
biografi, s . biografie, levens- 

heschrijving. 
bir, s. bier . -en, s. bierhuis. 
bir-kukar, v. brouwen, -m, s. 

brouwerij, bierbrouwerij . 
bisekstil (anu bisekstil), a. 

schrikkeljaar. 
bisiki, s. bicycle, tweewieler. 

-iai, s. bicyclist. 
biskit, s. biscuit. 
biskult, s. beschuit. 
bismut, s. bismuth (Bi). 



86 



bitumin— bresh 



bitumin, s. bitumen, aardpek, 
aardhars. -os, a. bitumi- 
neus. 

bivuak, s. bivak, -ar, v. bi- 
vakkeren. 

biam, s . blaam . -ar, v . bla- 
meren . 

blank, a. wit, blank, -air, a. 
witachtig . 

blank-kaval, s. schimmel. 

blank-pan, s. wittebrood. 

blasfemar, v. God lasteren. 

blok, s. blok, klos, klomp. 

blokar, V. blokkeren. 

blond, a. blond. 

blu, a. blauw, -atr, a. blauw- 
achtig, -ifikar, v. blauwen. 

bobin, s. bobijn, spoel, garen- 
klos. -ar, v. bobijnen. 

Bohemta, s. Bohemen. 

bok, s. mond. -on, s. de kaken 

bokal, s. bokaal, beker. 

boksar, V. boksen. 

Bolivia, s. Bolivia. 

bomb, s. bom. 

bombardar, v. bombarderen. 

bon, a. goed. -ifikar, v. goed- 
maken, vergoeden, scha- 
deloosstellen, -itet, s. goed- 
heid. 

bonbon, s. bonbon (suiker- 
goed, suikerboontjes). 

bon-tempiA% a . vroeg, vroeg- 
tijdig, -e, adv. 



bor, s. boor (B). 

boraks, s. borax. 

bord, s. boord, rand, kant, 
zoom, oever, -ar, v. zomen, 
omzomen. 

bordel, s. bordeel. 

borges, s. burger, burgerman. 

bors, s. beurs, buidel. 

bosket, s. kreupelbos. 

Bosnta, s. Bosnië. 

bot, s. laars, stevel. -er, s. 
laarzemaker, schoenma- 
ker. 

botanik, s. botanie, plant- 
kunde, -al, a. botanies. 

botanisar, v . botaniseren, 
(kruiden zoeken, verzame- 
len en determineren). 

boteli, s. fles, bottel. 

boton, s . knop. -ar, v. knop- 
pen, uitlopen, uitbotten. 

bov, s. rund. 

bov-karn, s. rundvlees. 

bran, s. zemelen. 

branki, s. kieuw. 

bras, s. arm. 

braselet, s. brasselet, arm- 
band. 

brasik, s. kool (gewas). 

Brasilta, s. Brazilië. 

bras-stul, s. armstoel, leu- 
ningstoel . 

brav, a. braaf. -(?, adv. -e/ 
i. bravo I -i^e^,s. braafheid. 

bresh, s. bre«. 



Bretonta— bitik 



87 



Brotonê^, s. Bretagoe. 

brav, a. kort. -ite^ s. kortheid. 

breviar, s. brevier. 

brid, s. toom, teugel, -ar, v. 
tomen, optomen, teugelen, 
beteugelen . 

brigad, s. brigade. 

brigand, s. struikrover. 

brik, s. baksteen, dakpan, 
tegel. 

brikon, s. schurk, schoft, 
schelm, schavuit, boef. 

briliar, V. schitteren, fonke- 
len, vonkelen, flikkeren, 
flonkeren . 

bris, s. bries. 

Britanta, s. Groot-Brittanje. 

brodar, v. stikken, borduren. 

brom, s. bromium (Br). 

bronki, s. luchtpijptak. -ik 
(bronkial), a. bronchiaal. 

brons, s. brons, -ar, v. bron- 
zen. 

broshar, v. brocheren, in- 
naaien . 

broshur, s. brochure, vli^g- 
schrift . 

bruar, v. bruisen, ruisen. 

brun, a. bruin, -ifikar, v. 
bruinen, bruineren. 

brus, s. borstel, schuier, -ar^ 
V. borstelen, schuieren. 

brusk, a. bruusk, bars, nors, 
opvliegend, -itet, s. bars- 
heid, norsheid, opvliegend- 



heid. 

bnital, a. brutaal, -üet, s. 
brutaliteit. 

bruto, adv. bruto (ruw, met 
de verpakking; zonder dat 
de onkosten er af zijn). 

bufet, s. buffet. 

bufon, s. potsemaker, guit, 
hansworst, nar. -ai\ v. 
guiterij uithalen, -ad, s. 
pots, guiterij. -t/f, a. pot- 
sig, guitig, snaaks. 

buket, s. boeket, ruiker. 

Bukhara, s. Boekhara. 

bukl, s. lok, haarlok, krul. 

bul, s. kogel. 

bulb, s. ui, ajuin. 

Bulgarta, s. Bulgarije. 

buliar^ V. koken, zieden 
(trans, en intr.). 

bulion, s. boeljoen. 

burg, s. vlek, raarktvlek. 

burlesk, a. burlesk (het bur- 
leske bestaat in de lach- 
wekkende vooi*stelling van 
het grote en gewichtige). 

burs, s. beurs (gebouw). 

bushi, s. schepel. 

bust, s. buste, buuste (borst- 
beeld : hoofd, schouders 
en borst). 

but, s. doel, doelwit, mik- 
punt, -ar, V. doelen, mik- 
ken, munten. 

butik, s. winkel. 



butfr— deU aktiv 



butir, s. boter, -ifikar, v. 
boteren, karnen. 

buton, s. knoop aan de kle- 
ding), -ar, V. toeknepen, 
dichtknopen. 

C. 

eek, s. cheque (aanwijzing op 
een kassier ter betaling). 
cekh, s. Tsjech. 
Cfli, s. Chili. 
CInesta, s. China. 
cokolad, s. chokola, sjokola. 



da, prep. van, van af. sedert. 

da anterlor^, adv. van voren. 

da dek8tr<?, adv. van rechts. 

da doiii6, adv. van huis. 

daks. s. das (dier). 

daktlly s. daktylus (versvoet 
van 3 lettergrepen, de Ie 
lang, de '2e en 3e kort, 
b.v. hinderpaal), -ikj a. 
daktylies. 

Dalmatia, s. Dalmatië. 

dam, s dam, dijk. 

damn, s. schade, nadeel, -dfi- 
kaVy V. schaden, benadelen. 
'Oal i. jammer I 

Danta, s. Denemarken. 

dans, 8 . dans . -ar, v. dansen . 

da otr-lok^, adv. ergens an- 



ders vandaan. 
Dardaneli, s. Dardanellen. 
dat, s. datum, dagtekening. 
da teAokey sulv. van daar, daar 

vandaan . 
da temp ke, k . sedert, sinds. 
d& f^empé. adv. sedert, sinds. 
dativ, s. datief, 3e naamval 

(gram.). 
dati, s. dadel. 
de, prep. van; 2e naamval, 

b.v. de muaa, der muze. 

dea. s. godin. 

deb, s. plicht, -ar^ v. moeten. 
de-bandar. v. losbinden. 
debat, s. debat (beraadslaging 

over een zaak in een ver- 
gadering, waarbij het voor 
en tegen besproken wordt). 
'Or, V. debatteren 

de-batar, v. afslaan, afhak- 
ken, afbouwen. 

debet, s. debet (linkerzij van 
een folio in het grootboek ; 
gezamenlike schuld die ie- 
-mand heeft), -ar, v. debi- 
teren (verkopen, aan de 
man brengen; aan dede- 
betzijde opschrijven). 

de-brU8ar, v. af borstelen, af- 
schuieren . 

debt, s. schuld (geldschuld). 
-aVj V. schuldig zijn. 

debt aktiv, aktieve schuld 
(uitstaande schuld, vorde- 



dedikar— de-kukar 



ring). 

dedikar, v. opdragen, toe- 
wijden. 

de-dukar, v. afvoeren. 

de-falsiar, v. afmaaien. 

liefekty s. defekt, gebrek. 
'08, a. defekt, gebrekkig. 

•defendar, v. verdedigen. 
-asion, s . verdediging, de- 
fensie, -atovy s. verdediger. 

definiar, v. definiëren, nauw- 
keurig bepalen. 

definitiv, a. definitief (voor- 
goed, vast). 

liefisit, s. deficit, tekort. 

de-florar, v. uitbloeien. 

de-fluar, v. afvloeien. 

ile-formar, v . misvormen, 
mismaken, wanstaltig ma- 
ken, -ik^ a. mismaakt, wan- 
staltig, lelik. 

de-frangar, v. afbreken. 

defraudar, v. ontvreemden, 
verduisteren, verdonkere- 
manen, -ctóton, s.ontvreem- 
ding, verduistering, ver- 
donkeremaning 

degenerar, v. degenereren, 
ontaarden, verbasteren. 

de-glisar, v. afglijden. 

degradar, v. degraderen (in 
rang verlagen ; tot soldaat 
terugbrengen). 

deijïfcar, v. vergoden. 

dek, s. dek, verdek. 



deka-y pref. betekent deka-, 
tien-, b v. dekaiiurmk, 
tiendaags. 

de-kadar, v. afvallen. 

dekam^tr, s dekameter. 

dekan, s. dekaan, deken. 

de-kapar (dekapitai ), v. ont- 
hoofden, onthalzen. -asion 
(dekapito^iOf s. onthoof- 
ding, onthalzing. 

deklamar, v. deklameren, 
voordragen (verzen enz.). 

deklarar, v . deklareren, ver- 
klaren. 

deklinar, v. deklineren, ver- 
buigen (gram.), -aêion, s. 
deklinatie, verbuiging. 

dekliv, s. helling. 

de-kombu8tar, v. afbranden. 

de-komitr/r, v. af bestellen. 

de-konsiliar, v. afraden, ont- 
raden . 

de-kontar, v. afrekenen. 

dekor, s. decor, versiersel, 
sieraad, -ar, v. dekoreren, 
versieren, sieren, tooien. 

de-kratar, v. afkrabben, af- 
krassen. 

dekret, s. dekreet, beshjit. 
-ar, V. dek reteren, bij be- 
sluit vaststellen. 

deketr, a. rechter, -e, adv. 
rechts. 

dekstre de, prep. rechts van. 

de-kukar, v. afkoken. 



90 



de-kupar— dentel 



de-kupar, v. afsnijden. 

de-kurajar, v. ontmoedigen. 

de-kustom^r, v. afwennen. 

de-kuvrar, v. onthullen, af- 
dekken. 

dekuvrar, v. ontdekken, -orf, 
s. ontdekking. 

delegar, v. delegeren, af- 
vaardigen. 

delektar, v. strelen (de zin- 
nen). 

delfin, s. dolfijn (een geslacht 
(ier vleesetende walvissen, 
waartoe onder andere de 
bruinvis behoort). 

delikat, a. delikaat, kies. 

delikates, s. delikatesse, lek- 
kernij, kiesheid. 

delikt, s. delikt, misdaad, 
misdrijf. 

deliniar, v. tekenen, afteke- 
nen. 

delir, s. delirium, waanzin, 
ijlhoofdigheid, -ar^ v. de- 
lireren, ijlen. 

delisiy s. genot, -ar, y. ge- 
nieten. -08, a. delicieus, 
overheerlik,genotrijk, ver- 
rukkelik . 

delivpar, v. leveren, afleve- 
ren. 

demagog, s. demagoog, volks- 
leider, volksmenner. 

demand, s . verlangen, vorde- 
ring, eis. -ar, v. verlangen. 



vorderen, eisen, vereisen^ 
afeisen . 

de-marshar, v. afmarcheren. 

de-maskar, v. ontmaskeren» 
I de-mendikar, v. afbedelen. 
! dementi, s. démenti, logen* 
strafQng. -ar, v. een dé- 
menti geven, logenstraffen. 

de-merkantar, v. afhandelen. 

demi; un-, n. een half (^). 

demokrat, s. demokraat 
(aanhanger van de volks- 
regering), -ik, a. demo- 
kraties. 

demolor. V. afbreken, om- 
verhalen, slechten, slopen. 

demon, s. demon (kwelgeest, 
boze geest). 

demonstrar, v. demonstreren, 
betogen, aantonen. 

demonstrar se, zich legiti- 
meren (zijn papieren tonen 
om te bewijzen dat men 
is, voor wie men zich uit- 
geeft). 

denominator, s. noemer (van 
een breuk). 

denove, adv. opnieuw, weder^ 
weer. 

dens, a . dicht, -itet^ s. dicht- 
heid, densiteit. 

dent, s. tand. -a;\ s. gebit. 
-ar, V. tanden krijgen, -ist^ 
s. dentist, tandmeester. 

dentel, s. kantwerk, kant. 



denunsiar— desinar 



91 



denunsiar, v. denonceren, 
aangeven, aanbrengen, 
verklikken. 

De^, s. God. -a, s. godin. 
-ifihar, v. vergoden. 

departement, s. departement, 
afdeling van bestuur. 

de pasu a pasu, adv. stap 
voor stap. 

dependar, v. afhangen. 

deplorar, V. beklagen, bewe- 
nen, treuren over, betreu- 
ren. 

depó, s. depot, depo, bewaar- 
plaats. 

de-poplar, V. ontvolken. 

de-po8ar, v. deponeren, af- 
leggen, afzetten. 

de-prendar, v. afnemen, ont- 
nemen. 

de-presar, v. afdrukken. 

deprimar, v. neerdrukken, 
neerslaan, neerslachtig ma- 
ken. 

de-pulvar, v. afstoffen. 

de-pusar, v. afstoten, afdu- 
wen. 

deputar, V. deputeren, af- 
vaardigen, -erf, part. afge- 
vaardigde . 

de-rabotar, v. afschaven. 

de-radikar, v. ontwortelen, 
uitroeien . 

de-ridar, v. uitlachen, be- 
spotten . 



derivar, v. afleiden. 

de-rodar, v. af knagen, af- 
knabbelen, afkluiven. 

de-ruptar, v. afscheuren. 

dervish, s. derwisj (moham- 
medaanse bedelmonnik) . 

des, n. tien. 

de-saltar, v. afspringen. 

desdu, n. twaalf. 

de-sedla}\ v. afzadelen, ont- 
zadelen. 

desembr, s. Desember. -auy 
a., de desembr, Desember-. 

desendar v. afstijgen, afda- 

* len, afstammen, afstappen, 

dalen, neerdalen, afzakken. 

desent, a. decent, welvoeg- 
lik, welvoegelik,fatsoen!ik. 

deser, s. dessert, nagerecht. 

desert, a. onbewoond, verla- 
ten, woest. 

desertar, v. deserteren (zich 
zonder vergunning verwij- 
deren — van de troep,, 
van het schip — met het 
oogmerk de dienst voor- 
goed te verlaten). 

de-sharjar, v. dechargeren,af- 
laden, ontladen, ontlasten,, 
afpakken . 

desidar, v. decideren, beslis- 
sen. 'Lision (desision), s. 
decisie, beslissing. 

desinar, v. zich voornemen, 
het plan hebben, van plan 



<)2 



desinfektar— diagnos 



zijn. 

desinfektar, v. desinfekteren, 
ontsmetten . 

desir, s. wens, begeerte, -avj 
V. wensen, begeren, smach- 
ten naar. 

deskribar, v. beschrijven. 

de-skribar, v. afschrijven. 

de-skumar, v. afschuimen. 

desperar, v. wanhopen, ver- 
twijfelen. 

despot, s. despoot, dwinge- 
land, 'ik^ a. despoties. 

destilar, v. distilleren (over- 
halen, stoken) 

destinar, v. destineren, be- 
stemmen, -asion, s. desti- 
natie, bestemming. 

destri, n. dertien. 

destruktar, v. vernielen, ver- 
delgen, verwoesten 

de-sukusar, v. afschudden. 

desun, n. elf. 

detali, s. detail, biezonder- 
heid. -ar, v. detailleren 
(omstandig verhalen), -ed^ 
part. gedetailleerd, -i/c, 
a. detail-. 

determinar, v. determineren, 
bepalen . 

de-turnar, v. afwenden, af- 
leiden 

de-urgar, v. afdringen. 

de-usar, v. afslijten, slijten. 

deveniar, v. worden, ont- 



staan. 

deveniar mmndant, verlam- 
men, lam worden. 

deveniar mut, verstommen, 
stom worden 

deveniar pasionoa, hartstoch- 
telik worden, opvliegen. 

de-versar, v. afgieten. 

de-vestar, v. uitkleden, ont- 
kleden . 

devis, s. devies, leus. 

devopar, V. verzwelgen, ver- 
slinden. 

devosion, s. devotie (vroom- 
heid; stille toewijding). 

devot, a. devoot, vroom, toe- 
genegen . 

de- voyaj ar, v. afreizen, ver- 
trekken . 

de-yunktar (kavalO) afspan- 
nen (paarden). 

di, prep. over, b.v. votar dl 
kk, stemmen over iets. 

diabet, s. diabetes, pisvloed. 
'ik, a. diabeties. 

diaboly s. duivel. 

diadem, s. diadeem (vorste- 
like voorhoofdsband ; zeker 
vrouwelik haartooisel). 

diafan, a. doorzichtig, dia- 
faan. -itel, s. doorzichtig- 
heid. 

diafragm, s. diafragma, mid- 
delrif. 

diagnos, s. diagnose (onder- 



.. K 



diagonal— diné 



9a 



kenning der ziekte naar 
de zich voordoende ken- 
tekenen), -ar^ V. diagnose 
stellen . 

diagonal, a. diagonaal, over- 
dwars, -e, adv. 

diakon, s. diaken. 

dialekt, s. dialekt (streek- 
spraak, tongval). 

dialektik, s. dialektiek (we- 
tenschap der denkvormen, 
verstandsleer; geleerde dis- 
puteerkunst). -al, a. dia- 
lekties, tot de dialektiek 
behorende. 

dialog, s. dialoog, tweespraak, 
samenspraak. 

diamant, s. diamant. 

diametr, s. diameter, mid- 
dellijn . 

diaré, s. diarree. 

didim, s. didymium (Di). 

diet, s. dieet (eetregel). 

difepar, v. verschillen, af- 
wijken . 

diferens, s. differentie, ver- 
schil, onderscheid. 

difteri, s. difteritis (med.). 
Ak, a. difteritis-. 

diftong, s. tweeklank. 

digestar, v. verteren (van 
spijzen). 

digit, s. vinger. 

dignar, v. waard achten, 
waardig oordelen, -ik, a. 



waardig, -itef, s. waardig- 
heid. 

dikar, V. zeggen. 

diksionar, s. woorde(n)boek,^ 
diktionaire. 

diktar, V. dikteren (voorzeg- 
gen om op te laten schry- 
ven), 'dd^ s. diktee. 

diktator, s. diktator (gezag- 
hebber met onbeperkte 
macht) . 

dilem, s. dilemma (toestand 
waarin tussen twee wegen 
een keus moet worden ge- 
daan; netelig vraagstuk). 

diletant, s.dilettant, liefheb- 
ber in de kunst. 

dilipent, a. vlijtig, 'itet (di- 
iigens), s. vlijt 

dimension, s. dimensie, af- 
meting. 

dimision, s. demissie, ontslag, 
afdanking, -ar^ v. zijn ont- 
slag nemen. 

dimitar, v. demitteren, ont- 
slaan, afdanken, afzetten. 

dinamik, s. dynamika (leer 
der bewegingsverschijnse- 
len), -ai, a. dynamies. 

dinamit, s. dinamiet. 

dinasti, s. dinastie (volgrij 
van regerende vorsten uit 
hetzelfde geslacht). 

diné, s. dinee, middagmaal. 
-aVy V. dineren, middag- 



94 



dioses— dispepsl 



malen. 

dioses, s. diocese, bisdom. 

diplom, s. diploma (officieel 
stuk als bewijs van een 
met sukces afgelegd exa- 
men, van lidmaatschap 
enz). -aVy v. diplomeren. 

diplomat^ s. diplomaat. 

diplomatijS. diplomatie (kunst 
der staatsonderhandelin- 
gen). 'ik (diplomatik), a. 
diplomatiek, diplomaties. 

direksion, s. direktie,richting. 

direkt, a. direkt, rechtstreeks. 

direktor, s. direkteur. -ad^ s. 
direktie, bestuur. 

dirigar, v. dirigeren, bestu- 
ren, leiden. 

dirigar karos, mennen. 

diè'^ pref. duidt scheiding 
aan. 

<?wapapar, v. verdwijnen, on- 
dergaan (van hemellicha- 
men). 

disenteri, s. dysenterie, buik- 
loop, -xk (disenterik), a. 
dysenterie-. 

<Zt^rangar, v. verbreken, kort 
en klein breken. 

disgustar, v. tegenstaan, een 
walg zijn, walgen, -i/c, a. 
walgelik . 

disipcitr., v. verstrooien, ver- 
spreiden. 

^isiplin, s . disipline (tucht. 



krijgstucht). 

disk, s. diskus, werpschijf. 

diskont, s. diskonto (percents- 
gewijze korting op een 
wissel wegens vervroegde 
betaling), -ar^ v. diskon- 
teren . 

diskord, s. twist, onenigheid, 
tweedracht, verdeeldheid. 

diskret, a. diskreet, beschei- 
den. 

c^iskupar, V. versnijden, kort 
en klein snijden, in stuk- 
ken snijden, opensnijden. 

diskutar. v. diskuteren, be- 
spreken. 

c2tsinembrar, v. ontleden. 

c^isnodar, v. on tk nopen, ont- 
warren. 

disoiut, a. liederlik. 

disordar, v. in wanorde 
brengen. 

c2ispaketar, v. ontpakken, 
uitpakken. 

dispar, a. disparaat, onge- 
lijk, onverenigbaar, -itei, 
s. ongelijkheid, onverenig- 
baarheid. 

dispens, s. dispensatie, vrij- 
stelling, -ar, V. dispense- 
ren, vrijstellen. 

dispepsi, s. dyspepsie, slechte 
spijsvertering, -xk (dispep- 
tik), a . dyspepties, zwaar- 
verterend . 



disposar— dominar 



95 



disposar, v. disponeren, be- 
schikken, -ed, part. gedis- 
poneerd, gestemd, bereid, 
gewillig, geneigd. 

disput, s. dispuut, redetwist. 
-ar^ V. disputeren, rede- 
twisten. 

dissonar, v. een wanklank 
geven . 

distant, a. verwijderd, afge- 
legen, ver. -itet (distans), 
s. distantie, afstand, ver- 
wijdering, verte. 

distingu, s. onderscheid, -ar, 
V. onderscheiden, distin- 
geren. 

distinkt, a. duidelik, verneem- 
baar, verstaanbaar. 

distinsion, s. distinktie, voor- 
naamheid, onderscheiding. 

distrakt, a, verstrooid, -diet, 
s. verstrooidheid. 

distribuar, v. distribueren, 
verdelen, uitdelen, rond- 
delen. 

distrikt, s. distrikt (onder- 
deel van een land). 

disün'ïar, v. onenig maken, 
tweedracht stoken. 

diurn, s. dag. -e, adv. over 
dag, bij dag. 

diurnal, s. tijdschrift. 

divan, s. divan, sofa. 

divergar, v. divergeren (uit- 
eenwijken). 



divers, a. divers, verschil- 
lende, verscheiden 

dividar, V. divideren, delen, 
verdelen. 

dividend, s. divident (half- 
of heeljaarlikse uitkering 
van winst aan de aandeel- 
houders van een onder- 
neming) . 

divin, a. goddelik. -itet, 8, 
godheid. 

divinar, V. raden. 

division, s. divisie (mil.). 

divers, s. echtscheiding, -ar^ 
V . echtscheiden. 

dog, s. dog, bulhond. 

doornat, s. dogma (leerstuk, 
leerstelling). 

doktor, s. doktor (akademiese 
titel), -ad f s doktoraat. 

doktrin, s. doktrine, leer. 

dokument, s dokument. oor- 
konde, -ar, V. dokumen- 
teren . 

doiar, s. dollar (noordameri- 
kaanse zilveren munt, 
waarde ± "2^ gulden). 

dolor, s. smart, pijn. -09, 
a smartelik, pijnlik. 

dom, s huis. -e, adv. thuis, 
te huis. 

domen, s. domein (landgoed, 
vorstengoed). 

dominar, v. domineren, 
heersen. 



96 



dominikan— dukat 



dominikan^ a. dominikaDer ; 

Dominikaan . 
domisii, s. domicilie, wettig 
woonverblijf, -ar^ v. domi- 
ciliëren . 

don, s. gift, gave. -aVy v. 
geven, afgeven, verlenen. 

donat, s. geschenk, kadeau, 
kado. -ar, v. schenken. 

dorm, s. slaap, -ar, v. sla- 
pen. '08, a. slaperig. 

dors, s. rug. -u, prep. ach- 
ter, achter de rug van. 

dosent, s. docent, leraar. 

dosi, s. dosis, dozis (hoe- 
veelheid ; medicinale gift). 
-ar, V. doseren. 

dot, s. bruidschat, huweliks- 
gift. -avy V. bruidschat 
geven, meegeven, begif- 
tigen. 

dragon, s. dragonder. 

draKon, s. draak. 

dramat, s. drama, toneelspel. 

drap, s. laken, doek. -ar, v. 
draperen (met laken of 
doek behangen, met ruim 
geplooide kleding omhan- 
gen). 

drap de sak, zakdoek. 

drasti/c, a. drasties, sterk 
werkend . 

dresar, v. dresseren, africh- 
ten. 

dresar kaval, een paard be- 



rijden, africhten. 

drog, s. drogerij. -iat, s. 
drogist. 

drol, a. drollig, koddig. 

dromedar, s. drommedaris . 

du, n. twee. 

duan, s. doeane, tol. -erif s.. 
doeanekantoor, tolhuis, 
-er, s. tolbeambte, kom- 
mies. 

dubi, s. twijfel, -ar, v. twij- 
felen . -oa, a. twijfelachtige 
dubieus . 

dubiar di kk, iets betwijfelen, 
aan iets twijfelen. 

dublon, s. dubloen (spaanse 
goudmunt, waarde ± ^^^ 
gulden). 

dudes, n. twintig. 

dudesun, n. een en twintig. 

duel, s. duel, tweeg:evecht. 
-m^ ko kh, met iemand 
duelleren. 

duet, s. duet (lied, muziek- 
stuk door 2 personen uit 
te voeren). 

duk, s. hertog. 

éukar, V. leiden, voeren, aan- 
voeren. -aHorif s. leiding, 
aanvoering. 

dukar atenslon a kk, naar 
iets verwijzen, de aandacht 
op iets vestigen. 

dukat, s. dukaat (oud-hol- 
landse gouden munt, waar- 



duls— egoïst 



97 



de ± 5J gulden). 
dulSy a. zoet. -ifikar^Y. zoet 

maken, verzoeten, -ttot, s. 

zoetheid . 
dun, s. duin. 

du|Kir, Y. duperen, bedot- 
ten, er laten inlopen. 
duply n. dubbel, tweevoudig. 

-ijikar, v. verdubbelen. 
dupl-akuil, s. dubbeladelaar. 
dupl-punkt, s. dubbele punt. 
dur, a. hard. -i^A^ar, v. hard 

maken, harden, verharden. 

-^tet, s. hardheid. 
iurante ke. k. terwijl. 
durar, V. duren, -afti, a. du- 

rabel, duurzaam, -ablitet, 

s. duurzaamheid. -antUy 

prep. gedurende. 
dusen, s. dozijn. 
dush, s. douche, stortbad. 



e, k. en. 

-c, suf tot vorming van af- 
geleide bijwoorden, b.v. 
rar^, zelden; prime, ten 
eerste. 

eben, s. ebbehout. 

ebr,a. dronken, beschonken, 
zat. -ifiJcar, v. dronken 
maken, -itet, s. dronken- 
schap, beschonkenheid. 

ebrifikar se, v. zich bedrin- 
ken, zich bezatten. 



-ed, suf. tot vorming van 
het deelwoord van de ly- 
dende vorm (in het neder- 
lands verleden deel- 
woord), b.v. amed, be- 
mind. 

edar, V. eten. -abl, a. eet- 
baar, -ad, s. eten, spijs, 
voedsel, kost. 

edifisi, s. gebouw, -avj v. 
bouwen. 

edikt, s . edikt, landsverorde- 
ning. 

editar, v. uitgeven (in druk). 
-asion (edision), s. uitgave, 
uitgaaf, editie, -ator (edl- 
tor), s. uitgever. 

edukar, v. opvoeden. 

e...e, k. zowel... als, èn...èn. 

efekt. s. effekt, uitwerking. 

efektiv, a. eifektief, werke- 
lik, wezenlik, feiteiik. 

efektuar, v. vervullen, uit- 
voeren, verrichten, bewei- 
ken, bewerkstelligen, -ad, 
s. werk. 

efemer, a. efemeer, één dag 
durende, eendags-. 

efors, s. inspanning, -ar, v. 
zich inspannen. 

Egiptta, s. Egypte. 

egoism, s. egoïsme, zelfzucht, 
baatzucht. 

egoïst. «. egoïst, zelfzuchtige, 
baatzuchtige. 

7 



•gual—ekslrtar 



•gual, a. egaal, gelijk, -e, 
adv. gelijkelik, evenzo. 
•ifikar (•gualfsar), v. ega- 
liseren, gelijkmaken, -itet^ 
s. gelijkheid. 

ekipar, v. equiperen, ekipe- 
ren, uitrusten, bemannen, 
-o;, s. ekipage, uitrusting. 

eklat, s. éclat, opzien. 

ekles, s. kerk. -ia, s. Kerke- 
like staat. 

eklips, s. eklips, verduiste- 
rmg vaneenhemellichaam. 
-ar, V, eklipseren, verdui- 
steren. 

ekliptik, 8. ekliptika, zonne- 
weg. 

eko, s. echo. 

ekonoml^ s. ekonomie (zui- 
nigheid ; huishoudkunde ; 
staathuishoudkunde), -ik 
(ekonomlk), a. ekonomies. 
Ast (ekonomist), s. ekono- 
mist. 

ekSy prep. uit, krachtens. 

eksagerar, v. overdrij ven . 
'Omn. s. overdrijving. 

eksamin, s. examen, eksamen, 
onderzoek. -ai\ v. exami- 
neren, eksamineren, on- 
derzoeken, nasporen. 

eks-andar, v. uitgaan. 

eks-audlar, v. verhoren. 

eksel i. kykl ziehier! zie- 
daar I 



eksekutar , v . exekuteren, 
uitvoeren, volvoeren, vol- 
trekken, volbrengen. 

eksekutator yustisiA;, beul. 

ekselens, s. excellentie (titel). 

ekselent, a. excellent, voor- 
treffelik. -ttei, s. voortref- 
felikheid. 

eksempl, s. exempel, voor- 
beeld. 

eksemplar, s. exemplaar, ek- 
semplaar (afdruk; stuk). 

eksept, s. exceptie, uitzon- 
dering, -ar^ V. uitzonde- 
ren, -w, prep. uitgezon- 
derd , met uitzondering 
van, behalve. 

eksepté ke, k. behalve wan- 
neer, tenzij. 

eksersar, v. oefenen, exer- 
ceren, ekserseren. -ad, s. 
oefening, exercitie, ekser- 
sitie. 

ekses, s. exces, buitensporig- 
heid, overmaat, -ifc, a. bui- 
tensporig, overmatig. 

eks-fluar, v. uitvloeien, uit- 
stromen. 

eks-pllsar, v. uitglijden, ont- 
glippen, ontsnappen. 

eks-humar, v. uitgraven. 

eksil, s. exil, verbanning, 
ballingschap, -ar^ v. ver- 
bannen. 

eksistar, v. existeren, be- 



eksistens — eksprimar 



99 



staan . 

eksistens, s. existentie, be- 
staan. 

eksitar, v. exciteren, ver- 
wekken, opwekken. 

eks-klamar , v . uitroepen. 
'Osioriy s. uitroeping. 

eks-kiosar, v. uitsluiten. 

eksklusiv, a. exklusief, uit- 
sluitend, -e, adv. 

ekskrement, s. exkrement, 
uitwerpsel, drek. 

ekskusar, v. ekskuseren, eks- 
kuzeren, verontschuldigen, 
verschonen. 

eks-laborar, v. uitwerken, 
afwerken, bewerken, be- 
arbeiden, verwerken. 

eks-moriar, v uitsterven. 

eks-movar, v. uitdrijven, ver- 
drijven, verjagen. 

eksorslsm, s. exorcisme, dui- 
velbezwering, -ar, V. be- 
zweren. 

eksoti^, a . exoties, uitheems, 
buitenlands, vreemd. 

ekspandar, v. uitzetten. 

ekspediar, v. expediëren, ver- 
zenden, afzenden. 

ekspedient, s. uitweg, hulp- 
middel. 

ekspektar, v. verwachten. 
'Osion^ s. verwachting. 

eksperiar, v. ondervinden, 
beleven, ervaren, -ad (eks- 



periens), s. ondervinding, 
ervaring. 

sksperimentj s. experiment, 
proefnemmg. -ar, v. expe- 
rimenteren. 

skspert, a. ervaren, bedre- 
ven, kundig, deskundig. 

skspiar, V. boeten, af boeten, 
uitwissen, -asionj s. boete- 
doening, afboeting, uit- 
wissing. 

eksplikar, v. explikeren, ex- 
pliceren, verduideliken, 
uitleggen, verklaren, uit- 
eenzetten. 

eksploatar, v. exploiteren, 
ontginnen. -081071, s. exploi- 
tatie, ontginning. 

eksplodar^v. exploderen, ont- 
ploffen, uitbarsten, sprin- 
gen. 

ekspiorar, v. uitvorsen. 

eksport, s. export, uitvoer .-ar, 
V. exporteren, uitvoeren. 

eks-posor, V. exposeren, ten 
toon stellen, -asion (eks- 
posision\ s. expositie, ten- 
toonstelling. 

ekspres, a. ekspres, opzette- 
lik., extra, ekstra. 

eks-presar, v. uitpersen, uit- 
drukken. 

ekspresion, s. expressie, uit- 
drukking. 

eksprimar, v. uitdrukken, 



^•iCorf 



400 



eks-respirar — elektro- 



uitspreken, uiten. 

eks-respirar (ekspirar), v. 
uitademen, de laatste adem 
uitblazen, expireren. 

eks-sanguinar, v. verbloeden, 
doodbloeden . 

ekstas, s. extase, verrukking, 
vervoering, opgetogenheid. 

eks-tendar, v. uitstrekken, 
spreiden, uitspreiden, uit- 
breiden. 

eksterlor, a. exterieur, uit- 
wendig, uiterlik. -e, adv. 
uitwendig, uiterlik, buiten. 

eksteriore de, prep. buiten. 

ekstorn, a. extern (niet in- 
wonend). 

ekstinguar, v. uitblussen, uit- 
doven, vernietigen. 

ekstr, prep. buiten. -ac2, s. 
uitgang, -ta, s. buitenland. 

ekstrakt, s. extrakt, uittrek- 
sel, aftreksel, -ar^ v. extra- 
heren, uittrekken. 

ekstrem, a uiterst, -e, adv. 
'itet, s. uiterste, -itetiy s. 
extremiteiten (handen en 
voeten). 

ekstr it, adv. bovendien, bui- 
tendien, daarenboven. 

ekstr-ordinar, a. extra-ordi- 
nair, buitengemeen, bui- 
tengewoon. 

eks-usar, V. verbruiken. 

eks-vakuar, v. ledigen, legen. 



eks-versar, v. uitgieten, uit- 
storten. 

Ekuador, s. Ekuador. 

ekuator, s. equator (even- 
nachtslijn, evenaar, linie) . 

ekui'^ pref. duidt gelijkheid 
aan. 

ekuiÜMkik (ekuilateral), a» 
gelijkzijdig. 

ekuikrurikj a. gelijkbenig. 

ekuilibri, s. equiliber, even- 
wicht, -iat (ekuilibrist), s. 
equilibrist. -istik (ekuili- 
bristi^), a. equilibristies. 

ehdweiar, v. gelijke waarde 
hebben . 

el, pr. die, dat, gene. -foa, 
adv. die keer. 

-elj suf. vormt verzamel- 
woorden van personen, 
b.v. klientéJ, kliëntele. 

elastiA;, a. elasties, veerkrach- 
tig, -ikitet (elastisitet), s. 
elasticiteit, veerkracht. 

elefant, s. olifant. 

elegant, a. elegant (bevallig). 
'itet (elegans), s. elegantie, 

elegl, s. elegie (treurdicht). 
'ik (eleglk), a. elegies. 

elektriA;, a. elektries. -ikitet 
(elektrisitet), s elektrici- 
teit, elektrisiteit. 

elektrisar, v. elektriseren, 
elektrizeren. 

elektra-, pref. duidt elektri- 



elektroéineLtMk—bnwi 



101 



citeit aan. 

elektr<Mnsm% s. elektro-dy- 
namika. 

elekirotAm\,s. elektro-chemie. 

elektromsqnétjS. elektro-mag- 
neet. 

elektrometr, s. elektrometer. 

elektroneqM^f, a. èlektro- 
negatief. 

elektro^tr, s. barnsteen. 

elektropositlw, a. elektro-posi- 
tief. 

elektrostaWk, s. elektro-sta- 
tika. 

elektrótbknlk, s. elektro-tech- 
niek. 

element, s. element. 

eiev, s. k wekeling, leerling. 

elevar, v. eleveren, verhef- 
fen, verhogen. 

elips, s ellips, -ik (eliptik), 
a. ellipties. 

elit, s. elite, keur. 

el-ko8, pr. dat. 

elokuent, a. eloquent, wel- 
sprekend, 'itet, s. eloquen- 
tie, welsprekendheid. 

el sem, pr. dezelfde, hetzelfde. 

emansipar, v. emanciperen, 
vrijlaten. 

emblem, s. embleem, zinne- 
beeld. 

embrloiiy s. embryo (dierlik 
of plantaardig organisme 
in zijn eerste ontwikkeling 



na de bevruchting), -ifc, 
a. embryonair. 

emigrar, v. emigreren. *ant, 
part. emigrant, landver- 
huizer, -asion, s. emigra- 
tie, landverhuizing. 

eminent, a. eminent, uitste- 
kend, uitmuntend, uitne- 
mend, verheven. 

empIriA;, a. empiries, proef- 
ondervindelik. 

emular, v. wedijveren, -asion, 
s. wedijver. 

endiv, s. andijvie. 

energi, s. energie, geestkracht. 
'ik (energik), a. energiek. 

enigmat, s. raadsel. -i£, a. 
raadselachtig, enigmaties. 

e nom^, adv. en wel, namelik. 

enorm, a. enorm, bovenmatig. 

entomologi, s. entomologie, 
insekteleer. -ik (ento- 
mologik), a. entomologies. 
-ist (entomologist), s. en- 
tomoloog. 

entrepren, s. onderneming. 
-ar, V. ondernemen. 

entuslasm, s. enthousiasme, 
geestdrift, -ai^ v. enthou- 
siasmeren, in geestdrift 
brengen. 

enul, s. verveling, -ar, v. 
vervelen, -ant^ part., -os, 
a. vervelend. 

envi, s. nijd, afgunst, -ar, v. 



102 



epidemi — eri 



benijden, misgunnen, -os, 

a. afgunstig. 
epidemi, s. epidemie (heer- 

8ende,besmettelike ziekte). 

'ik (epidemllO, a. epide- 

mies (algemeen heersend, 

van ziekten). 
epigraf, s. epigraaf, opschrift, 

inschrifb. 
epigram, s. epigram, punt- 
dicht. 
epilepsi, s. epilepsie, vallende 

ziekte, -ik (epileptllc), a. 

epilepties. 
epiiog, s. epiloog, slotrede, 

nawoord, narede. 
episicop, s. bisschop, -ad, s. 

episkopaat (ambt), bis- 

schoppelike waardigheid. 

- el, s. episkopaat (lichaam). 

'ik, a. episkopaal, bisschop- 

Selik. 
af, s. grafschrift. 

e'pol(, s. epoque, tijdstip. 

epol, s. schouder. 

epopé, s. epopee, epos, hel- 
dendicht. 

-er, suf. bij een niet-werk- 
woordelike stam, vormt 
substantieven die een per- 
soon of zaak aanduiden 
die in zekere betrekking 
staan tot de stam; het 
wordt daar gebruikt, waar 
het achtervoegsel -iat we- 



gens zijn biezondere be- 
tekenis niet op zijn plaats 
is, b.v. miiioner, millio- 
nair; pinse?*, neusknijper^ 
pince-nez. 

era, s. era, tijdrekening, jaar- 
telling. 

-erant, suf. tot vorming van 
het toekomstig deelwoord 
van de bedrijvende vorm, 
b.v. amerant, zullende be- 
minnen; iemand die zal 
beminnen. 

erar, v. dwalen, dolen, zich 
vergissen, -ad, s. fout, feil, 
erratum, -or, s. dwaling, 
vergissing. 

-erar, suf. tot vorming van 
de onbepaalde wijs van de 
toekomende tijd, b v. ame- 
var, zullen beminnen. 

erbium, s. erbium (E). 

-ererf, suf. tot vorming van 
het toekomstig deelwoord 
van de lijdende vorm, b.v. 
dsnered^ zullende bemind 
worden; iemand die be- 
mind zal worden. 

ereictar, v. oprichten. 

eremit, s. heremiet, kluize- 
naar, -m, s. hermitage, 
kluizenaarshut. 

ergo, adv. bijgevolg, dus. 

-eri , suf. vormt substantieven 
die een plaats aanduiden. 



-mo — eskar 



403 



b.y. imprimm, drukkerij. 

-erio^ suf. tot vorming van 
de onvoltooid toekomende 
verleden tijd, b.v. mi ame- 
rio, ik zou beminnen. 

ero, suf. tot vorming van 
de onvoltooid toekomende 
tijd, b.v. mi amero, ik zal 
beminnen. 

emdiar, v. leren, ontwikke- 
len, -ed, part. geleerd ; ge- 
leerde. 

eruktar, v. oprispen. -asian^ 
s. oprisping. 

e 8. = e setri, enz. (en zo 
voort), etc. (et cetera). 

^sar, V. zijn, wezen. 

bsar ad-yunktéc^, toegevoegd 
zijn. 

esar autor, vervaardiger zijn, 
schrijver zijn. 

bsar avar, gierig, vrekkig, 
inhalig zijn. 

esar deb, de plicht zijn. 

esar de-l(urajec2, ontmoedigd, 
moedeloos, versaagd zijn. 

esar de sert sentiment, van 
zeker gevoelen zijn. 

esar distant, verwijderd zijn. 

esar ferv, ijveren. 

esar in stand, in staat zijn. 

esar kontent, tevreden zijn, 
zich vergenoegen. 

esar konvena&Z, betamelik 
zijn. 



esar ko-patr, ko-matr, peter, 
meter zijn. 

esar neses (nesesar), nodig 
zijn. 

esar nom^, genoemd wor- 
den, heten. 

esar ofendec^, beledigd zijn. 

esar orgulo^ dl kk, trots zijn, 
hoogmoedig zijn, zich ver- 
hovaardigen, pochen op 
iets. 

esar perdec^, verloren raken. 

esar plu astusic», in list over- 
treffen, geslepener zijn. 

es/fr present, tegenwoordig 
of aanwezig zijn, bijwonen. 

esar priwed de, gebrek heb- 
ben aan, ontberen. 

bmr [su via, su punkt de vis] 
rekt^ gelijk hebben. 

esar simil, gelijken. 

esar situea, gelegen zijn, 
liggen. 

esar surprisc'cf, verwonderd, 
verbaasd zijn, zich ver- 
wonderen, zich verbazen. 

esar wbksedj zich ergeren. 

esens. s. essence (geest, af- 
treksel door koking of 
distillatie; het wezen, de 
kracht). 

eskadr, s. eskader. 

eskadron, s. eskadron. 

-eakar, suf. tot vorming van 
werkwoorden die een wor- 



104 



eskart— eventual 



ding of begin aanduiden, 
b.v. ssneskar, gezond wor- 
den, herstellen. 

eskart, s. poep, stront, -ar, 
V. poepen, afscheiden. 

eske, k. of (duits: ob); vraag- 
partikel (§ 57). 

eskimo, s. Eskimo. 

eskort. s. eskorte (gewapend 
geleide, bedekking), -ar, 
V, eskorteren. 

esmalt, s. email, brandverf. 

esmerii, s. smergel, amaril. 

espad, s. degen. 

Espanm, s. Spanje. 

esparset. s. esparcette, hane- 
kam (bot.). 

esper, s. hoop. -ar, v. hopen. 

esprit, s. geest, geestigheid. 

est, s. oosten, -e, adv. in het 
oosten, oostelik. -iA:, a. 
oostelik. 

estim, s. achting. -ar, v. ach- 
ten, er voor houden. 

estlmar kh kapabi, iemand 
in staat achten. 

Estindia, s. Oost-Indië. 

estrad, s. estrade (verhoogde 
plaats; optred). 

estran, a. zonderlmg, vreemd, 
wonderlik. 

et, k. ook. 

-et, suf. tot vorming van ver- 
kleinwoorden, b.v. kavaj^t, 
paardje. 



etaj, s. verdieping, etage. 

etap, s. etape, stapelplaats, 
nachtkwartier. 

eter, s. ether (^bovenlucht; 
fijoe doorzichtige vloeistof, 
van sterke reuk en smaak ; 
veronderstelde middenstof 
die de gehele wereldruimte 
doordringt). 

etern, a, eeuwig, -ifikar, v. ver- 
eeuwigen, 'itet, s. eeuwig- 
heid. 

etik, s. ethiek, ethika, zede- 
leer, -ai, a. ethies. 

etiket, s. etikette (vormen 
in de samenleving). 

etimologi, s. etymologie (we- 
tenschap die de geschie- 
denis en oorsprong van de 
woorden opspoort ; woord- 
afleiding). -iJ; (etimologik), 
a. etymologies. -ist (eti- 
mologist), s. etymologist, 
etymoloog. 

Etiopia, s. Ethiopië. 

eukarist, s. eucharistie. Avond- 
maal, -dh, a. eucharisties. 

eunuk, s. eunuuch, eunuuk, 
gesnedene, gelubde. 

Europ, s. Europa, -an, a. 
europees; Europeaan. 

evangel, s. evangelie, -ik, a. 
evangelies, -ist, s. evan- 
gelist. 

eventuai, a. eventueel, ge- 



evitar— faring 



405 



beurlik. -e, adv. -tfe<, s. 
eventualiteit, gebeurlik- 
beid. 

evitar, v. vermijden, ontwij- 
ken. 

evolusion, s. evolutie, ontwik- 
keling. 

F. 

fabi, s. fabel, sprookje. 

fabrik, s. fabriek, -ar^ v. 
fabriceren, fabriseren, ver- 
vaardigen. 

fag, s. beuk. 

faKi, s. feit. -6, adv. feitelik, 
inderdaad 

faktur, s. faktuur (lijst van 
afgezonden goederen met 
bun prijzen). 

fakttltet, s. fakulteit (natuur- 
gave ; tak van M^etenscbap 
aan een bogescbool). 

falang, s. falanx (gesloten 

i krijgsbende, vierkant of 
wigvormig). 

falb, a. vaal. 

faliar^ v. falen, feilen, -ahl, 
a. feilbaar. 

falkon, s. valk. 

fals, a. vals. -ifikar, v. ver- 
valsen, 'itet, s. valsheid. 

falset, s . falset, fausset (stem 
die de vrouwestem na- 
bootst en wordt voortge- 



bracht door de persing 

van de luchtpijp). 
falsl, s. zeis. -aVyy, maaien. 

-et, s. sikkel. 
fals-serpent, s . blindslang 

(vormt de overgang tussen 

de eigenlike slangen en 

de hagedissen). 
fam, s. faam, befaamdheid. 

-08, a. fameus, befaamd. 
famel, s. honger, -tfc, a. 

hongerig. 
famill, s. familie, famielie, 

gezin . 
famillar,a . familiaar, gemeen- 
zaam, 'itet, 8. familiari- 

teit, gemeenzaamheid. 
fanati^, a. fanatiek (dweep- 

ziek, geestdrijvend) . -wm, 

s. fanatisme. 
fanfar, s. fanfare. 
fang, s. modder, slijk, slik. 
fantasi, s. fantasie, fantazie. 

-ar, V. fantaseren, fanta- 

zeren . 
fantast, s. fantast (iemand 

met een sterke fantasie). 

'ik, a. fautasties. 
fantom, s. fantoom, spook, 

scbim . 
fantomi apar, het spookt. 
far. s. vuurtoren. 
farm, s. meel. 
faring, s opening van de 

slokdarm, slokdarmshoofd. 



106 



farm— femln 



farm, s. boerderij, hoeve, 
hofstede, farm. -er, s. 
farmer, landman. 

farmasi, s. farmacie (kunst 
van de artsenijbereiding) . 
'ik (farmaseutik), a. far- 
maceuties. -iat, s. far- 
maceut. 

fas, s. gezicht, aangezicht, 
gelaat, face. 

fasad, s. fagade, voorgevel. 

fasan, s. fazant. 

fashin, s. fascine (bundel 
rijshout voor oorlogsdoel- 
einden) . 

fsaior, V . maken, doen. -abl, 
a. doenlik. 

fasiar bankrot, bankroet 
gaan, faljiet gaan, failleren. 

fasiar f iniar, doen ophouden. 

fasiar kaptod, buit maken. 

ftistar nekorekU, verkeerd 
doen. 

fasiar neposibl, onmogelik 
maken . 

fasiar penitens, boete doen. 

fasiar resolttsion, een besluit 
nemen . 

fasiar sum de, bedragen, be- 
lopen . 

fasiar tro haste, te haastig 
doen, overhaasten. 

fasil, a. ge makkelik, -ifikar, 
V. gemakkelik maken, 
vergemakkeliken, verlich- 



ten, 'itet, s. gemakkelik- 
heid, faciliteit. 

fask. s. bundel, bos. 

fasol, s. boon. 

fat, s. fatum, lot, noodlot. 

fatal, a. fataal, noodlottig. 

fatig, s. vermoeidheid, ver- 
moeienis, moeheid, afge- 
matheid, -ar, V. ver- 
moeien, afmatten, fatige- 
ren. -ed, part vermoeid, 
moe, afgemat. 

favor, s. gunst, faveur, -ar 
(favorisar), v. begunsti- 
gen, favoriseren . -w, prep . 
ten gunste van. 

fayans, s . aardewerk, faïence. 

fea, s. fee. 

febl, a. zwak. -itet^s. zwak- 
heid, zwakte. 

felir, s. koorts. 

februar, s. Februarie. -an, 
a . , de februar. Februarie- . 

federasion, s . federatie, bond, 
verbond . 

felis, a. gelukkig, -ifikar, 
v. gelukkig maken, -itet^ 
s. gelukzaligheid. 

felisitar, v. feliciteren, feli- 
siteren. gelukwensen . -aai- 
on, s . felicitatie, felisitatie, 
gelukwens . 

feltr, s. vilt. 

femin, s. vrouw, wijfje, -ik 
(feminin), a. vrouwelik. 



fenestr— fliMofl 



107 



fbnestr, s. venster, raam. 

fenig, s. PfeoDig, penniog. 

fenomen, s. fenomeen, ver- 
schijnsel. 

fenul, s. venkel. 

feodal, a. feudaal, leenroerig. 

fer. s. ijzer (Fe). 

ferl, s. jaarmarkt, kermis. 

ferment, s. ferment, giststof. 
-ar, V. fermenteren, gis- 
ten. 'Osion, 8. fermen- 
tatie, gisting. 

feros, a. wild, woest, -^eskar, 
V. verwilderen. '4tet, s. 
wildheid, woestheid, fero- 
citeit. 

fertil, a. fertiel, vruchtbaar. 
•'itet, s, fertiliteit, vrucht- 
baarheid . 

ferv, a. ijverig, naarstig. 
'itet, s. ij ver, naastigheid . 

fest^ s. feest, -ar, v. feest- 
vieren, vieren, -asum, s. 
feestviering. 

festin, s. festijn, gastmaal, 
feestmaal . 

feston, s. festoen (guirlande 
van groen, bloemen en 
vruchten), -ar, v. feston- 
neren . 

fil i. foeil 

fiakr, s. fiacre, huurkoets. 

flansar, v. verloven, -asion, 
8. verloving, -edo,». ver- 
loofde, bruidegom . -eda. 



s. verloofde, bruid, -edi, 
s. bruidspaar. 

fiasko, s . fiasko, mislukking. 

fibl, s. gesp. -ar, v. gespen. 

fibr. s. vezel. 

fibrin, s. fibrine, vezelstof. 

fidei, a. (ge)trouw, fideel. 
'itet, s. (ge)trouwheid, 
trouw . 

fien, s. hooi. 

fif, s. fluitje, -ar, v. flui- 
ten, -ad, s. gefluit. 

fig, 8. vijg. 

flgur, 8. figuur, -ar, v. 
figureren . 

fiksar, v. fixeren, bevesti- 
gen, vastmaken, vast- 
steken . 

fil, s. draad, -ar^ v. spin- 
nen, -ad, s. spinsel, -m, 
s. spinnerij. 

fil de kandel, pit (van een 
kaars). 

fil de lanp, pit (van een 
lamp) . 

flli, s. kind (zoon of doch- 
ter), -o, s. zoon. -a, s. 
dochter . 

fllls, s. varen . 

filomel, s. nachtegaal, filo- 
meel. 

filosof, s. filosoof, filozoof, 
wijsgeer, -ar, v. filoso- 
feren, filozoferen. 

filosofl, s. filosofie, filozofie, 



408 



mtr—flekt 



wijsbegeerte, -ik (flloso- 
flk), a. filosofies, filozofies, 
wijsgerig. 

filtr, s. filter, -ar, v. fil- 
treren. 

fin, a. fijn. -tiet, s. fijnheid. 

finansi, s. financieên (geld- 
wezen, geldmiddelen). 

finqar, v. fingeren, verdich- 
ten. 

fini, s. einde, besluit, slot. 
-ar, V. eindigen, besluiten, 
uitscheiden, -ad, s. uit- 
gang (gram.). -6, adv. 
eindelik, ten slotte, ten 
laatste, -ik (final), a. fi- 
naal, eind-, slot-. 

Finlandta, s. Finland. 

fint, s. fint, list, streek. 

firm, a. vast, hecht, stevig. 
■4tetjS. vastheid, hechtheid, 
stevigheid. 

firma, s. firma. 

firmament, s. firmament, uit- 
spansel, hemelgewelf. 

fisar, V. splijten, kloven, rij- 
ten, -ad, s. spleet, kloof, 
barst, reet. 

fisik, s. fysika, natuurkunde. 
-aZ, a. fysies, natuurkun- 
dig, 'ist, s. fysikus, na- 
tuurkundige. 

fisionomi, s. fysionomie, ge- 
laatstrekken, gelaat, -ik 
(flslonomlk), a.fysionomies. 



-ist (fisionomist), s. fysio- 
nomist . 

fistul, s. fistel (med.). 

flag, s. vlag. 

flagel, s. gesel, zweep, -ar^ 
V. geselen, zwepen . -asian, 
s. geseling. 

flagitar, v. eisen, vorderen, 
verlangen. 

flagrar, v. branden (intr.). 
-eskar, v. ontbranden, in 
brand vliegen, -eskator, s. 
lucifer, -ijikar, v. aanste- 
ken, ontsteken, in brand 
steken. 

flagres^-kordon, s. lont. 

flaksid, a. verwelkt, verflensd. 
-eèkar^ v. welken, verwel- 
ken, verflensen. 

flam, s. vlam. ^ar, v. vlam- 
men. 

Flandria, s. Vlaanderen. 

flanel, s. flanel. 

flank, s. kant, zijde, zij. -6, 
adv. ter zijde. 

flatar, v. flatteren, vleien. 

flaut, s. fluit. 

flegmat, s. flegma, '•ik, a. 
flegmaties. -tfcer, s. fleg- 
matikus (een voor aan- 
doeningen weinig vatbaar 
mens). 

flekt, s. gewricht, -ar, v. bui- 
gen. 'Cthl (fleksibi), a. buig- 
baar, buigzaam, -ahlitet 



flok— for 



409 



(fleksibKi^O, s. buigbaar- 
heid, buigzaamheid, -asion, 
(fleksion), s. buiging. 

flok, s. vlok. 

flor, s. bloem, -ar, v. bloeien, 
floreren. 

flor-brasik, s. bloemkool. 

florin, s. florijn, gulden. 

flor-koron, s. krans, bloem- 
krans. 

florotemp, s. lente. 

flot, s. vloot, -ar, V. drijven, 
zwemmen. 

fluar, v. vloeien, vlieten, stro- 
men, 'id, a. vloeibaar, 
-ïdod, s. vloeistof, vocht. 
■4ditet^ s. vloeibaarheid. 

fluks, s. vloed (tegenstelling 
van eb). 

fluktuar, v. fluktueren, dob- 
beren. 

fluor, s. fluor (Fl). 

flur, s. vloer. 

fluvi, s. rivier, -ei, s. stroomp- 
je, beek. 

fluvi-bord, s. oever. 

-foüj suf. dat overeenkomt 
met ons -maal; het wordt 
geplaatst achter het hoofd- 
of achter het rangtelwoord, 
namelik achter het laatste 
woord daarvan, b.v. unfoa, 
eenmaal ; sent unfoa, hon- 
derd eenmaal ; prim/ba, 
de eerste maal. Ook nog 



mult/ba, menigmaal ; ul- 
tim/'oa, de laatste maal 
enz. 

fok, s. vuur. 

fokus, s. fokus, br&ndpunt. 

fol, a. dwaas, gek, zot; de 
dwaas, de gek, de zot. 
'itetf s. dwaasheid, gek- 
heid, zotheid. 

foli, s. blad. -aj, s. gebla- 
derte, loof, lommer. -etor, 
V. bladeren, doorbladeren. 

folieton, s. feuilleton. -i^t, s. 
feuilletonist. 

fomentar, v. betten. 

fon, s. fond, achtergrond. 

fondar, v . smelten -ator, s. 
smelter, metaalgieter, -m, 
s. smelterij, gieterij. 

fonetik, s. fonetiek (leer, de 
woorden juist zo te schrij- 
ven, als zij uitgesproken 
•worden; leer der juiste 
uitspraak). -a2, a. foneties. 

fonograf, s. fonograaf (toe- 
stel dat klanken opvangt 
en die later weer kan 
doen horen, geluidschrij- 
ver). 

font, s. wel. -ar, v. wellen, 
opwellen, -ad, s. bron. 

fontan, s. fontein, spring- 
bron. 

for, s. gat. -ifikar, v. een 
gat maken, gaten. 



HO 



foren— frangl 



foren, a. vreemd, 'ia^ s. 
vreemd land, vreemde. 

forest, s. woud, bos. 

forg, s. smederij, -ar^ v. 
smeden. 

fork, 8. vork. 

forni, 8. vorm, gedaante, ge- 
stalte, -ar, V. vormen, for- 
meren, een gedaante geven, 
fatsoeneren. 

formaly a. formeel, vormelik. 
'itet, s. formaliteit, vorme- 
likheid. 

formidabi, a. formidabel, ge- 
ducht, vreeswekkend, ont- 
zaggelik. 

formik, s. mier. -ar^ v. we- 
melen, krioelen, krielen. 

fomiuly s. formule (wiskunde, 
in letters uitgedrukte alge- 
mene uitkomst of regel ; 
de overeengekomen be- 
paalde vorm), -ar, v. for- 
muleren. 

forn, s. oven, kachel, fornuis. 
-ar, V. stoken. 

fornikar, v. hoereren, -asion, 
s. hoererij, -ator, s. hoe- 
reerder. 

forn-tub, s. kachelpijp. 

forsar, v. forceren, dwingen, 
afdwingen. 

fort, a. sterk, krachtig. -t/ï- 
mr, V. sterk maken, ster- 
ken, versterken, -itet (fors), 



s. sterkte, kracht, geweld. 

fortres, s. vesting, fort. 

fortuit, s. toeval. 

fortun, s. fortuin, geluk, -e, 
adv. gelukkig. 

f08, s. kuil, groeve, -ar, v. 
gi*aven, delven. 

fosfor, s. fosfor, fosforus (P). 

fosil, a. fossiel (uit de grond 
gedolven ; op versteningen 
betrekkelik, versteend). 

foto-, pref. duidt licht aan. 

fotograf, s. fotograaf. -ar^Y. 
fotograferen, -ady s. foto, 
fotografie. 

fotometr, s. fotometer, licht- 
meter. 

frag, s. aardbei. 

fragment, s. fragment, brok- 
stuk. 

frak, s. rok, frak. 

frakas, s. gekraak, -ar, v. 
verpletteren, verbrijzelen, 
vermorselen. 

fraksin, s. es, esseboom. 

fraksion, s. fraktie, breuk, 
gebroken getal. 

frambos, s. framboos. 

frangar, v. breken, -oftf, a. 
breekbaar, broos, -dblitet, 
s. breekbaarheid, broos- 
heid, -ad, s. breuk. 

frangar glas, het ijs breken, 
aan stukken slaan. 

frangi, s. franje. 



frank-frukt 



141 



frank, s. frank (zilvermunt, 
waard ± 47^ cent, in 
België, Frankrijk, Zwit- 
serland). 

frankar, v. frankeren. 

Frankonta, s. Frankenland. 

Fransta, s. Frankrijk. 

fransiskan, a. franciskaner; 
Franciskaan. 

fhi8, s. frase, fraze (spreek- 
wijs, volzin ; zinledige, 
schoonklinkende uitdruk- 
king). 

fraternisar, v. fratemiseren; 
zich verbroederen. ^cLsum, 
s. verbroedering. 

fpatr. s. broeder, broer. 

fraua, s. fraude, bedrog, -ar, 
V. frauderen, bedriegen. 

fregat, s. fregat. 

frekuent, a. herhaald, -e, 
adv. vaak, dikwels, dik- 
werf, herhaaldelik . 

frekuentar, v. frequenteren, 
omgaan met, verkerenmet. 
'osiony s. frequentatie . 

fren, s . rem . -ar, v . remmen . 

frenetïj;, a. frenetiek, dol, 
krankzinnig. 

fresk, a. fris, koel. -itet, s. 
frisheid, koelte. 

fresko, s. fresko (muurschil- 
dering met waterverf op 
een verse laag kalk). 

friand, s. snoeper, lekker- 



bek . -ar, V . snoepen, lek- 
kerbekken. 

friar, v. in de pan bakken, 
braden, fruiten. 

frigar, v. koud zijn, het 
koud hebben (ml frig = 
ik ben koud, ik heb het 
koud), -id, a. koud. -tcfe»- 
kar^ V. koud worden, -or, 
s. koude, kou. -cui, s. 
verkoudheid . 

Mqadar se, v. kou vatten, 
verkouden worden. 

friaotemp, s. winter. 

friKar, V. wrijven. 'Osion, 
s. wrijving, -ator, s. 
stamper (in een vijzel). 

fringil, s. vink. 

fris, s. fries (bouwkunst). 

frisar, v. friseren (het haar 
doen krullen). 

frivol, a. frivool, lichtzinnig, 
lichtvaardig, -ttet, s. fri- 
voliteit, lichtzinnigheid , 
lichtvaardigheid . 

front, s. voorhoofd, front. 

frontier, s. grens (van een 
land). 

frost, s. vorst (vriezend 
weer) . 

frotar, V. frotteren, afwrij- 
ven. 

frugal, a. frugaal (sober, 
matig) . -itety s . fr ugaliteit . 

frukt, s. vrucht, -i, s. pi. 



ff/ 



fftUlbl. fi fi*MMK»''litiK* 

I / r • \ . Tl n'n'l ^i V- i*j . IVo'n^^VMI , 

r».'> nn^\ -n'\ \, tnnktio- 



tmt, %. forie, woede, nzemg. 
-ar, ▼• woeden. iBien. -a, 
9. furie. '09, a. Inrieiis, 
woedend, rotend. 

fwmar^ V. fourneren, leYeren. 
*a^, s. foamiaseor, leve- 
rancier. 

fuslly 8. geweer. -ar, ▼. dood- 
schieten, fusilleren. 

fütur, a. toeJ^omsdg; toe- 
komst, onvoltooid toeko- 
mende tijd (gram.), -e, adv. 
eens (toi^korast), voortaan. 

Altar perfekt^ voltooid toe- 
komende tyd (gram.). 



s. $cl);Miskort 

falalai k xnelkm^. 
jl^llMt a. cftlsnt (hoKHk, 
vooiScom<»T)n jecsns dames: 

m^el levend i. 
pnlft^nsA. ^. 4?a]aklee-d. 
naton, ^. imlena, loo^ftu^ 

7WfiveH(v%d. 

milari. ^. pHlprij. ^gaanderii. 

feil*'*. ^. tTHlÜH. 

^Iln. ^. kir», h^en. ^. s. 
h*inTi. w», >. h<*ri, kir*. 



galina-klamar — gen 



113 



galina-klamar, v. kakelen. 

galino-klamar, v. kraaien. 

Galisia, s. Gralicië (in Spanje). 

Galitsia, s. Galicië (in Oosten- 
rijk). 

galium, s. gallium (Gra). 

galon, s. galon, -ar, v. ga- 
loneren. 

galop, s. galop, -ar, v. ga- 
lopperen . 

galosh, s. overschoen. 

galvani^m, s. galvanisme 
(galvaniese elektriciteit) . 
'ik, a. galvanies. 

gamash, s. slobkous. 

gamb, s. been. 

gambon, s. ham. 

gangren, s. gangreen, koud- 
vuur, -ar, V. tot koudvuur 
overgaan. -o«, a. koudvuur- 
achtig. 

ganiar, v. winnen, verdienen. 
-ad, s. winst, verdienste. 

ganiar pan, zijn brood ver- 
dienen. 

gant, s. handschoen, -ar, v. 
de handschoenen aandoen. 

garant, s. garant, borg. -ar, 
V. garanderen, borg staan, 
waarborgen, -ad, s. garan- 
tie, waarborg. 

garb, s. garf, schoof. 

gard, s. beschutting, hoede, 
wacht, -ar, v. beschutten, 
hoeden, bewaken. 



garderob, s . garderobe, kleer- 
kast, kleedkamer. 

garnar. v. garneren (met 
• een opnaaisel of boord be- 
leggen of omzomen). 

gamiaon, s. garnizoen (krijgs- 
bezetting; standplaats van 
soldaten), -ar, v. in gar- 
nizoen liggen. 

garson, s. jonkman. 

gas, s. gas. 

gasel, s. gazel, gazelle. 

gaset, s. gazet, krant, dag- 
blad. 

gasometr, s. gashouder. 

gastronom, s. gastronoom, 
fijnproever, smulbroer, lek- 
kerbek. 

gaudi, s. vreugde, blijdschap, 
blijheid, -ar, v. verheugen, 
verblijden, -os, a. ver- 
heugd, blij. 

gaudlar se, zich verheugen, 
zich verblijden. 

gavot, s. gavotte (muziek- 
stuk ter begeleiding van 
zekere ouderwetse dans; 
die dans zelf). 

gelar, v. vriezen, bevriezen. 

gelatin, s. gelatine (een soort 
van geleiachtig preparaat). 

gemar, v. steunen, stenen, 
kreunen, kermen. 

gemel, s. tweeling. 

gen, s.genus , geslacht (gram.). 
8 



114 



genealogi— gerundiv 



genealogi, s. genealogie, ge- 
slachtrekenkunde. -^^(ge- 
nealoglk), a. genealogies. 
'ist (genealogist), s. gene- 
aloog. 

general, a. algemeen, gene- 
raal; generaal (mil.). -e, 
adv. algemeen, over 'tal- 
gemeen. 

generalisar, v. generaliseren 
(algemeen maken, biezon- 
dere gevallen onder één 
algemeen hoofd samenvat- 
ten). 'Odon, s. generali- 
satie. 

generar, v. genereren, telen, 
voortbrengen, verwekken. 
'Omn, s. generatie, teling, 
mensegeslacht. -atoTy s. 
teler, -atori, s. ouders. 

generos, a. genereus, vrij- 
gevig, mild, edelmoedig. 
-itet, s. vrijgevigheid, mild- 
heid, edelmoedigheid. 

genial, a. geniaal (bedeeld 
met, blijk gevende van 
genie), -ttet^ s. genialiteit. 

genitiv, s. genitief, 2e naam- 
val (gram.). 

gensian, s. gentiaan (bot.). 

gentil, a. aardig, lief. -ttet, 
s. aardigheid, liefheid. 

genu, s. knie. -ar, v. knielen. 

genu-flektar, v. een kniebui- 
ging maken, -asion (genu- 



fleksion), s. kniebuiging. 

genuin, a. echt, onvervalst. 
'itet, s. echtheid. 

geodesi, s. geodesie, land- 
meetkunde. -ik, a. geo- 
deties. 

geografl, s. geografie, aard- 
rijkskunde, -t^ (geografik), 
a. geografies, aardrijks- 
kundig. 

geolog^ s. geoloog. 

geologi. s. geologie, aard- 
kunde, 'ik (geologik), a. 
geo logies. 

geometri, s. geometrie, meet- 
kunde, -i/c (geometrik), a. 
geometries, meetkundig. 

geranium, s. geranium (bot). 

german, a. duits (in het duits, 
duits sprekende); Duitser. 
'ia, s. Duitsland, -ian, a. 
duits (hetgeen tot Duits- 
land behoort). 

germanik, a. germaans ; Ger- 
maan . 

germanium, s. germanium 
(Ge). 

germin, s. spruit, kiem. -ar, 
V. spruiten, uitspruiten, 
ontspruiten, kiemen, ont- 
kiemen. 'Osion, s . uitsprui- 
ting, ontspruiting,kieming, 
ontkieming, germinatie. 

gerundi, s. gerundium(gram.). 

gerundiv, s. gerundivum 



gestikular — graf 



115 



(gram.). 

gestikniar, v. gestikuleren, 
gebaren maken, -aaton, s. 
gestikulatie, gebarespel. 

gib, s. bochel, bult. -os, a. 
gebocheld, bultig; bulte- 
naar. 

gid, s. gids, geleider, guide. 
-OTy V. tot gids dienen, 
leiden, geleiden. 

gigant, s. reus. -t j;, a. gigan- 
ties, reusachtig. 

gimnas, s. gymnasium. 

gimnastik, s. gymnastiek, -al, 
a. gymnasties. -ar^ v. gym- 
nastiseren, turnen. 

gips, s. gips. 

giraf, s. giraffe. 

girar, v. gireren, endosseren 
(een wissel schriftelik op 
een ander overdragen). 

girland, s. guirlande, gier- 
lande (slinger vangroenen 
bloemen) . 

gltar, s. gitaar (speeltuig met 
6 tot 10 snaren die met 
de vingers getokkeld wor- 
den), 'ièty s. gitaarspeler. 

giadi, s. zwaard, -ar^ v. 
schermen. zO'tor, s. gladi- 
ator, zwaardvechter. 

gland, s. klier. 

glas, s. ijs. 

glasar, v. glazuren, -ad, s. 
glazuur (verglaassel). 



GlastA; (mar glastA;), a. IJszee. 

glas-rosi, s. rijp, de rijm. 

glat, a. glad, effen, vlak. 
-ifikar, v.gladmaken, effen- 
maken, effenen, gladstrij- 
ken, strijken, -itet, s. glad- 
heid, effen heid. 

gleb, s. aardkluit, schol. 

glisar, v. glijden, glippen, 
glissen, sluipen. 

gliserin, s. glycerine. 

glob, s. ^lobe, bol. -et^ s. 
bolletje. 

glori,' s. glorie, roem. -08, 
a. glorieus, roemrijk, roem- 
vol. 

glorifikar, v. verheerliken. 
'Odon, s. verheerliking. 

glutin, s. lijm, gluten, -ar, 
V. lijmen, kleven, plakken. 

golf, s. golf, zeeboezem, baai. 

gom, s. gom. -ar, v. gom- 
men. 

gondoi, s. gondel. 

gorg, s. k^el, strot, gorgel. 
-ar, V. gorgelen. 

got, s. Goot (volk der Go- 
ten), 'ik, a. goties. 

grad, s. graad, trap. -ar, v. 
graderen, gradueren. -osi- 
(yti, s. gradatie, trap van 
vergelijking. 

grad de largtt^t, breedtegraad. 

grad de longt^^, lengtegraad. 

-graf, suf vormt substan- 



116 



graflt— grimas 



tieven die een persoon aan- 
duiden die op zekere ma- 
nier schrijft, tekent enz., 
b.v. fotograf, fotograaf. 

grafit, s. grafiet (gesteente, 
waarvan men onder an- 
dere potloden maakt). 

gram, s. gram. 

gramatik, s. grammatika, 
grammaire, spraakkunst. 
-al^ a. grammatikaal, 
spraakkunstig. 

gpan, s. korrel, kern, pit. 

granaty s. granaat (steen). 

grand, a. groot, -ifihar, v. 
vergroten, -itet, s. groot- 
heid, grootte. 

grand-filio, s. kleinzoon. 

grandioSy a. grandioos, groots. 
'itet, s. grandioosheid, 
grootsheid. 

grand-komersan^, s. groot- 
handelaar. 

grand-nef, s. achterneef. 

grand-onkl. s. oudoom. 

grand-partle, adv. groten- 
deels. 

grand-patr, s. grootvader. 

granit, s. graniet. 

grap, s. druif. 

gras, s. gratie, genade. 

grasil, a. slank, -itet^ s. 
slankheid. 

grasios, a. gracieus, beval- 
lig, aanvallig, lieftallig. 



'itet, s. gracieusheid, be- 
valligheid, aanvalligheid, 
lieftalligheid. 

gratis, adv. gratis, kosteloos. 

grav, a. zwaar, gewichtig, 
ernstig, deftig, -itet, s. 
zwaarte, gewicht, ernst^ 
deftigheid, graviteit. 

gpavctr, V. graveren (met de 
graveernaald in hout,steen, 
metalen enz. tekenen, figu- 
ren griffen, snijden of ste- 
ken). 

gravin, s. grof zand, kiezel- 
zand, gruis, graveel. 

gravitasion, s. gravitatie, 
zwaartekracht. 

grel, s. hagel, -ar^ v. hagelen. 

gremi, s. schoot, -ad, s. voor- 
schoot, schootsvel, schort, 
boezelaar. 

gren, s. graan, koren, -eriy 
s. graanzolder, korenzol- 
der, zolder. 

grenad, s. granaat (mil.). 

gren-batar, v. dorsen. 

Grenlandia, s. Groenland. 

gres, s. vet, smeer, -ar, v. 
smeren, besmeren. 

Gresta, s. Griekenland. 

grif, s. klauw. 

gril, s. krekel. 

gril-klama?*, v. tsjirpen. 

grimas, s. grimas, -avj v. 
grimassen. 



UI 



gns, a. grys, grauw. 

grit, s. gort, grutteo. 

griVy s. grief, kommer, zorg. 
-^r, V. grieven, lich be- 
droeven. 

gros, a. dik. -üei, s. dikheid, ' 
dikte. 

groso, s. groshandel. -isl I 
(^rosist), s. grossier, gros- 
sist. 

grot, s. grot. 

grotesk, a. grotesk (grillig, 
wonderlik, zeer zonder- 
ling). 

gnim, s. klompje, klonter. 
-08, a. klonterig. 

grup, s. groep, -ar, v. groe- 
peren. 

grus, s. kraan(vogel). 

Grusia, s. Georgië. 

Guatemala, s. Guatemala. 

guen, s. wang, koon. 

guen-barb, s. bakkebaard. 

guer, s. oorlog, krijg, -ar, 
V. oorlogen, krijgen, -ar 
ko kh, iemand beoorlo- 
gen, bevechten, bestrijden. 

guind, s. klos, haspel, -ar, 
V. vrinden, opwinden, klos- 
sen, haspelen. 

gumigut, s. guttegom (een 
gom hars die onder andere 
als verfstof dient). 

gus, s. gans. 

gust, s. smaak, -ar, v. proe- 



ven, smaken. 

git, s. druppel, droppel, -ar, 
V. druppelen, droppelen, 
druipen. 

giveni, s. roer» stuur, -ar, 
V. sturen, besturen, bestie- 
ren, leiden. 

H. 

habltor, v. bewonen, -oöi, 

a. bewoonbaar. -an(, part. 

bewoner, inwoner. 
Haiti, s. Haïti. 
hal, s. hal. 
halebard, s. hellebaard, -er, 

s. hellebardier. 
halit, s. ademtocht, ^ar, v. 

blazen, ademen. 
halsion, s. ijsvogel. 
halusinasion, s. hallucinatie» 

zinsbegoocheling. 
hamak, s. hangmat. 
hamster, s. hamster. 
Hanovr, s. Hannover, 
hanseat, s. Hansa, Hanze. 

'ik, a. hanzeaties. 
hard, a. driest, stout, vry- 

postig. -itet, s. driestheid, 

stoutheid, vrijpostigheid. 
haring^ s. haring. 
harleKin, s. harlekijn. 
harmoni, s. harmonie, -od, 

a. harmonies, harmonieus. 
harmonium, s. harmonium 



HH 



hames — hiasint 



(een soort van draagbaar 
orgel met toetsen en re- 
gisters). 

harnes, s. harnas, paardetuig. 
-ar, V. harnassen, tuigen, 
optuigen, het tuig aandoen. 

harp, s. harp. -^st, s. harpe- 
naar. 

harpun, s. harpoen. 

hasard, s. hazard, toeval, 
vraagstuk, -ar, v. hazar- 
deren, wagen, op het spel 
zetten. 

hast, s. haast, spoed, -ar^v, 
haasten, spoeden, ijlen, 
zich haasten, zich spoeden. 
'ikf a. haastig, spoedig. 
-e, adv. -6 1 i. gauw! vlug 1 

hastor. s. havik. 

hebretA;, a. hebreeuws. 

hedr, s. klimop. 

he^emonl, s. hegemonie (op- 
perheerschappij van een 
grote staat over verschei- 
den kleinere). 

hekêa-, pref. betekent hexa-, 
zes-. 

hehaametr, s. hexameter. 

heklO', pref. betekent hekto-, 
honderd-. 

hektograf, s. hektograaf 
(werktuig, waarmee men 
van een met biezondere 
inkt geschreven stuk een 
honderdtal afdrukken ver- 



krijgen kan), -ar, v. hek- 
tograferen. 

hektoMtr, 8. hektoliter. 

helium, s. helium. 

Helvetta, s. Zvntserland. 

hepat, s. lever. 

fiepta-j pref. betekent hepta-^ 
zeven-. 

herald, s. heraut. 

heraldik, s. heraldiek, wapen- 
kunde. 

herb, s. gras. 

hered, s. erfgenaam, -ad, s. 
erfenis, erfdeel, nalaten- 
schap, -ar, V. erven. 

hereti^, a. ketters; ketter. 
'üm, s. ketterij. 

hermafrodit, s. hermafrodiet 
(mens of dier dat beide ge- 
slachten in zich verenigt). 

hermelln, s. hermelijn. 

hermettib, a. hermeties, lucht- 
dicht . 

hero, s. held, heros. -tib, a. 
heroïek, heldhaftig, -tsm, 
s. heroïsme, heldenmoed, 
heldhaftigheid. 

heron, s. reiger. 

hesitar, v. hesiteren, aarze- 
len, weifelen. 

heterojgen, a. heterogeen, on- 
gelijksoortig, 'itet, s. hete- 
rogeniteit, ongelijksoortig- 
heid. 

hiasint, s. hyacint. 



Il» 



kidnk-^ prell duidt wat»* 
JkitiPDiHB, a. vstmdidit. 

mika (leer vso de be^i^^- 
8;i]^ der vloeistoffienV 

üirvfMi, s. Il jdrafobie. iim- 
t ci f l ees, hondsd<4iieid, -o^ 
a- watersdniw. 

hMratea, s. mterstof, h jditn 
geniiuD (Hl. 

U d r tp si , s. hydropsie» water- 
zucht, -üb, a. waterEochtig. 

hidrmMMlL, s. h3rdn>statika 
(leer van het evenwicht 
der Tlndstoffen). 

hieii, s. hyena. 

hik, s. hik. -ar, ▼. hikken. 

hiMHy s. hymne (loflied ter 
ere van de goden of van 
de godheid). 

hiperM, s. hyperbool, over- 
drijving. 

hipodrom , s. hippodroom, 
renbaan. 

hipokrit, s. haichelaar, schijn- 
heilige, 'ik, a. gehuicheld, 
schijnheilig. 

hipopotam, s. hippopotamus, 
nijlpaard. 

hipotek, s. hypotheek (schuld 
die wordt aangegaan on- 
der verband van onroerend 
goed). 

hipotes, s. hypothese (het als 



w«uii^ aa a*y*o >w i » i W v 

leis tif bewyien v\i"^ t»f wr- 
klareaV 

tl- ^Ustarik. a. hy$t«riet^ 

denis. -tl; a. hi$lc^i»^ j^ 
schiedkundig, 

mens^ -«it^. a. m<Mi$^Hk. 

hMMt^ü s. hoiuiH>paihii^ 
(geneeswijze^ waarbij w^i 
t^pen een kwaal ak$ g^^ 
neesmiddel aanwendt^ dat 
wat bij een gezonde jui^s^t 
de kwaal zou teweegbren^ 
gen). Hi (ImMa^Sk). a. 
homeopaties. «i^(« & ho* 
meopaat 

homo-y pref. duidt evenre- 
digheid aan. 

honogen, a. homogeen, ge- 
lijksoortig. 

homolog, a. homoloog <^L> ver- 
eenstemmend ; gely klui- 
dend in zin). 

homonlm, a. homoniem (g<'- 
lijknamig; geiykluidend in 
klank). 

^moton (konsonans), s. go- 
lijkluidendheid, konsonan- 
tie. 

Honduras, s. Honduras. 

honest, a. rechtschapen» eer- 
lik. 



120 



honop — If et 



honor, s. eer. -ar, v. eren, 
vereren, honoreren, -ahl^ 
a. honorabel, achtbaar. 
'Oaion, s. verering, 

hor, s. uur, stond, -metr, s. 
uurwerk. 

hord, s. horde. 

horisont, s.horizon(t), gezicht- 
einder, 'ik (horisontal), a. 
horizontaal, waterpas. 

horor, s. horreur, ontzetting, 
ijzing, afgrijzen, -os, a. 
horribel, ontzettend, ijselik, 
afgrijselik. 

hort, s. tuin, hof, gaard. 

hospit, s. hospitium (huis 
voor vreemdelingen). 

hospital, s. hospitaal, zie- 
kehuis, gasthuis. 

hotel, s. hotel, -er, s. hóteiier. 

hum, s. aarde, humus. 

human, a. humaan, menslie- 
vend, -itet, s. humaniteit, 
menslievendheid. 

humid, a. nat, vochtig, -ifikar, 
V. bevochtigen, -itety s. 
natheid, vochtigheid, hu- 
miditeit. 

humil, a. demoedig, ootmoe- 
dig, nederig, -itel, s. de- 
moed, ootmoed, nederig- 
heid. 

humor, s. humor, -iat, s, hu- 
morist. 

Hungaria, s. Hongarije. 



husar, s. huzaar. 
I. 

-i, suf. tot vorming van het 
meervoud, b.v. rost, rozen. 

'ia, suf. vormt substantieven 
die een land aanduiden, 
b.v. Italm, Italië; patrta, 
vaderland. 

lamb, s. jambe (versvoet van 
één korte en één lange 
lettergreep), -ik, a. jambies. 

'idf suf. bij een werkwoor- 
delike stam, vormt adjek- 
tieven die een eigenschap 
aanduiden, b.v. splend^c^, 
glinsterend. 

idé, s. idee, denkbeeld. 

Ideal, s. ideaal. 4ky a. ideaal. 

\Abntik, a. identiek, identies 
(enerlei, in een of ander 
opzicht gelijk), -ikifet 
(identitet), s. identiteit. 

Idii, s. idylle (landelik ge- 
dicht; alles wat daaraan 
doet denken). 

idiom, s. idioom, tongval, 
taal. 

idol, s. afgod. 

I. e. = it es, d. i. (dat is), 
d. w. z. (dat wil zeggen). 

if, k. indien, wanneer (kau- 
saal). 

if et, k. ook al, zelfs al. 



'ifikar — Impetu 



124 



'ifikar, suf. tot vorming van 
werkwoorden die aandui 
den dat iets zo gemaakt 
wordt ais door de stam 
wordt uitgedrukt, b.v. 
falsifikar, vervalsen ; gran- 
Aifikar, groot maken; du- 
pMJikar, verdubbelen. 

Ignorar, v. ignoreren, niet 
weten, niet willen weten. 

'ik, suf. duidt een hoeda- 
nigheid aan en wordt ge- 
bruikt tot vorming van 
adjektieven, voor welke 
de overige achtervoegsels 
'Obl, -an, -afr, -id, -o« 
wegens hun speciale bete- 
kenis niet geschikt zijn, 
b.v. historiib, histories. 

il, pr. hij, ie. -a, pr. zij, ze 
(vrouwelik enkelvoud), -ai, 
pr. zij, ze (vrouwelik meer- 
voud), -i, pr. zij, ze (man- 
nelik en onzijdig meer- 
voud). 

Iliria, s. Illyrië. 

iluniinar, v. illumineren, ver- 
lichten. 

ilusioiiy -s. illusie, begooche- 
ling, -ar, V. begoochelen. 

Ilustrcrr, v. illustreren, op- 
helderen. -a«on,s. illustra- 
tie,, opheldering. 

'im, suf. tot vorming van 
rangtelwoorden ; het wordt 



geplaatst achter het hoofd- 
telwoord, namelik achter 
het laatste woord daar- 
van, b.v. septim, zevende ; 
sent dndesim, honderd 
twintigste. 

■mag, s. beeld, beeltenis, af- 
beelding, prent. 

imaginar, v. zich imagineren, 
zich inbeelden, zich ver- 
beelden, wanen, bedenken, 
verzinnen. 

Imatrikular, v. immatriku- 
leren (inschrijven in een 
raster ^. -asimi, s.imma- 
trikulatie. 

imensj a. immens, onmetelik. 

imitar, v. imiteren, navolgen, 
nabootsen, namaken, na- 
doen. 

impediar, v. hinderen, ver- 
hinderen, beletten, belem- 
meren, dwarsbomen. 

imperar, v. gebieden, bevelen. 
-aior, s. gebieder, keizer. 
-atorik, a. keizerlik. -ia, 
s. keizerrijk. 

imperativ, s. imperatief, ge- 
biedende wijs (gram.). 

imperfekt, s. onvoltooid ver- 
leden tijd (gram.). 

Impertinent, a. impertinent, 
ongepast, onbehoorlik, on- 
geschikt, onbeschaamd. 

impetu, s. aanval (fig.)- -o«, 



122 



important — Indolent 



a. impetueus, heftig, on- 
stuimig. 'Oaitet^ s. impe- 
tuositeit, heftigheid, on- 
stuimigheid. 

important, a. important, ge- 
wichtig, wichtig, belang- 
rijk. 

Impost, s. impost, belasting, 
aksijns. -ar, y, belasten. 

impregnlar, v. impregneren, 
bezwangeren, doortrek- 
ken, drenken. 

impresion, s. impressie, in- 
druk, -ar^ V. impressi- 
oneren, indruk maken . 

imprimar, v. drukken, af- 
drukken, bedrukken, -eri, 
s. drukkerij, boekdruk- 
kerij. 

improvisar, v. improviseren 
(voor de vuist dichten of 
redevoeren), -ator, s. im- 
provisator . 

impuls, s. impuls, impuisie, 
aandrift, -ar, v. aan- 
drijven. 

imputar, v. imputeren, toe- 
schrijven, wijten, toereke- 
nen, ten laste leggen. 

in, prep. in, te. 

inaugurar, v. inaugureren, 
plechtig inwijden, -asionj 
s . inauguratie, plechtige 
inwijding. 

In-brasar, v. omarmen, om- 



helzen, omspannen. 

India, s. Indië. 

indiferent, a. indifferent, 
onverschillig. 

Indigen, a. ingeboren, in het 
land geboren, inlands, in- 
heems ; ingeborene, in- 
boorling, inlander. 

Indipent, a. behoeftig, nood- 
lijdend . 'iiet (indigens), s . 
behoeftigheid . 

Indigo, s. indigo (ver&tof 
van prachtig blauwe kleur). 

indikar, v. indikeren, indi- 
ceren, aangeven. 

indikativ, s. indikatief, aan- 
tonende wijs (gram.). 

indinlar, v. zich verontwaar- 
digen . 

indium, s. indium (In). 

in diurn, in mens e s. adv. 
per dag, per maand enz., 
b.v. iufoa In mens, twee- 
maal per maand. 

individu, s. individu (ondeel- 
baar, onscheidbaar geheel; 
afzonderlik gedacht of be- 
schouwd wezen), -ik (In- 
dividual), a. individueel. 
'ikitet (\néMiua\itct), s. 
individualiteit . 

indolent, a. indolent (onver- 
schillig, zorgeloos, traag). 
'itet (indolens), s. indo- 
lentie . 



in dom de — in-klosar 



123 



In dom de, prep. ten huize 
van. 

indttlgent, a. toegevend. -itef 
(indulgens), s. indulgentie, 
toegevendheid . 

industriy s. industrie, nijver- 
heid, -t^ (Industrial), a. 
industrieel, -os, a. nijver, 
arbeidzaam . 

In-ebPar, V . bedwelmen (van 
dranken) . 

inert, a. traag, lui. 'Het, s. 
inertie, traagheid, luiheid . 

infant, s. kind (de mens in 
zijn kindsheid), -o, s. 
knaap, jongen, -a, s. 
meisje . 

infanteri, s . infanterie . -an, 
a. infanterie-, -i>)^ (infan- 
terist), s. infanterist. 

infektar, v . infekteren, aan- 
steken, besmetten -asion 
(infeksion), s. infektie, 
aansteking^ besmetting. 

inferior, a . inferieur,mindere, 
ondergeschikte . -e, adv . 
beneden, -itet, s. inferi- 
oriteit, minderheid, onder- 
geschiktheid . 

inferior^ de, prep . beneden . 

infern. s. hei. 

infinitlv, s. infinitief, onbe- 
paalde wijs (gram.). 

inftamar, v . inflammeren, 
ontsteken (med.)- -asion. 



s . infiammatie, ontsteking. 

ïn-Huar, V. invloeien, instro- 
men. 

influens, s. invloed, -ar, v. 
influenceren, invloed oefe- 
nen, invloed hebben. 

influensa, s. influenza, griep. 

Informar (kh di kk), v. in- 
formeren, inlichtingen ge- 
ven, onderrichten, -asion, 
s. informatie, inlichting. 

informar se di kk, zich in- 
formeren, inlichtingen vra- 
gen. 

in-fumar, v. roken (van 
worst enz.). 

ingiotar, v. slikken, inslik- 
ken, opslikken, opslokken. 

inhibiar, v. inhiberen, ver- 
bieden. 

in honor de, prep. ter ere 
van. 

injenier, s. ingenieur. 

injenierimiiitar%A;,genie(mil.). 

in-kadrar, v. enkadreren, om- 
lijsten . 

in-kamar, v. inkameren. 
-(mem, s. inkarnatie (vlees-, 
menswording). 

in-kasar, v. inkasseren, innen. 

inkiinar, v. inklineren, nei- 
ging hebben, neigen, over- 
hellen. 'OMon, s. inklinatie, 
neiging, geneigdheid. 

in-ki08a)', v. insluiten, op- 



124 



inklusive— Inspektar 



sluiten. 

inkiusive, adv. inklusief (roet 
inbegrip van; ingesloten). 

in komenSy in het begin, aan- 
vankelik. 

In kualitet de, k. als, in hoe- 
danigheid van. 

inkud, s. aanbeeld. 

in-kurajar^ v. aanmoedigen, 
bemoedigen . 

in manier de, prep. op de 
manier van. 

in-manuar, v. overhandigen, 
ter hand stellen. 

in mediad, adv. in het mid- 
den, middenin. 

In meéiad de, prep. in het 
midden van. 

in-metar, v. inzetten, inleg- 
gen. 

in nom de, prep. in naam 
van, namens. 

in omni kasu, adv. in ieder 
geval. 

in omni temp, adv. ten allen 
tijde. 

inosent, a. innocent, onschul- 
dig, -itet (inosens), s. in- 
nocentie, onschuld. 

in-plasar, v. invoegen. 

in plas de, prep. in plaats 
van. 

In-ppesar, v. inpersen, in- 
drukken. 

in-respirar (inspirar), v. in- 



ademen. 

In-sakar, v. in de zak steken. 

in-sarkar, v. in de doodkist 
leggen, kisten. 

insekt, s. insekt. 

in-seminar, v. bezaaien. 

insendi, s. brand, -an, a. 
brand-, brandweer- . -er, 
s. brandweerman. 

ineens, s. wierook, -ar, v. 
bewieroken, -ator, s. be- 
wieroker. -er, s. wierook- 
vat. 

in sentp de, prep. in het 
centrum van, in het mid- 
delpunt van. 

inserar, v. insereren, inlas- 
sen; opnemen of plaatsen 
(in een koerant). 

insestu, s. bloedschande. -os, 
a. bloedschendig. 

insinuar, v. insinueren, be- 
dektelik aantijgen, influis- 
teren. 

Insipid, a. flauw, laf, smake- 
loos. 

in-skribar, v. inschrijven, 
opschrijven. 

insoient, a. insolent, over- 
moedig, verwaten . -4161, 
s. insolentie, overmoed, 
verwatenheid . 

in sosietet de, prep. in ge- 
zelschap van. 

inspektar, v. inspekteren (in 



inspirar— Interes 



125 



ogenschouw nemen om 
na te gaan of alles in orde 
is) . -ator, s. inspekteur. 

inepirar, v. inspireren, in- 
geven, inboezemen. -a»i(wi, 
s. inspiratie, ingeving. 

instalar, V. installeren, plech- 
tig bevestigen in een waar- 
digheid. 

instar su kk, v. insisteren, 
insteren, aandringen, staan 
op iets. 

instigar, v. instigeren, aan- 
hitsen, ophitsen, opruien, 
opstoken. 

Instinkt, s . instinkt (natuur- 
drift ; inneriik werkende 
aandrift, onaf hankelik van 
het bewustzijn ; ingescha- 
pen neiging). 

instltuar, v . institueren, in- 
richten, instellen, stichten. 
-ad (Institut), s . instituut, 
instelling, stichting. 

ïnstituad (institut) de edu- 
kasion, opvoedingsgesticht. 

instmar, v. instrueren, on- 
derrichten, onderwijzen, 
leren, -ator, s. onderrich- 
ter, onderwijzer, instruk- 
teur. 

instrument, s. instrument, 
werktuig, -ar, v. instru- 
menteren (voor speeltui- 
gen zetten). 



instrument-kompleks, s. be- 
stek. 

In-sugar, v. inzuigen. 

insul, s. eiland, -an, a. ei- 
land-; eilander, eilandbe- 
woner. 

insult, s. insult, beschim- 
ping, smaad, hoon. -ar, v. 
insultereu, schimpen op, 
beschim pen , schelden,sma- 
den, honen. 

integr, a. ongeschonden, -itet^ 
s. integriteit, ongeschon- 
denheid. 

intelektu, s. intellekt, ver- 
stand. '08, a. intellektu- 
eel, verstandig. 

in temp de, prep. ten tijde 
van, tijdens. 

intension, s. intentie, bedoe- 
ling, oogmerk, -ar, v. in- 
tentioneren, bedoelen, be- 
ogen, -e, adv. voorbe- 
dachtelik. 

intensiv, a. intensief (inner- 
iik, sterk, levendig). 

intent, s. doel (datgene waar- 
naar men streeft, dat men 
zoekt te bereiken). 

interes, s. belang, -ar, v. in- 
teresseren, belang inboe- 
zemen, b.v. kelk-kos in- 
teres mi, iets interesseert 
mij, ik interesseer mij 
voor iets. 



126 



interest— inventar 



interest, s. intere&t, intrest. 

interior, a. interieur, inwen- 
dig, binnenste, -e, adv. in- 
wendig, binnen. 

interioré de, prep. binnen. 

intern, a. intern, innerlik. 

internasional, a. internati- 
onaal. 

interogar, v. interrogeren, 
vragen, afvragen, onder- 
vragen, navragen, verho- 
ren. 'Osion, s. vraag. 

Interpret, s. tolk, vertolker. 
-ar, V. interpreteren, ver- 
tolken. 

interpunictar, v. interpunk- 
teren (van zin- en schei- 
tekens voorzien), -o^ton, s. 
interpunktie. 

intersedar, v. intercéderen, 
tussenbeide komen, voor- 
spreken. 

intenimpar, v. interromperen, 
in de rede vallen. 

interval, s. interval, tussen- 
ruimte, tussentijd. 

interyeicsion, s. interjektie, 
tussenwerpsel. 

intestin, s. darm, ingewand. 

intlm, a. intiem, innig, -itet, 
s. intimiteit, innigheid. 

Intr, prep. tussen, -ar, v. 
ingaan, binnengaan, bin- 
nentreden, intreden, bin- 
nenkomen, -ad, s. ingang, 



toegang (plaats), -asion, s. 
ingang, toegang (hande- 
ling), intocht. -«, adv. er 
tussen. 

intrig, s. intrige, kuiperij. 
-ar^ V. intrigeren, kuipen. 

intr-lud, s. interludium, tus- 
senspel. 

introduicar, v. introduceren, 
inleiden. 

intr-tempe, adv. ondertussen, 
intussen, inmiddels. 

Intuar, v. innerlik aanschou- 
wen, -aaion (intuision), s. 
intuïtie, innerlike aan- 
schouwing, -ativ (intultiv), 
a. intuïtief, innerlik aan- 
schouwend. 

inn, prep. binnen (in minder 
tijd dan). 

Inundar, v. overstromen. 
-asionj s. overstroming, 
inundatie. 

In ur^ar, v. indringen. 

Invalid, a. invalide, krachte- 
loos; invalide, -dtet, s. in- 
validiteit. 

invasion, s. invasie, inval. 

inventar, v. uitvinden, uit- 
denken, -adtoni^invension), 
s. uitvinding, inventie. 
-aior (inventor), s. uitvin- 
der. 

Inventar, s. inventaris, boe- 
delbeschrijving. 



In-versar— Jalus 



127 



in-versar, v. ingieten. 

inversiar, v. omkeren, onder- 
steboven keren. -6, adv. 
omgekeerd, ondersteboven. 

investigar, v. vorsen, navor- 
sen, uitvorsen. -arion, s. 
navorsing, investigatie. 
-ator, s. navorser. 

invitar, v. inviteren, uitno- 
digen. 

inyuri, s. injurie, eerkren- 
king, belediging, -ar, v. 
injuriëren, beledigen. 

iod, s. jodium (I). 

ipse, adv. zelfs. 

iridium, s. iridium (Ir). 

Iripar, v. irrigeren, bevloeien, 
besproeien, -aaion^ s. irri- 
gatie, bevloeiing, besproei- 
ing. 

Iris, s. regenboog. 

iritar, v. irriteren, sarren, 
tergen, prikkelen. 

Irlandia, s. Ierland. 

Iponi, s. ironie (bedekte, he- 
kelende scherts). -o«, a. 
ironies. 

Islandta, s. IJsland. 

-ism, suf. vormt substantie- 
v^ die een godsdienst of 
geestesrichting aanduiden, 
b.v. protestanti^m, prote- 
stantisme ; reali^m, rea- 
lisme. 

isolar, V. isoleren, afzonde- 



ren, -ed, part. afgezonderd. 

ist, pr. deze, dit. -ƒ00, adv. 
ditmaal, deze keer. 

-istf suf. bij een niet-werk- 
woordelike stam, vormt 
substantieven die een per- 
soon aanduiden die zich 
met iets bezig houdt, b.v. 
drogist, drogist ; iingnts^, 
linguïst. 

ist-kos, pr. dit. 

istniy s. landengte, isth mus . 

it, pr. het, 't. 

Italia, s . Italië . -ian, a . ita- 
liaans (hetgeen tot Italië 
behoort); Italiaan, -iana, 
s. Italiaanse, -tik, a. ita- 
liaans (in het italiaans, 
italiaans sprekende). 

it bel, het schone. 

It bon, het goede. 

it mal, het boze, het kwaad . 

It sem, pr. hetzelfde. 

iterbium, s. ytterbium(Yb). 

'itet, suf. bij een adjektief, 
vormt substantieven die 
een hoedanigheid aandui- 
den, b.v. fasili^^, facili- 
teit, gemakkelikheid . 

itrium, s. yttrium (Y). 

ivor, s. ivoor, elpenbeen. 

J. 
Jalus, a. jaloers, ijverzuch- 



128 



ka— kalm 



tig, naijverig. -itet, s. 
jaloersheid, ijverzucht, na- 
ijver. 



ka, k. na een vergrotende 
trap, dan (de spreektaal 
gebruikt doorgaans: als). 

kabal, s. kabaal (geheime 
samenspanning), -ar, v. 
kabaleren . 

kabin, s. kooi, hut (aan 
boord) . 

kabinet, s. kabinet. 

kabi, s. kabel, kabeltouw. 

kad, s. val. -ar, v. vallen. 

kadavr, s. kadaver, lijk. 

kadens, s. kadans. 

kadet, s. kadet (mil.). 

kadmium, s. kadmium(Gd). 

kadr, s. lijst, kader. 

kaf, s. koffie. -6rt, s. kof- 
fiehuis, café. 

kakadii, s. kaketoe. 

kakao, s. kakao, kakau. 

kakt, s. kaktus (bot.). 

kal, s. eelt. -os, a. eeltig. 

kalamitet,s. kalamiteit,nood, 
ramp. 

kalandr, s. kalander, man- 
gel, -ar, v. kalanderen, 
mangelen . 

kalar, V. warm zijn, het 
warm hebben, -id, a. 



warm, heet. -ideskar, v. 
warm worden, heet wor- 
den. 'idifikaVyY, warmen, 
verwarmen, verhitten . -or, 
s. warmte, hitte. 

kaldron, s. ketel. 

kalendar, s. kalender. 

kalesh, s. kales, calèche. 

kali-:, pref. duidt schoon- 
heid aan. 

kalibr, s. kaliber (middellijn 
van de mond van een 
vuurwapen), -ar, v. ka- 
libreren . 

kalldoskop, s. kaleidoskoop 
(schoonheidskijker) . 

kallf s. kalief. 

KaliTornia, s. Kalifornië. 

kaligraf, s . kalligraaf, schoon- 
schrijver, -ar^ v. kalli- 
graferen . 

kalikot, s. calicot, kaliko (een 
fijne katoenen stof). 

kaliokulos, a. schoonoglg. 

kalis, s. kelk. 

kalium, s. kalium (K). 

kalkar, V. treden, trappen. 
-ator, s. treder, trapper, 
orgeltrapper. 

kalkul, s. rekening, bereke- 
ning, uitrekening. -ar, v. 
rekenen, berekenen, uit- 
rekenen. 

kalm, s. kalmte, stilte, -ar, 
V. kalmeren, stillen, doen 



kalomel— kanel 



129 



bedaren. 

kalomel, s. kalomel (zoutzure 
eerste kwikoxyde, zoete 
kwik). 

kals, s. kous. 'On, s. onder- 
broek. 

kalsin, s. kalk. -avy v. ver- 
kalken. 

kalslum, s. kalcium (Ca). 

kalumniar, v. lasteren, be- 
lasteren, kwaadspreken . 
'Odoriy s . laster, lastering, 
belastering, kwaadspre- 
kendheid. 

kalv, a. kaal. -ilet^ s. kaal- 
heid. 

kamarad, s . kameraad, mak- 
ker, 'itei^ s. kameraad- 
schap . 

kambi, s. cambio, wissel, 
wisselbrief, -ar, v. cam- 
bieren, wisselen, wissel- 
handel drijven, ruilen, ver- 
ruilen, omruilen, -asion, 
s. wisseling, ruil, ruiling, 
verruiling, omruiling. 

kambi-kurSy s. wisselkoers, 
koers . 

kamé, s. kamee (in reliëf 
gesneden gesteente, waar- 
van het verheven werk 
een andere kleur heeft 
dan de grond). 

kamel, s. kameel. 

kameleon, s. kameleon. 



kamell, s. kamelia (bot.). 

kamfor, s. kamfer. 

kamin, s. schoorsteen,schouw. 

kamis, s. hemd. 

kamisol, s. vest, buis, kami- 
zool. 

kamomll, s. kamille (bot.). 

kamosk, s. gems. 

kamp, s. veld. 

kampani, s. veldtocht, kam- 
panje . 

kampestr, a . champêtre, lan- 
delik. -ad, s. land (in 
tegenstelling met stad), 
platteland . 

kamr, s. kamer, vertrek, 
-er, s. kamerheer, kamer- 
ling. 

kan, s. riet, bies. 

kanab, s. hennep. 

kanal, s . kanaal . -ety s . ka- 
naaltje, gracht. 

kanali, s. kanalje, gepeupel, 
gespuis, janhagel. 

kanarit, s. kanarie, kanarie- 
vogel . 

kandel, s. kaars, -ad^ s. 
kandelaar. 

icandelabr, s. kandelaber 
(arm- of kroonluchter, 
kroonkandelaar) . 

kandidat, s. kandidaat. -ae2, 
s. kandidatuur. 

kanel, s. gleuf, sleuf, groef. 
-ar, V. groeven, kanne- 
9 



130 



kani— karambol 



leren. 

kani, s. hond. 

kanibal, s. kannibaal, men- 
seëter. -ik, a. kannibaals. 

kani-klamar, v. blaffen. 

kanon, s. kanon, -ar, v. ka- 
nonneren, -ad, s. kanon- 
nade. 

kanoniA;, a. kanoniek (vol- 
gens kerkelike wetten). 

kanseier, s. kanselier. 

kanselert, s. kanselarij. 

kanson, s. lied. 

kansr, s. kanker. 

kant, s. zang, gezang, -ar, 
V. zingen. 

kanton, s. kanton (afdeling 
van grondgebied). 

kanvas, s. kanefas (voering- 
stof). 

kaot, s. chaos, baaierd. -lA;, 
a. chaoties. 

kap, s. kop, hoofd. 

kapabi, a . kapabel, bekwaam, 
vatbaar . -itet, s. bekwaam- 
heid, vatbaarheid. 

kapar, s. kapper (bot.). 

kapel, s. kapel (bedeplaats). 
-an, s. kapelaan. 

kapll, s. haar. -08, a. be- 
haard, harig. 

kapltal, s. kapitaal. 

kapltan, s. kapitein. 

kapiti, 8. kapittel, hoofdstuk. 

kapitol, s. kapitool (gebouw 



in Rome). 

kapon, s. kapoen. 

kaporal, s. korporaal. 

kapr, s. geit. -o, s. bok, gei- 
tebok. -a, s. geit( wijfje). 

kapreol, s. ree (dier). 

kaprikorn, s. steenbok. 

kapriol, s. kapriool, bokke- 
sprong. 

kapris, s. kaprice, luim, gril, 
nuk. '08, kapricieus, lui- 
mig, grillig, nukkig, eigen- 
zinnig. 

kapsul, s. kapsiile (dop van 
bladlood over de kurk ; 
hulsel). 

kaptar, V. vangen, buiten, 
buitmaken . -ad, s . buit, 
prijs. 

kapus. s kapoets, kap. 

kapusin, s. Kapucijner, Ka- 
pusijner . 

kap, a. lief, dierbaar, waard, 
duur. 'ifikar, v. duur ma- 
ken, opslaan (de prijs), -itet, 
s. naasteliefde. 

kap, s. wagen, -et, s. wa- 
gentje, kar. 

kapabin, v. karabijn, buks. 
-er, s. karabinier. 

kapaf, s. karaf, kraf. 

kapaktep, s. karakter, -ik, 
a. karakteristiek. 

kapambol, s. karambole (de 
rode bal), -ar, v. karam- 



karamel— kastel 



134 



boleren . -ad. s. karambo- 
lage. 

karamel, s. karamel (ge- 
brande suiker; soort ule- 
vellen daarvan). 

karat, s. karaat (proefge- 
wicht voor goud). 

karavan, s. karavaan. 

karbon, s. kool, houtskool, 
steenkool, koolstof (C) . 

karbunki, s. karbonkel (hoog- 
rode robijn). 

kardin, s. hengsel, scharnier. 

kardinal, a. kardinaal, voor- 
naamste; kardinaal (per- 
soon). 

kardon, s. distel. 

karem, s. vasten, vastentijd. 
-ar, V. vasten. 

kares, s. liefkozing, -ar, v. 
liefkozen. 

karlkar, v. verwringen, ver- 
trekken, verdraaien. 

karikatur, s. karikatuur, -ar, 
V. een karikatuur maken, 
bespottelik afbeelden. 

Karlnt^a, s. Karintië. 

karmin, s. karmijn (hoogrode 
verf). 

karn, s. vlees. 

karneval, s. karnaval. 

karob, s. Johannesbi-ood 
(bot.). 

karos, s. wagen, koets, -an, 
s. koetsier. 



karot, s. wortel (moesplant). 

karpar, v. plukken. 

Karpatt, s. Karpaten. 

karpentar, v. timmeren. -ator, 
s. timmerman. 

karp-fiU, s. pluksel. 

karpion, s. karper. 

kart, s. kaart. 

kart geografiiA; (kart geogra- 
fik), landkaart. 

kartilag, s. kraakbeen. 

karton, s. karton. 

kartush, s. patroon, kardoes. 

karusel, s. karoesel. 

kas, s. kas. -er. s. kassier. 

kase, s. kaas. 

kasein, s. caseïne. 

kasemat, s. kazemat (bom- 
vrij gewelf; kanonkelder). 

kasern, s. kazerne. 

kaserol, s. kastrol, casse- 
rolle (komvormige pan 
zonder voet met een steel) . 

kaset, s. kassette, kistje, 
koffertje . 

kask, s. helm. -et, s. pet. 

kaskad, s . waterval, kaskade. 

Ksispik (mar kasptA:),a. Kas- 
piese zee. 

kast, a. kuis. -itet, s. kuis- 
heid. 

kast, s. kaste (rangklasse 
bij oosterse volken), 

kastani, s. kastanje. 

kastel, s. kasteel, burcht, 



132 



kastigar—kavaleri 



slot. 

kastigar, v. kastijden, tuch- 
tigen. -a«io7i, s. kastij- 
ding, tuchtiging. 

kastor, s. bever. 

kastrar, v. kastreren, ont- 
mannen, lubben. 

kasu, s geval, voorval, naam - 
val (gram.). 

kasubl, s. kazuifel (priester- 
kleed) . 

kat, s. kat, poes. 

katafalk, s. katafalk (ver- 
hevenheid met doodkist 
er op). 

katakomb, s. katakombe 
(onderaardse gewelfde be- 
graafplaats) . 

katalepsi, s . katalepsie (stijf- 
kramp). -ik (kataleptik), 
a. katalepties. 

katalog, s. kataloog, katalo- 
gus (lijst van voorwerpen, 
boeken enz.). 

kataplasm, s . kataplasma, 
breiomslag . 

katar, s. katar (med.). 

katarakt, s. staar, katarakt 
(med.). 

katastrof, s . katastrofe, 
grote ramp. 

katedr, s. katheder (spreek- 
gestoelte). 

katedral, s. kathedraal 
(hoofdkerk van een bis- 



dom in de zetelplaats van 
de bisschop). 

kategori, s. kategorie (klasse^ 
rang, afdeling). 

kategoNA;, a . kategories, be- 
slist. 

katekism, s. katechismus. 

katen, s. keten, ketting. 

kat-klamar, v. miauwen. 

katoKA;, a. katholiek, -ikism^ 
s. katholicisme. 

kaucuk, s. kaoetsjoek. 

kaud, s. staart. 

Kaukas, s. Kaukasus. -ia^ 
s. Kaukasië. 

kaus, s. oorzaak, grond^ 
reden, -ar^ v. veroorza- 
ken, aandoen, -e, k. om- 
dat, dewijl, wijl, daar, 
want. -w, prep. om, we- 
gens. 

kaust^ Deo, adv. om GodswiL 

kaus prinsipal, grondoorzaak. 

kausttA;, a. bijtend, invretend. 

kauterisar, v. kauteriseren, 
etsen, uitbranden,uitbijten. 

kav, s. kelder. 

kaval, s. paard (ook in het 
schaakspel) . -o, s. hengst . 
-a, s. merrie, -aw-, s. 
paardeknecht. -««, s. 
paardje, pony, hit. 

kavaleri, s. kavalerie. -an^ 
a. kavalerie-. 'ist (kava- 
lerist), s. kavalerist. 



kavalier— kla8 



433 



kavalier, s. cavalier, ridder. 

kavalkar, v. rijden, paard 
rijden, -adj s. kavalkade 
(optocht te paard). 

kavern, s. hol. -ar, v. uit- 
hollen, 'ik^ a. hol. 

kaviar, s. kaviaar (ingezou- 
ten steurkuit). 

kay, s. kaai. 

ke, k. dat (het werkvs^oord 
dat volgt, steeds in de 
aantonende wijs). 

ke-^ pref . duidt een vraag 
aan. 

Arefrekuenté, adv. hoe dik wels. 

kek, s. koek. 

kekaussy adv. waarom. 

kek09, pr. wat. 

kei? pr. welke? welk? -foa, 
adv. welke keer. imfoa, 
adv. de hoeveelste keer, 
de hoeveelste maal. 

kei, pr. die, dat, welke, 
hetwelk . 

kelk, pr. enig. -foa, adv. 
soms, nu en dan. 

kelk- hom, pr. iemand. 

kelk-kos, pr. iets, wat. 

kelk-loke, adv ergens. 

kelk-un, pr. een of ander. 
'foa, adv. ooit. 

ke\oke, adv. waar. 

kemsinwe, adv. op welke 
manier, op welke wijze. 

kep\asej adv. waar. 



kerub, s. cherub (hemel- 
geest, vuur-of vlambode). 

keet, s. kist. 

kh = kelk-hom, iemand. 

Khiva, s. Khiwa. 

ki, pr. wie. 

kil, s . kiel (van een schip) . 

fciZo-, pref. betekent kilo-, 
duizend-, 

A;tZogram, s. kilogram. 

H^metP, s. kilometer. 

kimi,s. chemie, scheikunde. 
-ik, a. chemies, scheikun- 
dig -ist, s . chemist, schei- 
kundige . 

kinin, s. kinine. 

kipas, s. kuras. 

kirurg, s. chirurg, heel- 
meester, heelkundige. 

kirurgi, s. chirurgie, heel- 
kunde 

kk = kelk-kos, iets. 

klamar, v. schreeuwen, bal- 
ken (van ezels), kraaien 
(van hanen), hinneken (van 
paarden), bulken (van 
koeien), tsjirpen (van kre- 
kels). 

klamar a kh, iemand toe- 
roepen . 

klap, s. klep. 

klar, a. klaar, helder, -itet^ 
s. klaarheid, helderheid. 

klarinet, s. klarinet. 

klas, s. klas, klasse. 



rsA 



klastA;— koler 



klasi^, a. klassiek, 'ikilet, 
s. klassiekheid . 

klausul, s. klausule (voor- 
waarde, voorbehoud, be- 
paling), -ar^ v.klausuleren. 

klav, s. nagel, spijket*. 

klavl, s. sleutel, toets, -aj, 
s. toetsebord. 

klematit, s. klematis (botJ. 

klement, a. zachtmoedig, 
goedertieren. -ïtei, s. zacht- 
moedigheid, goedertieren- 
heid, klementie. 

kier, s. klerus, geestelik- 
heid. -an, s. geestelike. 

klient, s. kliënt, klant. -eZ, 
s. kliëntele. 

klimat, s. klimaat. 

klimbar, v. klimmen, klau- 
teren . 

klister, s. klisteer, lavement. 

kloak, s. kloaka, kloak, 
riool . 

klok, s. klok, bel. 

klor, s. chloor (Cl). 

klos, s. slot. -ar, V. sluiten, 
dichtsluiten, afsluiten . 

klosar medm treliaj, met 
traliewerk sluiten. 

kloset, s. klozet, plee, pri- 
vaat, bestekamer. 

klub, s. klub, vereniging, 

ko, prep. met. 

koagular, v. intr. koagule- 
ren, stollen, stremmen. 



verdikken, -ad, s. leb, 
stremsel 

kobalt, s. kobalt (Go). 

kod, s. kodex, wetboek. 

kodisll, s. kodicil (aanhang- 
sel tot een testament). 

koefislent, s. koêfficiënt (al- 
gebra, bekende of stand- 
vastige faktor van een 
onbekende of veranderlike 
grootheid) . 

kofr, s. koffer. 

ko-hered , s. mede-erfge- 
naam. 

ko-honi,s. medemens, naaste. 

kolf, s. muts. 

koin, s. wig, keg. 

kokard, s. kokarde. 

koketa?*. v. koketteren, -iky 
a. koket, behaagziek. 

kokle, s. slak. 

kokon, s. kokon (tonnetje, 
weefsel, pop van een zij de- 
worm) . 

koks, s. kooks. 

kol, s. hals, 'Ody s. kraag, 
boordje . 

koleg, s. kollega, ambtge- 
noot. 

kolektar, v. verzamelen, in- 
zamelen, kollekteren. -ady 
s. verzameling, kollektie. 

koler, s. toorn, drift, gram- 
schap, -ar^ V. toornen. 
'OSj a. toornig, vertoornd. 



kolera— komod 



135 



driftig, vergramd. 

kolera, s. cholera. 

koleri^, a. choleries (driftig, 
oplopend) . ^iJcer, s . chole- 
rikus. 

kolik, s. koliek. 

kolision, s. kollisie, botsing. 
-ar, V. tegen elkaar sto- 
ten, botsen. 

kolonel, s. kolonel. 

koloni, s. kolonie, neder- 
zetting, -a?', V. koloniseren, 
zich neerzetten. -'iA:(kolo- 
nial), a. koloniaal, -iêt, 
(kolonist), s. kolonist. 

kolor, s. kleur, -ar, v. ko- 
loreren, kleuren. 

kolos, s. kolos. -iA; (kolosal), 
a. kolossaal. 

kolumb, s. duif. 

Koluiribia, s. Kolumbia. 

kolumn, s. kolom, zuil. 

koma, s. komma. 

komand, s kommando, bevel. 
-ar, V. kom manderen, be 
velen . 

komandit, s. kommandite 
(vennootschap , waarbij 
enige deelhebbers het geld 
schieten, terwijl een of 
meer anderen de werk- 
zaamheden verrichten). 

koma-punkt, s. kommapunt, 
puntkomma. 

ko-matr, s. meter, peettante. 



kombat, s. strijd, kamp, ge- 
vecht, -ar, V. strijden, 
kampen, vechten. 

kombinar, v. kombineren 
(verenigen, samenvoegen). 

kombustar, v. branden 
(trans.), verbranden, zen- 
gen, schroeien. 

komedi, s. komedie, blijspel . 
-an, a. komedie-, blijspel-; 
komediant. 

komens, s. begin, aanvang. 
-ar, V. beginnen, aanvan- 
gen, aanbreken -e, adv. 
aanvankelik, in het begin. 

komentar, v. kommenteren 
(van uitleggingen voor- 
zien) . 

komers, s. handel, -ar, v. 
handel drijven. 

kornet, s. komeet. 

komfort, s. komfort. -os, a. 
komfortabel, behagelik. 

komik^ a. komiek, komies. 

komisar, s. kommissaris. 

komislon, s. kommissie, 
boodschap, opdracht. 

komltar, V. bestellen, last 
geven, belasten, opdragen, 
kommitteren. -asion, s. 
bestelling. 

komitar avans^, vooruitbe- 
stellen . 

komitet, s. komitee,komiteit. 

komod, a. gemakkelik. -itet, 



136 



konod— kon 



s . gemakkelikheid, gemak, 
koiuiuoditeit. 

komod, s . kommode, latafel . 

kompakt, a. kompakt (vast 
of dicht ineeagedrongen) . 

kompan, s. metgezel, gezel. 
-ar^ V. vergezeJlen, bege- 
leiden . 

komparar, v. kompareren, 
vergelij ken . -asion, s . 
vergelijking. 

komparativ, s. komparatief, 
vergrotende trap (gram .) . 

kompas, s. kompas. 

kompasion, s. medelijden, 
mededogen, deernis, er- 
barming, ontferming, -ar^ 
V . medelijden hebben met, 
beklagen . 

kompensar, v. kom penseren 
(vereffenen; tegen elkaar 
opwegen) -adon^ s . kom- 
pensatie . 

kompetent, a. kompetent, 
bevoegd, gerechtigd 

kompleks, s. komplex (ge- 
zamenlike massa), -ar, v. 
omvatten. 

komplement, s. komplement 
(aanvulsel) . 

komplesant, a. voorkomend, 
dienstvaardig, dienstwillig, 
gedienstig . 

komplot, a. kompleet, vol- 
ledig, voltallig, -e, adv. 



'ifikar, v . kompleteren, 
aanvullen. 

komplikar, v. kompliceren, 
verwikkelen. 

kompliment, s. kompliment. 
-ar, V. komplimenteren. 

konploty s. komplot. 

kompo8ar, v. vervaardigen, 
samenstellen, komponeren, 
toondichten . -ator^ s . 
komponist, toondichter. 

kompo8t, s. mest, kompost. 
-ar, v. mesten. 

kompot, s. kompote (ge- 
stoofde en met suiker in- 
gemaakte vruchten) .- 

komprendar, v. verstaan, 
begrijpen, vatten. -a6^, a. 
verstaanbaar, begrijpelik . 

kompres, s. kompres (be- 
vochtigd doekje op een 
zere plek, een wond). 

komt, s. graaf. 

komun, s. gemeente, gemeen- 
schap, -ik, a. gemeen- 
schappelik . 

komunikar, V . kommuniceren, 
mededelen. -(mon,s. kom- 
munikatie, verkeer, ge- 
meenschap, omgang, me- 
dedeling. 

komunion, s. Avondmaal, 
kommunie . 

kon, s. kegel. -tA;, a. kegel- 
vormig, konies. 



kondamnar— konftt8ion 



437 



kondamnar, v. kondemneren, 
veroordelen, verdoemen. 
-asion^ s. kondemnatie, ver- 
oordeling, verdoeming. 

kondensar, v. trans, konden- 
seren, verdichten, verdik- 
ken . -asum^ s . kondensatie, 
verdichting, -ator, s. kon- 
densator . 

kondeaendar, v . toegeven, 
wijken . 

kondision, s . konditie, voor- 
v^aarde, beding. 

kondisional, s. voorwaarde- 
like wijs (gram.). 

kondolar, v. kondoleren. 
-asion, s. kondoleance, 
rouwbeklag. 

kondor, s. kondor. 

kondukar, v. leiden (b.v. 
water, elektriciteit), -asion^ 
s. leiding. 

kondukt, s . gedrag, conduite . 
-^ir se, V. zich gedragen. 

konduktor, s. kondukteur. 

koneks, s. konnexie, samen- 
hang, verband, -ar, v. 
verbinden . 

konfederar, v. konfedereren, 
verbinden, -cmon, s. kon- 
federatie, verbond, bond. 

konferar, v. konfereren, on- 
derhandelen, beraadslagen. 

konfesar, v. bekennen, be- 
lijden, biechten . -asum 



(konfesion), s. bekentenis, 
belijdenis, biecht. 

konfesion, s. konfessie, ge- 
loofspartij. 

konfet, s. suikergoed, konfijt. 

konfid, s. vertrouwen, -ar, 
V. vertrouwen, toever- 
trouwen, zich verlaten . 

konf idena, s . konfidentie, 
vertrouwelikheid. -ik (kon- 
fiden8ial),a. koniidentieel, 
vertrouwelik . 

konfirmar, v. konQrmeren, 
bevestigen, bekrachtigen, 
als lidmaat opnemen, -and, 
part. konfirmandus. 

konfiskar, v. konfiskeren, 
in beslag nemen, verbeurd - 
verklaren, aanhalen (van 
sluikgoederen). 

konflikt, s. konflikt, botsing 

konform, a. konform, gelijk- 
vormig, overeenkomstig, 
overeenstemmend . -6, adv. 
-itet, s. konformiteit, ge- 
lijkvormigheid, overeen- 
komst, overeenstemming, 
-w, prep. overeenkomstig. 

konfrontar, v. konfronteren, 
tegenover elkaar stellen. 

konfundar, v. verwisselen 
(bij vergissing) . -adon^ 
s. verwisseling. 

konfusion, s. konfusie, ver- 



438 



kongestar-— konsiderar 



warnng. -^ir^ v. verwarren. 

kongestar, v. ophopen (van 

bloed), -o^ion (kongestion), 

s. kongestie, aandrang, 
ophoping . 

Kongo, s. Kongo. 

kongres, s. kongres. 

kongruent^a. kongruent{over- 
eenstemmend, gelijk en ge- 
lijkvormig), 'itei (kongru- 
ens), s. kongruentie. 

koniaic, s. cognac. 

konifer, s. konifeer, naald- 
boom. 

konk, s. schelp, schulp. 

konkav, a. konkaaf, bolrond, 
-itei, s. konkaviteit, hol- 
rondheid. 

konkludar, v. konkluderen, 
besluiten, de gevolgtrek- 
king maken. 

konkord, s. eendracht, eens- 
gezindheid. 

konkuist, s. verovering. -ar, 
V. veroveren. 'aio\\ s. ver- 
overaar. 

konkurar, v. konkureren, 
mededingen. -a7ii, part . 
konkurent. -oMon^ s . 
konkurentie, mededin- 
ging. 

konosar, v. weten, kennen, 
-ad, s . kennis, kunde, -es- 
"kar^ V. leren kennen. 

konsakrar, v. konsakreren, 



konsekreren, wijden, in- 
wijden. 

konsekuent, a. konsekwent 
(aan zich zelf gelijk blij- 
vend; noodzakelik uit het 
voorgaande volgend), -itei 
(konsekuens), s. konse- 
kwentie . 

konsent, s. konsent, toestem- 
ming, inwilliging, -ar^ v. 
konsenteren, toestemmen, 
inwilligen. 

konsentrar, v. koncentreren 
(op één punt samentrek- 
ken; dichter maken, ver- 
sterken). 

konseptar, v. opvatten, kon- 
ci pieren, ontvangen (zwan- 
ger worden), -adxam,^ s. 
opvatting, konceptie, ont- 
vangenis. 

konsernar, v. betreffen, raken, 
aangaan, betrekking heb- 
ben op, gelden. 

konsert, s . koncert, konsert. 
-ar, V. koncerteren, kon- 
serteren. 

konservar, v. konserveren, 
goed houden. 

konseslon, s. koncessie, be- 
williging, -ar^ V. koncessio- 
neren, bewilligen. 

konsidar, v. in aanmerking 
nemen. 

konsiderar, v. konsidereren, 



konsient— kontant 



139 



bedenken,overleggen,over- 
wegen, behartigen, -antu, 
prep. ten aanzien van 
'Osion, s. konsideratie,over- 
weging. 

konsient, s. konsciëntie, ge- 
weten. '08, a. konsciëntieus. 

konsil, s. koncitie, kerkver- 
gadering . 

konsili, s. raad. -arj v. raden, 
raad geven, aanraden. -cièZ, 
a. raadzaam, -er, s. raad 
(titel), raadsheer. 

konsistar eks kk, bestaan 
uit iets. 

konsistar in kk, bestaan in 
iets. 

konsistori, s . konsistorie, 
kerkeraad. -an (konsisto- 
rlal), a. konsistorie-, kon- 
sistoriaal . 

konselar, v. troosten, ver- 
troosten. 

kon8onan8(/iomoton),s.gelijk- 
luidendheid, konsonantie. 

konsonant, s. konsonant, 
medeklinker. — dental, 
tandletter. — dur, scherpe 
medeklinker. — eksploéiv, 
ontploffingsgeluid. — fri- 
kativ, schuringsgeluid. — 

{utural, keelletter. — la- 
ial, lipletter. — likuid, 
vloeiende medeklinker. — 
mol, zachte medeklinker. 



— nasai, neusgeluid. 

konsort, s. konsort, genoot, 
medestander. 

konspirar, v. konspi reren, 
samenzweren, -asion, s. 
konspiratie,samenz wering. 

konstant, a. konstant, stand- 
vastig, bestendig. 

konstatar, v. konstateren 
(vaststellen) . 

konstelasion, s. konstellatie, 
sterrebeeld, gesternte. 

konsternar, v. konsterneren, 
doen ontstellen. 

konstitusion, s. konstitutie, 
staatsregeling, grondwet, 
gestel. 

konstruar, v. konstrueren, 
bouwen, opbouwen. 

konstruar dam, afdammen. 

konsul, s. konsul. 

konsulat, s. konsulaat. 

konsultar, v. konsulteren , 
raadplegen. -oMon, s. kon- 
sult, konsultatie, raadple- 
ging. 

konsum, s. konsumptie, ver- 
bruik, -ar, V. konsumeren, 
verbruiken, teren, verte- 
ren. 

kont, s. rekening (boekhou- 
ding), -ar^ V. tellen. 

kontakt, s. kontakt, aanra- 
king, -ar, V. aanraken. 

kontant, s. kontanten, klin- 



140 



kontent— konvalari 



kende munt. per — , adv. 
kontant, tegen kontante 
betaling. 

koirtemty s. verachting, min- 
achting, -ar, V. verachten, 
minachten. 

kontenar, v. inhouden, be- 
vatten, -ad, s. inhoud. 

kontent, a. kontent, tevre- 
den, vergenoegd, -itói, s. 
tevredenheid, vergenoegd- 
heid. 

kontestar, v. strijden om, 
bestrijden, betwisten, -oot- 
on, s. strijd, bestrijding, 
betwisting. -a6Z, a. be- 
strijd baar, betwistbaar. 

kontinent, s. kontinent, vaste- 
land. "Xk (kontlnental), a. 
kontinentaal. 

kontingent, s. kontingent 
(verschuldigd aandeel in 
troepen, belastingen enz.). 

kontlnuar, v. kontinueren, 
vervolgen, voortzetten, 
voortduren, aanhouden, 
voortgaan, -(laion, s. kon- 
tinuatie, vervolg, voort- 
zetting, 'ik, a. bestendig, 
gestadig, voortdurend, aan- 
houdend, -e, adv. 

kontor, s. kantoor. 

kontr, prep. kontra, tegen, 
jegens, tegenover, -e, adv. 
te geraoet, tegenover. 



kontraband, s. kontrabande, 
smokkelwaar, -ar, v. smok- 
kelen, -üt, s. smokkelaar. 

kontrakt, s. kontrakt. -ar^ 
V. kontrakteren . 

kontralt, s. alt (tweede zang- 
stem, lage vrouwestem). 
-ï«(, s. altist. 

kontrar, a. kontrair, tegen- 
gesteld, tegenstrijdig, strij- 
dig, -e, adv. integendeel, 
daarentegen . 

kontrast, s. kontrast, tegen^ 
stelling. -aVf v kontras- 
teren. 

kontri buar, v. kontribueren, 
bijdragen, -ad, s. kon- 
tributie, bijdrage. 

kontrit, a. innig bedroefd, 

gebroken, -ad, s. innige 

- droefheid, verbrijzeling 

des harten, gebrokenheid. 

kontroi, s. kontrole. -ar, v. 
kontroleren (tegenreke- 
ning of toezicht houden) . 

kontrovers, s. kontroverse, 
geschilpunt, twistpunt, -ar, 
V. kontroverseren. 

kontur, s. omtrek (van een 
voorwerp, figuur, teke- 
ning), -ar, V. de omtrek, 
de buitenlijnen tekenen. 

kontiision, s. kneuzing, -ar, 
V. kneuzen. 

konvalari, s. lelietje van da- 



konveks— kordial 



Ui 



len. -an, a. 

konveks, a. konvex, bolrond, 
bol. 'itet, s. konvexiteit, 
bolrondheid. 

konvenar, v. konveniëren, 
passen, betamen, -ablj a. 
kon venabel, passend, ge- 
past, betamelik. 

konvension, s. konventie, 
overeenkomst, verdrag. 

konvent, s. konvent, verga- 
dering, bijeenkomst, sa- 
menkomst, -ttr, V. verga- 
deren, bijeenkomen, sa- 
menkomen. 

konvergar, v. konvergeren 
(samenlopen, toenaderen; 
tot elkaar neigen, b.v. van 
lichtstralen, lijnen). 

konversar, v. kon verseren, 
een onderhoud hebben. 
-asion, s. konversatie, ge- 
sprek, onderhoud. 

konvert, s. bekeerde, -ar, 
v. bekeren, konverteren, 
'osion (konversion), s. be- 
kering, konversie, -alor^ 
s. bekeerder. 

konvinsiar, v. overtuigen. 

konvulsion, s. konvulsie, 
stuip, stuiptrekking. 

konyektur, s. konjektuur, 
vermoeden, gissing, -ar, 
V. konjektureren, vermoe- 
den, gissen. 



konyugar, v. konjugeren, 
vervoegen, -asion, s. kon- 
jugatie, vervoeging. 

konyunksion, s. konjunktie, 
voegwoord. 

konyunktur, s. konjunktuur, 
samenloop van omstandig- 
heden. 

koordinar, v. koördineren 
(samenschikken, neven- 
schikken). 

ko-patr, s. peter, peetoom. 
-itet, s. peetschap. 

kopek, s. kopek (russiese 
bronzen munt, ji-^ van 
een zilveren roebel). 

ko permit de, prep. met ver- 
gunning van. 

kopi, s. kopie, afschrift, -ar, 
V. kopiëren, een afschrift 
maken, -ist, s. kopiist. 

kopul, s. kopula, koppel woord. 

kor, s. koor. -ist, s. korist. 

koral, s. koraal, koraalge- 
zang. 

korali, s. koraal. 

koran, s. koran (wet- en ge- 
loofsboek van de Moham- 
medanen). 

korb, s. korf, mand. 

kord, s. hart. 

korda, s. snaar. 

kordial, a. gemoedelik, har- 
telik. -itet, s. gemoedelik- 
heid, hartelikheid. 



142 



kordon— kosta 



kordon, s. kordon, touw. -et, 
8, snoer. 

Korea, s. Korea. 

korekt, a. korrekt, richtig. 
-itet, s. korrektheid, rich- 
tigheid. | 

koreiativ, a. korrelatief (in j 
wederzijdse betrekking ^ 
staande) . 

korespondar, v. korrespon- 
deren, briefwisseling hou- 
den, overeenkomen, over- 
eenstemmen, -ad (kores- 
pondens), s. korresponden- 
tie, briefwisseling 

koridor, s. korridor, gang , 

korifé, s. koryfee (koor- of 
rei-aanvoerder bij de Ou- 
den; hoofd van een par- 
tij, sekte, school enz.; wie 
uitmunt in een zaak, 
wetenschap of kunst; 
eerste danser, danseres in 
een ballet). 

korlgar, v. korrigeren, ver- 
beteren. -(mo7i(korek8ion), 
s. korrektie, verbetering. 
-a6i, a. verbeterlik, vat- 
baar voor verbetering. 

kork. s. het kurk. 

kornis, s. kornis, kroonlijst. 

kornu, s. hoorn, horen. 

koroborar, v. versterken, 
kracht geven (o. a. van 
geneesmiddelen, voedsel). 



koroi, s. kroon, -ar, v, kro- 
nen, kransen, bekransen. 

korp, s. lichaam, lijf, korpus. 

korporasion, s. korporatie, 
gilde 

korpulent, a. korpulent, lij- 
vig, zwaarlijvig, gezet. 
'itet (korpulens), s. korpu- 
lentie, lijvigheid, zwaar- 
lijvigheid. 

korset, s. korset, rijglijf. 

Korsika, s. Korsika. 

kortin, s . gordijn, voorhang. 

korumpar, v . omkopen -abl, 
a. omkoopbaar. -ablitet, 
s. omkoopbaarheid. -asion 
(korupsion), s. omkoping, 
korruptie. -alor^ s. om- 
koper. 

korv, s raaf. 

kos, s. zaak, ding. 

kosak, s. kozak. 

koshinil, s. kochenille. 

ko-skolan, s. medeleerling. 

kosmograf, s. kosmograaf. 

kosmografi, s. kosmografie 
(heelal-beschrijving). -ik 
(kosmograf Ik), a. kosmo- 
grafies. 

kosmopollt, s. kosmopoliet 
(wereldburger), -ism, s. 
kosmopolitisme. 

kost, s. kosten, onkosten, 
-ar, V. kosten. 

kosta, s. rib, ribbe. 



Ko8tarika— kristian 



143 



Kostarika, s. Kostarika. 

kostum, s. kostuum, dracht. 
-ar, V. kostumereu. 

ko sukurs de, prep. met 
behulp van. 

kotlet, s. kütelet (ribbestuk). 

koton, s. katoen. 

krab, s. krab, krabbe. 

krak, s. kraak, krak. -ar, 
V. kraken, knappen, bar- 
sten, bersten. 

kramp, s. kram. 

krani, s. schedel, -ik, a., 
de krani, schedel-: 

krapul, s . roes . -ar, v , zich 
een roes drinken, zwelgen, 
brassen, -os, a. een roes 
hebbende, bedwelmd. 

kras, a. dik, grof, plomp, 
lomp -itel, s. dikheid, 
grofheid, plompheid, lomp- 
heid . 

kratar, v. krabben, krassen, 
krabbelen . 

krater, s. krater. 

kravat, s. cravate, hals- 
doek, das. 

krayon, s. potlood, crayon. 

krear, v. scheppen, kreëren. 
-oston, s . schepping, -afor, 
s. schepper. 

kred, s. geloof, -ar, v. ge- 
loven . 

kredar in kk, in (aan) iets 
geloven. 



krédit, s. krediet, -ar, v. 
krediteren. -er, s. kredi- 
teur, schuldeiser. 

krem, s. crème, room. 

kren, s. kanteel, schietgat. 

krep, s. krip, floers, rouw- 
floers . 

kres, s. kers (kruid). 

kreskar, v. groeien, op- 
i^roeien, wassen, opwas- 
sen, -asion, s. groei, 
wasdom . 

kret, s. krijt. 

kreutser, s. kreutzer (duits 
muntstukje). 

krev, s kreeft. 

krib, s . zeef. -ar, v . zeven, 
ziften . 

kripar, V. kruipen. 

kris, s. krisis, krizis (be- 
slissende wending van een 
zaak, keerpunt ; hoogste 
punt van een ziekte; be- 
denkelike staat der om- 
standigheden) . 

krisaiid, s. chrysalide, pop 
(van een insekt). 

krispar, v. krullen, -ik, a. 
gekruld, kroes, gekroesd. 

Krist, s. Christus, Kristus. 

kristal, s. kristal. 

kristian, a. christelik, kris- 
telik; christen, kristen, 
-tsm, s . christendom, kris- 
tendom . 



144 



kritik— kual 



kritik, s. kritiek, ^ar^ v. 
kritiseren, bedillen. 

Kroatta, s. Kroatië 

krok, s. haak. 

krokodil, s. krokodil. 

krom, s. chroom (Cr). 

kronik, s. kroniek (tijdge- 
schiedenis, opsomming der 
voornaamste gebeurtenis- 
sen naar volgorde van tijd). 

krontA;, a. chronies (lang- 
durig, slepend van ziekten). 

kronO'^ pret', duidt tijd aan. 

kronologi, s. chronologie, 
tijdrekenkunde, -ik (kro- 
nologik), a. chronologies, 
tijdrekenkundig. 

kronomeir^ s. chronometer 
(nauwkeurig lopend uur- 
werk dat onder andere 
aan boord wordt gebruikt). 

kPUel, a. wreed, -itet, s. 
wreedheid . 

kruk, s. kruik. 

krup, s. kroep (med.). 

krupa, s. kruis (van een 
paard enz.), -ad, s. crou- 
pade (hoge sprong van een 
paard) . 

kniP, s. schenkel, dij. 

krus, s. kruis, -ar, v. 
kruisen . 

krusad, s. kruistocht. 

krU8ifiKS, s. kruciüx (kruis- 
beeld, Kristusbeeld). -ar. 



Y. kruisigen. 

krU8t, s. korst, roof, schaal. 
'08, a. met een korst of 
schaal bedekt. 

ksilo-, pref . duidt hout aan. 

ksilograf^ s. xylograaf, hout- 
graveur, -ar, V. xylogra- 
feren . 

kuadrant, s. kwadrant (ma- 
thematies en astronomies 
werktuig ; vierde deel van 
een cirkel). 

kuadrat, s. kwadraat, vier- 
kant, -i/e, a. kwadraat, 
vierkant. 

kuadrat-metr, s . vierkante 
meter . 

kuadrat-radik, s. vierkants- 
worlel . 

kuadri'y pref. betekent 
quadri-, vier-. 

/ruadriangul, s. vierhoek. 

kuadrili, s. quadrille (dans 
met 4 paar personen). 

kuadrilion, n. duizend bil- 
lioen, duizend biljoen 
(1.000.000.000.000.000). 

kuak, s. wrongel, gestremde 
melk. 

kual, pr. wat voor een. 
-e, adv. hoe; als (gelijk, 
zoals), -ifikar, v. kwa- 
lificeren, geschikt maken . 
'itet, s. kwaliteit, hoeda- 
nigheid. 



kuak if— kulr-band 



145 



kuale if, k. alsof. 

kual« vo stand? hoe vaart 
u ? hoe maakt u het ? 

kualitativ, a. kwalitatief (vol- 
gens de waarde; het ge- 
halte, de gesteldheid van 
een zaak betreffende). 

kuande, k. wanneer, toen. 

kuant, pr. hoeveel. -6, adv. 
hoezeer, -foa^ adv. hoeveel 
keer, hoeveel maal. -im, 
a. hoeveelste, -itet, s. kwan- 
titeit, hoeveelheid . -upl, 
a. hoe veelvoudig. 

kuantitativ, a. kwantitatief 
(volgens de hoeveelheid, 
grootte, naar het getal). 

kuaranten, s. quarantaine, ka- 
rantaine (gedwongen ver- 
blijf voor schepen, personen 
en goederen die van een 
besmette plaats komen). 

kuart, n. vierde, un — , n. 
een vierde, een kwart (^). 

kuartet, s. kwartet (muziek- 
stuk voor 4 stemmen of 
instrumenten). 

kuartier,' s. kwartier, wijk. 

kuartSy s. kwarts (een uit 
kiezelzuur bestaande delf- 
stof). 

kuasi, adv. bijna, bijkans, 
nagenoeg, haast, schier, 
quasi, kwasi. 

kuasty s. kwast. 



kuatr, n. vier. 

kuatrdes, n. veertig. 

kuby s. kubus, dobbelsteen, 

teerling. -iA:, a. kubiek. 
KulUL s. Kuba. 
kubik-y pref. duidt inhoud aan. 
JcubikmétTj s. kubieke meter, 

stère. 
kuhikruiikj s. kubiek wortel. 
kuekr, s. kwaker (aanhanger 

van zekere godsdienstige 

sekte). 
kuerel, s. querel, twist, ruzie, 

geschil, -ar, v. querelleren, 

twisten, ruzie maken, ge- 
schil hebben. 
kuerk, s. eik. 
kuestion, s. kwestie, vraag, 

vraagstuk, aangelegenheid. 
kuf, s. kuip, tobbe, -er, s. 

kuiper. 
kuidon, s. kwee. 
kuiet, s. rust . -ar^ v. rusten, 

uitrusten. 
kuink, n. vijf 
kuinkdes, n. vijftig. 
kuint, n. vijfde. 
kuint-esens, s kwintessens, 

kern. 
kulntety s. kwintet (vijfstem- 

mig muziekstuk). 
kuintilion. n. trillioen, triljoen 
(1.000.000.000.000.000.000). 
kuir, s. leder, leer. 
kuir-band, s. riem. 

10 



146 



kult— kustod 



kuit, a. kwitantie, kwitansie, 
kwijtbrief. -ar, v. kwiteren. 

kukar, V. koken (trans.), -abl, 
a. kookbuar. -m, s. keu- 
ken. 

kukul, s.. koekoek. 

kukum, s. komkommer. 

kutiar, s. lepel. 

kulmin, s. toppunt, -ar^ v. 
het toppunt bereiken. 

kuip, s. schuld, -ar, v. be- 
schuldigen. -08, a. schuldig. 

kulpod de, schuldig aan. 

kult, s. kultus, eredienst. 

kultel, s. mes. -er, s. mes- 
semaker. 

kultivar, v. kultiveren, be- 
bouwen, aanbouwen, kwe- 
ken, aankweken, telen, 
beschaven. 

kultur, s. kuituur, bouw, 
aanbouw, teelt, bescha- 
ving. 

kumin, s. komijn (bot.). 

kumul, s. hoop, stapel, -ar, 
V. nopen, stapelen. 

kun, s. wieg. -ar, v. wiegen . 

kunikl, s. konijn. 

kuosient, s. quotiënt Cdeling- 
uitkomst). 

kuot, s. quota, quotum (even- 
redig aandeel). 

kupar, V. snijden, couperen. 

kupid, a. begerig, gretig. 
'itet, s. begerigheid, gre- 



tigheid. 

kupol, s. koepel. 

kupon, s. koepon (rente- 
brieQe bij obligatieën). 

kupr, s. koper (Gu). 

kur, s. zorg, kuur. -ar, v. 
zorgen, verzorgen, kureren. 

kuraj, s. moed, dapperheid, 
courage. 

kurios, a. nieuwsgierig, -itet, 
s. nieuwsgierigheid. 

kurs, s. loop, koers, -ar, v. 
lopen, koersen, -er, s. koe- 
rier, renbode ; raadsheer 
(schaakspel). -o?i, s. ren, 
renloop, wedren . -onar, 
V . rennen, wedrennen . 
'Oneri, s. renbaan, -oner, 
s. renner. 

kupt, s. hof (van een vorst). 

kurtaj, s. koertage (make- 
laarsloon). -iat, s. make- 
laar. 

kurtisar, v. courtiseren, het 
hof maken, -an, s. cour- 
tisan, hovelingf. -ana, s. 
courtisane, hovelinge. 

kurv, s. kromming, buiging, 
bocht, -ar^ v. krommen, 
buigen, -ik, a. krom. 

kusin, s. neet of nicht (ooms- 
of tanteskind), -o, s. neef. 
-a, s. nicht. 

kustod, s. wachter, waker, 
hoeder, -ar, v. waken, 



kustoro— lans 



147 



bewaken, hoeden. 
kustom, s. gewoonte, -ar^ v. 

gewennen. 
kuv, s. broed, broedsel, -ar^ 

V. broeden. 
kuvept,s.couvert, koevert.-ar, 

V. in een koevert doen. 
kuvr, s. omkleedsel, etui, 

foedraal, -ar^ v. inhulien, 

inwikkelen, omwikkelen, 

dekken, bedekken, -ad, s. 

dek, dekkleed, deken, -ator^ 

s. deksel. 
kuvrar mediu nubt, bewolken, 

met wolken bedekken. 

L 

la, adv. daar. 

labi, s. lip. 

labil, a. labiel (onzeker, niet 
stabiel). 

labirint, s. labyrint, doolhof, 
dwaaltuin. 

labor, s. arbeid, werk. -ar^ 
V. arbeiden, werken. 

lag, s. meer. 

iagun, s. lagune (klein strand- 
meer door een lange, smalle 
landtong van de zee ge- 
scheiden) . 

lak, s. lak. -ar^ v. lakken. 

laké, s. lakei. 

iakmus, s. lakmoes (rood- 
achtig blauwe verfstof). 



lakrim, s. traan, -ar^ v. we- 
nen, schreien, huilen. 

laks, a. laks, slof, lauw, slap. 
-itet^ s. laksheid, slof heid, 
lauwheid, slapheid. 

laksi, s. lus, lis. 

lakt, s. melk. -ar, v. melken. 

laktuk, s. latuw (bot.). 

lam, s. kling, lemmet. 

lama, s. lama (tibetaans op- 
perpriester), 'ism^ s. lama- 
isme. 

lament, s. lamentatie, wee- 
klacht, gejammer, jammer, 
klacht, -ar, v. lamenteren, 
weeklagen, jammeren, 
klagen. 

lamentar dl kk, zich over 
iets beklagen. 

lamin, s. plaat, metaalplaat, 
blik. -ar, v. metaal pletten. 

lamp, s lamp. 

lampret, s. lamprei, prik, 
negenoog (vis). 

lan, s. wol. -atr^ a. wolach- 
tig, wollig, -ih, a. wollen, 
van wol. -08, a. wollig, 
van wol voorzien. 

land, s. land, landstreek. 
lang, s. tong (in de mond). 
lans, s. lans, spies, speer. 
-ar, V. trans, lanceren, 
werpen, slingeren, afschie- 
ten. 'Ody s. worp, gooi. 
-on, s. schot, 'onar, v. 



148 



lantan— lepr 



schieten . 

lantan, s. lanthaDium (La). 

iantern, s. laataarn. 

lanugin, s. dons. -oa, a. don- 
zen, donzig. 

iapidar, v. stenigen. 

Laponia, s. Lapland. 

lard, s. spek. 

iarg, a. breed, -ifikar, v. 
breed maken, verbreden. 
'itet, s. breedte. 

larlks, s. lariks, lorkeboom. 

laring, s. larynx, keelkop. 

larv, s. larve. 

lasar, v. laten, overlaten. 

lasar andar, laten gaan. 

lasaret^ s. lazaret (kranke- 
of ziekehuis; karantaine- 
huis). 

lasear, v. snoeren, vastsnoe- 
ren, rijgen, toerijgen. 

laserar, v. verscheuren, scheu- 
ren, vaneenscheuren. 

lasert, s. hagedis. 

iaso, s. strik, lasso. 

lat. s. lat. 

atin, s. lacijn, latijns. 

latrin, s. latrine (sekreet, 
bestekamer). 

latun, s. latoen, messing. 

aud, s. lof, prijs, roem. -ar, 
v. loven, prijzen, roemen. 

(aur, 6. laurierboom. 

laVy s. lava. 

lavar, v. wassen, -atora, s. 



wasvrouw. 

lav-basin, s. waskom. 

leg, s. wet. 

legend, s. legende. 

legion, s. legioen. 

legltim, a. legitiem, wette- 
lik, wettig, rechtmatig. 
'itet^ s. legitimiteit, wet- 
tigheid, rechtmatigheid. 

legum. s. groente. 

legumfn, s. legumine (eiwit- 
stof, voorkomende in peul- 
vruchten). 'Od, s. peul- 
vruchten (leguminosae) . 

lejer, a. licht (niet zwaar). 
-itetj s. Jichtheid. 

lekar, V. lekken, likken. 

lekaj, s. lekkage, lek. -ar, 
V. lekken, een lek hebben. 

lekslon, s. les. 

lektar, v. lezen, voorlezen, 
oplezen, aflezen, -abl, a. 
leesbaar. 

lent^ a. langzaam, -e, adv. 
-itet, s. langzaamheid. 

lentll, s. linze. 

leon, s. leeuw. 

leopard, s. luipaard. 

leplu, adv. meest; vormt de 
overtreffende trap, b. v. 
leplu grand, grootst; leplu 
tardé, het laatst. 

lepr, s. lepra, melaatsheid. 
'08, a. leproos, melaats. 
'Oseri, s. leprozehuis. 



lesar— lisMisi 



149 



lesar, v. kwetsen, krenken, 
beschadigen, -asion, s. 
kwetsing, krenking, be- 
schadiging. 

letr, s. brief. -«, adv. per 
brief. 

leutenant, s. luitenant. 

levar, v. heffen, tillen, ophef- 
fen, optillen, oplichten, 
opbeuren, opnemen, aflich- 
ten, afbeuren. -ator, s. 
hefboom. 

levar se, opstaan, oprijzen. 

Liberia, s. Liberia. 

Iibr, a. vrij. -dfikar, v. vrij- 
maken, bevrijden, verlos- 
sen, -dtet, s. vrijheid. 

llbr, s boek. -er, s. boek- 
verkoper, boekhandelaar. 
-eriy s. boekhandel, boek- 
winkel, -et, s. libretto. 

Hbr-bandar, v. boekbinden. 
-ator, s. boekbinder. 

iibr-tenar, v. boekhouden. 
-ator, s. boekhouder. 

lievr, s. haas. 

liga, s. liga, ligue, bond, 
verbond . 

lign, s. hout. -^tr, a. hout- 
achtig . -ik, a. houten . -08, 
a. houtrijk. 

lign-vas, s. trog. 

lign-ven, s. ader (in hout). 

Ilxen, s. lichen: korstmos 
(bot . ), vlecht (huidziekte). 



liker, s. likeur. 

IHcsiv, s. loog. 

likuidar, v. likwideren (af- 
betalen; verrekenen, ver- 
effenen). 

lili, 8. lelie. 

Urn, s. vijl. -ar, v. vijlen, 
bevijlen. -^itor, s. vijler. 

limit, s. limiet, grens, perk. 
-aVj V. limiteren, begren- 
zen, beperken. 

limon, s. citroen, sitroen, 
limoen, -ad, s. limonade. 

limpid, a. helder, klaar. 

lin, s. vlas. -q;, s. wasgoed. 

lin-drap, s. linnen, lijnwaad. 

lingu, s. taal. -t9<,s. linguïst, 
taalkundige. 

lingu universai, s. wereld- 
taal, algemene verkeers- 
taal. 

lini, s. lijn, streep, linie, -ar, 
V. liniëren, lijnen, '•ik 
(linear), a. lineair. 

liniet de separaston, gedach- 
testreep. 

\in\et de union, koppelteken. 

links, s. los, lynx. 

lin-pekt, s. vlaskam, vlas- 
hekel, hekel, -^ir, v. heke- 
len. 

Ilr, s. lier. 

Ilsensly s. licentie, verlof, ver- 
gunning, .bevoegdheid, -ar, 
V. vergunnen, veroorloven. 



450 



liseum— lor 



-ad, s. licitum, veroorloofde 
zaak. -ed, part. iicenciaat, 
bevoegde, -os, a. uitgela- 
ten, losbandig, teugelloos. 
'Ositet, s. uitgelatenheid, 
losbandigheid, teugelloos- 
heid. 

liseuro, s. lyceum (middel- 
bare school in Frankrijk). 

list, s. lijst. 

litani, s. litanie (smeekge- 
zang of -gebed). 

litarg, s . glit (een loodoxyde, 
verkregen bij de afschei- 
ding van zilver uit lood 
door smelting in de open 
lucht, en bestaande uit 
glinsterige schubben). 

liter, s. letter, -ar, v. spel- 
len. 

literal, a. letterJik. 

iiteratur, s. literatuur, letter- 
kunde. 

liter sibilan^, son sibilant, 
sisklank . 

litium, s. lithium (Li). 

litr, s. liter. 

Lituanta, s. Littauen. 

liturgi, s. liturgie (kerkge- 
bruik; kerkfon nulier; orde 
van de kerkdienst), -ik 
(llturgik), a. liturgies. 

liut, s. luit (op de guitaar 
gelijkend, veelsnarig speel- 

. tuig). 



Livonia, s. Lijfland. 

Ilvr, s. pond. 

Ilvré, 8. livrei. 

lob, s. lob, lel (van het oor). 

lodji, s. loge. 

logaritm, s. iogarithme. 

logik, s. logika (redeneer- 
kunst, kunst om goed en 
geregeld te denken). -aZ, 
a. logies. 

loji, s. woning, -ar^ v. wo- 
nen, logeren. 

lok, s. plaats, oord. 

lokal, s. lokaal. 

lokal(spasiiA;), a. lokaal^ 
plaatselik . 

lokoroobil, s. lokomobiel (ver- 
plaatsbaar stoom werktuig). 

lokomotiv, s. lokomotief. 

lokuas, a. babbelachtig, snap- 
achtig, praatachtig, praat- 
ziek, 'itet, s. babbelach- 
tigheid, snapachtigheid,. 
praatzucht. 

lokust, s. sprinkhaan. 

lomb, s. lende, heup. 

lombard, s. lombard Jomberd,. 
lommerd, bank van lening, 
pandjeshuis. 

Lombardia, s. Lombardije. 

lombrik, s. regenworm. 

long, a. lang. -e, adv. lang,, 
lange tijd . -itet, s. lengte. 
-u, prep. langs. 

lor, pr. hun, V, d*r. 



lot — magnesium 



151 



lot, s. lot. 

lota, s. puitaal. 

Lotaringm, s. Lotharingen. 

loterl, s. loterij. 

loyal, a. loyaal, lojaa), rond- 
borstig, 'itet, s. loyaliteit, 
lojaliteit, rondborstigheid. 

luar, V. huren, af huren. -arf, 
s. huur, afhuring. -ator, 
s. huurder, afhuurder. 

lubrik, a. glad, glibberig; 
lubriek. grof zinnelik, geil, 
zeer wellustig, -ifikasion, 
s . glibberigmaking. -ikltet, 
s . gladheid, glibberigheid ; 
lubriciteit, grove zinnelik- 
heid, geilheid, grove wel- 
lustigheid . 

lud, s. spel. -ar^ v. spelen. 

luk, s. snoek. 

lukrativ, a. lukratief, winst- 
gevend, voordelig. 

luks, s. luxe, weelde, -o^, 
a . luxurieus (weelderig, 
ontuchtig). 'Ositet, s. luxu- 
rieusheid. 

Luksemburg, s. Luxemburg. 

luksur, a. weelderig, -e, 
adv. 'itet^ s. weelderig- 
lieid. 

luktu, s. rouw. -ar, v. intr. 
treuren, rouwen, -os, a. 
treurig, rouwig. 

lum, s. licht, -ar, v. licht 
geven, lichten, verlichten. 



lun, s. maan. 

lunatiA;, a. lunatiek,maanziek. 

lundl, s. Maandag, -an, a., 

de lundty maandags. 
lupj s. wolf. 

lupin, s. lupine, wolfsboon. 
lupul, s. hop (bot.). 
lusid, a. hel, helder, licht. 

-itet, s. helderheid 
luteran, a. luthers ; lutheraan. 

-anism, s. lutherdom. 
lutr, s. otter, visotter. 
lyam, s. lama (dier). 

M. 

ma, k. maar, doch. 

madona, s. Madonna, de Hei- 
lige Maagd, Onze Lieve 
Vrouwe. 

maestr, s. meester, baas. 

magasin, s. magazijn, pak- 
huis. 

magi, s. magie, toverkunst, 
toverij, -ar, v. toveren. 
-er, s. magiër, tovenaar. 
-ik (magik), a. magies. 

magistrat, s. magistraat, 
stadsregering. 

magnanim, a. grootmoedig. 
-itet, s. grootmoedigheid.. 

magnat, s. magnaat, rijks- 
grote. 

magnesium, s. magnesium 
(Mg). 



ib'2 



magnet— mandolln 



roagnet, s. magneet, -ik, a. 
magneties. -iam^ s. mag- 
netisme. 

magnetisar, V. magnetiseren. 

magnif, s. pracht, -ik, a. 
prachtig .' 

magr, a. mager, schraal. 
-eskar, v. mager worden, 
raageren. -itet, s. magerte, 
magerheid, schraalheid . 

mahagoni, s . mahoniehout. 
'ik, a., de mahagoni, ma- 
honiehouten . 

mahometan, a. mohamme- 
daans; mohammedaan, -a- 
nism, s. mohammedanisme. 

maiy s. Mei. -an^ a., demai, 
Mei- . 

mail, s. maas (van een net). 

mais, s. maïs (turkse tarwe). 

mal(aron, s. makaroni (lange, 
taaie meelrepen of deeg- 
draden). 

mal(rel, s. makreel. 

maicsil, s. kinnebak, kake- 
been, kaak. 

mal(sil inferior, bovenkaak. 

roal(8il superior, onderkaak. 

mal(8im, s. maxime, grond- 
stelling . 

maicsimum, s. maximum (het 
grootste, hoogste, meeste). 

moktar, v. slachten, -asian, 
s. slachting, -ator, s. slach- 
ter. 



malcul, s. vlek, vlak, smet. 
'ür^ V. vlekken, vlakken, 
bevlekken, bezoedelen, 
smetten. 

mal, a. slecht. 

roalad, a. ziek, krank, -eskar, 
V. ziek worden, -itet, s. 
ziekte, krankheid, -os, a. 
ziekelik, sukkelend. 

malay, s. Maleier. 

maledikar, v. vloeken, ver- 
vloeken, verwensen, -asion 
(maledil(8ion), s. vloek, ver- 
vloeking, verwensing. 

malisi, s. leedvermaak, mali- 
ce, boosaardigheid, kwaad- 
aardigheid. -o«, a. mali- 
cieus, boosaardig, kwaad- 
aardig. 

malt, s. malt, mout. 

malv, s. malve, maluwe (bot.). 

mamel, s. moederborst, uier. 
-ar. v. zogen, de borst 
geven. 

mamifer (animal — ), a. zoog- 
dier. 

mamut, s. tnammoet, mam- 
mouth (ontzaggelik land- 
dier uit de voorwereld). 

mana, s. manna. 

mand, s amandel. 

mandat, s. mandaat (last- 
brief; bevelschrift; vol- 
macht). 

mandolin, s. mandoline (soort 



mandragor— marmelad 



153 



van viersnarig speeltuig). 

mandragor, s. mandragora, 
alruin (bot.). 

roanej, s. manege, rijschool, 
rijbaan . 

manpan, s. mangaan (Mn). 

mam, s. manie (ziekte van 
de geest, waarbij de wil 
niet door het verstand 
wordt beheerst ; onbe- 
dwingbare zucht). 

manier, s. manier, wijze. 

manifest, s . manifest (open- 
like bekendmaking), -ar^ 
V. manifesteren. 

manipular, v. manipuleren, 
hanteren, -aston, s . mani- 
pulatie, hantering. 

manivel, s. kruk, handvat. 

mankar, v. intr. mankeren, 
ontbreken, mangelen; v. 
trans, verzuimen, missen, 
te laat komen voor. -u, 
prep. bij gebrek aan 

manovr, s. maneuver -ar, 
V. maneuvreren. 

mansard, s mansarde (ge- 
broken dak). 

r^.ansh, s. mouw. -et, s. man- 
chet, mansjet. 

mantel, s. mantel, -ar^ v. 
beman telen. 

mantenar, v. mainteneren, 
handhaven, in stand hou- 
den, onderhouden. 



mantiliy s. mantille (vrouwe- 
manteltje). 

manu, s. hand. 

manu-drap, s. handdoek. 

manu8l(ript, s. manuskript, 
handschrift. 

mar, s. zee. 

marasm, s. marasme, uit- 
tering, wegkwijning. 

mar-bord, s. strand, kust. 

marg, s. mergel. 

margarit, s. margariet, ma- 
delief. 

marin, s. marine, zeewezen. 

marinar, v. marineren, -ad, 
s. gemarineerde spijs. 

marionet, s. marionet (draad- 
pop). 

marit, s. wederhelft, ega. -ar, 
V. huwen, trouwen, -o, s. 
echtgenoot, gemaal, man. 
-a, s. echtgenote, gemalin, 
vrouw. 

marl(, s. merk, teken, -ar, 
V. merken, markeren, doen 
uitkomen . 

mark, s. mark (duits zilver- 
stuk, waard ± 60 cent). 

marker, s. markeur. 

mar-krev, s. zeekreeft. 

marli, s. marli (licht, gaas- 
achtig weefsel, halfzijden 
stof). 'iL a., de marli, 
marli-. 

marmelad, s. marmelade (ge- 



154 



narnor— natr 



suikerd verdikt vruchte- 
sap). 

marmor, s. marmer. 

marmot, s. marmot. 

marokin, s. marokijn (ge- 
kleurd bokke- of geite- 
leer). 

Maroko, s. Marokko. 

maron, s. grote, edele kas- 
tanje. 

mars, s. Maart, -an, a., 
de mars, maaits. 

marsdi, s. Dinsdag. -an,a., 
de marsdi, dinsdags. 

marsh, s. mars; zet (bij het 
schaken), -ar^ v. marche- 
ren ; zetten (schaakspel). 

marshal, s. maarschalk. 

marsipan, s. marsepein (ge- 
bak uit amandelen en 
suiker) . 

mart, s. marter (dier). 

martel, s. hamer, -ar, v. 
hameren . 

martir, s. martelaar. 

mas, s. massa, menigte. 

masakr, s. massacre, gruwel- 
moord, bloedbad, -ar, v. 
massakreren, gru welik ver- 
moorden, ikCereabelen. 

mashin, s. machine, masjine. 

masiv, a. massief. 

mask, s. masker, -ar, v. mas- 
keren, maskeren. 

maskul, s. mannetje, -ik 



(maskulin), u. mannelik. 

mast^ s. mast. 

mastik, s. mastik (welrie- 
kende hars). 

roastikar, v. kauwen. 

mastodon, s. mastodon (uit- 
gestorven geslacht van 
zoogdieren, na verwant 
aan de tegenwoordige oli- 
fanten). 

masurka, s. mazurka (dans). 

mat, a. mat, dof; mat (in 
het schaakspel), -ifikar, 
V. mat, dof maken. 

matador, s. matador, sde- 
redoder. 

matematik, s. mathematiek, 
wiskunde, -al, a. mathe- 
maties, wiskundig. 

materl, s. materie, stof. -ik 
(material), a. materieel, 
stoffelik. 

material, s. materiaal (ruwe 
stof tot enig werk, bouw- 
stof; bestanddelen), -iim, 
s. materialisme (leer dat 
de stof de enige en eind- 
oorzaak is van al wat be- 
staat). 

matln, s. morgen, -e, adv. 
's morgens. 

matin-repast, s. ontbijt, de- 
jeunee. -ar, v. ontbijten, 
dejeuneren. 

matr, s. moeder. 



matras— melankoli 



155 



matras, s. matras. 

matrimoni, s. huwelik, echt, 
inatrimonium. -an (matri- 
monial), a. huweliks. 

matris, s. baarmoeder. 

matron, s. matrone (deftige 
bedaagde vrouw). 

matur, a. rijp. -eskar, v. rij- 
pen, -ttet, s. rijpheid, roa- 
turiteit. 

maur, s. moerbeiboom, moer- 
bezieboom. 

maur-ber, s. moerbei, moer- 
bezie. 

mayestet, s. majesteit. 

mayor, s. majoor. 

mayoran, s. mariolein, mar- 
jolein (bot.). 

mayoritet, s. majoriteit, meer- 
derheid. 

medali, s. medalje. 

medalion, s. medaljon. 

medi, s. middel, -ad, s. mid- 
den. -aVy V. bemiddelen, 
middelen, tussenbeide ko- 
men. 'Cmon^ s. bemidde- 
ling, tussenkomst, media- 
tie. -ator, s. bemiddelaar, 
middelaar, -ik, a. middel- 
ste, -t^, prep. door, door 
middel van, per. 

mediat, a. middellik. 

medi-digit, s. middelvinger. 

medi-diurn, s. middag, -e, 
adv. *s middags. 



itiedl-epok, s. middeleeuwen. 

medi-grand, a. middelgroot. 

medik, s. arts, geneesheer, 
dokter. 

medikament, s. medikament, 
medicijn, medisijn, artse- 
nij, geneesmiddel. 

medi-noktu, s. middernacht, 
-e, adv. te middernacht. 

mediokr, a. middelmatig. 
'itet^ s. middelmatigheid. 

medisin, s. geneeskunde, me- 
dicijnen, 'isty s. medikus, 
geneeskundige. 

meditar, v. mediteren, pein- 
zen, overpeinzen, overden- 
ken, nadenken. 

meditar profundé dl kk, in 
iets verdiept zijn. 

Mediteran (mar mediteran), 
a. Middellandse zee. 

mediu letr, adv. per brief. 

medui, s. merg. 

mekanik, s. mechanika, werk- 
tuigkunde. -a^, a. mecha- 
nies. -eVy s. mechanikus, 
werktuigkundige. 

mekanism, s. mechanisme 
(inwendige samenstelling 
van een werktuig, be- 
werktuiging). 

Meksik, s. Mexiko. -an^ a. 
mexikaans; Mexikaan. 

melankoli, s. melankolie, 
zwaarmoedigheid, droef- 



i56 



roelas— merslar 



geestigheid, -ik (melanko- 
lik), a. melankoliek, zwaar- 
moedig, droefgeestig, "iker^ 
(melankoliker), s. melan- 
cholikus. 

melas, s. melasse, suiker- 
stroop. 

meleapr, s. kalkoen. 

melodi, s. melodie, -os, a. me- 
lodieus, welluidend. 

melon, s. meloen. 

membr, s. lid. 

membran, s. vlies. 

memori, s. memorie, geheu- 
gen, geheugenis, gedach- 
tenis, -ar, V. zich her- 
inneren, gedenken, -abl, 
a. memorabel, gedenk- 
waardig, -e, adv. uit het 
hoofd. 

menaj, s. menage, huishou- 
ding, -ar, V. een huishou- 
ding besturen, huishou- 
den. 

menas, s. dreiging, bedrei- 
ging, -ar, V. dreigen, be- 
dreigen. 

mendikar, v. bedelen, ant, 
part. bedelaar. 

mens. s. maand. 

mension, s. melding, ver- 
melding, gewag, -ar, v. 
melden, vermelden, gewa- 
gen, mentioneren. 

ment, s. munt (bot.). 



mentiar, v. liegen, -ad, s. 
leugen, logen. 

mentiar a kh, iemand belie- 
gen, voorliegen. 

menton, s. kin. 

mentor, s. mentor, leids- 
man. 

mergar, v. dompelen, onder- 
dompelen, indompelen, in- 
dopen, insoppen, doen 
zinken. 

meridian, s. meridiaan, -t/c, 
a. meridionaal. 

merit, s. verdienste, -ar^v. 
verdienen . 

merkant, s. handelaar, koop- 
man, -ad, s. waar, koop- 
waar, -ar^ V. marchan- 
deren, afdingen, dingen. 
'ik (merkantiij, a. mer- 
kantiel (de handel betref- 
fende) . 

merkur, s . kwikzilver, kwik 
(Hg). 

merkurdi, s Woensdag, -an, 
a., de merkurdi, woens- 
dags. 

meri, s. meerle, merel. 

mersiar, v. danken, bedan- 
ken, dankzeggen, -ad, s. 
dank. -amon, s. bedanking, 
dankzegging, -oa, a. dank- 
baar, erkentelik . -odtet, 
s. dankbaarheid, erkente- 
lik heid . 



mM-— mll 



157 



mes, s. mis. 

mesanin, 8. mezzauino, tus- 
sen verdieping. 

mesenteri, s. kroos. -iib(me- 
senterik), a. kroos- 

Mesias, s. Messias. 

mesplly s. mispel. 

mestiSy s. mesties (in Ame- 
rika, afstammeling van een 
blanke en een Indiaanse, 
of van een blanke vrouw 
en een Indiaan). 

mesur, s. maat, maatregel. 
-ar, v. meten, opmeten, 
afmeten . 

roetaflsik, s. metafysika, bo- 
vennatuurkunde. 

flietafor, s. metafoor, over- 
drachtelike uitdrukking . 

metal, s. metaal, -ik, a. me- 
talen . 

nietal-fll, s. metaaldraad. 

metamorfos, s. metamorfose, 
gedaantevervsrisseling. -ar, 
v. metamorfoseren, van 
gedaante doen verwisse- 
len. 

metar, v. zetten, stellen, leg- 
gen. 

metar in parentest, tussen 
haakjes zetten. 

metar ovï, eieren leggen. 

meteor, s . meteoor (elk ver- 
schijnsel dat in de damp- 
kring die de aarde om- 



ringt, plaats grijpt). 

meteorologi, s. meteorologie, 
weerkunde. 

metier, s. métier, handwerk, 
ambacht, -iat, s. hand- 
werksman, ambachtsman. 

metr, s. meter. 

-metr, suf. vormt substan- 
tieven die een metende 
persoon of zaak aandui- 
den, b.v. termometr, ter- 
mometer. 

metropolis, metropool, hoofd- 
stad. 

mi, pr. ik, *k. 

miasm, s. miasme (smetstof, 
een uit de bodem voort- 
komend gif dat de oorzaak 
is van verschillende ziek- 
ten). 

mie. pr. mijn, m*n. 

miei, s. honing. 

migrar, v. trekken, zwerven. 

migren, s. migraine (schele 
hoofdpijn). 

mikrO', pref. duidt kleinheid 
aan. 

mtArokaptA;, a. kleinhoofdig. 

mikrometr^ s . mikrometer 
(werktuig om kleine voor- 
werpen of afstanden te 
meten) . 

miksar, v. mengen, vermen- 
gen. 

mil, n. duizend. 



158 



miliar— miser 



miliar, s. mijl. 

miiiet, s. gierst. 

milion, n. millioen, miljoen. 
(4.000.000). -er, s. mil- 
lionair, miljonair. 

milisij s. militie, -an, a., de 
milisi, militie-. 

militar, s. krijgsmanstand, 
krijgswezen. -ik, a. mili- 
tair, 'ism, s. militairisme, 
militarisme. 

mim, s. gebaar. 

mimik, s. mimiek, geba- 
rekunst. 

mimos, s. mimosa, kruidje- 
roer-mij-niet. 

min, s. mijn, bergwerk. -avy 
V. mijnen, ondermijnen, 
ondergraven, mineren. 

mineral, s. mineraal, delfstof. 

minim, a. klein, gering. -iiei, 
s. kleinheid, geringheid. 

minimum, s. minimum (het 
kleinste, laagste, minste). 

minion, a. net, keurig, sierlik. 

minister, s. ministerie. 

ministr, s. minister. 

minium, s. minium, menie. 

min-kon8tri!(mon, s. mijn- 
bouw. 

minoritet, s. minoriteit, min- 
derheid. 

minu, adv. minder, ^ar, v. 
minderen, verminderen, 
verkleinen, verzachten, 



verlichten, lenigen, -eskar, 
V. minder worden, min- 
deren, verminderen, af- 
nemen. 

minusi, s. kleinigheid, •os, 
a. minutieus, kleingeestig. 
'OèiietfH, kleingeestigheid. 

minut, s. minuut. 

miop, a. kortzichtig, bijziend. 
'iiet, s. kortzichtigheid, 
bijziendheid. 

miosot, s. vergeet-mij-niet. 

mir, s. mirre (oosterse gom- 
hars met scherpe smaak 
en eigenaardige reuk). 

miraki, s. mirakel, wonder. 
08, mirakuleus, wonder- 
baar, wonderbaarlik, won- 
derlik. 

miror, s. spiegel. 

mirt^ s. mirt (bot.). 

mirtil, s. bosbes, blïiuwbes. 

mis-, pref. duidt iets aan 
dat niet goed is of geen 
SU kees heeft. 

misai, s. misboek. 

misandar, v. hinken, mank 
lopen . 

misantrop, s . misanthroop, 
mensehater. 

misdeliniar, v. mistekenen. 

misdukar, v. misleiden. 

roiser, s. misère, ellende, 
nood. 'Ohl^ a. miserabel, 
mizerabel, ellendig, arm- 



miserikord— molekul 



159 



zalig, erbarmelik. -ar, v. 
intr. zich erbarmen, zich 
ontfermen . 

miserikord, s. barmhartig- 
heid. '08, ft. barmhartig. 

misfortun, s. ongeluk, onheil. 

miskoroprendar, v. misver- 
staan. -adjS. misverstand. 

mtskonfldy s. wantrouwen, 
mistrouwen . -ar, v. wan- 
trouwen, mistrouwen, -ik^ 
a. wantrouwig, mistrou- 
wig. ^ 

mii>kredit, s. miskrediet, 
diskrediet . 

mismetar, v. verkeerd leggen. 

misparlar, v. zich verspre- 
ken. 

misteri^ s. mysterie, gehei- 
menis. -08, a. mysterieus, 
geheimzinnig. 

Illistiflkar, V . mystificeren, 
foppen . -amon, s . mystifi- 
katie, fopperij. 

misus, s . misbruik . -ar, v . 
misbruiken . 

mwversar, v. vergieten. 

mitar, v. zenden, sturen, 
verzenden, inzenden, toe- 
zenden . 

mItar posterior^, nazenden, 
achternazenden . 

mitar radü 8U kk, iets be- 
schijnen, bestralen. 

mitr, s. mitra, mijter, bis- 



schopsmuts . 

mobily a. mobiel, bewegelik. 
-t, pi. meubels, meubelen, 
hui.sraad . 

mobilisar, v. mobiliseren 
(mobiel, marsvaardig ma- 
ken), -asion, s. mobili- 
satie . 

mod, s. mode. -i^, a. mo- 
dies. 

modal, a. modaal, -itet, s. 
modaliteit . 

model, s. model, -ar, v. 
modelleren. 

moderar, v. modereren, ma- 
tigen. -a«icm,s. moderatie, 
matiging, gematigdheid . 

modern, a. modern (heden- 
daags, nieuwerwets). 

modest, a. modest, beschei- 
den, zedig, 'itet, s. mo- 
destie, bescheidenheid, ze- 
digheid. 

modifikar, v. modificeren, 
wijzigen . 

mok, s. spot. -ar, v. spot- 
ten. 

mol, a. week, zacht, ifikar, 
V. weken, week maken, 
verwekeliken, verzachten. 
'ifikant^ part. week makend, 
verzachtend . -itet, s. week- 
heid, zachtheid. 

IMoldavta, s. Moldavië. 

molekul, s. molekule (zeer 



460 



molestar— moral 



kleine deeltjes van een 
stof, maar nog onderver- 
deelbaar in atomen), -ik 
(molekular), a. moleku- 
lair. 

molestar, V. molesteren, over- 
last aandoen, lastig vallen. 
-ik, a. lastig. 

molibden, s. molybdenium 
(Mo). 

molin, s. molen . -ar, v . ma- 
len, fijnmalen, vermalen. 

molo, s. havendam. 

molusk, s. mollusk, week- 
dier. 

moment, s. moment, ogen- 
blik, -ik, a. momentaan, 
ogenblikkelik . 

mon, s. geld. 

monak, s. kloosterling, mon- 
nik of non. -o, s. raanne- 
like kloosterling, monnik . 
-a, s. kloosterlinge, non. 

Monako, s. Monako. 

monark, s. monarch, alleen- 
heerser, -ia, s . monarchie, 
alleenheerschappij . 

monaster, s. klooster. 

monet, s. munt. -ar. v. 
munten, aanmunten. -eri, 
s. munt (gebouw). 

monit, s. vermaning, aan- 
maning, -ar, V. vermanen, 
aanmanen, manen. 

mono-, pref. betekent mono-, 



een-. 

monoanuik, a. eenjarig. 

monogram, s. monogram 
(dooreengevlochten begin- 
lettei's van een naam ; 
naamdicht) . 

monokdLWSiMk, a. eenspannig. 

monolog, s. monoloog, alleen- 
spraak . 

monookuKk, a. eenogig. 

monopol, s. monopolie, alleen- 
handel . 

mo7iosi\9bik, a . eenletter- 
grepig. 

monoton, a. monotoon, een- 
tonig . 

monstrar, v. tonen, vertonen, 
wijzen, aanwijzen. 

monstru, s. monstrum, mon- 
ster, gedrocht, -os, a. mon- 
strueus, monsterachtig, 
gedrochtelik . 

mont, s. berg. -aj, s. ge- 
bergte . 

montar, v. monteren. 

Montenegr, s. Montenegro. 

monument, s . monument, 
gedenkteken, -ik, a. mo- 
numentaal . 

mor, s. vertraging, opont- 
houd, -ar, V. dralen, tal- 
men, treuzelen, zich op- 
houden, vertoeven. 

moral, a. moreel, zedelik. -ad, 
s. moraal, zedeleer. -dtet, 



morbll— mttml 



161 



s. moraliteit, zedelikheid. 

morbil, s. mazelen (med.). 

moréar, y. bijten, -ad^ s. 
beet, hap. 

morel, s. morille, morielje 
(zwamsoort, als bijvoegsel 
tot spijzen gebruikt). 

moresk, a. moors; Moor. 

morfln, s. morfine (een sterk 
vergif). 

moriar, V. sterven, overlij- 
den. 

moros, a. brommig, geme- 
lik, knorrig, nurks. 

mors, s. walros, walrus. 

morsel, s. bete, brok, stuk. 
-ar, V. verbrokkelen, in 
stukken verdelen. 

mort, s. dood. -i£, a. dood. 

mortal, a. sterfelik. -itet, s. 
sterfelikheid, mortaliteit . 

mortar, s. mortel. 

mortiflKar, v. doden, om- 
brengen . 

mosalk, s. mozaïek (ingelegd 
werk) . 

moské, s. moskee (mohamme- 
daans bedehuis) . 

moskit, s. moskiet, muskiet. 

most, s. most. 

mostard, s. mosterd, mos- 
taard . 

motiv, s. motief, beweeg- 
grond, beweegreden, -ar, 
V. motiveren, staven. 



moto, s. motto (zinspreuk; 
aanhaling uit enig werk, 
boven een opstel geplaatst). 

movar, v. moveren, bewe- 
gen, -abl, a. beweegbaar. 
'Osion, s. beweging, -ator 
(motor), s. motor. 

muf, s. schimmel (plantjes). 
-ar, V. schimmelen. 

mul, s. muildier (heeft tot 
vader een paardhengst, 
tot moeder een ezelin). 

mulat, s. mulat (persoon ge- 
boren uit een blanke en 
een negerin, of uit een 
blanke vrouw en een ne- 
ger; ook, afstammeling 
van een mulat en een 
blanke). 

mulet, s. muilezel (bastaard- 
dier gesproten uit een 
ezelhengst en een merrie- 
paard). 

mulkt, s. geldboete, -ar, v. 
beboeten. 

muit, a. veel. -e, adv. veel, 
zeer, heel. -foa, adv. me- 
nigmaal, -itet, s. veelheid, 
menigte, -upl, a. veel- 
voudig, menigvuldig. 

muité bene, adv. zeer goed. 

multipllkar, v. multipliceren, 
vermenigvuldigen. 

mumi, s. mummie (gebal- 
semd en gedroogd lijk). 



162 



mund— narsis 



mund, s. wereld. 

munision, s. munitie (krijgs- 
voorraad, schietbehoefte) . 

munisipal, a . municipaal. 
-itet^ s. municipaliteit, ge- 
meentebestuur. 

mur, s. muur. -ar, v. met- 
selen, -a^or, s. metselaar. 

murmurar, v. murmureren, 
morren, murmelen, prut- 
telen, brommen. 

mus, s. muis. 

musa, s. muze (godin van 
kunst en wetenschap bij 
de oude Grieken). 

musard, s. gaper, -ar, v. 
gapen. 

musé. s. museum. 

musei^ s. muil, bek. 

muselier, s. muilkorf, muil- 
band. 

musik, s. muziek, -al, a. mu- 
zikaal, -ar, V. musiceren. 

musikar medii^ flaut, fluit 
spelen . 

musikar medb sitr, citer 
spelen. 

musikar meditt violin, viool 
spelen . 

musikar mediu violoncel, vio- 
loncel spelen. 

musk, s. vlieg. 

muskad, s. muskaatnoot, 
notemuskaat. 

musket, s. musket (vuurroer). 



muski, s. mos. -oa, a. mos- 
sig, bemost. 

muskul, s. muskei, spier, -os^ 
a. gespierd. 

muslin, s. moeseline. 

mustal(t, s. knevel, snor. 

mustel, s. wezel. 

mut, a. stom, sprakeloos. 

mutar, v. veranderen. 

mutar domisil, verhuizen. 

mutilar, V. mutileren, ver- 
minken. 

muton, s. schaap. 



nadir, s. nadir (voetpunt). 

naft, s. nafta (zeer brand- 
bare steenolie.) 

naiv, a. naïef, ongekunsteld. 
-itet, s. naïveteit. 

naik s. dwerg. 

nankin, s. nanking (chinese 
roodgele katoenen stof). 

narar, v. vertellen, verhalen. 
-asion, s. vertelling, ver- 
haal. 

naris, s. neusgat. 

narkotisar, v. narkotiseren, 
bedwelmen, verdoven.-an^, 
part. narkoties, bedwel- 
mend, verdovend, -asion, 
s. narkose, bedwelming, 
verdoving. 

narsis, s. narcis (bot.). 



narval — nefasil 



163 



narval, s. narwal (eenhoorn- 
vis). 

nas, s. neus. 

nasion, s. natie (deel van de 
mensheid dat een geheel 
vormt wat betreft afetam- 
ming en geboorte, zeden 
en taal). 

nasional, a. nationaal, -itet, 
s. nationaliteit (het beho- 
ren tot enige nationaliteit). 

naskar, v. geboren worden. 

nas-katar, s. verkoudheid. 

nat, s. geboorte, -ar, v. ba- 
ren, bevallen van. -asion^ 
s. baring, bevalling. 

nativitet, s. Ker8(t)feest, 
Kers(t)mis. 

natrium, s. natrium (Na). 

natur, s. natuur, -ik (na- 
turai), a. natuurlik, -e (na- 
turaU), adv. 

naturalisar, v. naturaliseren 
(inburgeren), -asioriy s. 
naturalisatie. 

naufrag, s. schipbreuk, -ar, 
V. schipbreuk lijden. 

nausé, s. zeeziekte, misselik- 
heid, walging, -ar, v. zee- 
ziek maken, misselik ma- 
ken, walging wekken, -os, 
a. nauseêus, zeeziek, mis- 
selik, walgelik. 

nav, s. schip, vaartuig. 

navigar, v. varen, -aaion, s. 



navigatie, scheepvaart, zee- 
vaart. 

nayad, s. najade (nimf, be- 
schermgodin en bewoon- 
ster van bronnen en ri- 
viertjes). 

nc-, pref. duidt een kontra- 
dik toire tegenstelling aan. 

neamik, s. vijand. 

neapt, a. onhandig, stumpe- 
rig, sullig, 'itet, s. onhan- 
digheid, stumperigheid, 
sulligheid. 

nebl, s. nevel, mist. -os, a. 
nevelig, mistig. 

n^dependant, part. onafhan- 
kelik, zelfstandig, -antitet, 
s. onafhankelikheid, zelf- 
standigheid. 

Nederlandia, s. Nederland. 
'ian, a. nederlands (het- 
geen tot Nederland be- 
hoort); Nederlander, -ik, 
a. nederlands (in het ne- 
derlands, nederlands spre- 
kende). 

ne^yWabl, a. onvermijdelik, 
onvermijdbaar. 

nefj s. neef of nicht (broers- 
of zusterskind), -o, s. neef. 
-a, s. nicht. 

nefMahl, a. onfeilbaar. 

nefasil, a. moeilik, zwaar, 
bezwaarlik. -ifikar^ v. 
moeilik maken, bemoei- 



164 



negar — neo^ 



Hken, verzwaren, -itet, s. 
moeilikheid, zwaarte. 

negar, v. negeren, ontkennen, 
loochenen, verloochenen. 
-aston, s. negatie, ont- 
kenning, loochening, ver- 
loochening, -ativ, a. nega- 
tief, ontkennend. 

negligar, v. negligeren, ver- 
waarlozen, veronachtza- 
men, -antu, prep. onge- 
acht, -i/c, a. achteloos, 
onachtzaam. 

negligan^é it, adv. niettemin, 
nochtans. 

negligan^^ ke, k. al, hoewel, 
ofschoon, schoon. 

negosi, s. zaak, handelszaak, 
negotie, -ant, part. man 
van zaken, handelsman. 
-ar^ V. zaken doen, nego- 
tiëren, negotie drijven, -ik^ 
a. betrekking hebbende 
op zaken. 

negp, a. zwart; zwarte, ne- 
ger, -ad, s. schoensmeer, 
blink, -atr, a. zwartach- 
tig. -ifikar, v. schoenen 
poetsen. 

Negr(mar negr), a.Zwarte zee. 

negr-kavai, s. moorpaard, 
moorkop. 

nep r- pan, s. zwartbrood. 

neimportant, a. onbeduidend, 
onbelangrijk, onbeteke- 



nend. 

n&kapabi, a. onbekwaam. 

n^kar, a. goedkoop. 

n^kast, a. onkuis, ontuchtig. 
"itei, s. onkuisheid, on- 
tucht. 

n^komunikar, v. verzwijgen. 

n^kontent, a. ontevreden^ 
misnoegd, -iiety s. onte- 
vredenheid, misnoegdheid. 

n6kreda6Z, a. ongelooflik,. 
ongelofelik. 

nekreéant, part. ongelovig. 
-aniitet, s. ongelovigheid, 
ongeloof. 

nekrolog, s. nekroloog, le- 
vensbeschrijver van over- 
ledenen. 

nekromant, s. nekromant,. 
geestebezweerder. 

nektar, s. nektar, gode(n)- 
drank. 

nelong^, adv. kortgeleden^ 
kortelings, onlangs, laatst. 

nemdikuled, part. onbevlekt^ 
vlekkeloos. 

n^matur, a. onrijp. 

nemediat, a. onmiddellik. 
-e, adv.onmiddellik, dade- 
lik, terstond. 

nemediate po ke, k. zodra. 

nemult, a, weinig, -e, adv. 
weinig, een weinig. 

neo', pref. duidt nieuwheid 
aan. 



ngopersmn — iiokuande 



465 



iieofBVSian, a. nieuw-perzies. 

nepartisan, a. onpartijdig. 

9t(?pa8ient, a. ongeduldig, -itet 
(n^pasiens), s. ongeduldig- 
heid, ongeduld. 

nep\9kabl^ a. onverzoenlik. 

ii^posibl, a. onmogelik. 

n^piir, a. onrein, onzuiver, 
vuil. 

nerv, s . zenuw, -o»^ a. zenuw- 
achtig, nerveus. 

116868 (n6868ar), a. nodig, 
noodwendig, noodzakelik. 
'itet, s. noodwendigheid, 
noodzakelikheid . 

ne^Mant, part. onophoudelik. 

ii6868itar, V. noodzaken. 

-n^aonor, a. zacht, stil. -e, 
adv. zachtjes, stilletjes. 

Ii6t, a. rein, zindelik. -7^A:ar, 
V . reinigen, schoonma- 
ken, 'itet, s. reinheid, 
zindelikheid . 

n6to, adv. netto, zuiver. 

^letruvar, v. missen, ver- 
missen . 

^n^util, a. nutteloos. 

neutr, s. onzijdig geslacht 
(gram.). -i)b, a. onzijdig 
(gram.). 

n6iitral, a . neutraal, onzijdig. 
'itetf s. neutraliteit, on- 
zijdigheid. 

I16V, s. sneeuw, -ar, v. 
sneeuwen. 



nid, s. nest. -ijikar, v. nes- 
ten, nestelen 

Nikaragua^ s. Nikaragua. 

nikl, s. nikkel (Ni), -ar^x. 
vernikkelen . 

nimb, s. nimbus, strale- 
krans, stralekroon, licht- 
krans. 

ni... ni, k. noch... noch. 

niobium, s. niobium (Nb). 

niaby s. nis. 

nitr. s. salpeter. 

Niunindlandta, s . Newfound- 
land. 

niv6l, s. niveau, waterpas 
[het], -ar, v. nivelleren, 
waterpas maken, water- 
passen . 

nOy adv. nee(n), niet. 

no'^ pref. duidt een kontraire 
tegenstelling aan. 

nobi, a. nobel, edel, adel- 
lik. 'ifikar, v. adelen. 
'itet^ s. nobelheid, edelheid, 
adel . 

nod, s. knoop (b.v. in een 
touw), -ar^ V. knopen. 

riohom, pr. niemand. 

nol, pr. wij, we. 

nokos, pr. niets, niemendal. 

noktv, s. nacht, -e, adv. 
's nachts, bij nacht, -ik, 
a. nachtelik. 

nokuanda, adv. nooit, nim- 
mer. 



466 



noloke— nud 



nóioke, adv. nergens. 

nom, s. naam, benaming. 
-ar, V. noemen. 

nomad, s. nomade (iemand 
behorende tot een herders- 
volk, een rondzwervend 
volk). 

nominar, v. nomineren, be- 
noemen. '<mon, s. nomi- 
natie, benoeming. 

nominativ, s. nominatief Ie 
naamval (gram.). 

nom personal, voornaam. 

nona-, pref. betekent negen-. 

no observar, niet opmerken, 
overslaan, over het hoofd 
zien. 

nopudik^ a. schaamteloos, 
onbeschaamd. 

nord, s. noorden. -6, adv. in 
't noorden, noordelik. -ik^ 
a. noordelik. 

nord-est, s. noordoosten, -e, 
adv. in 't noordoosten, 
noordoostelik. -ik, a. noord- 
oostelik . 

Nord%*A; (mar nordik), a. 
Noordzee . 

nord-uest, s. 'noordwesten. 
-e, adv . in 't noordwesten, 
noordwestelik. -ik, a.noord- 
westelik . 

norm, s. norm, richtsnoer. 
-ik (normal), a. normaal. 

Norvegta, s. Noorwegen. 



nosion, s. notie, begrip. 

no 8ole ... ma et, k. niet al- 
leen ... maar ook . 

nostr, pr. onze, ons. 

net, s. noot, notitie, -ar, v. 
noteren, aantekenen, op- 
tekenen, -abl, a. notabel, 
merkwaardig, aanzienlik ^ 
voornaam . 

nota, s. nota, rekening. 

notar, s. notaris. 

notlflkar, v. notificeren, aan- 
duiden, kennis geven . 
'asiorif s. notifikatie, aan- 
duiding, kennisgeving. 

notort^, a. notories, open- 
baar, wereldkundig, alge- 
meen bekend. 

noun, pr. geen. 

nov, a. nieuw, vers. -itet, s. 
nieuwheid . 

nov, n. negen. 

novdes, n. negentig. 

novembr, s. November, -aw, 
a., de novembr. November-. 

novisi, s. novice, nieuweling. 

nuans, s. nuance, schake- 
ring, -ar, V. nuanceren, 
schakeren. 

nub, s. wolk. 

nubil, a . huwbaar, manbaar. 
'itet, s . huwbaarheid, man- 
baarheid . 

nud, a. naakt, bloot. -ifikaVy 
V. ontbloten, -dtet, s. naakt- 



nuk—obskur-blu 



167 



heid, blootheid. 

nuk, s. nek. 

nul, n. nul. 

numerativ, s. telwoord. — 
dlstribütiv, distributief tel- 
woord, verdelingsgetal. — 
iterativ, herhalingstel- 
woord. — kardinal. hoofd- 
telwoord. — multiplika- 
tiv, vermenigvuldigingstel- 
woord. — ordinal, rang- 
telwoord. 

numr, s. nummer, nommer, 
jsretal, aantal, -ar, v. num- 
meren, nommeren. -ato}\ 
s. teller, -os, a. talrijk. 

numr parik, even getal. 

nunsi, s. bode, boodschapper. 

nupt, s. bruiloft, hoogtijd. 

nU8, s. noot (vrucht), -ety s. 
hazelnoot. 

nutriar, v. voeden, -atora, 
s. min, zoogster. 



o! i. ol 

-o, suf. vormt zelfstandige 
naamwoorden die manne- 
like personen of dieren 
aanduiden, b.v. fliio, zoon ; 
kavalo, hengst. 

oasi, s. oase (vruchtbare 
streek in de woestijn). 

obediar, v. gehoorzamen. 



-ani, part. gehoorzaam. 

obelisk, s. obelisk (dunne, 
vierzijdige, uit één stuk 
gehouwen zuil). 

obligar, v. obligeren, ver- 
plichten, -ad, s. plicht. 
-asion, s. obligatie, ver- 

f)lichting. 
laar mediu yurad, onder 
eae binden. 

oblikü, a. scheef, schuin. 
'itet, s. scheefheid, schuin- 
heid, schuinte. 

obliviar, v. vergeten, -asion 
(oblivion), s. vergetelheid. 
-os, a. vergeetachtig. -osi f e<, 
s. vergeetachtigheid. 

oblong, a. langwerpig. 

obsen, a. obsceen, oneerbaar, 
ontuchtig, 'ifet, s. obsce- 
niteit, oneerbaarheid, on- 
tuchtigheid. 

obsePVörr, V. observeren, ga- 
deslaan, waarnemen, op- 
merken, naleven (van wet- 
ten), in acht nemen, -asiou, 
s. observatie, waarneming, 
opmerking, inachtneming. 

obsidiar, v. belegeren. -astow, 
s. belegering, beleg. 

obskur, a. obskuur, donker, 
duister, -itet^ s. obskuri- 
teit, donker, duisterheid, 
duisternis. 

obskur-blü, a. donkerblauw. 



168 



obskur-brun— oktav 



obskur-brun, a. donkerbruin. 

obstakL ». obstakel, hinder- 
niHf hinderpaal. 

obstlnar, V. troifteren, tarten. 
'Unt^ part. obstinaat, hard- 
nekkig, halsstarrig, eigen- 
zinnig, hoofdig, koppig. 
-aHum^ s. trotsering, hard- 
nekkigheid, halsstarrig- 
heid, eigenzinnigheid, hoof- 
digheid, koppigheid, -e, 
adv. desniettegenstaande, 
-u, prep. trots, ondanks, 
niettegenstaande, in weer- 
wil van, in spijt van. 

obstin^r k6yk. niettegenstaan- 
de dat. 

obtanar, V. verkrycen, krij- 
gen, erlangen, bekomen, 
verwerven. 

obtus. a. stomp. -^, adv. 
-eftkar, v. stomp worden, 
afstompen. 

obvlar a kk, v. iets voor- 
kómen, -asion^ s. voor- 
koming. 

obyakty s. objekt, voorwerp. 
'ar^ V. tegenwerpen. 

obvaktlVy a. objektief (van 
buiten waargenomen, wer- 
kelik bestaande). 

Od, 8. ode (lyries gedicht, 
waarin een verheven on- 
derwerp wordt bezongen). 

O Daol i. o OodI 



odi, s. haat. -ar, v. haten. 
-abl^ a. hatenswaard. -o^, 
a. hatelik, odieus. 

odor, s. odeur, geur, reuk, 
-ar^ V. intr. geuren, rieken, 
ruiken. 

odorat, s. reuk (zintuig), -ar^ 
V. trans, ruiken. 

ofandar, v. beledigen. 

ofandar scl v. kwalik nemen. 

ofis, s. omcie, ambt, betrek- 
king, dienst, 'ik (ollsiai), 
a. officieel, ambtelik. 

oflsin, s. officina, werkplaats, 
bureel, bureau, buro. 

oflslr, s. officier, ofHsier. 

ofp, s. aanbod. ~ar, v. aan- 
bieden, offreren. 

okasioHy s. okkasie, aanlei- 
ding, gelegenheid, -^r, v. 
aanleiding geven tot. -e, 
adv. okkasioneel, bij ge- 
legenheid, bij geval, -t^, 
E rep. naar aanleiding van, 
y gelegenheid van. 

okr, s. oker. 

oksai, s. klaverzuring. -ik, 
a. klaverzuring-. 

oksidy s. oxyde (zuurstofver- 
binding), ^ar, v.oxyderen. 

oksidant, s. okcident (het 
westen, avondland). 

oksigen, s. zuurstof (O). 

okt, n. acht. 

oktav, n. achtste. 



oktdes — on 



169 



oktdes, n. tachtig. 

oktety s. oktet (achttal). 

oktO', pref . betekent okto-, 
acht- . 

oA;^ngiil, s. achthoek. 

oktobr, s. Oktober, -an, a., 
de ektobr, Oktober-. 

okul, s. oog. 'ik, a. oku- 
lair. 'ist, s. okulist (oog- 
arts). 

okultar, V. verbergen, ver- 
stoppen, verschuilen, ver- 
helen. 

okupar, V. okkuperen, be- 
zetten, bezighouden, -oêion, 
s . okkupatie, bezetting, 
bezigheid . 

okupar se in kk, zich met 
iets bezighouden. 

okurar [kelkhom], v. [iemand] 
ontmoeten, tegenkomen . 
-oston, s. ontmoeting. 

oie, s. olie. -ar, v. olieën, 
met olie insmeren, -atr, 
a. olieachtig. -08, a. 
olierijk . 

oleandr, s. oleander (bot). 

oliv, s. olijf. 

ombr, s. schadu^nr, schim. 
-ar, V . beschaduwen, scha- 
duwen, overschaduwen. 

omin, s. omen, voorteken. 
-ar^ V. voorspellen, -o», 
a . omineus, onheilspel- 
lend . 



omitar, v . nalaten, weglaten, 
verzuimen . 

omlet, s. ommelet, eierkoek. 

omni, pr. (gevolgd door een 
enkelvoud) ieder, elk ; (ge- 
volgd door een meervoud) 
alle. "foa, adv. iedere 
keer, telkens. 

omni-anue, adv. jaarliks, alle 
jaar, ieder jaar. 

omnibus, s. omnibus. 

omni-diurne, adv. dageliks. 

omni du, pr. beide. 

omni-du/oa, adv. beide keren. 

omnl-flanké, adv. van alle 
kanten . 

omni/oa ke, k. iedere keer 
dat, wanneer ook. 

omni-hom, pr. iedereen, elk- 
een. 

omni kekos, pr. wat ook, al 
wat. 

omni ki, pr. wie ook, al wie. 

omni-kos, pr. alles. 

omni-loké, adv. overal. 

omni-lok^ ke, k. waar ook, 
overal waar. 

omnl-mense, adv. maande- 
liks. 

omni-semane, adv. wekeliks. 

omopiat, s. schouderblad. 

on, pr. men. 

-on, suf. vormt substantie- 
ven die een vergroting 
aanduiden, b.v. rastron. 



170 



oniks — orar 



oniks, s. onyx (edelgesteente 
met witte of lichtgrijze 
strepen die met donkere 
afwisselen). 

onkly s. oom. 

ons, s. once (medicinaal ge- 
wicht). 

opal, s. opaal (edelgesteente 
van verschillende kleur, 
doch meest melkachtig 
wit). 

operar, v. opereren (werken, 
bewerken ; als heelmeester 
een kunstbewerking doen). 
'Osion, s. operatie, -ator, 
s. operateur. 

opinion, s. opinie, mening, 
gevoelen. 

opium, s. opium (heulsap, 
verhard melksap van de 
nog groene maankoppen, 
als verdovingsmiddel ge- 
bruikt). 

oportun, a. gepast, gunstig, 
geschikt, gelegen, -e, adv. 
te gelegener tijd. 

oposar, V. opponeren, tegen- 
stellen, tegenoverstellen, 
tegen inbrengen, -asion 
(oposision), s. oppositie, 
tegenstelling, tegenover- 
stelling, tegenrede, tegen- 
kanting, verzet. 

oposar se, v. zich verzetten. 



zich aankanten. 

opr, s. opera (muzikaal 
toneelspel). 

opresar, v. neerdrukken, 
verdrukken, onderdruk- 
ken. 

optativ, s. optatief, wensende 
wijs. 

optik, s. optika (gezicht- 
kunde, leer van het licht 
en het zien). -aZ, a. opties. 
-iat, s. optikus, opticien. 

optimist, s. optimist (iemand 
die alles van de goede 
zijde beschouwt). 

opulent, a. opulent, zeer rijk, 
zeer vermogend. 

or, s. oor. 

'Or, suf. vormt substantie- 
ven die een toestand of 
gemoedsaandoening aan- 
duiden, waarin zich de 
handelende persoon of zaak 
bevindt, b.v. amor, liefde. 

oraki, s. orakel (godspraak). 

oral, a. oraal, mondeling, -e, 
adv. 

oranj, s . chinaasappel, sines- 
appel. 

oranj amer, oranje. 

oranj-kolort^, a. oranjekleu- 
rig. 

orar, v. oreren, redevoeren. 
-a«ton, s. oratie, rede, 
redevoering, -ator^ s. ora- 



ord— osmiuni 



471 



tor, redenaar. 

ordj s. orde. -ar^ v. ordenen, 

ordinar, a. ordinair, gewoon. 

ordn, s. orde, ridderorde. 

ordonar, v. ordoneren, ver- 
ordenen. "Osion, s. ordo- 
nantie, verordening. 

orfaiiy s. wees. 

org, s. orgel, -iat (organist), 
s. orgelist, organist. 

orgaily s. orgaan, -ik, a. or- 
ganiek, organies. 

orpanisar, v. organiseren, 
inrichten, -asion, s. orga- 
nisatie, inrichting. 

organism, s. organisme (or- 
ganiese bouw, samenhang 
van de delen van een ge- 
heel). 

orgasm, s. orgasme (med.). 

orgi, s. orgie, drinkgelag, 
zuippartij . 

oraul, s. trots, trotsheid, fier- 
heid, hoogmoed, hovaar- 
digheid. '08, a. trots, fier, 
hoogmoedig, hovaardig. 

oriënt, s. oriënt (het oosten, 
morgenland). 

orientar, v. oriënteren. 

orientar se, v. zich oriën- 
teren (de ligging van de 
windstreken bepalen ; 
nauwgezet nagaan waar 
men zich bevindt). 

origin, s. oorsprong. 



originai; a. origineel, oor- 
spronkelik ; origineel [het]. 
'itet, s. originaliteit, oor- 
spronkelikheid. 

orkestr, s. orkest, -ar, v. 
orkestreren. 

ornament, s. ornament, orne- 
ment (versiersel), -ar, v. 
orneren (versieren, tooien). 

ornit, s. vogel. 

ornit kantaiU, zangvogel. 

ornitologi, s. ornithologie, 
vogelkunde. 

ornit rapas, roofvogel. 

ors, s. gerst. 

ortografl, s. orthografie, spel- 
kunst. 'ik (ortograflk), a. 
orthografies. 

os, s. gebeente, been, bot. 

'08, suf. tot vorming van 
adjektieven die een gevuld 
zijn met ot een aantal van 
iets aanduiden, b . v. petroa, 
vol stenen; oleo8, olierijk. 

osean, s. oceaan. 

Oseanm, s. Oceanië. 

osi, s. ledige tijd. -os, a. ledig, 
leeg, nietsdoende. -oaitet, 
s. lediggang, ledigheid. 

osilar, V. intr. oscilleren, 
schommelen, slingeren. 

osltar, V. geeuwen, gapen. 

oskul, s. kus, zoen. ^ar, v. 
kussen, zoenen. 

osmlum, s. osmium (Os). 



172 



ostentar— pan 



ostentar, v. ostenteren, ver- 
toon maken, pralen, pron- 
ken, ten toon spreiden. 
-ativ^ a. pralerig, praalziek, 
pronkziek, opzichtig. 

ostr, s. oester. 

otP, pr. ander, -c, adv. an- 
ders, -/oa, adv. eenandere 
keer, een ander maal. 

otr-flanke, adv. anderzijds, 
van de andere kant. 

otr-k08, pr. iets anders. 

otr-loke, adv. elders, ergens 
anders. 

otr-temp^, adv. anders (tijd). 

ov, s. ei. -ik, a. ei-, eier-. 

oval, a. ovaal, eirond. 

ovari, s. ovarium, eierstok. 

ovasfon, s. ovatie (kleine 
zegevierende intocht bij 
de Romeinen ; luidruch- 
tig eerbewijs). 

ovipar, a. eierleggend. 



pagan, s. heiden, -ik, a. hei- 
dens, 'ism, s. heidendom. 

pagin, s. pagina, bladzijde. 
-aVy V. pagineren. 

pagod, s . pagode (tempel in 
China, Japan enz.). 

paisaj, s. landschap, -ist, s. 
landschapschilder. 

paj, s. page, edelknaap. 



paket, s. pak, pak(k)et. -ar, 
V. pakken, inpakken, ver- 
pakken. 

pakSy s. vrede. 

pakt, s. pakt, paktum, ver- 
drag, overeenkomst, -ar, v. 
overeenkomen. 

pal, s. paal. 

paladium, s. paladium (Pd). 

palast, s. paleis. 

Palat, s. gehemelte. 
'alestina, s Palestina. 

palet, s . spade, schop, palet. 
-ar, V. spitten. 

palia, s. stro. 

palld, a. bleek, -eskar, v. 
bleek worden, verbleken, 
verschieten, -ifikar, v. ble- 
ken, -ifikeri, s. blekerij. 

pallsad, s. palissade (paal- 
werk), -ar, V. palissaderen. 

palm, s. palm, palmboom. 

palp, s. voelspriet, voel- 
draad, voelhoren, -ar, v. 
tasten, betasten, bevoelen. 
'dbl, a. palpabel, voelbaar, 
tastbaar. 

palpebr, s. ooglid, -ar, v. 
knipogen, pinken. 

palpitar, v. palpiteren, klop- 
pen, slaan, jagen (van 
pols of hart). 

palud, s. moeras, drasland. 
-05, a. moerassig, drassig. 

pan, s. brood. 



panik— parent 



173 



pan ik, s. paniek (plotselinge 
en algemene angst). 

panoram, s . panorama (alge- 
zicht, vergezicht). 

pantalon, s. pantalon, broek. 

panter, s. panter. 

pantomim, s. pantomime, pan- 
tomine, gebarespel. 

pantufl, s. pantolTel. 

pap, s. paus. -ad, s. paus- 
dom, pausschap, pauselike 
waardigheid, -ik, a. pau- 
selik. 

papagay, s. papegaai. 

papavr, s. papaver. 

papil, s. pap, brij. 

papliion, s. vlinder, kapel. 

papip, s. papier. 

papir-foii, s. vel papier. 

papir-kest, s. kartonnen doos. 

papir-kornu, s. peperhuisje, 
papieren zakje. 

papir-libr, s. schrijfboek, 
kahier, kajee. 

papir-tapet, s. behang, be- 
hangsel . 

par, s. paar. -iky a. even. 

para-^ pref. duidt aan be- 
scherm ing-tegen-iets. 

paraboi, s. parabel, gelijke- 
nis, -ik, a. parabolies. 

parad, s. parade, -ar, v. 
paraderen. 

paradis, s. paradijs, -ik, a. 
paradijsachtig. 



paradoks, a. paradox, schijn- 
baar tegenstrijdig, won- 
derspreukig. 

parafln, s. paraffine (uit 
hout, bruin- en steenkolen 
verkregen vetstof). 

parafuimin, s. bliksemaflei- 
der. 

paragraf, s. paragraaf (af- 
deling in een geschrift; 
teken §). 

Paraguay, s. Paraguay. 

paralel, a. parallel, even- 
wijdig. 

paralis, s. paralysie, verlam- 
ming, -ar, V. trans, para- 
lyseren, verlammen. 

paranimf, s. paranimf, bruids- 
jonker. 

parapluvi, s. paraplu, regen- 
scherm . 

parasit, s. parasiet, klap- 
loper, tafelschuimer. 

parasol, s. parasol, zonne- 
scherm. 

parat, a. gereed, klaar. 

parat! i. gereed! klaar I 

paravent, s. windscherm, 
tochtscherm. 

pardon, s. pardon, vergiffe- 
nis, vergeving. — ! i. par- 
don I -ar^ V. pardoneren, 
vergiffenis schenken, ver- 
geven. 

parent, a. verwant, vermaag- 



174 



parentes — pasaj 



schapt; bloedverwant, -el, 
s . maagschap, verwant- 
schap, bloedverwantschap. 

parentes, s. parenthese, 
haakje, teksthaakje. 

parfum, s. parfum, reukwerk. 
-ar, V. parfumeren. 

pari, s. pari, weddenschap. 
-ar^ V. pariëren, wedden,- 
verwedden. 

pariet, s. wand. 

parl(, s. park. 

parlcet, s. parket. 

parlament, s. parlement (ver- 
gadering van volksver- 
tegen woordigers,inzonder- 
heid in Engeland). 

parlamentar, v . parlemen- 
teren, onderhandelen, -er, 
s . parlementair, onderhan- 
delaar . 

parlar, v. spreken, praten. 

parodi, s. parodie (boertige 
vorm aan een ernstig stuk 
gegeven) . 

parokl, s. parochie, kerspel. 
-an, a. parochiaal; paro- 
chiaan . 

parol, s. woord. — deriv6(i, af- 
geleid woord — l(0-p0S6(i, 
samengesteld woord. 

parol-sort, s. rededeel. 

parsel, s. parceel, stuk, deel 
van een geheel, deeltje. 
-ar, V. in stukken delen, 



verbrokkelen. 

parsimoni, s. spaarzaamheid, 
zuinigheid, -ar, v. sparen, 
besparen, -os, a. spaar- 
zaam, zuinig. 

partar, v. vertrekken, af- 
reizen, -ad, s. vertrek, 
afreis. 

parter, s. parterre (verdie- 
ping gelijkvloers). 

parti, s. deel, gedeelte, aan- 
deel, -ar, V. delen, verdelen. 
-e, adv. ten dele, gedeel- 
telik. 

partild, s. partikel (klein 
onbuigbaar rededeel, zo- 
als voorzetsels en voeg- 
woorden). 

partil(ular, a. partikulier, 
biezonder. -e, adv. biezon- 
der, vooral, -^sm, s. par- 
tikularisme. -itet, s. par- 
tikulariteit, biezonderheid. 

partis, s. partij, -an, a. tot 
de partij behorende, par- 
tijdig ; partisan, aanhanger, 
voorstander, partijganger. 

partisip, s. deelwoord. 

partisipar, v. participeren, 
deelnemen, deelhebben. 

partner, s. partner (mede- 
danser of speler; mede- 
handelaar). 

pasaJ, s. passage, doorgang, 
doorvaart, overtocht. 



pasajer — paus 



175 



pasajer, s. passagier (reizi- 
ger op een vervoermiddel). 

pasar, v. passeren, door- 
gaan, doortrekken, voor- 
bijgaan, doorgeven, door- 
brengen, overzetten, -ante, 
adv. in 't voorbijgaan, en 
passant (schaakspel). 

pasement, s. passement (snoe- 
ren, tressen, boordsel), -er, 
s. passement werker. 

pasha, s. pasja (turks staats- 
ambtenaar) . 

pasiar, v. intr. lijden, -asixm^ 
s. het lijden, passie (lijden 
van Jezus). 

pasient, a. geduldig, -itet 
(pasiens), s. geduld, pa- 
tiëntie . 

Pasifik (osean pasiflk), a. Stil- 
le oceaan. 

pasion, s. passie, drift, harts- 
tocht, -08, a. hartstochtelik. 

pasiv, a. passief, lijdelik ; 
lijdende vorm (gram.). 
•^tet, s. lijdelikheid . 

pask, s. Pasen. 

paskuil, s. paskwil, schot- 
schrift, pamflet. 

pasport, s. paspoort, reispas, 
pas . 

pasr, s. mus. 

past, s. pasta, deeg. 

pastet, s. pastei. 

pastinak, s. pastinak, pink- 



sternakel (bot.). 

pastor, s. geestelik herder, 
pastoor, dominee. 

pastur, s. weide, -ar, v. wei- 
den, grazen, -an, s. herder. 

pasu, s. pas, tred, schrede, 
stap. -ar, v . treden, schrij- 
den, stappen. 

Patagonta, s. Patagonië. 

patel, s. knieschijf. 

patent, s. patent (vergun- 
ningsbewijs tot het uit- 
oefenen van handel enz. ; 
beschermingsbrief aan uit- 
vinders). 

patin, s. schaats, -ar, v. 
schaatsenrijden . 

patr^ s. vader.-m, s. vaderland. 

patriark, s. patriarch, aarts- 
vader. 

patrimoni, s. patrimonium, 
vaderlik erfdeel. 

patriot, s. patriot, -ik, a. 
patriotties, vaderlandsge- 
zind, -iam, s. patriotisme. 

patrisi, s. patriciër (adellik 
burger ; aanzienlike, grote) . 

patrnostr, s . paternoster, 
vaderons,Onze Vader[het]. 

patron, s. patroon, bescherm- 
heilige, schutsheer. 

patruli, s. patroelje. -ar, v. 
patroeljeren. 

paus, s. pauze, verpozing, -ar, 
V. pauzeren, verpozen. 



170 



pav— pepr 



pav, s. plaveisel, bestrating. 
-ar, V. plaveien, bestraten. 

pavian, s. baviaan. 

pavilion, s. tent, paviljoen. 

pavon, s. pauw. 

payar, v. betalen, afbetalen, 
voldoen. 

payar duan, tol betalen. 

p. e. = pro eksempl, b.v. 
(bij voorbeeld). 

pean, s. pean, loflied, zege- 
lied. 

ped, s. voet. -e, adv. te 
voet. 

pedagog, s. pedagoog, op- 
voedkundige . 

pedagogi; s. pedagogie, op- 
voedkunde.-iA; (pedagogik), 
a. pedagogies, opvoedkun- 
dig. 

pedant, s. pedant, school vos, 
wijsneus, waanwijze, -ik, 
a. pedant, wijsneuzig, 
waanwijs. 

ped-digit, s. teen, toon. 

pedestal, s. pedestal, piëde- 
stal, voetstuk. 

pedikul, s. luis. 

pekar, v. zondigen, -ad, s. 
zonde, -ator, s. zondaar. 

pekt, s. kam. -ar, v. kam- 
raen. 

pektor, s. borst, boezem. 

pel, s. huid. -ar, v. afstro- 
pen, pellen, afpellen, schil- 



len, afschillen. 

pelikan, s. pelikaan. 

pelmel, s. wirwar, mengel- 
moes, warboel. 

pelt, s. pels, pelterij, bout, 
bontwerk. 

pen, s. moeite, -ar^ v. zich 
moeite geven, moeite doen, 
zich bevlijtigen, zich be- 
ijveren, -e, adv. metmoeite, 
nauweliks,ternauwernood . 

pendar, v. hangen (trans, 
en intr.); ophangen. 

pendui, s. slinger (van een 
klok), -ar, v, intr. slin- 
geren . 

penetrar, v. penetreren, door- 
dringen, doorgronden, in- 
dringen . 

peninsul, s. schiereiland. 

penitens, s . penitentie, boete. 

penitent, a. boetvaardig; boe- 
teling, penitent. 

pensar, v. denken, menen. 
-ad, s. gedachte. 

pension, s. pensioen -ar, v. 
pensioneren. 

penta-, pref. betekent pen- 
ta-, vijf-. 

pentametr, s . pentameter 
(vijfvoetig vers). 

pentekost, s. Pinksteren, 
Sinksen . 

peoni, s. pioen (bot.). 

pepr, s. peper, -ar, v. peperen . 



pepton— perpetu 



177 



pepton, s. pepton (voedings- 
middel). 

per, prep^ door. 

per, s. peer. 

perd, s. verlies, -ar, v. ver- 
liezen, kwijtraken. 

perdiks, s. patrijs. 

peregrin, s. pelgrim, bede- 
vaartganger, -ar^ V. op 
bedevaart gaan . -aaion, s . 
pelgrimage, bedevaart. 

per-fasiar, v. voleinden, vol- 
eindigen, voltooien, vol- 
voeren, afmaken, volbren- 
gen. 

perfekt, a. perfekt, volmaakt, 
volkomen ; voltooid tegen- 
woordige tijd (gram.) . -ifir 
htr, V. volmaken, -itei 
(perfeksion), s. perfektie, 
volmaaktheid, volkomen- 
heid. 

perAd, a arglistig, trouwe- 
loos, 'itet^ s. arglist, trou- 
weloosheid, perfidie. 

perforar, v. boren, doorbo- 
ren, perforeren. 

pergamen, s. perkament, per- 
kement. 

periar, v. te gronde gaan, 
ondergaan, verongelukken, 
omkomen, om het leven 
komen, sneuvelen. 

periferi, s. periferie, cirkel- 
omtrek, omvang, -ik (pe- 



riferik), a. periferies. 

periki, s. perikel, gevaar. 
-os. a.perikuleus, gevaarlik. 

periodyS. periode, tijdruimte, 
tijdperk, tijdvak. -tA;, a. 
periodiek . 

per kontant, adv. kontant, 
tegen kontante betaling. 

perkutar, v. perkuteren, aan- 
kloppen (med.), houwen, 
hakken, -adon (perkusion), 
s. perkussie. 

peri, s. parel. 

permanar, v.voortduren. -^inty 
part . permanent, voort- 
durend, -aiion, s. voort- 
during, voortduur. 

permision, s. verlof (om 
afwezig te zijn). 

permit, s . veroorloving, ver- 
lof, vergunning, -ar^ v. 
veroorloven, vergunnen, 
permitteren, toestaan. 

permutar, v. verwisselen, rui- 
len (b.v. een ambt); ver- 
plaatsen, omzetten (cijfers, 
letters), permuteren. -asi' 
on, s. verwisseling, ruiling ; 
verplaatsing, omzetting, 
permutatie. 

peron, s. perron. 

perpendikular, a. perpendi- 
kulair, loodrecht, recht- 
standig. 

perpetUy a. perpetueel, altyd- 
12 



178 



perpleksar — petulant 



durend, onafgebroken, -e, 
adv. -itet, s. onafgebroken 
voortduring. 

perpleksar, v. verbluffen, 
overbluffen, -ed, part. per- 
plex, verbluft, verbijsterd, 
verward, onthutst,bedrem- 
meld, besluiteloos, -itet^s, 
perplexiteit, verbijstering, 
verwarring, bed rem meld - 
heid, besluiteloosheid. 

persar, v. spietsen, doorste- 
ken, doorboren. 

persekuar, v. persekuteren, 
vervolgen . 

perseptar, v. bemerken, mer- 
ken, waarnemen, bespeu- 
ren, gewaarworden. 

persever, s. volharding, -ar, 
V. volharden, volhouden, 
persevereren. 

Persta, s. Perzië. 

persik, s. perzik. 

person, s. persoon. 

personal, a. persoonlik. nom 

— , voornaam, pronom 

— , persoonlik voornaam- 
woord. 

perspektlv, s. perspektief, 
doorzichtkunde, verge- 
zicht, vooruitzicht. -iA;, a. 
perspektivies. 

perspikas, a . scherpziend . 
-tfei, s. scherpziend ge- 
zicht, perspikaciteit. 



persuadar, v . persuaderen, 
overreden, overhalen, be- 
praten, -aston (persuasion), 
s. persuasie, overreding. 

pertinent, a. pertinent, pas- 
send, gepast, behoorlik. 

Peru. s. Peru. 

peruK, s. pruik. 

pervers, a. pervers, verdor- 
ven, -e, adv. -itei, s. per- 
versiteit, verdorvenheid. 

peryuri, s. meineed, -ar^ v. 
meinedig worden. -o«, a. 
meinedig . 

pes, s. pek, pik. 

pesar, v. zwaar zijn, wegen. 
-ad, s. zwaarte, gewicht. 
-ant, part. zwaar. 

pes Huid, teer. 

peslmist, s. pessimist (die 
alles van de kwade zij op- 
neemt) . 

pest, s. pest. 

petision, s . petitie, verzoek- 
schrift, -ar^ V. petitione- 
ren, een verzoekschrift in- 
dienen. 

petr, s . steen, -atr^ a. steen- 
achtig, 'ifikarj v. verste- 
nen, petrificeren. -o«, a. 
steenrijk. 

petrole, s. petroleum. 

petrosel, s. peterselie, pieter- 
selie . 

petulant, a. moedwillig. -tte^ 



pianin— planet 



179 



(petulans), s . moedwil, 
raoed willigheid . 

pianin, s. pianino. 

piano, s. piano, -ist (pianist), 
s. pianist. 

pies, s. stuk (dat op zich 
zelf een geheel vormt, b.v. 
een geldstuk). 

piet, s. vroomheid, -ik, a. 
vroom, -ism, s. piëtisme. 
-iêt, s. piëtist. -08, a. god- 
vruchtig, pieus. -ositet^ s. 
godsvrucht. 

pignor, s. pand, onderpand. 

piK, s. piek. -ar, v. steken, 
prikken, -et, s. piket, pi- 
ketpaal, paaltje. 

pii(as, s. ekster. 

pii(i^ s. specht, -ik, a., de 
piki, spechte-. 

piktar, V. schilderen, be- 
schilderen, afschilderen . 
-ad, s. schilderij. -<mon, 
s. schilderkunst, -aior, s. 
schilder . 

pilastr, 3. pilaster, pijler, pi- 
laar. 

pilot, s. loods, piloot, -ar^ 
V. loodsen. 

pilui, s. pil. 

pin, s. pijn, pijnboom. 

pins, s. tang. -ar^ v. knijpen, 
knellen, -er, s. neusknij- 
per, knijpbril, pince-nez. 

pinsl, s. penseel. 



pip, s. pijp, tabakspijp. 

piramid, s. piramide. 

pirat, s. piraat, zeerover. 
-ar, V. zeeroof plegen. 

Pireneik (monti pireneik), a. 
Pyreneën . 

pirit, s. vuursteen. 

piroteknik, s. pyrotechniek 
(vuurwerkerskunst). -aZ, 
a. pyrotechnies. 

pis. s. ert. 

pisk, s. vis. -ar, v. vissen. 
-ator^ s. visser. 

pisk-gres, s. traan. 

pistol, s. pistool. 

piston, s. piston, zuiger. 

pitoresk, a. pittoresk, schil- 
derachtig. 

pituit, s. slijm, -oa, a. slij- 
mig. 

pivot, s. spil. -ar^ v. om zijn 
spil draaien. 

plakar, v. verzoenen, -abl^ 
a. verzoenbaar, verzoenlik. 

plakard, s. plakaat. 

plan, s . vlakte, vlak. -ar, v. 
planeren . -ifikar, v. vlak- 
maken, vlakken, effenen . 
'ik, a. vlak. 

planet, s. planeet (donkere 
bol, in elliptiese baan zich 
bewegend om een vaste 
ster, inzonderheid de zon, 
en van deze licht en 
warmte ontvangend). 



180 



plank— plum 



plank, s. plank, deel. -ar, 
V. met planken beleggen. 

plant, s . plant, -ar, v. plan- 
ten, -a;, s. plantage. 

plas, s. plaats, plek; ruit, 
veld (op het schaakbord). 
-ar^ V. plaatsen, stellen, 
zetten, leggen, -u, prep. 
in plaats van. 

plas^ ke, k . in plaats dat. 

plastik, a. plasties (aan- 
schouwelik door vormen). 
'itet^ s. plastiek (boetseer- 
kunst ; lichamelik vor- 
mende kunst). 

plastr, s. pleister (med.). 

plat, s. plat. -ar, v. platma- 
ken, platten, pletten, strij- 
ken (van wasgoed). -oS, 
s . schotel, schaal, gerecht. 
-ih^ a. plat. 

platan, s. plataan (bot.). 

platform, s. platform (ver- 
hoging waarop men staat 
om iets goed te overzien). 

platll, s. bord, tafelbord. 

platin, s. platina (Pt). 

platont/^, a. platonies (naar 
de leer van Plato; gees- 
telik, bovenzinnelik). 

plausibl, a. plausibel, geloof- 
waardig, aannemelik. 

plebe, s. plebejer (onadellike 
bij de Romeinen ; burger- 
man), -ik, a. plebejies. 



plen, a. vol. Hfikar^ v. vol 
maken, vullen, opvullen. 
-itet, s. volheid. 

pleni-, pref. duidt volheid aan, 

pleni\m, s. volle maan. 

plenifoient, a. gevolmach^ 
tigd. 

pleslr, s. plezier, genoegen,, 
vermaak. 

plik, s. vouw, plooi. -ar,y^ 
vouwen, samenvouwen,, 
plooien . 

pil sar, V. behagen, believen, 
bevallen, -ad, s. believen, 
welgevallen, -ik, a. welge- 
vallig. 

plomb, s. lood (Pb), -ar, v. 
plomberen . 

plonjar, v. duiken, neerdui- 
ken, onderduiken, zinken. 

plu, adv. meer; vormt de 
vergrotende trap, b.v. plu 
grand, groter; plu tard^, 
later, -ar, v. vermeerde- 
deren, versterken, vergro- 
ten, -ad, s. overschot, sur- 
plus, -foa, adv. meermalen. 

p\u-bonifikar, v. verbeteren, 
beteren. 

plug, s. ploeg, -ar, v. ploe- 
gen, beploegen, omploe- 
gen. 

plu-grand-patr, s. overgroot- 
vader. 

plum, s. veder, veer, pen. 



plu-mali^/car—po-raedl-dlurn 



181 



-a;\ s. gevederte, pluimage. 

plu-mali^A:ar, v. verergeren, 
verslimmeren. 

plu... plu, adv. hoe... des te. 

plu-po-^dlurne, adv. over- 
morgen. 

plu-pr^aidiurne, adv. eergis- 
teren, eergister. 

plural, s . pluralis, meervoud. 

piush, s. pluche, pluis. 

pluskuamperfekt, s. voltooid 
verleden tijd (gram.). 

pluvj, s. regen, -ar^ v. rege- 
nen, -od, a. regenachtig. 

plu volontare, adv. eer, eer- 
der, liever, veeleer. 

po, prep. achter, na (tijd of 
plaats). 

po-brev&, adv. binnenkort, 
spoedig, weldra, -i/f, a. 
spoedig . 

podagr, s. podagra, jicht. 
'08^ a. podagreus, jichtig. 

podium, s. podium (voorste 
deel van het toneel). 

poem, s. poëem, gedicht. 

poesi, s. poëzie, dichtkunst. 

poet, s. poëet, dichter, -ih^ 
a. poëties, dichterlik. 

poetisar, v. poëtiseren, dich- 
ten. 

po ke, k. nadat. 

pol, s. pool (aspunt; punt 
waar de magneet het 
sterkst aantrekt). 



poli"^ pref, duidt veelheid 
aan. 

jL»o{tangul, s. veelhoek. 

poliar, V. poleren, polysten, 
gladmaken, slijpen . -ad^ 
s. slijpsel. 

poliplot, s. polyglot (iemand 
die vele talen kent), -ih^ 
a. polyglotties. 

poliVA^iky a. veelhoofdig, 
veelkoppig . 

pollp, s. poliep. 

polis, s . polis, verzekerbrief. 

polisi, 6. policie, politie. 

polit, a. hoffelik, beleefd. 
'iiet^ s. hoffelikheid, be- 
leefdheid . 

poiiteknik, s . pol ytechniek 
(leer van de nijverheid 
en de mechaniese kuns- 
ten). -aZ, a. polytech- 
nies. 

politik, s. politiek, staat- 
kunde, -al, a. politiek, 
staatkundig. 

polka, s. polka. 

Polonta, s. Polen. 

pols, s. duim. 

poltron, a. laf; lafaard, pol- 
tron. 'itety s. lafheid. 

pom, s. appel. 

pomad, s. pomade, haar- 
zalf. -aVy V. pomaderea. 

po-medi-diurn, s. namiddag. 
-e, adv. 's namiddags. 



182 



Pomerania — posterior 



Pomeranta, s. Pommeren. 

pomis, s. puimsteen . -ar^ v. 
puimen, puimstenen, met 
puimsteen afwrijven. 

pomp, s. pracht, staatsie, 
praal, pronk . -o«, a. prach- 
tig, pompeus. 

ponderar, v. wegen, het ge- 
wicht bepalen. -oiZ, a. 
weegbaar, -ator, s. weeg- 
schaal. 

pont, 8. brug. 

ponton, 8. ponton (brugge- 
schuit) . 

popl, s. volk. -ar, V. bevol- 
ken. -o«, a. volkrijk, be- 
volkt, populeus. 

popular, a. populair (bemind 
door ofbevattelik voorhet 
volk), -ttei, s. populari- 
teit. 

por, s. porie (ijle, doch vaak 
onmerkbare ruimte tussen 
de vaste delen van de 
lichamen). -o«, a. poreus. 

pork, s. zwijn, varken. 

porselan, s. porselein (fijn 
aardewerk) . 

poraion, s. portie, porsie. 

port, s. haven. 

porta. s. deur. 

portal, s. portaal. 

portar, v. dragen. 

portar Interest, interest ge- 
ven. 



portfoli, s. portefeuille, brie- 
vetas. 

portik, s. portiek (open ga- 
lerij of zuilegang, waar- 
van het dak op zuilen of 
arkaden rust). 

portmoné, s. portemonnaie^ 
portemonnee. 

porto, 8 . porto, port, vracht- 
loon, ver voerloon, bode- 
loon. 

portret, s. portret, -ar, v, 
portretteren, afbeelden. 

Portugalta, s. Portugal. 

pos, 8 . pose, houding, stand^ 
-avy V. poseren, stellen, 
zetten, leggen. 

poses, s. bezit, -ar^ v. be- 
zitten, -adj s. bezitting, 
goed, have. 

poslbl, a. possibel, mogelik. 
-«, adv. misschien, wel- 
licht, mogelik. -itet^ s. 
possibiliteit, mogelik beid. 

po-sidiurn^, adv. morgen. 

posltiv, a. positief ; stellende 
trap (gram.). -«, adv. po- 
sitief, zeker, -ism, s. po- 
sitivisme, -itet, s. positief- 
heid. 

post, s. post. 

posterior, a. posterieur, la- 
ter, achterstaand, -e, adv. 
posterieur, later, achter, 
achteraan, -itety s. posteri- 



pastentet— prcwedHÜMrug 



183 



oriteit . 

posteiïtet, s. posteriteit, oa- 
komelingschap . 

posthuiH, a. p<^huiEius, na 
de dood van de vader 
geboren. 

piistilion, s. postiJjon, post- 
rijder . 

post-kart, s. postkaart, brief- 
kaait. 

post-mark, s. postzegel. 

pot, s. pot, kan. 

potash, s. potas. 

potat, s. aardappel. 

potent, a. machtig, vermo- 
gend, puissant. -itet (po- 
tene), s. macht. 

potesar, V. kunnen. 

povr, a. arm, armoedig, po- 
ver, eskar, v. arm wor- 
den, verarmen, -itet^ s. 
armoe. 

praktik, s. praktijk, -ar, v. 
praktizeren . -ahl, a. prak- 
tikabel, uitvoerbaar, -abli' 
tet^ s. uitvoerbaarheid, -al, 
a. prakties. 

prat, s. weide, weiland. 

pre-, pref. betekent, evenals 
het voorzetsel ante, voor. 

predesesor, s. voorvader, 
voorzaat . 

predikar, v. prediken, pre- 
ken, -a/i, s. preek, -asion, 
s. prediking, -ator, s. pre- 



diker, predikant. 

predileksion, s. predileküe, 
voorliefde. 

prefekt, s. prefekt (land- 
voogd; hoofd van een de* 
partement in Frankrijk). 

preferar, v . prefereren, ver- 
kiezen, de voorkeur geven 
aan. voortrekken. -a6Z, a. 
preferabel, verkieslik, ver- 
kieselik. -ad^ s. preferentie, 
voorkeur. 

prefiks, s. voorvoegsel. 

preg, s. bede, verzoek, -^xr^ 
V. vragen, verzoeken. 

pre^ar pardon, om vergiffe- 
nis vragen. 

pregar urganto, dringend 
vragen. 

prek, s. gebed, bede. -ar^ 
V. bidden. 

prekaut, s. voorzichtigheid, 
voorzorg, omzichtigheid. 
-ar^ V . waarschuwen . -asi- 
on, s. waarschuwing. 

preiat, s. prelaat (voornaam 
geestelike). 

preliminar, a. preliminair, 
inleidend, voorlopig. 

prelonge, adv. eertijds, voor- 
heen, eens (verleden). 

p*dud, s. prelude, voorspel. 

prematur, a. vroegrijp, 

premedi-diurne, adv. 'svoor- 
middags. 



184 



premi— prestar luade 



premi, s. premie, prijs, -ar, 
V. premieren, een prijs 
geven. 

prendar. v. nemen. 

prendar pro kredit, borgen. 

prendar eu se, op zich nemen, 
overnemen. 

preoku\j s. bnl. 

preparar, v. prepareren, voor- 
bereiden, bereiden, gereed- 
maken, toerusten, -arion^ 
8. preparatie, voorberei- 
ding, bereiding, toerusting. 

preposision, s. prepositie, 
voorzetsel. 

prepueiy s. voorhuid. 

prerogatiVy s. prerogatief, 
voorrecht. 

pree, s. pers, drukpers, -ar, 
V. persen, drukken. 

presbiop, a. verziend. 

preebitr, s. priester, presby- 
ter, -ad, s. priesterschap. 
'ik^ a. priesteriik. 

preneiar, v. presideren, voor- 
zitten, -ant, part. voorzit- 
ter. 

present, a. present, prezent, 
tegenwoordig, aanwezig; 
onvoltooid t^enwoordige 
tijd (gram.), -üet (pre- 
sens), s. presentie, prezen- 
tie, tegenwoordigheid, aan- 
wezigheid, -ti, prep. in 
tegenwoordigheid van, in 



presentie van. 

presentar, v. presenteren, 
prezenteren, voorsteilen, 
voorlagen, voorzetten. 

presentimenty s. voorgevoel. 
-ar, V, voorgevoelen. 

presepi, s. krib, voederbak. 

preseptor, s. preceptor, leer- 
meester, onderwijzer, on- 
derrichter, -ar, V. onder- 
wijzen, onderrichtenjeren. 

preservar, v. pniserveren, 
behoeden, bewaren, vrij- 
waren. 

presidentes, president (hoofd 
van een gemenebest). 

presiéïurae, adv. gistteren, 
gister. 

presios, a. kostbaar, preci- 
eus. -iteL s. kostbaarheid. 

presipis, s. afgrond, steile 
af helling. 

presipitar, v. storten, neer- 
storten. 

presis, a. precies, presies. 

preskribar, v. voorschrijven. 
-asion, s. voorschrift, re- 
cept of resept (van een 
dokter). 

prestar, v. presteren, ver- 
richten, lenen, -oston, s. 
prestatie, verrichting, le- 
ning. 

prestar avans^, voorschieten. 

prestar \üade, verhuren. 



pretekst— produktar briki 



185 



pretekst, s. pretext, voor- 
wendsel . 

pretendar, t. pretenderen, 
aanspraak maken, beweren 
(ten onrechte). 

preurb, s. voorstad. 

prcvenlar, v. preveniëren, 
voorkómen, opmerkzaam 
maken. 

prev'imr, v. voorzien, voor- 
uitzien. 

preyudisi, s. vooroordeel. 

prim, n. eerste, -cm, a. leer- 
ling van de Ie (hoogste) 
klas. -e, adv. ten eerste, 
primo, "foa, n. (voor) de 
eerste keer, (voor) de 
eerste maal. 

primitiv, a. primitief (oor- 
spronkelik, eerst, vroegst). 

primi, s. primula (bot.). 

phmogenitur, s. primogeni- 
tuur, eerstgeboorte. 

prins, s. prins, vorst. 

prinsip, s. principe, beginsel, 
grondbeginsel, -ik, a. prin- 
cipieel. 

prinsipal, a. principaal, hoofd- 
zakelik. -6, adv. 

prior, a. eer, eerder, vroe- 
ger, voorafgaand, -ttet, s. 
prioriteit, voorrang. 

pris, s. prijs. 

prism, s. prisma (kantzuil; 
driezijdig geslepen glas). 



pnson, s. gevangems. -^avy v. 
gevangennemen, -ad, s. 
gevangenschap, -er, s. ge- 
vangene. 

pristin, a. vorig, voormalig. 

prlvor, V. priveren, beroven, 
onttrekken. 

privat, a. privaat (afzonder- 
lik; niet openbaar; ambte- 
loos). 

priviJeg, s . privilege, voor- 
recht, -ar, V. privilegiëren. 

pro, prep. voor, pro. 

prob, a. rechtschapen, dege- 
lik, deugdelik, grondig. -6, 
adv. door en door. "itet, s. 
rechtschapenheid, degelik- 
heid, deugdelikheid, gron- 
digheid. 

probabi, a. probabel, waar- 
schijnlik. -6, adv. 

problem, s. probleem (vraag- 
stuk). 

probosk, s. tromp, snuit, 
slurf. 

prodig, s. verkwister, ver- 
spiller. 'ar,y. verkwisten, 
verspillen, ^aaion, s. ver- 
kwisting, verspilling, pro- 
digaliteit. -ik^ a. verkwis- 
tend, verspillend. 

produkt, s. produkt, voort- 
brengsel, -ar, V. produ- 
ceren, voortbrengen. 

produktar briki, steen bakken. 



186 



profanar— propagar 



profanar, v . profaneren, ont- 
heiligen, ontwijden, -ik, 
a. profaan (oningewijd; 
onheilig, heiligschennend). 

profesion, s. professie, he- 
roep. 

profesor, s . professor, hoog- 
leraar . 

profet, s. profeet, -ar, v. 
profeteren, voorspellen . 

profil, s. profiel, doorsnede. 

profit; s. profijt, voordeel, 
nut. -ar, v. profiteren, 
voordeel trekken . -u, prep. 
ten voordele van, tot nut 
van. 

profund, a. diep. -ifikar,y. 
verdiepen, uitdiepen. 

prognos, s. prognose, voor- 
zegging, -ar, V. voorzeg- 
gen. 

program, s. program, pro- 
gramma . 

progres, s . vooruitgang, vor- 
dering, -ar, V. vooruit- 
gaan, vorderen. 

proklamar, v. proklameren, 
afkondigen . -asion, s. pro- 
klamatie, afkondiging. 

proksim, a. nabijgelegen. -e, 
adv. na, nabij, dichtbij. 
-itetj s. nabijheid, proxi- 
miteit. -w, prep. in de 
nabijheid van. 

prokur, s. prokura, prokura- 



tie, volmacht, -ar, v. ver- 
schaffen, aanschaffen, be- 
zorgen, voorzien van. -i«(, 
s. prokureur. 

prolog, s . proloog (voorrede ; 
voorafspraak) . 

prolongar, v . prolongeren, 
verlengen, -a^ton, s. pro- 
longatie, verlenging. 

promenar, v . promeneren, 
wandelen, -ad, s. prome- 
nade, wandeling. 

promet, s. belofte, toezeg- 
ging . -ar, V . beloven, toe- 
zeggen . 

promontori, s. voorgebergte. 

promovar, v . promoveren, 
bevorderen . 

pronom, s. pronomen, voor- 
naam woord . — demonstra- 
tiv, aanwijzend vnw. — 
indeflnit, onbepaald vnw. 

— interogativ, vragend 
vnw. — Korelativ, korre- 
latief vnw. — personai, 
persoonlik vnw. — po- 
sesiv, bezittelik vnw. — 
refleksiv, wederkerig vnw. 

— relativ,betrekkelik vnw. 
pronunsiar, v. prononceren, 

uitspreken, -asion, s. pro- 
nonciatie, uitspraak. 
propagar, v . propageren, 
voortplanten, uitbreiden, 
verbreiden, verspreiden . 



proporsion-prov 



187 



-asiony s . voortplanting, 
uitbreiding, verbreiding, 
verspreiding . 

proporsfon, s. proportie, 
evenredigheid, verhou- 
ding, -ar, V. proportio- 
neren, evenredigen, even- 
redig maken, in verhou- 
ding brengen. 

proposar, v . vooi'steilen , 
voorslaan, proponeren . -a- 
sion, s . voorstel, voorslag, 
propositie . 

proposision, s. volzin, zin 
(gram.). 

propr, a. ei^en, eigenlik. 
-e, adv. -ttet, s. eigen- 
dom. 

prosa, s. proza (ongebonden 
stijl, in tegenstelling met 
poëzie), -tkf a. prozaïes. 

prosed, s. procédé, handel- 
wijze, -ar^ V. procederen, 
te werk gaan. 

prosent, s . procent, percent, 
persent. 

proseè, s. proces, geding, 
rechtsgeding, -ar, v. pro- 
cederen, een proces voe- 
ren. 

prosesion, s. processie (plech- 
tige ommegang). 

proskrlbar, v. proskriberen, 
vogelvrij verklaren. 

prosodi, s. prosodie (leer 



van de lettergrepen, het 

! akcent en de versmaat), 
-i/f (prosodik), a. proso- 

I dies . 

j prosperar, v. prospereren, 

I gedijen, voorspoedig zijn. 

I prosperitet, s. prosperiteit, 

I voorspoed, welzijn, wel- 

j vaart, heil. 
protektar, v. protegeren, 
ondersteunen,beschermen. 
-asion (proteksion), s. pro- 
tektie, ondersteuning, be- 
scherming, -ator (protek- 
tor), s. protektor, onder- 
steuner, beschermer. 
protest, s. protest (verzet, 
tegenspraak) . -ar, v . pro- 

] testeren, -ant, part. pro- 
testants; protestant, -an- 

I tism, s. protestantisme. 

! protO', pref . duidt oorsprong 

j aan. 

I protofor^sX, s . oerwoud . 
protokol, s. protokol (be- 
richt van het voorgeval- 
lene) . -ar, V. protokolleren. 

' j>ro tometal, s. erts. 

, protoparol, s . stam woord . 
p)'otos\r, s. honingraat. 

i prototip, s . prototype (eerst, 
oorspronkelik model). 

i prov, s. proef, poging, -a?-, 

■ V. beproeven, proberen, 

1 - pogen. 



188 



proveniar— pump 



provenlar, v. afkomen, voort- 
komen, herkomstig zijn. 

proverb, s. spreekwoord. 

provins, s. provincie, pro- 
vinsie. 

provision, s. provisie, pro- 
vizie, voorraad. 

provisort^, a. provisories, 
voorlopig. -6, adv. 

pro-vite, adv. levenslang. 
'ik, a. 

provokar, v. provoceren, uit- 
dagen, tarten, tergen. 

proyekt, s. projekt, ontwerp, 
plan . -ar, v . projekteren, 
ontwerpen, een plan ma- 
ken, beramen. 

ppud, a . prude, preuts, -itet, 
s. pruderie, preutsheid. 

prudent, a. bezonnen, be- 
dachtzaam , voorzichtig . 
'itet (prudens), s. bezon- 
nenheid, bedachtzaamheid, 
voorzichtigheid, prudentie. 

pruf, s. bewijs, -ar, v. be- 
wijzen, prou veren. 

prun^ s. pruim. 

truriar, v. jeuken 
rusia^ s. Pruisen. 
psalm, s. psalm. 
psevdo-, pref. duidt iets 
aan dat niet authentiek, 
niet echt is. 
pseudonom (pseudonim), s. 
pseudoniem, schuilnaam . 



publlk, s. publiek, -ar, v. 
publiceren, bekendmaken, 
openbaarmaken, afkondi- 
gen. 

pudar, V. zich schamen. 
'ifikar,Y, beschamen. -iA;, 
a. pudiek, schaamachtig, 
eerbaar, -ikitet, s. schaam- 
achtigheid, eerbaarheid . 

pudr, s. poeder, -ar, v. poe- 
deren, bepoederen. 

puer, s. knaap, jongen, -a, 
s. meisje. 

puerll, a. pueriel, kinder- 
achtig -itet, s. puerili- 
teit, kinderachtigheid. 

puit, s. schacht, put. 

pulk, s. vlo. 

pulmon, s. long. 

pulp, s het vlezige aan de 
lichamen van dieren en 
planten, -oa, a. vlezig. 
-odtet, s. vlezigheid. 

pulp de gamb, kuit. 

puls, s. pols. -ar, v. pols- 
slagen geven, kloppen. 

pulv. s. het stof. 

pulvfn, s. kussen. 

pulvr, s. pul ver, poeder, bus- 
kruit, -ar (pulverlsar), v. 
pulveriseren, poederen, tot 

Roeder stampen. 
, rr-min, s. mijn, kruit- 

mijn. 
pump, s. pomp. -ar, v. 



pun — rang 



189 



pompen . 

pun^ s. vuist. 

puni, s. straf. '<vr, v. straf- 
fen, bestraffen, afstraffen. 

puniard, s. ponjaard, dolk. 
-ar, V. ponjarderen. 

punkt, s. het punt, stip, 
stippel, de punt (leesteken). 
-ar, V . punteren, stippelen. 

punkt de vis, gezichtspunt, 
oogpunt, standpunt. 

punktual, a . punktueel, stipt. 
'iXet^ s . punktualiteit, stipt- 
heid. 

punsh, s. punch, pons. 

punt, s. de punt, spits. 

pupj s. pop. 

pupil, s. pupil, pleegkind. 

puplla, s. pupil, oogappel. 

pur, a. puur, rein, zuiver, 
louter, -ifikar, v. purifice- 
ren, purifiëren, reinigen, 
zuiveren, louteren . -itet, 
s . puurheid, reinheid, zui- 
verheid. 

purgar, v. purgeren (de buik 
zuiveren), -asion, s. pur- 
gatie. -atóv, a. purgatief. 

puritan, a. puriteins; puri- 
tein (gestrenge protestant). 
-aniam, s. puritanisme. 

purpur, s. purper. 

pus, s. stoot, stomp, dwwy 
douw. -^r^ V. stoten, stom« 
pen, duv^en. 



pus-kar, s. kruiwagen. 

pustul, s. uitslag, huiduitslag. 

putr, a. bedorven, rot, verrot. 
-eskar, v. bederven, rotten, 
verrotten, -eakasion, s. be- 
derf, verkrotting, ontbin- 
ding, putrefaktie. 



rabat, s. rabat, korting, -ar^ 
V. rabatteren, korting 
geven . 

rabin, s. rabbijn (israëlities 
geestelike). 

rabot, s. schaaf. -aVf v. 
schaven . 

rad, s. rede, ree (voor schepen). 

radi, s. radius, straal, -ar, 
V stralen . -ad, s . spaak, 
speek, -ik (radiai), a. 
straal-, radiaal. 

radik, s. radix, wortel, stam 
(gram.), -al, a. radikaal. 

radis, s. radijs. 

rafinar, v. raffineren, ver- 
fijnen. 

ram, s. tak, twijg, -ifikar, 
V. zich vertakken. 

ramp, s. schuins vlak, zachte 
helling, oprit. 

rampart, s. wal. 

ran, s. kikvors, kikker. 

rang, s. rang, rij, gelid . -^br, 
V. rangeren, rangschikken. 



190 



rankor— redaktar 



rankor, s. wrok, wrevel, 
rankune. 

ransid, a. rans, ransig, gar- 
stig. 'itet, s. ransheid, ran- 
sigheid, garstigheid. 

ranunki, s. ranonkel. 

rap, s. raap, knol. 

rapas, a. roofzuchtig, -itet, 
s. roofzucht. 

rapiar, v. stelen, -ator, s. 
steler, dief. 

rapid, a biezonder snel . -e, 
adv. -itet, s. rapiditeit, 
snelheid. 

rapide kual^ fulmin, adv. blik- 
semsnel . 

rapin, s. roof. 'ar,Y, roven. 
-ator^ s. rover. 

raport, s. rapport, bericht, 
verslag, -ar, v. rappor- 
teren, berichten, verslag 
geven. 

raps, s . raapzaad, knolzaad. 

rapt, s. ontvoering, schaking. 
-ar, V. ontvoeren, schaken. 

rar, a. zeldzaam, schaars, 
raar. -e, adv. zelden, -ifi- 
kar, V. verdunnen, -itet, s. 
zeldzaamheid, rariteit. 

ras, s. ras. 

rasar, V. schaven, raderen, 
scheren, raseren, -atovy s. 
scheermes. 

ra8lonal,a. rationeel (op rede- 
like overtuiging gegrond). 



-ism, s . rationalisme, -itet, 
s. rationaliteit. 

rasp, s. rasp. -ar,v. raspen. 

rastr, s. hark. -^i^r^ v. har- 
ken, -on, s. egge.'Onar^ 
V. eggen. 

ratj s. rat. 

ratiflkar, v. ratificeren, be- 
krachtigen. 

rauk, a, hees, schor, -^tet, s. 
heesheid, schorheid. 

raviar, v. verrukken, ver- 
voeren . -<mon, s. verruk- 
king, vervoering. 

ravin, s. ravijn (holle weg, 
bergkloof ) . 

re-, pref. duidt herhaling of 
terugkomst aan. 

reaktar, v. reageren, terug- 
werken, tegenwerken. -081- 
on (reak8ion),s.reaktie, te- 
rug werking,tegen werking. 

real, a. reaal, reëel, werke- 
lik, wezenlik . -ism, s . re- 
alisme, -itei^ s. realiteit, 
werkelikheid . 

realisar, v. realiseren, ver- 
werkeliken,verwezenliken. 

rebel, s. rebel, muiteling, 
muiter, -ar^ v. rebelleren, 
muiten. 

rebus, s. rebus (teken-, beeld-, 
figuurraadsel) . 

redaktar, v. redigeren, op- 
stellen . 'oaion (redaksion). 



redimar — regnar 



191 



s. redaktie. -ator (redak- 
tor), 8. redakteur, opsteller. 

redimar, v. loskopen, vrijko- 
pen, bevrijden, verlossen. 
asion (redempsion), s. vrij- 
koping, verlossing, -ator 
(redemptor), s. verlosser. 

reéonar, v. teruggeven, weer- 
geven . 

referar, v. refereren (be- 
richten, verslag doen, voor- 
dragen), -ad, s. referaat 
(bericht, verslag). 

refleks, s. reflektie, terug- 
kaatsing, ^weerkaatsing, 
weerschijn, spiegeling, -^r, 
v.reflekteren.terugkaatsen, 
weerkaatsen, terugstralen, 
spiegelen, afspiegelen. 

reflektar, v. reflekteren, over- 
denken, nadenken, over- 
wegen, bezinnen. 

refluks, s. eb, ebbe. 

reform, s. reform, -ar, v. 
reformeren, hervormen, 
vervormen, -aseion, s. re- 
formatie, hervorming, ver- 
vorming, -ator, s. reforma- 
tor, hervormer, vervormer. 

refrangar, v. breken (van 
stralen), -ahl, a. breek- 
baar, -ahlitet^ s. breek- 
baarheid . 

refreskar, v. afkoelen, ver- 
frissen, opfrissen. 



refugi, s. toevlucht, schuil- 
plaats, -ar, V. toevlucht 
nemen. 

refus, s. refuus, weigering, 
afwijzing, -ar, v. refuse- 
ren, weigeren, afwijzen. 

refutar, v. weerleggen, refu- 
teren. -asiony s. weerleg- 
ging. 

reg, s. koning (ook in het 
schaakspel), -a, s. konin- 
gin (ook in het schaak- 
spel) . 

regalar, v. regaleren, ont- 
halen, vergasten. 

regard, s. regard, opzicht, 
-u, prep. ten opzichte van, 
opzichtelik. 

regat, s. regatta, zeilwed- 
strijd . 

regenerar, v . regenereren, 
weder voortbrengen, her- 
scheppen, -asion, s. re- 
generatie, wedervoortbren- 
ging, herschepping, weder- 
geboorte, -ator, s. her- 
schepper. 

regiment, s. regiment. 

reaion, s. streek (aard- 
lucht-, land-). 

registr, s. register, -ar, v. 
registreren . 

regl, s. regel. 

regnar, v. heersen over, be- 
heersen, regeren, -ator, 



192 



regnikol— religi 



s. heerser, regeerder, -ia, 
s. rijk. 

regnikoly s. ingezetene. 

regres, s. teruggang, ach- 
teruitgang, -ar, V. terug- 
gaan, achteruitgaan. 

regret, s. spijt, leedwe- 
zen, -ar^ V. spijt hebben 
over, betreuren, -cl i. 
helaas I 

regular, v. reguleren, regu- 
lariseren, regelen. 

regular, a. regelmatig, ge- 
regeld, 'itet, s. regelma- 
tigheid, regelmaat, gere- 
geldheid. 

rehabilitar, v. rehabiliteren 
(in eer, goede naam her- 
stellen). 

rekapitular, v. rekapituleren, 
samenvatten. 

reklam, s. reklame (alles wat 
dient om de aandacht van 
het publiek te trekken). 

reklamar, v. reklameren, 
terugvorderen . 

rekolt, s. oogst, -ar^ v. 
oogsten. 

rekomendar, v. rekomman- 
deren, aanbevelen, aan- 
prijzen . 

rekompensar, v. rekom pen- 
seren, lonen, belonen, ver- 
goeden, vergelden, -aaion, 
s. beloning, vergoeding, 



vergelding . 

rekonosar, v . Jjerkennen, er- 
kennen. 

rekrear, v. zich ontspannen, 
zich uitspannen . -aaion, 
s. ontspanning, uitspan- 
ning, rekreatie. 

rekrut, s. rekruut, -ar, v. 
rekruteren, werven, aan- 
werven. 

rekt, a. recht, richtig (b.v. 
een rechte lijn, hoek), -ifi- 
kar, V. rektificeren, ver- 
beteren, 'ilet^ s. rechtheid. 

rektor, s. rektor (bestuur- 
der van een latijnse school; 
kerkelike waardigheid). 

rekuisit, s. requisiet, rekwi- 
siet, benodigdheid,vereiste. 

relaslon, s. relatie, betrek- 
king, verhouding, verkeer. 

relativ, a. relatief, betrekke- 
lik. -Uj prep. betreftende, 
met betrekking tot. 

relegar, v. relegeren, weg- 
zenden, verbannen, sjezen 
(van studenten), •'osion, s. 
relegatie, wegzending, ver- 
banning. 

relief, s. reliëf, -ik, a. reliëf, 
verheven (van beeldwerk). 

religi, s. religie, godsdienst. 
-08, a. religieus, godsdiens- 
tig. -osiUt, s. godsdienstig- 
heid. 



relikul— resept 



193 



relikul, s. reliquie, relikwie. 
-ik (relikuiar), a. reli- 
kwieë-. 

reis, s. rail, re^l. 

rels-rut, s. spoorweg. 

rem, s. roeiriem, roeispaan. 
-ar, V. roeien. 

remburs, s. remboersement, 
terugbetaling, -ar, v. rem- 
boerseren, terugbetalen. 

remediy s. remedie, middel, 
geneesmiddel, -ar, v. reme- 
diëren, verhelpen, helen, 
genezen, -dbl, a. heel- 
baar, geneeslik, geneselik . 

reminiskar, v . herinneren . 
-asion, s. herinnering, re- 
miniscentie. 

remors, s. wroeging. 

reroovar, v . removeren, drij- 
ven, voortdrijven, jagen, 
opjagen, verwijderen. 

remov-kest, s. schuifla. 

ren, s. rendier. 

renfors, s. versterking, -ar, 
V . versterken, renforceren. 

renoyar, v. renoveren, ver- 
nieuwen . 

rent, s. rente, -ar, v. renten. 
-ei', s. rentenier. 

renunsiar a kk, v. renon- 
ceren, afzien van iets, iets 
opgeven, verzaken . -asiow, 
s. verzaking. 

reparar, v. repareren, her- 



stellen. 

repast, s. maal, maaltijd. 

repent, s. berouw, -ar, v. 
berouwen . 

repertori, s. repertoire, reper- 
torium (aanwijzingsboeky 
zaakregister ; speellijst) . 

repetar, v. repeteren, her- 
halen, -asion (repetislon), 
s. repetitie, herhaling. 

replik, s. repliek (tegenant- 
woord, te^enbescheid). -ar, 
V. repliceren. 

repositori, s. kast. -^t, s. 
kastje, boekerek. 

reprendar, v. terugnemen. 

representar, v. represente- 
ren, vertegenwoordigen, 
voorstellen, vertonen, op- 
voeren . 

reprimand, s. reprimande, 
berisping -ar, v. berispen. 

reprosh, s. verwijt, -ar, v. 
verwijten. 

reprovar, v . reprouveren, 
verwerpen, afkeuren, la- 
ken . -aèion, s. reprobatie, 
afkeuring . 

republik, s. republiek, -an,, 
a. republikeins; republi- 
kein. 

reputaslon, s. reputatie (naam 
of faam). 

resept, s. recept, resept 
(voorschrift tot bereiding 
13 



19 i 



reserv— ret 



van artseny of voedingj. 

reserVy 8. reserve, voorraad, 
voorbehoud . -ar^ v. reser- 
veren, voorbehouden. 

residar, v . resideren, wonen. 

residiv, s. recidive, instorting 
(bij een ziekte), -er, s. re- 
cidivist. 

resignar, v. resigneren. -cwi- 
OAi, s. resignatie, gelaten- 
heid, berusting. 

resignar se, v. berusten, zich 
gelaten in zyn lot schikken. 

resin, s. hars. 

resiprok, a. wederzijds, we- 
derkerig, -e, adv. 

resistens, s. resistentie, weer- 
stand, tegenstand. 

resitar, v. reciteren, opzeg- 
gen, voordragen. 

resivar, v. ontvangen, krij- 
gen, bekomen. 

resolu8ioii,s.resolutie, besluit. 

resolut, a. resoluut, vastbe- 
raden. 

pesolvar, v. resolveren, be- 
sluiten. 

reson, s. rede. -ar, v. raiso- 
neren, redeneren, overleg- 
gen. -08, a. redelik. 

resonans, s . resonantie, weer- 
galm, weerklank. 

resor, s . ressort, veer, spring- 
veer (aan horloges, sloten 
enz.). 



respekty s. respekt, eerbied. 
-ar, V. respekteren, eer- 
biedigen. 

respektlve, adv. respektieve- 
lik (ieder voor zich). 

respir, s. adem. -ar, v. respi- 
reren, ademhalen, ademen. 
-adon, s . respiratie, adem- 
haling. 

respondy s. antwoord, -ar, 
V . antwoorden, verant- 
woorden, instaan. -abl^SL. 
verantwoordelik, aanspra- 
kelik. -ablitet, s. verant- 
woordelikheid, aansprake- 
likheid . 

rest, s . rest, overschot, over- 
blijfsel, -ar, V, resteren,res- 
ten, overschieten, overblij- 
ven, blijven. 

restar posteriore, achterblij- 
ven. 

restar sol, alleen blijven. 

restaurar, v. laven, verkwik- 
ken, herstellen, -aaian, s. 
herstelling, restauratie. 
-erü s. restaurant. 

restriktar, v. beperken. 

resultar, V. resulteren, blij- 
ken, -ad, s. resultaat, uit- 
slag, uitkomst. 

resureksion, s. opstanding, 
resurrektie. -ar, v. op- 
staan (uit den dode). 

ret, s. net. 



rrtardar — rob 



195 



retardar, v. retarderen, ver- 
tragen. 

ratenar, v. behouden. 

rrtanar, v. ophouden, tegen- 
houden^terughouden^weer- 
houden. 

retlrar, v. retireren, terug- 
trekken, -ad, 8. retirade, 
terugtocht. 

retirar se, v. zich retireren, 
zich terugtrekken,aftreden. 

retort, s. retort (vat met 
omgebogen hals, kolflfles). 

retro, adv. terug. 

retro-vla, s. terugweg. 

return, s. retoer, terugkeer. 
-ar, V. retoemeren, terug- 
keren. 

reumatlsm, s. rumatisme, ru- 
matiek. -ik (reumatik), a. 
rumaties. 

reüniar^ v. reüniëren, her- 
enigen, verzamelen, samen- 
brengen. 

reunlon, s. reünie, hereni- 
ging- 
reverend, a. hoogwaardig. 

revlsar, v. revideren, herzien, 
doorzien, nazien. 

revolt, s. revolte, opstand, 
oproer, -ar, v. revolteren, 
opstaan, oproer maken. 

revolusion, s. revolutie, om- 
wenteling. 

rövoyajar, v. terugreizen. 



ridar, v. lachen. 

rigld, a. rigide, stijf, strak. 
-ifet^ s. rigiditeit, stijfheid, 
strakheid. 

rik. a. rijk, vermogend. •4fi' 
kar^ V. verrijken, -itet, s. 
rijkdom. 

rim, s. het rym. -ar, v. rij- 
men. 

rimbors, s. remboers. -ar, 
V. onder remboers zenden. 

rimes, s. rimesse, remise, 
overgemaakt bedrag. 

rinoseros, s. rinoceros, neus- 
hoorn. 

ris. s. rijst. 

risk, s. risiko, waag, waag- 
stuk, -ar, V. riskeren, 
wagen, durven, zich ver- 
stouten, zich vermeten. 

ritm, s. rythme, rythmus. -ik, 
a. rythmies. 

ritu, s. ritus, kerkgebruik. 

ritual, s. rituaal (voorschrift 
omtrent plechtige hande- 
lingen, inzonderheid in de 
kerk). 

rival, s. rival, mededinger, 
medeminnaar, -ar (rlva- 
lisar), V . rivaliseren, wedij- 
veren. 

rivet, s. neet, niet, klink- 
nagel. -ar, v. neten, nieten, 
klinken, vastklinken. 

rob, s. robe, lang vrouwekleed. 



196 



robust — Rusia 



robust, a. robuust, sterk, 
krachtig. 

rodar, V. knagen, knabbelen, 
kluiven. 

rodium, s. rodium (Rh). 

rop, s. rogge (graan). 

rok, s. rots, klip. 

rol, s. rol (theater). 

roman, s. roman. 

romb,s. rombus, ruit (geom.). 

ronion, s. nier. 

ros, s. roos. 

posi, s. dauw. -ar^ v. dau- 
wen. -iA;,a., de rosi, dauw-, 

rosin, s. rozijn. 

rosmarin, s. rosmarijn, roze- 
marijn. 

rost, s. rooster, -ar, v. bra- 
den, roosteren. -ad,s. ge- 
braad . 

rost-plat, s. braadpan, pan. 

rot, s. rad, wiel. -ar^ v. 
wentelen, -asicm^ s. wen- 
teling, rotatie. 

rot dent6c2, tandrad. 

rotond, a. rond. -ifikar, v. 
afronden, ronden. 

rub, a. rood. -eakar, v. rood 
worden, blozen, -ifikar, 
V rood maken. 

rubidium, s. rubidium (Rb). 

rubin, s. robijn (rood edel- 
gesteente). 

rubl, s. roebel (russiese zil- 
vermunt, waard ± 4 gul- 



den 90 cent). 

rubrik, s. rubriek, afdeling. 
-ar, V. rubriceren, onder 
rubrieken brengen. 

rud, a. grof, ruw, lomp. 
'itet, s. grof heid, ruwheid^ 
lompheid, ruditeit. 

rudimenti, s . rudimenten^ 
aan vangsgronden . 

rug, s. rimpel, -ar^ v. rim- 
pelen. -08, a. rimpelig. 

ruin, s. ruïne, -ar, v. ruïne- 
ren, te gronde richten. 
'Osion, s. verderf. 

rul, s. rol, wals. -ar, v. 
rollen, walsen, -a/, s. ka- 
trol, hijsblok. 

rum, s. rum (geestrijke drank,, 
bereid uit suikerrietsap) . 

Rumanla, s. Roemenië. 

Rumelia, s. Roemelië. 

ruminar, v. herkauwen, -ost- 
on, s. herkauwing. 

rumor, s. rumoer, lawaai^ 
geraas, getier, drukte, le- 
ven, -ar, v. rumoeren,, 
rumoer, lawaai, geraas, 
drukte, leven maken. 

ruptar, V. scheuren, ver- 
scheuren, rijten, -ad, s. 
scheur, reet. 

Rusia, s. Rusland, -ian, a. 
russies (hetgeen tot Rus- 
land behoort); Rus. -iK 
a. russies (in het russies,. 



rustik— sanguint^ 



197 



russies sprekende), -o, s. 

Rus. •a, s. Russin. 
rustik, a. boers, rustiek; 

boer, 
rut, s. baan, gebaande weg» 

route. 
nita, s. ruit, wijnruit (bot.|. 
rutenium, s. ruthenium (Ru). 

8. 

8, (vóór een tel woord) = sirka, 
ca. (cirka, ongeveer). 

aabi, s. zand. -os, a. zandig, 
vol zand. 

sabr, s. sabel. 

saflr, s. saffier (blauw edel- 
gesteente) . 

safran, s. saffraan. 

sagas, a.scherpziunig,schran- 
der. -ito^ s. scherpzinnig- 
heid, schranderheid. 

aagit, s. pijl, schicht. 

saK, s. zak. 

aakrament, s. sakrament 
(kristelik genademiddel) . 

sakristi, s. sakristie, sakristij 
(kerkgereedschapkamer). 

Sakaonia, s. Saksen. 

aal, s. zout. -ar, v. zouten, 
inzouten, -oa, a. zout, 
ziltig. 

salad, s. salade, sla. 

aaiamandr, s. salamander. 

aalar, s. salaris, bezoldiging. 



loon. -ar, v. salariëren, 
bezoldigen. 

aalin, s. saline, zoutwerk, 
zoutziederij . 

aalls, s. wilg. 

saliv, s. speeksel. 

aalmon, s. zalm. 

salon, s. salon. 

aalt, s. sprong, salto, -ar^ 
V. springen. 

aalubr, a. gezond (van lucht, 
land enz), heilzaam. 

salut, s. saluut, groet, -ar, 
V. salueren, groeten, be- 
groeten . 

salv, s. salvo (gelijktijdig 
losbranden van een aan- 
tal geweren of kanonnen). 

salvar, v. redden, -ator, s. 
redder. 

aamarium, s . samarium (Sm). 

san, a. gezond (niet ziek). 
-eskar, v. gezond worden, 
herstellen, genezen, -eska" 
dton, s. herstel, genezing» 
beterschap, -itet, s. ge- 
zondheid. 

sandalt, s. sandalen (bind- 
of snoer zolen). 

Sandomingo, s. San Do- 
mingo . 

sanauin, s. bloed, -ar^ v. 
bloeden. 

sanguini^, a. sanguinies 
(bloedrijk; fig. licht vat- 



498 



sanguln-sug— sejurn 



baar voor vreugde en 
smart) . -iker, s. sanguini- 
kus. 

sanguin-sug, s. bloedzuiger. 

sanKsion, s. sanktie, be- 
krachtigiDg, goedkeuring. 
-ar, V. sanktioneren, be- 
krachtigen, goedkeuren. 

sankt, a. heilig; de heilige. 
-ifikar, v. heiligen, sank- 
tifiëren, sanktificeren. "itety 
s. heiligheid. 

Sanmarino, s. San Marino. 

Sansaivador, s. San Sal- 
vador . 

sanskrit, s. sanskriet (aller- 
oudste taal van Voor- 
Indië) . 

santim, s. centime (y^ frank). 

aaplent, a. wijs. -ttei, s. wijs- 
heid. 

sapon, s. zeep. 

sardin, s. sardientje. 

sark, s. doodkist. 

sarkasm, s. sarkasme (ho- 
nende spot), 'ik (sarkastik), 
a. sarkasties. 

satan, s. satan, -ik^ a. 
satans . 

aatin, s. satijn. -aVj v. sa- 
tineren . 

satir, s. satire, hekelschrift. 

satiro, s. sater (veld- of woud- 
god met bokspoten). 

satisfaktar, v. voldoen, te- 



vredenstellen, bevredigeo. 
-aaion (satisfaksion), s. 
satisfaktie, genoegdoening, 
voldoening, bevrediging . 

saturar, v. verzadigen, -cisi- 
on, s. verzadiging, satura- 
atie. -ed, part. verzadigd, 
zat . 

saturndi, s. Zaterdag, -an, 
a., de saturndi, zaterdags. 

Savoya, s. Savoye. -n, a. 
savoois; Savoyaard. 

86. pr. zich. 

seb, s. talk. 

sebr, s. zebra. 

sed, s. zetel, zitplaats, ^ar, 
V. zetelen, zitten. 

sediment, s. sediment, be- 
zinksel . 

sedl, s. zadel, -ar, v. zade- 
len, opzadelen. 

sedr, s. ceder (altijdgroene 
boom van het pijnbome- 
geslacht, met laagsge- 
wijze takken die een grote 
omvang hebben). 

sedukar, v. verleiden. 

seflr, s. zefier (zachte weste- 
wind, aangenaam koeltje). 

seg, s. zaag. -ar, v. zagen. 

segment, s. segment (ge- 
deelte van een cirkel dat 
door een koorde wordt 
afgesneden) . 

sejurn, s. oponthoud, ver- 



sekin— semblar estran 



499 



blijf, -ar, v. zich ophou- 
den, verblijven, vertoeven. 

sekin, s. zecchine, zequine 
(gouden munt van ver- 
schillende waarde in Ita- 
lië, Barbarije, Arabië enz.) . 

sekond/ s . sekonde (^ mi- 
nuut) . 

sekret, s. geheim, -e, adv. 
geheim. 

sekretar, s. sekretaris. 

seks, n. zes. 

seksdes, n. zestig. 

seksion, s. sektie, afdeling. 

sekst, n. zesde. 

sekstet, s. sextet (muziek- 
stuk voor 6 stemmen of 
instrumenten) . 

seksu, s. sekse, kunne, ge- 
slacht . 

sekt, s. sekte, ^ar^ v. sektes 
vormen . 

sekuar, v. volgen, navolgen, 
voortvloeien, -ad, s. ge- 
volg . -antfoa, adv. de vol- 
gende keer, de volgende 
maal. -aniw, prep. vol- 
gens, ingevolge, ten ge- 
volge van. 

wkuantu komand de, prep. 
op bevel van. 

sékuantu pWsad, naar belie- 
ven, naar welgevallen. 

sekuar medm aspekt, nazien. 

sekuestr, s. sequester, inbe- 



slagneming, beslag, -ar^ 
V. sequestreren, beslag 
leggen op. 

sekul, s. eeuw. -ik (sekular), 
a. sekulair, honderdjarig. 

sekund, n. tweede, -an, a. 
leerling van de 2e klas. 
un — , n. een half (|). 

sekundar, a. sekundair (in 
de tweede plaats komend). 

sekundar, v. sekonderen, bij- 
staan. 

sekur, a . sekuur, zeker, vei- 
lig, -ttei, s. sekuriteit, ze- 
kerheid, veiligheid. 

sel, s. zeil. -ar, v. zeilen. 

selebr, a. beroemd, ver- 
maard, -itet, s. beroemd- 
heid, vermaardheid, cele- 
briteit. 

selektar, v. kiezen, verkie- 
zen, uitkiezen, uitzoeken. 

selen, s. selenium (Se). 

selibat, s. celibaat, onge- 
huwde staat. 

selrl, s. selderie, selderij. 

selul, s. cel, sel. 

sem, pr. zie ei sem, it sem. 

semafor, s. semafoor (kust- 
telegraaf.) 

seman, s. week. 

semblar, v. lijken, gelijken, 
schijnen, uitzien. 

semblar estran, vreemd schij- 
nen, bevreemden. 



tiOO 



sement — sentiment 



sement, s. cement, sement. 
-ar, V. cementeren,semen- 
teren . 

seme8tr,s. semester, halfjaar . 
-ikf a. semestraal, half- 
jaarliks. 

aemi-, pref. duidt halfheid 
aan. 
liad, s. helft. 

i, s. stiefkind, -o, s. 
stiefzoon, -a, s. stiefdoch- 
ter. 

samifratr, s. stiefbroer, half- 
broer. 

aemilun, s. halve maan. 

semin, s. zaad. -ar, v. zaaien. 

seminar, s. seminarie (in- 
richting waar jongelingen 
worden gevormd tot gods- 
dienstleraars) . 

semipdiVj s. stiefvader. 

semit, s. semiet (afstamme- 
ling van Sem, inzonder- 
heid jood). 

semiton, s. halve toon. 

semiy okd\, s. half klinker. 

sempre, adv. altijd, immer. 
-ik^ a. altijddurend. 

sempr^-floran^, part. altijd- 
bloeiend. 

sen, s. as (overschot van 
verbranding). 

senaty s. senaat (raad der 
ouden; eerste kamer of 
hogerhuis). -er, s. senator. 



senil, a. afgeleefd, de ouder- 
dom eigen. 

senior, a. senior, oudere. 

senit, s. zenith (toppunt aan 
de hemel, tegenover na- 
dir). 

sens, s. zin, betekenis. -O89 
a. zinrijk. 

sensasion, s. sensatie, op- 
zien. 

sensor, s. censor (bij de Ro- 
meinen: zedemeester; be- 
oordelaar, speciaal van ge- 
schriften). 

sensu, s. zin,- zintuig, -ar^ 
V. gewaarworden, gevoe- 
len, voelen, -abl (sensibi), 
a. gevoelig, -ablitet (sen- 
sMitef), s. gevoeligheid. 
-aaion, s. gewaarwording. 
'ik, a. zinne-. 

sensuai, a. sensueel, zinne - 
lik. 4tei, s. sensualiteit, 
zinnelikheid. 

sensur, s. censuur (beoorde- 
ling van staatswege van 
geschriften ; kerkelike 
straf), -ar, v. censeren. 

sent, n. honderd. 

sentens, s. sententie, rechter- 
like uitspraak, spreuk. 

sentiar, v. voelen, gevoelen. 
-aèZ, a. voelbaar. 

sentiment, s. gevoel, gevoe- 
len, sentiment, -os, a. ge- 



sentimental— serv 



201 



voelvol. 

sentimental, a. sentimenteel 
(overdreven gevoelig). -ii€t, 
s. sentimentaliteit. 

sentinely s. schildwacht. 

sent-livr, s. centenaar (100 
pond). 

sentr, s. centrum, middel- 
punt. 

sentralisar, v. centraliseren, 
samentrekken, -adon, s. 
centralisatie, samentrek- 
king. 

sep, s. vs^ijnstok. 

separar, v. separeren, schei- 
den, afscheiden, -asion, s. 
separatie, scheiding, af- 
scheiding, "ik^ a. enkel, 
afgescheiden, afzonderlik. 

sepi, s. haag, heg, heining, 
schutting, -ar, v. omhei- 
nen, omschutten. 

septy n. zeven. 

septdes, n. zeventig. 

septembr, s. Septemher. -ar^, 
a., de septembr, Sep- 
tember-. 

septet, s. septet (muziekstuk 
voor 7 stemmen of instru- 
menten). 

sepult, s. graf. -ar, v. be- 
graven, ter aarde bestel- 
len. 

seraf, s. seraf, serafijn (he- 
mels wezen). 



Serbia, s. Servië. 

serebr, s. hei*seneny brein. 

seremoni, s. ceremonie, plech- 
tigheid . 

seren, a. sereen, ongestoord. 

serenad, s. serenade (eremu- 
ziek, iemand 's avonds 
voor zijn woning ge- 
bracht). 

serf, s. hert. 

seri, s. serie, reeks, rij. -ar, 
V. in rijen plaatsen. 

serios, a. ernstig, serieus. 
'itet, s. ernst. 

seris, s. kers (vrucht). 

serium, s. cerium (Ge). 

serpent, s. slang, serpent. 
-ar, V. kronkelen. 

serpentin,s. serpentine (lange 
opgerolde strook van dun 
gekleurd papier, waarmee 
bij feesten geworpen 
wordt). 

sert, pr. zeker, gewis, be- 
paald, stellig, -e, adv. 
'ifikar, v. certificeren. -iff- 
kasioHy s. certifikaat, schrif- 
telik bewijs, -itet, s. zeker- 
heid, gewisheid, stellig- 
heid. 

sert-kos, pr. een zeker iets. 

sert-manier6, adv. enigsins, 
in zekere zin. 

serus, s. loodwit. 

serv, s. dienaar, bediende. 



202 



serviet— siek 



-ar, V. dienen, bedienen. 

serviet, s. servet. 

servii, a. serviel, slaafs, krui- 
pend, -itet^ s. serviliteit, 
slaafsheid, kruiperigheid. 

eesar, v. cesseren, ophouden. 

seeiuni, s. cesium (Cs). 

seeon, s. seizoen, jaargetij. 

eet, s. zij, zijde (stof). 

setr, a. overig. -«, adv. ove- 
rigens, -i, pi. de overigen. 

eetul, s. borstel (van zwijnen 
enz.). -o«, a. borstelig. 

eever, a. streng, gestreng. 
'iiet^ s. strengheid, ge- 
strengheid. 

sfer, s. sfeer, bol. -t^, a. 
sferies, bolvormig, bol- 
rond. 

sfinke, s. sfinx, sfinks (fabel- 
achtig wezen met een 
leeuwelichaam en een 
vrouwehoofd en -borst). 

sflnkter, s. sluitspier. 

shabrak, s. schabrak (rijk 
versierd paardedekkleed). 

shak, s. schaakspel, -isty s. 
schaakspeler. 

shakal, s. jakhals. 

shak-plat, s. schaakbord. 

shalup. s. sloep, boot. 

shampinion, s. champignon, 
paddestoel. 

shapó, s. hoed. 

eharj, s. last, vracht, lading. 



-ar^ V. laden, beladen, be- 
zwaren, belasten, gelasten, 
bevrachten, chargeren. 

sharm, s. charme, bekoring, 
bekoorlikheid, betovering. 
-ar^ V. charmeren, beko- 
ren, betoveren. 

shef, s. chef, sjef, hoofd. 

shershar, v. zoeken, opzoe- 
ken. 

shifr, s. cijfer, sijfer. -ar, v. 
cijferen, sijferen, becijfe- 
ren, besijferen. 

ehllling, s. shilling (engelse 
zilvermunt, waard ± 60 
cent). 

shist, s. leisteen, schilfer- 
steen, schiefer. 

shist-krayon, s. griffel, grift. 

81, adv. ja. 

«i-, pref dient tot aandui- 
ding van het tegenwoor- 
dige (tijd en plaats). 

Siam, s. Siam. 

Slberia, s. Siberië. 

eibet, s. civet (muskusachtige 
zelfstandigheid van de ci- 
vetkat). 

sibet-kat, s. civetkat. 

eibilar, v. sissen. 

^iurne, adv. vandaag, heden. 

sidr, s. cider, ooftwijn. 

sie, pr. zijn, z'n; haar, 'r, 
dV. 

elek, a. blind. -i^A;ar,v. blind 



siei— «imofflent<? 



203 



maken, verblinden, -itet, 
s. blindheid. 

siel, s. hemel, -ik, a. hemels. 

sient, s. wetenschap, -ik 
(sientifik), a. wetenschap- 
pelik. 

sifon, s. hevel. 

sigar, s. sigaar, -et, s. si- 
garet. 

sigil, s. zegel, kasjet, lak. 
-ar, V. zegelen, verzege- 
len, bezegelen, lakken. 

sign, s. teken, kenteken. -ar, 
V. tekenen. — dd eks-kia- 
RKmon, uitroepingsteken, 
uitroepteken. — de intero- 
qasion, vraagteken. — de 
interpunkto^um, leesteken. 
— de 8ita«ion, aanhalings- 
teken. 

aignal, s. signaal, sienjaal, 
sein. -ar, v. signaleren. 

signiflkar, v. betekenen, be- 
duiden, -asion^ s. beteke- 
nis, beduiding. 

sigsag, s. zigzag. 

siR, a. droog, dor. -itet, s. 
droogte, droogheid, dor- 
heid. 

sikatris, s. litteken, -ar, v. 
een litteken worden. 

siksuse, adv. hierom, der- 
halve. 

sikomor, s. wilde vijgeboom. 

sikon, s. ooievaar. 



sikor, s. cichorei, suikerij. 

sil, s. wimper, ooghaartje. 

silab, s. lettergreep, syllabe. 

silensi, s. stilzwijgen. — ! i. 
ssti stilte I -ar, v. zwij- 
gen, stilzwijgen.-o«, a. zwij- 
gend, stilzwijgend, stil. 

Silesia, s. Silezië. 

silik, s. schil, dop, bolster. 

siiindr, s. cylinder. 

siilndr-shapo, s. cylinder- 
hoed, hoge hoed. 

siliaium, s. silicium (Si). 

sllogiam, s. syllogisme (sluit-^ 
rede) . 

8i\oke, adv. hier. 

aimaniere, adv. op deze ma- 
nier, op deze wijze, zo- 
doende. 

simbal, s. cimbaal (klank- 
bekken). 

simbol, s. symbool, zinne- 
beeld. 

simeks, s. wandluis. 

simetri, s. symmetrie (even- 
redigheid in vorm en zin,, 
evenmaat), -ik (simetrik), 
a. symmetries. 

simi, s. aap, sim. -ar, v. 
voor de gek houden, na- 
apen, -ik, a., de simi,. 
ape-. 

simil, a. gelijkend, -itet, s. 
gelijkenis. 

stmomente, adv. op dit ogen- 



204 



simpati— sirka-donar 



blik, ogenblikkelik, dade- 

aimpati, s. sympathie, -ik 
(simpatik), a. sympathiek. 

simpl, n. simpel, enkel, een- 
voudig, 'ifikar, v. vereen- 
voudigen . -ifikadon, s. ver- 
eenvoudiging, 'itet (simpli- 
sitet), s. eenvoudigheid, 
eenvoud. 

simptom, s. symptoon, ziekte- 
verschijnsel. 

slmular, v. simuleren, vein- 
zen, voorgeven, voorwen- 
den. 'Osion, s. veinzerij. 

simultan, a. simultaan, ge- 
lijktijdig, -ö, adv. gelijk- 
tijdig, te gelijk, te gelijker 
tijd. 'itet, s. simultaneï- 
teit, gelijktijdigheid. 

sin, s. zwaan. 

sinabr, s. cinnaber (tweede 
zwavelkwik). 

sinagog, s. synagoge, jode- 
kerk. 

sinamon, s. kaneel. 

sine, prep. zonder. 

sine ke, k. zonder dat. 

singular, s. singularis, enkel- 
voud. 

singult, s. snik. -ar, v. snik- 
ken. 

sinior, s. heer, meneer, sin- 
jeur, -a, s. dame, me- 
vrouw. 



Sinior, s. de Heer (God). 

siniorina, s. jufïrouw. 

sinistr, a. links, linker, -e, 
adv. links. 

sinistre de^ prep. links van. 

sink, s. zink (Zn), -ar, v. 
verzinken. 

sinonim, s. synoniem (woord 
van gelijke betekenis), -ifc, 
a. synoniem. 

sinser, a. oprecht, openhar- 
tig, -itet, s. oprechtheid, 
openhartigheid. 

sintaks, s. syntaxis, woord- 
voeging. 

sintes, s. synthese (samen- 
stelling, begripsverbinding; 
opkiimming van het enkel- 
voudige tot het samenge- 
stelde). 

sintil, s. vonk, sprank. 

sintur, s. ceintuur, gordel. 
-ar^ V. gorden, omgorden, 
aangorden. 

siprea, s. cypres, cipres. 

slr, s. was. 

Sim, s. Syrié. 

slrk, s. cirkus (ronde schouw- 
plaats; strijd-, renbaan). 

sirka, adv. rondom, in de 
rondte, cirka, ongeveer, 
omtrent, omstreeks. 

sirka, prep. om, rondom, 
om ... heen. 

sirka-donar, v. omgeven, om- 



sirkl— skarlat 



205 



nngen. 

sirkl, s. cirkel, kring, -ar, 
V. cirkuleren, in omloop 
zijn. -ad, s. omgeving, 
omstreek, omtrek. 

sirkl-andar, v. rondgaan, om- 
gaan, rondlopen. 

sirklator, s. passer. 

sirkonium, s. zirkonium (Zr). 

sirkuit, s. omkreits, omtrek, 
omweg, omhaal, -as^ a. 
wijdlopig, omslachtig. 

sirkular, s. cirkulaire, om- 
zendbrief. 

sirkumstam, s. omstandig- 
heid. 

sirop, s. siroop, stroop. 

sisar, v. grijpen, aangrijpen, 
vatten, pakken, beetpak- 
ken. 

sisei, s. beitel, -ar^ v. bei- 
telen. 

Sisilta, s. Sicilië. 

sisteiRy s. systeem, sisteem, 
stelsel, -ik (sistematik), a. 
systematies, sistematies, 
stelselmatig. 

sistern, s. cisterne, regen- 
bak. 

sitaM, s. citadel (burcht, 
kleine vesting bij een 
stad). 

sKar, V. citeren, aanhalen, 
dagvaarden, dagen, ont- 
bi^en. 



sitemp^, adv. nu, tans, tegen- 
woordig. 

siterlor, a. aan deze zijde ge- 
legen, -e, adv. aan deze 
zijde. 

siteriore de, prep. aan deze 
zijde van. 

siti, s. dorst. -08, a., wcmt 
sitiy dorstig. 

sitr, s. citer (speeltuig met 
6 snaren op een houten 
kast die met een pennetje 
gestreken worden). 

situar, v. leggen. -oMon^ s. 
situatie, ligging. 

situl, s. emmer. 

slvil, a. civiel, burgerlik. 

sivilisar, v. civiliseren, be- 
schaven, -adon, s. civili- 
satie, beschaving. 

skabi, s. schurft. -08^ a. 
schurftig. 

skafoid, s. schavot. 

skal, s. trap, schaal, toon- 
ladder. 

skamnu, s. bank. 

skandal, s. schandaal, aan- 
stoot, ergernis. -o«, a. 
schandaleus, schandalig. 

Skandinavia, s. Skandinavië. 

skandinni, s. skandium (Sc). 

skar, s. schram, krab. -ifikar^ 
V. schrammen, koppen. 

skaraby s. kever, tor. 

skarlat, a. scharlaken, schar- 



t206 



skarp— 8obr 



lakenrood . 

«karpy 8. glooiing, helling. 
-ar f V. doen glooien, doen 
hellen. Ak^ a. steiU 

skatuly s . doos (b . V. voor een 
hoed). -eU s. doosje (b.v. 
voor pillen). 

skelet, s. skelet, geraamte. 

eken, s. scène, schouwtoneel, 
toneel. 

skeptiky a. skepties; skepti- 
kus. 'imij s. skepticisme 
(leer, stelsel der twyfelaars). 

skeptr, 8. schepter. 

skis, s. schets, ontwerp, -ar^ 
V. schetsen, ontwerpen. 

skiur, s. eekhoorn. 

skIaVy s. slaaf. 

skol, 8. school, -an, a. scho- 
lier, leerling. 

ekolopendr, s. skolopender, 
duizendpoot. 

skoriy 8. slak, metaalslak, 
metaalschuim, sintel. 

skorpion, s. schorpioen. 

Skotia, 8. Schotland. 

skrlbor, v. schreven, -ad, 
s. schrift, geschrift, ver- 
handeling, opstel, -adej 
adv. schriftelik. 'Osion, s. 
het schrijven, schryvery. 
-ator^ 8. schrijver. 

skribar sekuan^u diktad, 
schrijven volgens diktee. 

skroftil, 8. skrofula, klier- 



ziekte. -o«, a. skrofuleus, 
klierachtig. 

skniby 8. schroef, -ar, v. 
schroeven. 

skniply 8. skrupule, bezwaar. 
-ar, V. peuteren, tobben. 
'08 (skrupuios\ a. skru- 
puleu8,z waartillend, angst- 
vallig, -ositet (sknipuiosi- 
tet), 8. skrupuleusheid, 
zwaartillendheid, angst- 
valligheid. 

skual, 8. haai. 

skuam, s. schub. -08, a. 
schubbig, geschubd. 

skulptar, V. beeldhouwen . 
•arion (skttlptur),s. beeld- 
houwkunst, skulptuur. -a- 
tor (skulptor), s. beeld- 
houwer . 

skuniy 8. schuim, -ar, v. 
schuimen. 

skur, 8. bijl. 

skuty 8. schild. 

slaVy 8. Slaaf (volkstam). -i^, 
a. sla vies. 

slim, 8. modder, slik, slyk, 
bagger. -08, a. modderig, 
slikkerig, slykerig. 

sllpr, s. drempel, dorpel. 

sllt, s. slede. 

smaragd, s. smaragd (groen 
edelgesteente). 

sobi, s. sabeldier, sabel. 

sobr, a. sober, matig, -itet, 



8od — 8ort 



207 



s. soberheid, matigheid. 

«od, s. soda. 

«odiaky s. zodiak, diere- 
riem. 

80kl, s. voetstuk. 

«ol, s. zon. 

sol, a. alleen, eenzaam, soli- 
tair, -e, adv. alleen, slechts, 
maar. -itety s. alleenzijn, 
eenzaamheid. 

soidar, v. solderen. 

soldat, s. soldaat; pion 
(schaakspel). 

soldi. s. Zondag, -an, a., de 
soldi, zondags. 

sole, s. zool. 

solemn, a. plechtig, feeste- 
lik, statig, -dut, s. plech- 
tigheid, feestelikheid, sta- 
tigheid . 

soiid, a. solide, vast, stevig. 
-eskar, v. solide worden. 
'itetyS, soliditeit, vastheid, 
stevigheid . 

solidar, a. solidair (één voor 
allen en allen voor één). 
-itet, s. solidariteit . 

solisitar, v. solliciteren, din- 
gen, aanzoeken, zich be- 
kommeren. 

solo, s. solo (alleenzang, 
alleenspel). 

soivar, V . solveren, oplossen. 
-asion (soluslon), s. solutie, 
oplossing. 



somit, s. top, kruin, spits. 

somiii, s. droom, -^r, v. 
dromen . 

son, s. klank, schal, geschal, 
geluid, -ar, v. klinken, 
schallen, geluid geven. 

sonat, s. sonate (muziekstuk 
voor één instrument alleen, 
of met begeleiding van 
enkele andere instrumen- 
ten). 

sond, s. sonde (peilstift voor 
wondonderzoek). -ar^ v . 
sonderen. 

sonet, s. sonnet (klinkdicht). 

sonor, a. sonoor, luid. 

son sibilant, liter sibllant, 
sisklank. 

soologi, s. zoölogie, dier- 
kunde, -ik (soologlk), a. 
zoölogies . 

eopran, s. sopraan (hoogste 
vrouwestem). -ist, s. so- 
praan (persoon). 

8ord, s. vuil, vuilnis, afval. 
-eskar, v. vuil worden. 
-ifikar^ v. bevuilen, be- 
morsen . 'ik, a . vuil, sme- 
rig, morsig. 

aordid, a. vuig, gierig, vrek- 
kig, -itet, s. vuigheid, 
lage, vuile gierigheid, ge- 
mene vrekkigheid. 

soror, s. zuster. 

80rt, s . soort, -ar, v. sorteren. 



208 



808— splendar 



808. 0. «(ftUS. 

oooiably a. gezellig, sociabel. 
'itetj s. gezelligheid. 

aoaial^ a. sociaal, maatschap- 
pehk . -i#m, s . socialisme. 

808letety s. maatschappij, ge- 
zelschap, sociteit. 

808l8, s. saucijs, sosijs, worst. 

oparVy s. sperwer. 

opaal, s. spacie, spatie, ruimte. 
'ik (\oka\) f a. lokaal, plaat- 
selik. '08, a. spatieus, 
ruim. 

spasm, s. kramp. 

spat, 8. spaath (naam voor 
verscheidene ruitvormige 
mineralen^. 

spekt, s. blik. -ar^ v. blik- 
ken, aanblikken, kijken, 
nank^ken, toezien, toeky- 
ken. 'atot', s. toeschouwer, 
spektator. 

spelctakl, s. spektakel 
schouwspel, aanblik. 

spekular, v. spekuleren (be- 
spiegelen, gewaagde han- 
delsondernemingen doen). 

spend, s. uitgave, uitgaaf, 
vertering. -ar, V. uitgeven, 
verteren, spenderen, ten 
koste leggen, besteden. 

sperm, s. sperma, dierlik 
zaad . 

spes, s. specerij, speserij 
(geurige, verhittende krui- 



derij). 

spesial, a. speciaal, biezon- 
der. -e, adv. speciaal, bie- 
zonder, -itet, s. speciali- 
teitf biezonderheid. 

spesiftA;, a. specifiek, soor- 
telik. 

spesifikar, v. specificeren, 
specifiëren, stuksgewijs op- 
geven, -asion^ s. specifi- 
katie. 

spik, s. aar, korenaar. 

spil, s. speld. 

spin, s. doorn, doren, stekel, 
prikkel. -08,a. doornig, ste- 
kelig. 

spinat, s. spinazie. 

spion, s. spion, spie, bespie- 
der, -ttr, V. spioneren, 
bespieden. 

spiral, a. spiraalvorm ig; 
spiraal . 

spirit, s. geest (tegenstelling 
van lichaam), -ik, a. geeste- 
lik. -tsm, s. spiritisme. -ï«<, 
s. spiritist. -oa,a. geestig. 

spiritual, a. geestelik (tegen- 
stelling van wereldlik). 

splen, s. milt. 

splendar, v . glinsteren, glan- 
zen, blinken, luister ver- 
spreiden, -td, a. glinste- 
rend, glanzend, luisterrijk, 
splendied. -or, s. glans, 
luister. 



sponde— stearin 



209 



sponde, s. spondee, spondeus 
(versvoet van 2 lange letter- 
grepen) . 'ik, a . spondeïes, 

spongi, s. spons, -atr (spon- 
gios), a. sponsachtig. 

spontan, ,a. spontaan, uit 
eigen beweging, -itet, s. 
spontaneïteit. 

sporadtA;, a. sporadies, ver- 
strooid. 

sporn, s. spoor, -ar, v. de 
sporen geven, sporen. 

sport, s. sport (lichaams- 
oefening in de open lucht). 

spris, s. spuit, -ar, v. spui- 
ten. 

sprit, s. spiritus, -os, a. spi- 
ritueus, sterk, geestrijk 
{VSLU dranken). 

spilt, s. spuug, -ar, v. spu- 
gen, spuwen. 

stab, s. staf (mil.). 

stabil, a. stabiel (duurzaam, 
bestendig, vast), -itet, s. 
stabiliteit. 

stadi, s. stadie, stadium 
(toestand waarin zich bij 
opklimming iets bevindt ; 
tijdperk). 

staf, s. stijgbeugel. 

stagn, s. vijver, stilstaand 
water, -ar, v. stagneren, 
stilstaan. 

stal, s. stal. 

stamp, s. stempel. "Or, v. 



stempelen. 

stan, s. tin (Sn), -ar, v. 
vertinnen. 

stand, s. stand, houding, 
staat, toestand, -ar, v. 
staan, zich bevinden. 

standart, s. standaard, vaan- 
del. 

stang, s. stang. 

stasion, s. station, stasion, 
statie. 

statj s. staat. 

statik, s. statika (leer van 
het evenwicht), -al, a. 
staties. 

statlstik, s. statistiek (we- 
tenschap om door middel 
van cijfers en algemene 
gegevens tot een vaste, 
doorgaans gemiddelde, uit- 
komst te geraken omtrent 
wat in de maatschappij 
bestaat en werkt). 

Stati Unted, s. Verenigde 
Staten. 

statu, s. statue, standbeeld. 

statuar, V. statueren, vast- 
stellen, bepalen, verorde- 
nen. 

statur, s. statuur, gestalte. 

statut, s. statuut (grond- 
regel) . 

stearin, s. stearine (een der 
hoofdbestanddelen uit de 
meeste vetten die in de 
44 



210 



stel — strik 



natuur voorkomen). 

stel, s. ster. 

stenograf, s. stenograaf (snel- 
schrijver), -ar, V. steno- 
graferen . 

stenografl, s. stenografie, -ik 
(stenograflk), a. stenogra- 
fies. 

step, s .steppe (hoogliggende, 
uitgestrekte vlakte, enkel 
begroeid met grassen en 
kruiden die in de droge 
zomer zowel als in de 
strenge winter verdorren). 

steril, a. steriel, dor, on- 
vruchtbaar. 

sterilisar, v . steriliseren (on- 
vruchtbaar maken, inzon- 
derheid voor bakterieën ; 
onvatbaar voor ziektekie- 
men maken). 

sternutar, v. niezen, -osio/i, 
s. niezing, genies. 

stertar, v. snurken, snorken, 
ronken. 

stigmat, s. stigma, brand- 
merk, 'ik^ a. gebrand- 
merkt. 

stil, s. stijl. 

stimul, s. stimulus, prikkel. 
-ar^ v. stimuleren, aan- 
sporen, prikkelen, opwek- 
ken. 

stipular, V. stipuleren, be- 
dingen, afspreken. 



StiKa, s. Stiermarken. 

stof, s. stof (bewerkte stof). 

sXoik. a. stoïcijns, -iker, s. 
stoïcijn (die ongevoelig is 
voor alle aardse indruk- 
ken, verachter van weelde 
en genot). 

stokflsh, s. stokvis. 

stol, s. stool (brede, lang 
afhangende schouderband 
van priesters). 

stomak, s. maag. 

stop, s. halte, oponthoud. — ! 
i. haltl stopl -ar, v. zich 
ophouden, staken, stilhou- 
den, stoppen. 

strad, s. straat. 

strangl, s. streng, strop, 
worgkoord. -a?% v. strangu- 
leren, worgen, verworgen. 

strat, s. laag. -ifikaVj v. in 
lagen leggen. 

strategi, s. strategie (oorlogs- 
leer), -ik (strategik), a. 
strategies. 

stret. a. eng, nauw, smal. 
-ifikar, v. verengen, ver- 
nauwen, versmallen, -itet, 
s. engheid, engte, nauw- 
heid, nauwte, smalheid, 
smalte. 

stri, s. streep, -ar, v. strepen, 
-erf, part. gestreept. 

strik, s. strike, werkstaking, 
staking, -ar, v. staken, het 



strikt— subyekt 



211 



werk staken. 

strikt, a. strikt. 

strof, s. strofe (versafde- 
ling) . 

stronsium, s. strontium (Sr). 

struktur, s, struktuur, bouw. 

strut, s. struis, struisvogel. 

studi, s. studie . -ar, v. stu- 
deren. -a72^, part. (student, 
s.) student. 

stuk, s. stukadoorswerk, -ar, 
V. stukadoren. 

stul, s. stoel. 

stup, s. werk (afval van ge- 
hekeld vlas of hennep, 
uitgepluisd touw). 

stupid, a. stupide, dom. 
•eskar, v. dom worden. 
'itet, s. stupiditeit, dom- 
heid . 

sturion, s steur. 

sturn, s. spreeuw. 

SU, prep. op. 

suav, s. zoeaaf (franse infan- 
terie in turkse kleder- 
dracht). 

sub, prep. onder. 

subaltern, a. subaltern, on- 
dergeschikt. 

subit, a. subiet, plotseling. 
-e, adv. subiet, plotseling, 
plots, eensklaps. 

subiim, a. subliem, verhe- 
ven. 

8Ub-mitar, v. onderwerpen. 



sub-oflsir, s . onderofficier, 
onderoffisier. 

subordinar, v. subordineren, 
ondergeschikt maken, -a- 
aion, s. subordinatie, on- 
dergeschiktmaking, onder- 
geschiktheid. 

sub-ridar, v. glimlachen, 
meesmuilen. 

subsidi, s. subsidie, hulp- 
geld. 

subsistar, v. subsisteren, be- 
staan (blijven bestaan). 

sub-skribar, v. onderschrij- 
ven, ondertekenen. 

substans, s. substantie, zelf- 
standigheid, wezen. 

substantiv, s. substantief, 
zelfstandig naamwoord. 

substituar, v. substitueren, 
in de plaats stellen, ver- 
vangen. 

sub-tas, s. schoteltje. 

subterfugi, s. uitvlucht. 

SUbtil, a. subtiel (teer, bros, 
fijn; listig, sluw), -itet, 
s. subtiliteit. 

subtraktar, v. aftrekken. 
-asion, s. aftrekking, sub- 
straktie. 

subvertar, v. omgooien, om- 
vergooien, omstorten, om- 
werpen, omverwerpen. 

subyekt, s. subjekt, onder- 
werp. 



212 



subyektiv— 8u-metar 



subyektiv, a. subjektief (on- 
der werpelik; de persoon 
betreffende, innerlik). -itet^ 
s. subjektiviteit. 

8ub-yugar, v. onder het juk 
brengen. 

subyunktiv, s. aanvoegende 
wijs,konjunktief, subjunk- 
tief (gram.). 
ud, s. zuiden, -e, adv. in 
het zuiden, zuidelik. -ik, 
a. zuidelik. 

sudar, V. zweten, -ad, s. 
zweet. 

sue, pr. zijn (eigen); haar 
(eigen); hun (eigen). 

Suedia, s. Zweden. 

sue-temp"?, adv. te zijner tijd, 
bijtijds . 

SuflkSy s. achtervoegsel. 

suflsar, V. voldoende zijn, 
toereiken, -e, ad v. genoeg, 
lamelik, -ik^a,. voldoende, 
toereikend, suflOsant. 

suflar, V. blazen, -onar, v. 
snuiven. 

sufokar, V. trans, suffoque- 
ren, stikken, verstikken, 
smoren. 

sufrar, v. trans, souffreren, 
lijden, uitstaan, ondergaan, 
verdragen, verduren, dul- 
den, doorstaan, -(mon, s. 
lijden. 

sugar, V. zuigen. 



sugestar, v. suggereren (het 
bijbrengen van een over- 
tuiging), -oston (sugestion), 
s. suggestie. 

su-glutinar, v, opplakken. 

suisidi, s. zelfmoord, -ist, s. 
zelfmoordenaar. 

suit, s. suite, gevolg, stoet. 

suk, s. sap. -08, a. sappig, 
sa prijk. 

sukr, s. suiker, -ar, v. sui- ' 
keren. 

suksedar, v. sukcederen, op- 
volgen. 

sukses, s. sukces, sukses, 
welslagen. 

suksesion, s. sukcessie, op- 
volging, volgreeks. 

suksesiv, a. sukcessief, ge- 
leidelik. -e, adv. sukces- 
sievelik, langzamerhand, 
allengs, geleidelik. 

sukurs, s. hulp. — ! i. helpl 
-ar, V. helpen. 

sukus, s. schok, schudding. 
-ar, V. schokken, schudden. 

sulfur, s. zwavel (S). 

sulky s. voor, ploegvoor. -ar, 
V. voren maken in . 

sultan, s. sultan. 

Slim, s. som, bedrag, -ar, 
V. tellen, optellen. 

sumak, s. sumak, smak 
(bot). 

su-metar, v. opleggen. 



suol— tabi 



213 



suol, s. grond, bodem. 

8Up, p. soep. 

8Upé, s. soupee, avondeten. 
-ar^ V. souperen. 

superb, a. superbe, heerlik. 
prachtig. 

superflu, a. overtollig. 

superflsi, s. oppervlakte, -ih 
(superlisial), a. oppervlak- 
kig, superficieel. 

superior, a. superieur, meer- 
dei*e, hogere, -e, adv. bo- 
ven, omhoog, -ttet, s. su- 
perioriteit, meerderheid. 
'U, prep. over (lok.). 

superiors de, prep. boven, 
bovenop. 

superlativ, s, superlatief, 
overtreffende trap (gram.). 

supernumerar, a. surnume- 
rair, overtallig. 

superstisi, s. superstitie, bij- 
geloof. -08, a. superstiti- 
eus, bijgelovig. 

supllk, s. suppliek, suppli- 
katie, smeekschrift, smeek- 
bede, -ar^ V. suppliëren, 
smeken. 

suport, s. steun, stut. -ar^ 
V. steunen, stutten, schra- 
gen. 

suposar, V. veronderstellen. 

suposaTito ke, k. gesteld dat, 
verondersteld dat. 

supresar, v. onderdrukken. 



surd, a. doof, dof, gedempt. 
-4,tet, s. doofheid. 

surogat, s. surrogaat (plaats- 
vervangend middel). 

surpasar, v. surpasseren, 
overtreffen. 

surplis, s. surplis, koor- 
kleed. 

surpris, s. surprise, verras- 
sing, -ar^ v. verrassen. 

surtut, s. overjas. 

suspekt, s. verdenking, arg- 
waan, achterdocht, -ar^ v. 
verdenken, argwanen, ach- 
terdocht hebben. 

suspendar, v suspenderen, 
schorsen. 

suspir, s. zucht, -ar, v. 
zuchten. 

SUStentar, v. ondersteunen. 

sutar, V. naaien, -ad, s. 
naad. -atora, s. naaister. 

SU ter, adv. op aarde, hier 
beneden. 

sval, s, zwaluw. 

svip, s. bezem, -ar, v. vegen. 



tabak, s. tabak. 

tabei, s. tabel. 

tabernaki, s. tabernakel. 

tabI, s. tafel, dis. -er, s. 
meubelmaker, schrijnwer- 
ker, kastemaker. 



214 



tabfór-oflsin— tarok 



tabler-oflsin, s. meubelma- 
kerswerkplaats. 

taft, s. taf. 

taks, s. takse, prijszetting, 
-ar, V. takseren, schatten, 
begroten . -asion, s. taksa- 
tie, schatting, begroting. 
-ator, s. taksateur, schat- 
ter. 

takty s . maat, tijdmaat, takt. 
-ar^ V. de maat slaan. 

taktik, s. taktiek (gevechts- 
leer). 

tal, pr. zulk, dergelijk, dus- 
danig, zodanig, -e, adv. 
zo, aldus. 

talar, s . talaar (lang staatsie- 
kleed). 

tale ke, k. zodat. 

taJe longe ke, k. zolang. 

tale muit foa, adv . zo menig- 
maal. 

talent, s. talent. 

tall, s. taille (snit van een 
kleed, japon ; vorm van 
het bovenlijf). 

talier, s. tailleur, kleerma- 
ker. 

talisman, s. talisman (tover- 
middel; voorbehoedmiddel 
tegen ongelukken). 

talium, s. thallium (Tl). 

talon, s. hiel. 

talp, s. mol. 

tair, s. thaler (duitse zilver- 



munt). 

tamarlnd, s. tamarinde. 

tambur, s. tamboer, trommel, 
trom. -ar, v. tamboeren, 
trommelen. 

tampon, s. tampon, prop, 
stop, de kurk. -ar, v. tam- 
poneren, met een prop, 
stop of kurk sluiten, toe- 
stoppen, kurken. 

tanar, v. looien, -ator, s. 
looier, leerlooier, -rri, s. 
looierij, leerlooierij. 

tangent, s. tangens (raak- 
lijn). 'ik^ a. tangentiaal. 

tanin, s. tannine, run, looistof. 

tant, pr. zoveel, -e, adv. zo- 
veel, zozeer, dermate, 

tanta, s. tante. 

tantal, s. tantalium (Ta). 

tapet, s. tapijt, tapeet, kleed, 
vloerkleed. 

taplr, s tapir. 

tar, s. tarra (verschil tussen 
bruto- en nettogewicht, 
wat voor kisten, vaten 
enz. van het gewicht wordt 
afgetrokken). 

tarantel, s. tarantella (ita- 
liaanse volksdans). 

tarantul, s. tarantula(vergifti- 
ge helderbruine jachtspin). 

tard. a. laat. -e, adv. 

tarJT, s. tarief. 

tarok, s. tarok (kaartspel). 



tart— temperatur 



215 



tart, s. taart. 

tartr, s. tartarus, wijnsteen. 

tas, s. tas, kopje. 

tasiturn, a. stilzwijgend, ge- 
sloten, -itel^ s. stilzwij- 
gendheid, geslotenheid. 

tatar, s. Tartaar, -ia, s. 
Tartarije. -ik, a tartaars. 

taur, s. stier. 

te, s. tee. 

te-, pref. vormt woorden die 
in wederzijdse betrekking 
staan tot de door middel 
van ke- gevormde vraag- 
woorden 

teatr, s. theater, schouw- 
burg. 

tekdiUSe, adv. daarom, om die 
reden. 

teknik, s. techniek (leer van 
de kunstregelen ; al wat 
hetstoffelike van een kunst 
omvat), -al, a. technies. 

teknologi, s. technologie (leer 
van de verrichtingen, 
waardoor de mens de 
voortbrengselen van de 
natuur verwerkt tot stof- 
fen die dienen tot bevre- 
diging van zijn behoef- 
ten). 

teksar, v. weven, -ator, s. 
wever, -m, s. weverij. 

tekstj s. tekst. 

tekstlij a. textiel (wat be- 



trekking heelt op de we- 
verij). 

tekt, s. dak. -ar, v. van een 
dak voorzien. 

tel, pr. degene, diegene, die, 
dat. 

telefon, s. telefoon, -ar, v. 
telefoneren. 

telegraf, s. telegraaf, -ar^ v. 
telegraferen . -ad (tele- 
gram), s. telegram, -ist, 
s. telegrafist. 

teleskop, s. teleskoop, verre- 
kijker. 

tel-kos, pr. datgene. 

leloke, adv. daar, ginds, gin- 
der. 

telur, s. tellurium (Te). 

tem, s. thema (stof ter be- 
arbeiding; hoofdgedachte 
van een muziekstuk ; stuk 
ter vertaling). 

temer, a. temerair, koen, 
vermetel. -iu*t^ s. temeri- 
teit, koenheid, vermetel- 
heid. 

temp, s. tijd. 

tempe ... tempé, k . nu eens ... 
dan weer. 

temperament, s. tempera- 
ment (blijvende, door- 
gaande toestand van het 
ge voel vermogen ; natuur- 
like gemoedstoes^tand) . 

temperatur, s. temperatuur, 



216 



tempest— teror 



warmtegraad . 

tempest, s. weer. 

tempestad, s. onweer. 

templ, s. tempel. 

tempor, s. slaap (van het 
hoofd) . 

temporal, a. temporeel, tij- 
delik, wereldlik. 

temporar, a. temporair, tij- 
delik. -e, adv. 

tenar, V. houden, vasthouden. 

tenar sekrete, geheimhouden. 

tenas, a. taai, vasthotidend. 
'ifet, s. taaiheid, vasthou- 
dendheid, tenaciteit. 

tendar, V. tenderen, rekken, 
uitrekken, spannen, strek- 
ken, toereiken, uitsteken. 

tendar pavilion, een tent op- 
slaan. 

tendens, s. tendens, strek- 
king. 

tendon, s. pees. 

tendr, a. teder, teer, zacht, 
mals. 

tendr, s. tender (van een 
lokomotief) . 

tenor, s. tenor (hoogste man- 
nestem). -dst, s. tenor 
(persoon), tenorist. 

tentar, v. tenteren, in ver- 
zoeking brengen, verzoe- 
ken. 'OMon, s. tentatie, 
temptatie, verzoeking, -a- 
tor, s. verzoeker. 



tenu, a. dun. -itet, s. dun- 
heid. 

teologi, s. theologie, god- 
geleerdheid, -ik, a. theo- 
logies, godgeleerd, -ist, s . 
theoloog, godgeleerde. 

teori, s . theorie (leer van de 
grondregelen) . -ik (teore- 
tik), a. theoreties. 

teoretik^r, s. theoretikus. 

tepid, a. lauw. 

ter, s. aarde, land . 

teras, s. terras, -ar, v. ter- 
rasseren. 

terebentin, s. terpentijn. 

teren, s. land (landerijen), 
terrein . 

terestr, a aards. 

teribi, a. terribel, vreselik. 

teritori, s. territoor, grond- 
gebied, -ik (teritorial), a. 
territoriaal . 

term, s. term (bewoording, 
uitdrukking, inzonderheid 
in enig vak of weten- 
schap). 

termin, s. termijn (zeker 
tijdsverloop) . 

termo-, pref. duidt warmte 
aan. 

termomefr, s. thermometer, 
termometer. 

termotemp, s. zomer. 

teror, s. schrik.-ar,v. trans, 
schrik aanjagen, verschrik- 



ters— tomat 



217 



f^ken, schrikken. 

teps, n. derde. 

teSy s. thesis, stelling. 

Tesalïa. s. Thessalië. 

testament, s. testament, -ar^ 
V. testeren. 

tetan, s. tetanus, stijf kramp. 
'ikf a. tetanies. 

tetemfe, adv. op die tijd, 
dan, toen. 

tibi, s. scheenbeen. 

tif, s. tyfus. 

tjar, s. tijger. 

tikar, V. tikken. 

tiket, s. ticket, briefje, etiket. 

tili, s. linde. 4k, a., detili, 
linde-. 

tim, s. tijm. 

timar, V. vrezen, duchten, 
schuwen, -id, a. timide, 
vreesachtig, blo, be- 
schroomd, schroomvallig, 
bedeesd, verlegen, schuch- 
ter, angstvallig, bang. -id,- 
fika)\ V. intimideren, vrees 
aanjagen, afschrikken, -idi- 
tet. s. timiditeit, vrees- 
achtigheid, bloheid, be- 
schroomdheid, schroom- 
valligheid, bedeesdheid, 
verlegenheid, schuchter- 
heid, angstvalligheid, bang- 
heid . 'Or, s. vrees, schuw- 
heid . 

timon, s. dissel, disselboom. 



tine, s. mot. 

tint, s. inkt, verf. -ar, v. 
verven, -ator, s. verver. 
-erif s. ververij, -ad, s. 
tint. 

tintinar, v. schellen, bellen, 
luien. 

tintur, s. tinktuur (aftrek- 
sel van kruiden). 

tip, s. type (grondbeeld, 
grondvorm; afdruk, voor- 
beeld, gietvorm). 

tipograf, s. typograaf, boek- 
drukker. 

tiran, s. tiran, dwingeland. 
'ikf a. tiranniek. 

tirar, V. trekken, rukken. 

Tirol, s. Tirol. 

titan, s. titanium (Ti). 

tltilar, V. kietelen. 

titmes, s. mees. 

titubar, v. wankelen, wag- 
gelen, -asion^ s. wankeling, 

^ waggeling. 

titul, s. titel, -ar, v. titelen, 
tituleren, betitelen. 

toalet, s. toilet. 

tog, s. toga 

tolerar, v. tolereren, dulden, 
gedogen, toelaten. 

torn, s. boekdeel, deel. 

tomat, s. tomaat (glanzig 
scharlakenrode besvrucht 
die gestoofd of rauw ge- 
geten wordt). 



218 



tomb— traktu 



tomb, s. graf, tombe, graf- 
stede . 

tombak, s. tombak (metaal- 
meogsel van roodachtig 
gele kleur). 

ton, s. toon, toonaard, -arj 
V. luiden. 

toner, s. donder. -ai\ v. 
donderen. 

ton prim, eerste toon, prime 
(mus.). 

tonsar, V. knippen, afknip- 
pen, scheren (b.v. van 
honden, schapen, paarden). 
-ator, s. schaar. 

ton sekund, tweede toon, 
sekonde (mus.). 

topas, s. topaas (vuurgele 
edelsteen). 

topograf, s. topograaf (plaats- 
beschrijver). 

torf, s. turf. 

torium, s. thorium (Th). 

tork, s. toorts, fakkel, flam- 
bouw. 

torment, s. torment, kwel- 
ling, plaag. -aTy v. tor- 
menteren, kwellen. 

tornar, v. draaien (in het 
draaiersvak), -alor^ s. 
draaier . 

torpedo, s. torpedo (water- 
mijn) . 

torsar, V. ineendraaien, twij- 
nen, tweernen. 



tort, s. ongelijk. 

tortu, s. schildpad. 

tortur, s. tortuur, foltering, 
pijniging, marteling, -ar^ 
V. folteren, pijnigen, mar- 
telen. 

tost, s. toost, heildronk. 
-ar, V. tooslen. 

total, a. totaal, volkomen, 
geheel, gans. -e, adv. to- 
taal, in 't geheel, geheel 
en al. -itet, s. totaal, ge- 
heel. 

totale no, adv. in *t geheel 
niet 

tradislon, s. traditie, over- 
levering. 

tradit, s. verraad, -ary v. 
verraden. 

tradukar, v. trad uceren, ver- 
talen, overzetten, -asion 
(tradukslon), s. traduktie, 
vertaling, overzetting. 

tradukar In [lingu] german, 
in het duits vertalen, ver- 
duitsen. 

tragedl, s. tragedie, treur- 
spel. 

tragi^, a. tragies. 

traké, s. luchtpijp. 

trakta>*, V. behandelen, -asi- 
on, s. behandeling. 

traktu, s. trek. -ar, v. trek- 
ken, voorttrekken, slepen, 
voortslepen. 



\ 



tram— trides 



219 



tram, s. trem. 

trankily a. rustig, gerust, stil, 
bedaard . 

trans, prep. aan gene zijde 
van, over... heen. 

transaksion, s . transaktie 
(vereffening, minnelike 
schikking; handelsover- 
eenkomst). 

trans-donar, v. overgeven, 

• overreiken. 

trans-fluar, v. overvloeien, 
overlopen . 

transit, s. transito, doorvoer 
van waren. 

transitiv, a . transitief, over- 
gankelik . 

trans- metar, v. overleggen. 

trans -mitar hered^. nalaten, 
bij erfenis vermaken. 

transparant, a. transparant, 
doorschijnend. 

transpirar, v. transpireren, 
uitwasemen, uitz weten, 
uitdampen 

trans-pontar, v. overbrug- 
gen. 

transport, s. transport, ver- 
voer, overbrenging, -ar, 
V. transporteren, vervoe- 
ren, overvoeren, overbren- 
gen, -abl, a. transportabel, 
vervoerbaar. 

transversai, a. transversaal, 
dwars, overdwars, -e, adv. 



trap, s. val. 

trapes, s. trapezium (geom.), 
trapeze, zweefrek. 

tras, s. tracee, spoor, -ar^ v. 
traceren. 

trasar medm pike^i, met 
paaltjes afsteken. 

trat, s. traite, tratte, (ge- 
trokken) wissel. 

trav, s. balk. 

travesti, s. travestie, ver- 
kleding, -ar, V. traveste- 
ren, verkleden. 

treliaj, s. traliewerk. 

trembi, s. esp, espeboom. 

tremblar, v. trembleren, sid- 
deren, trillen, beven, ril- 
len. 

tren, s. trein, spoortrein. 

trepan, s. trepaan, trepaneer- 
boor. -aVy v. trepaneren 
(de hersenpan doorboren). 

trepidar, v. van vrees sid- 
deren. 'Oaion, s. sidde- 
ring. 

tres, s. vlecht, tres. -ar, v. 
vlechten, strengelen. 

tresor, s. schat. 

tri, n. drie. 

tri', pref. betekent tri-, drie-. 

^nangul, s. driehoek, tri- 
angel. 

tribu, s. stam. 

tribut, s schatting, cijns. 

trides, n. dertig. 



2-20 



/rifoli— tsigan 



trifoWj s. klaver. 

trikot, 8. trikot, triko. -ar, 
V. breien. 

trill, 8. triller, -ar, v. een 
triller slaan. 

triiion, n. billioen, biljoen 
(4.000.000.000.000). 

trinitet, s. triniteit, drieëen- 
heid. 

trio, 8. trio (driespel, drie- 
stemmig muziek- of zang- 
stuk ; drietal). 

tripeij 8. drievoet, driestal, 
treeft, 

tripl, n. tripel, driedubbel, 
drievoudig. 

trisiki, s. tricycle, driewieler. 

trist, a triest, treurig, be- 
droefd, droef, droevig, 
naar. -itet, s. triestheid, 
treurigheid, bedroefdheid, 
droefheid, droevigheid. 

triturar, v. fijn wrijven, fijn- 
stoten, fijnstampen. 

triumf, s. triomf, triumf, 
zege, zegepraal, -ar, v. 
triomferen , zegevieren , 
zegepralen. -ator,s.triom- 
feerder. 

tro, adv. te, al te. 

trofé, s. trofee, zegeteken. 

troké, s. trocheus (versvoet, 
bestaande uit een lange 
en daarop volgende korte 
lettergreep), -ik, a. tro- 



cheïes. 

trombones, trombone (sch uif- 
trompet). 

trompet, s. trompet, -ar, v. 
trompetten, op de trompet 
blazen . 

tron, s. troon. 

tronk, s. stam, boomstam, 
tronk, stronk, romp. -ar, 
V. tronkeren, afstompen, 
knotten, af knotten, -et, s. 
halm, stengel, steel. 

trop, s. troop (tiguurlike 
uitdrukking). 4k, a. tro- 
pies,oneigenlik,overdrach- 
telik. 

tropik, s. keerkring, -ia, s. 
tropen, keerkringslanden. 
-ian, a. tro pies, tot de keer- 
kringslanden behorende. 

tropik de kaprikorn, steen- 
bokskeerkring. 

tropik de krev, kreeftskeer- 
kring . 

trot, s. draf. -ar, v. draven. 

trotoar, s trottoir. 

trufl, ö . truffel (zeer smake- 
like en geurige padde- 
stoel). 

trujt, s. forel. 

trup, s. troep, schaar, hoop 
(mensen of dieren). 

truvar, v. vinden. 

tsar, s. tsaar. 

teigan, s. zigeuner. 



tu— ultim 



221 



tu, pr. zie § 25. 

tub, s. tube, buisje, kokertje. 

tuber, s. knobbel, -os, a. knob- 
belig. 'OsitetjS. knobbelig- 
heid. 

tuberkl, s. tuberkel (med.). 
-08, a. tuberkuleus. 

tue, pr. zie § 30 en 25. 

tuf, s. bos, bundel. 

tul, s. tule (kant-, garen- 
weefsel). 

tulip, s. tulp. 

tumor, s. gezwel, -ar, v. 
zwellen, opzwellen. 

tumuitu, s. tumult, opschud- 
ding, oploop, -ar, V. tumul- 
tueren, opschudding ver- 
wekken. 

tun, s. ton, vat. 

tunel, s. tunnel. 

tup, s. toer. -ist^ s. toerist. 

turban, s. tulband. 

turbar, v. storen. 

turi, s. toren ; kasteel (schaak- 
spel). 

turk, a. turks . -ia, s. Turkije. 

turmalin, s. turmalijn (kleine 
kiezelachtige steen die, op 
hete as gelegd, zo elek- 
tries wordt dat hij de as 
aan de ene kant aantrekt 
en aan de andere afstoot). 

turnar, v. tourneren, wen- 
den, om wenden, draaien, 
omdraaien, keren. 



turnir, s. tornooi, toernooi 
(ridderspel, steekspel) . 

tu8, s. hoest, -ar, v. hoesten. 

tutar, V. bevoogden, onder 
voogdij stellen . -el, s. raad 
van voogdij. 

tutor, s. voogd. 

U. 

U, k. of (duits: oder). 
-u, suf. tot vorming van af- 
geleide voorzetsels, b.v. 

favor, gunst; favorw, ten 

gunste van. 
uest, s. westen, -e, adv. in 

het westen, westelik. -ik, 

a. westelik. 
uiski, s. whiskey. 
ui, s. uil. 

ulan, s. ulaan (mil.). 
ulm, s. olm. 
uln, s. elleboog, el. 
ulser, s. zweer, -ar, v, ulce- 

reren, zweren, verz weren, 

etteren, veretteren. -ad,s. 

etter. 
ulterior, a. ulterieur, aan 

gene zijde gelegen, verder. 

-e, adv. aan gene zijde, 

verder. 
ulterior^ de, prep. aan gene 

zijde van. 
ultim, a. laatste, -foa, adv. 

(voor) de laatste keer, 



22t2 



ultimat— urn 



(voor) de laatste maal. 

ultimat, s. ultimatum (laatste 
verklaring, aanzegging, al- 
vorens tot een oorlogsver- 
klaring over te gaan). 

ultra, prep. boven... uit. 

ultra-, pref. duidt overmaat 
aan. 

ultramarin, s. ultramarijn 
(bergblauw). 

i^Z/raviolet, a. ultraviolet. 

ulular, V. huilen. 

umbillk, s. navel, -al, a. 
navel- . 

un, n. één. -itet, s. een- 
heid. 

unanim, a. unaniem, een- 
stemmig, -e, adv. -itet, s. 
unanimiteit, eenstemmig- 
heid. 

undui, s. golf. -nr, v. golven, 
unduleren. 

ungu, s. nagel (aan hand en 
voet) . 

unguent, s. zalf. -ar,v, zal- 
ven. 

unpu masiv, hoef (bij dieren). 

uniar, V. uniéren, verenigen, 
verenen, verbinden. 

uniform, s . uniform (gelijke 
dracht, dienstkleding), -ar, 
V. uniformeren. 

unik, a. uniek, enig. 

unikorn, s. eenhoorn. 

union, s. unie, vereniging. 



unison, s. eenklank, -ik, a. 
gelijk stemmig, -e, adv. 

univers, s. al, heelal. 

universai, a. universeel, al- 
omvattend. 

universitet, s. universiteit, 
hogeschool. 

un... otr, pr. de ene ...de 
andere. 

unotr, pr. elkander, elkaar. 

un visjnu otr, naast elkaar. 

-upl, *suf. dat overeenkomt 
met ons -vo udigof -dub- 
bel ; het wordt geplaatst 
achter het hoofd tel woord, 
namelik acliter het laatste 
woord daarvan, b.v kua- 
trupl, viervoudig, vierdub- 
bel; sent kuink^up^, hon- 
derd vijfvoudig. Ook nog 
muWupl, veelvoudig. 

ur, s. oeros. 

uragan, s. storm, orkaan. 

uran, s. uranium (U). 

urb, s. stad. 

ureter, s. ureter, pisleider. 

uretr, s. urethra, pisbuis . 

urgar, v. ur^eren, dringen. 
-ant, part. (urgent), ur- 
gent, dringend, spoedei- 
send. 

urin, s. urine, pis. -ar, v. 
urineren, pissen, wateren. 

urin-vesik, s. pisblaas. 

urn, s. urn. 



urs— valar 



223 



urs, s. beer. 

urtik, s. netel, braadnetel. 

Uruguay, s. Uruguay. 

US, s. gebruik, gewoonte. 
-ar. V. gebruiken, aanwen- 
den, -ahl^ a. bruikbaar, 
dienstig, doelmatig, -abli- 
tet^ s. bruikbaarheid, 
dienstigheid, doelmatig- 
heid. -oaio/ï, s. aan wending. 

usk, prep. tot. 

usk ke, k. totdat. 

usk ditempg, adv tot nu toe, 
tot dusver. 

usufruktu, s . usufructus, 
usufruit, vruchtgebruik . 
-ar, V. in vruchtgebruik 
hebben . 

usur, s. usure, woeker. -ar, 
V. woekeren, -er, s. woe- 
keraar . 

usurpar, v. usurperen, over- 
weldigen, onrechtmatig 
toeëigenen. -ator, s. usur- 
pator, overweldiger. 

utensil, s. werktuig, -i, s 
utensilieën, gereedschap, 
werktuigen . 

utensili de dom, huisgereed- 
schap . 

utensili de ekles, kerkbeno- 
digd heden . 

utensili de hort, tuingereed- 
schap . 

utn, a. nuttig, -^tet, s. nut- 



tigheid, utiliteit. 

utillsar, V. utiliseren, benut- 
tigen, ten nutte maken. 

Utopia, s. Utopia, utopie, -ik, 
a. utopies. -ist, s. utopist. 

u ... u, k . of ... óf, hetzij ... 
hetzij . 



vad, s . wad, waadbare plaats. 
-ar, V. waden. 

vafr, s. wafel. 

vag, a. vaag, onbestemd, 
onbepaald . 

vagabund, s. vagebond . -ar, 
V. vagebonderen. 

vagiar, v. krijten, klaaglik 
wenen (zoals kinderen 
doen). 

vagin, s. schede, vagina. 

vagon, s. wagon, spoorwagen. 

vaKa,"s. koe. 

vakans, s. vakantie, vakansie. 

vaksin, s. vakcine, koepok- 
stof, -ar, V. vakcineren, 
inenten, -aaion, s. vakci- 
natie, koepok-inenting. 

vaku, a. leeg, ledig, vakant. 
'ifikar^ v. ontruimen, op- 
ruimen, wegruimen, -itet, 
s. leegte, ledigheid. 

val, s. dal, vallei. 

valar, v. valeren, gelden, 
geldig zijn. waard zijn, 



224 



Valakto — vehement 



deugen, de moeite waard 
zijn. [it val, het is de 
moeite waard], -id, a. va- 
lide, geldig, 'iditet, s. va- 
liditeit, geldigheid . -or, 
s. valeur, waarde. 

Valakm, s. Walachije. 

valerian, s . valeriaan (bot.). 

vals, s. wals (dans), -ar^ v. 
walsen . 

valut, s. valuta (waarde in 
wissels, papier enz . ) . 

valv, s. klep, luchtklep, ven- 
tiel. 

vampir, s. vampier (geslacht 
van vleermuizen in Suri- 
name en Brazilië). 

van, a. ijdel, vergeefs, -e, 
adv. te vergeefs. -Het, s. 
ijdelheid. 

vanad, s. vanadium (V). 

vandal, s. vandaal ^woest- 
aard, vernieler), -vun, s. 
vandalisme . 

vanel, s. kieviet. 

vanill, s. vanielje. 

vapor, 8. damp, stoom, wa- 
sem, -ar, V. dampen, 
stomen, wasemen. 

varlar, V. variëren, afwis 
selen, veranderen . -abl, a. 
variabel, veranderlik.-a6K- 
tet, s. verandelikheid. -a«- 
on, s. variatie, afwisse- 
ling, verandering, -os, a. 



verscheiden, verschillend, 
allerlei, velerlei, allerhan- 
de, 'ositet, s. verscheiden- 
heid. 

variar kavalt, omspannen. 

varietet, s. variëteit (bastaard- 
soort; afwijking). 

vari-kolor, s. bontheid, veel- 
kleurigheid, -ik, a. bont, 
veelkleurig 

variol, s pok, kinderpok. 

vas, s. vaas, vat. 

vasai, s. vazal, leenman. 

vas-fragment, s. scherf. 

vasilar, v. wankelen, wag- 
gelen, zwaaien. 

vast, a. ruim, uitgestrekt, 
uitgebreid . 

vat, s. watten. 

vatikan, s. Yatikaan. -ik, 
a. vatikaans. 

ve! i. weel 

ve a ml! i . wee mij 1 

vegetar, v. vegeteren, een 
planteleven leiden . -oóZ, 
a. plantaardig, -asion, s. 
vegetatie, plantegroei. 

vegetabil, s. gewas, kruid, 
-ï, s. vegetabilieën 

vegetari, s plantevoedsel . 
-an, a. vegetaries; vege- 
tariër, -ariwm, s. vege- 
tarisme . 

vehement, a. heftig, hevig, 
vehement. -itet (vehe- 



vehlkl— verdikt 



225 



mens), s. heftigheid, he- 
vigheid. 

vehiki, s. vehikel, rijtuig, 
voertuig, -ar, v. rijden. 

veksar, v. vexeren, plagen, 
ergeren. 

vel, s. sluier, voile, -ar, v. 
sluieren. 

velkom, s. welkom, welkomst. 
-ar, V. verwelkomen. 

velos, a. snel, gezwind. -6, 
adv. -iteU s. snelheid, ge- 
zwindheid, velociteit. 

velosiped, s. velocipède, rij- 
wiel, fiets. -i«i, s. veloci- 
pedist, wielrijder, fietser. 

velut, s. fluweel. 

ven, s. ader, aèr. 

venar, v.jagen, jacht maken. 
-ad, s. jacht, -ator^ s. jager. 

vend, s. verkoop, vendu, -ar^ 
V. verkopen, -ad, s. omzet. 

vendrdl, s. Vrijdag, -an, a., 
de vendrdi, vrijdags. 

venen, s. venijn, gif(t), ver- 
gif(t). -ar, V. vergiftigen. 
'08, a. giftig, vergiftig. 
-odtetj s. giftigheid. 

venerar, v. venereren, ver- 
eren, -ahl, a. venerabel, 
eerwaardig, eerbiedwaar- 
dig, -ahlitet, s. eerwaar- 
digheid, eerbiedwaardig- 
heid, -asion, s. veneratie, 
verering, -ator, s. vereer- 



der. 

Veneeueia, s. Venezuela. 

veniar, v. komen. 

venison, s. wildbraad. 

vent, s. wind. -ar, v. waaien. 
-08, a. winderig, windig. 

ventilar, v. ventileren, de 
lucht verversen, -asion, s. 
ventilatie, luchtverversing. 
-ator, s. ventilator, lucht- 
ververser. 

ventol, s. waaier, -ar, v. 
waaien, wind maken, be- 
waaien (met een waaier). 

ventr, s. buik. -oa, a. buikig. 

ver, a. waar. -ifikar, v. veri- 
fiëren, verificeren. -ifika- 
sion, s. verifikatie. -itet, 
s. waarheid. 

veras, a. waarachtig, waar- 
heidlievend. -e, adv. -itet, 
s. waarachtigheid, waar- 
heidsliefde, veraciteit. 

verb, s. werkwoord, verbum. 

- aukslliar, hulpwerk- 
woord. — Intransltlv, in- 
transitief, onovergankelik 
werkwoord. — refleksiv, 
wederkerend werkwoord. 

— transitiv, transitief, 
overgankelik werkwoord. 

verd, a. groen.' -a<r, a. groen- 
achtig, groenig, -eskar, v. 
groen worden, groenen. 

verdikt, s. verdikt, vonnis. 
45 



226 



vere ... rea— vigor 



vere ... ma, k. weliswaar ... 
doch. 

verg, s. gard, roede. 

verm, s. worm, wurm, aard- 
worm. 

vermilion, s. vermiljoen (hoog- 
rode kleurstof). 

vermin, s. ongedierte. 

vernis, s. vernis, -ar, v. ver- 
nissen. 

vers, s. vers. -ifikar^ v. ver- 
zen maken, versificeren, 
versifiëren. 

versar, V. gieten, storten. 

version, s. versie, lezing. 

versu, prep. ten, in de rich- 
ting van. 

versu anteriore, adv. voor- 
waarts. 

versu dors, adv. achterwaarts. 

versu est, nord e s., adv. 
naar het oosten, noorden 
enz. 

versu flanic, adv. zijwaarts. 

versu silolcé, adv. herwaarts. 

vertebr, s. w^ervel (been). 

vertigin, s. duizeling, -os, a. 
duizelig. 

vertiical, a. vertikaal. 

vertis, s. kruin. 

verulc, s. wrat. 

vesilc, s. blaas. 

vesp, s. wesp. 

vespertili, s. vleermuis. 

vespr^ s. avond, -e, adv. 



's avonds. 

vest, s. kleed, kledingstuk. 
-ar, V. kleden, aankleden. 

Vestfalm, s. Westfalen. 

vestibul, s. vestibule (ruimte 
bij de ingang van een 
huis). 

vest-8al(, s. zak (in de kle- 
ding). 

veteran, s. veteraan, oudge- 
diende. 

veto, s. veto (ik verbied; 
verwerpingsrecht van een 
vorst). 

via, prep. via, over. 

via, s. weg. 

vibrar, v. vibreren, trillen. 
'Osiony s. vibratie, trilling. 

vidu, a. weduwnaar of wedu- 
we zijnde; weduwnaar, 
-a, s. weduwe, -eskar, v. 
weduwnaar of weduwe 
worden, -itet^ s. weduw- 
schap, weduwstaat. v 

vigilar, V. waken, vigileren. 
-antj part. wakker, waak- 
zaam, waaks, vigilant; 
waker, -eskar, v. wakker 
worden, ontwaken, -ifikar, 
V. wakker maken, wekken. 

vigor, s. sterkte, kracht, 
vigueur. -ar, v. sterken, 
krachtig maken, -os, a. 
sterk, krachtig, krachtda- 
dig. 'Osiiety s. krach tda- 



vikap — Vision 



227 



digheid. 

vikar, s. vikaris, plaatsver- 
vanger, -ar, V. als vikaris 
of plaatsvervanger optre- 
den. 

viktim, s. offer, slachtoffer. 
-ar, V. offeren, opofferen. 

viktor, s. overwinnaar. 

viktori, s. viktorie, overwin- 
ning, -ar, V. overwinnen. 
-08, a. viktorieus, over- 
winnend. 

viktual, s. viktualie, levens- 
middel. 

vil, a. waardeloos, -itet, s. 
waardeloosheid. 

vila, s. villa, buitenplaats, 
buiten. 

vilaj, s. dorp. 

vilan, a. vilain, laag, gemeen. 

vin, s. wijn. 

vindikar, v. wreken, wraak 
nemen, -adon, s. wraak. 

vinegr, s. azijn. 

viniet, s. vignet (druksieraad, 
titel prentje). 

viola, s. altviool. 

violar, V. violeren, schenden, 
verkrachten, onteren, over- 
treden, -asion, s. violatie, 
schending, schennis, ver- 
krachting, ontering, over- 
treding. 

violet, a. violet, paars. 

violet, s. viooltje. 



violin, s. viool, -ist, s. violist. 

violoncel, s. violoncel. 

vipr, s. adder. 

vir, s. man. 

virgin, a. maagdelik, jonk- 
vrouwelik. -a, s. maagd, 
jonkvrouw . -itet, s . maag- 
delikheid, jonkvrouwelik- 
heid. 

Virtemberg, s. Wurtemberg. 

virtd, s. deugd . -os, a. deugd- 
zaam. 

virtuoso, s. virtuoos (mees- 
ter in een kunst, vooral 
in de muziek). -a,s. virtuose. 

vis, s. gezicht, gezichtsver- 
mogen, -ar, V. zien. -dbl 
(visibi), a. zichtbaar, visi- 
bel. 

vise-, pref. duidt een plaats- 
vervangend of onderge- 
schikt persoon aan. 

i;ïsedirektop,s.vice-direkteur, 
onderdirekteur. 

m/?6president, s. vice-presi- 
dent. 

visi, s. ondeugd, -os, a. on- 
deugend, vicieus. 

visier, s. vizier (helmmas- 
ker). 

visin, a. naburig; nabuur, 
buur. -e, adv. in de buurt. 
-itet, s. nabuurschap, -w, 
prep. naast, nevens. 

vision, s. visioen (een ge- 



228 



visit— vostr 



zicht, droombeeld). 

visit, s. bezoek, visite, vi- 
zite. -ar^ v. bezoeken, vi- 
siteren, viziteren. 

vist, s. whist (kaartspel). 

vit, s. leven. 

vitai, a. vitaal, levenskrach- 
tig, 'itety s. vitaliteit, le- 
venskracht. 

vitP, s. glas» -air^ a. glas- 
achtig, -ör, s. glazema- 
ker. -eskar, v. verglazen, 
tot glas worden . 'eskahli- 
tet, s. verglaasbaarheid . 
-ifikar^ v. verglazen, tot 
glas maken, -ik, a. glazen. 

vitriol, s. vitriool. 

vivar, V. leven. -iX;, a. levend. 

vivar lui(8uré, weelderig 
leven . 

vivas, a. levendig, -itet, s. 
levendigheid, vivaciteit. 

YO, pr. jij, je; u; gij, ge 
(enkelvoud), -i, pr. jullie, 
jelui ; u ; gij, ge (meervoud). 

Vogest, s. Vogezen. 

VOk, s. stem. 'ar,\ roepen. 
-asioUj s. roeping, vokatie. 

volcabi, s. woord (gram.). 

vokal, s. vokaal, klinker. 
— intermediar, tussenlig- 
gende klinker. — kiar, 
enkelvoudige klinker. 

vokativ, s. vokatief, 5e 
naamval (gram.). 



vok bas, basstem. 

vol, s. vlucht (van vogels). 
-ar, V. vliegen. 'Star, v. 
fladderen . 

YOiapukar, v. volapük spre- 
ken. 

voifram, s. wolfram (W). 

voikan, s. vulkaan. 

voiontar, a. vrijwillig; vrij- 
williger, volontair . -e, adv. 
gaarne, graag. 

volt, s. gewelf. -ar^Y. wel- 
ven. 

voltij, s. voltige. -ar, v. 
voltigeren (springen, ter- 
wijl men met de hand 
op iets steunt). 

voiu, s . wil . -ar, v . willen . 

volumin, s. volume (boek- 
deel, rol; lichamelike in- 
houd, omvang), -os, a. 
volumineus, -odtet, s. 
volumineusheid . 

voluptu, s. wellust. 'CTy s. 
wellusteling. -os, a. wel- 
lustig, voluptueus. 

vomar, v . vomeren, braken, 
overgeven, -asion, s. vo- 
matie, braking. 

voras, a. vraatzuchtig, gul- 
zig, 'itef, s. vraatzucht, 
gulzigheid, voraciteit. 

vort, s. dwarrel, -ar, v. 
dwarrelen . 

VOStr, pr. jullie, jelui; uw. 



Yot— yunipp 



229 



vot, s. stem (bij verkiezin- 
gen), stemming, votum . 
-ar, V. stemmen. 

votiv, a. votief (ten gevolge 
van een belofte). 

votp, pr. je, jouw; uw. 

vov, s. gelofte, -ar, v. ge- 
lofte afleggen, plechtig 
beloven . 

voyaj, s. reis . -ar, V. reizen, 
-er, s. reiziger. 

vulgar, a. vulgair, gemeen, 
alledaags . 

vulner, s. wond. -ar, v. 
vulnereren, wonden, ver- 
wonden, kwetsen, -abl, 
a. vulnerabel, wondbaar, 
kwetsbaar. -oMon, s. vul- 
neratie, verwonding, kwet- 
sing, kwetsuur. 

Vdlp, s. vos. 

vultur, s. gier. 



ya, adv. reeds, al. 
yak, s. jak. 

yakt, s. jacht (vaartuig). 
yanuar, s. Januarie. -an, 
a., de yanuar, Januarie-. 
Yaponia, s. Japan. 
yasiar, v. liggen. 
ye, k. evenwel, echter. 
yelb, a. geel. 
yok, s. jok, scherts, boert. 



grap, klucht, aardigheid. 
-ar, v. schertsen, boerten, 
grappen maken, -os, a. 
schertsend, boertig, grap- 
pig, kluchtig. 

yovdi, s. Donderdag, -an, 
a.. de yovdi, donderdags. 

yovial, a. joviaal, blijgeestig, 
blijmoedig, lustig, vrolik. 
-itet, s . jo vialiteit, blij gees- 
tigheid, blijmoedigheid, 
lustigheid, vrolikheid. 

yubii, s. jubel, gejubel, ge- 
juich, -ar, V. jubileren, 
jubelen, juichen, -ad, s. 
jubileum . -er, s . jubilaris. 

yudaiA;, a joods . -ism, s . 
jode(n)dom . -n, a . jood . 

yudikar, V. richten, vonnis- 
sen, -ator, s. rechter. 

yudisi, s. oordeel, -ar, v. 
oordelen, beoordelen, -ost- 
on, s. beoordeling. 

yug, s. juk. 

yukund, a. verblijdend, heu- 
gelik, vrolik. 

yuli, s. Julie. -an, a., de 
yuli, Julie-. 

yun, a . jong, jeugdig . -ifikar, 
V. verjongen, -itet, s. 
jeugd. 

yuni, s. Junie. -an, a., de 
yuni, Junie-. 

yunior, a. junior, jongere. 

yunipr, s. jeneverboom. 



230 



yun-kaval— yuvent 



yun-kaval, s. veulen. 

yunktar, v. voegen, samen- 
voegen, aansluiten, voor- 
spannen (paarden), be- 
spannen, -e, adv. samen, 
te zamen, gezamenlik. 

yun-ran, s. jonge kikvors, 
kikkervisje . 

yup, s. rok (van vrouwen). 

yup, s. recht, -ist, s. jurist, 
rechtsgeleerde, -istiky a. 
juristies. 

yupar, V. zweren, een eed 
doen. -ad, s. eed. -ade, 
adv. onder ede -t, s. 
jury . -ifikar, v . beëdigen . 
-o, s . gezworene, jury-lid , 

yupidiA;, a. juridies (over- 
eenkomstig de leer van 
het recht), -c, adv. te recht. 

yupisdiksion, s jurisdiktie 
(rechtsgebied) . 

yurisppudens, s. jurispru- 



dentie (de leer, door rech- 
terlike uitspraken gehul- 
digd). 

yust, a. billik, rechtvaardig, 
-e, adv. juist, billik, recht- 
vaardig. 'ifiJcar, V. recht- 
vaardigen, 'itet, s. billik- 
heid, rechtvaardigheid . 

yuste el sem, pr. juist de- 
zelfde, juist hetzelfde. 

yuste It sem, pr. juist het- 
zelfde 

yu8t6 sitempe, adv. daar 
juist, pas, zo even. 

yustis, s. justitie, rechts- 
wezen, gerecht. 

yut, s. jute (een vezelstof 
uit de tropen, gebruikt 
voor zakken, gordijnen 
enz.). 

yuvel, s juweel, kleinood, 
bijouterie . -er, s . juwelier. 

yuvent, s. jongelingsjaren. 



J^EDERLANDS-NEUTRAAL. 



A. 

a (vóór telwoorden), a. 
aai, ai [de], ai. 
aal [de], anguil (vis). 
aalmoes [de], almosin. 
aaiïiborstigheid [de] , astmat. 
aan, a , ad (lok.), twee — twee, 

a du. 
aanbeeld [het], inkud. 
aanbevelen, rekomendar . 
aanbiddelik, a. adora&Z. 
aanbidden, adorar. 
aan bid dens waardig, a. ado- 

rabl. 
aanbidder [de], ndorator. 
aanbidding [de], adorosion. 
aanbieden, ofrar. 
aanblik [de], spektakl. 
aanblikken, spektar. 
aanbod [het], ofr. 
aanbouw [de], kultur (van 

gewassen). 



aanbouwen, kultivar. 

aanbreken, komensar. 

aanbrengen, ad-portar; de- 
nunsiar (verklikken). 

aandacht [de] , atension. de — 
vestigen op iets, dukar 
atension a kk. 

aandachtig, a. atenslonos. 

aandeel [het], parti (deel); 
aksion (in een handels- 
onderneming). 

aandeelhouder [de]9aksioner. 

aandoen, kausar (veroorza- 
ken). 

aandrang [de], kongesta^on 
(kongestion) (van bloed). 

aandrift [de], impuls. 

aandrijven, impulsar. 

aandringen op iets, instar 
SU kk. 

aanduiden, notiflkar. 

aanduiding [de], notiflka- 
sion. 



232 



aanban — aanraking 



aangaan, konsernar (betref- 
fen). 

aangelegenheid [de], afer; 
kuestion. 

aangenaam, a. agreabl. 

aangenaamheid [de], agre- 
ablitet. 

aangeven, denunsiar (aan het 
gerecht); indikar (indice- 
ren). 

aangezicht [het], fas. 

aangorden, sinturar. 

aangrijpen, sisar ; atakar 
(aanvallen). 

aanhalen, sitar (citeren) ; 
konflskar (van sluikgoe- 
deren). 

aanhalingsteken [het], sign 
de sWaaion. 

aanhanger [de], partisan. 

aanhangsel [het], ad-pendac2. 

aanhechten, aneksar. 

aanhitsen, instigar. 

aanhouden, arestar; konti- 
nuar (voortduren). 

aanhoudend, a. kontinuiA:, 
adv. kontinue. 

aankanten; zich — , oposar se. 

aankijken, spektar. 

aanklagen, akusar. 

aankleden, vestar. 

aankleven, ad-glutinar. 

aankloppen, perkutar (per- 
kuteren). 

aankomen, arivar. 



aankondigen, anunsiar. 
aankondiging [de], anunsi. 
aankopen, akuirar. 
aankweken, kultivar. 
aanlanden, ad-bordar. 
aanleiding [de], okasion. — 

geven tot, okasion<7r. naar 

— van, okasion?i. 
aanleren, aprendar. 
aanleunen, ad-dorsar. 
aanlijmen, ad-glutinar. 
aanlokken, alextar. 
aanlokking [de], alekta^on. 
aanmanen, monitar. 
aanmaning [de], monit. 
aanmatigend, a. arogant. 
aanmatiging [de].arogaiit«^t 

(arogans). 
aanmelden, anunsiar. 
aanmerking; in — nemen, 

konsidar. 
aanmoedigen, in-kurajar. 
aanmunten, monetar. 
aanneraelik, a. plausibl. 
aannemen, akseptar:adoptar 

(adopteren) . 
aanpassen, akomodar. 
aanplakbiljet [het], aflsh. 
aanplakken, ad-glutinar; afl- 

shar (afficheren), 
aanprijzen, rekomendar. 
aanpunten, akutt^^ar. 
aanraden, konsiliar. 
aanraken, kontaktar. 
aanraking [de], kontakt. 



aanschaffen — aarde 



2a3 



aanschaffen, prokurar. 
aanscherpen, ^kutifihar. 
aanschouwen, aspektar. in- 

nerlik — , intuar. 
aanschouwend ; innerlik — , 

a. intua^iv (intuitiv) 
aanschouwing [de] ; inner- 

like — Jntuadion(intuision). 
aansluiten^ yunktar. 
aansporen, stimular. 
aanspraak [de] , apostrofocZ 

(toespraak). — maken, 

pretenda?*. 
aansprakelik, a. responda6^. 
aansprakelikheid [de], res- 

poniablitet 
aanspreken, apostrofar. 
aansteken, infektar (besmet- 
ten); fidL^njikar (in brand 

steken), 
aansteking [de], infektaaion 

(infeksion) . 
aanstoot [de], skandal. 
aantal [het], numr. 
aantekenen, notar. 
aantijgen; bedektelik — ,ln- 

sinuar. 
aantonen, demonstrar. 
aantrekken, atraktar. 
aantrekking [de] , atraktosion 

(atraksion) . 
aanval [de], atak; impetu(rig.). 
aanvallen, atakar. 
aanvallig, a. grasios. 
aanvalligheid [de], grasio- 



sitet. 
aanvang [de], komens. 
aanvangen, komensar. 
aanvangsgronden [de], rudi- 

mentt. 
aanvankelik, adv. komens^; 

in komens. 
aanvoeren, dukar. 
aanvoering [de], éukasion. 
aanvullen, kompleti^A^ar. 
aanwenden, usar. 
aanwending [de] / uscmow. 
aanwennen; zich — , kusto- 

mar se. 
aanwerven, rekrutar. 
aanwezig, a. present. — zijn, 

esar present. 
aanwezigheid [de], presenti- 

tet (presens). 
aanwijzen, asignar; monstrar 

(tonen), 
aanzicht [het], aspekt. 
aanzien, aspektar. 
aanzien; ten — van, konsi- 

derantu, 
aanzienlik, a. nota6^. 
aanzoeken, solisitar. 
aap [de], simi. 
aar [de], spik (korenaar), 
aardappel [de], potat. 
aardbei [de], frag. 
aarde [de], ter; hum (vaste 

grond der aarde), op — , 

SU ter. ter — bestellen, 

sepultar. 



234 



aardewerk — achteren 



aardewerk [het], fayans. 
aardhars [de, het], bitumin. 
aardig, a. gentil. 
aardigheid [de], qentWitet; 

yok (scherts), 
aardkluit [de], gleb. 
aardkunde [de], geologi. 
aardpek [het], bitumin. 
aardrijkskunde [de],geografl. 
aardrijkskundig, a. geogra- 

fiik (geografik). 
aards, a. terestr. 
aardworm [de], verm. 
aars [de], an. 
aartsbisschop [de], ar Hepis- 

kop. 
aartsengel [de], arHangel. 
aartshertog [de], arUéuk. 
aartsvader [de], patriark. 
aarzelen, hesitar. 
aas [het, de], as (kaartspel), 
abandonneren, abandonar. 
abces [het], abses. 
abdiceren,abdikeren,abdikar. 
abdij [de], abatm. 
abdikatie [de], abdikaston. 
abdis [de], abata. 
aberratie [de], aberas/on. 
ablatief [de], ablativ. 
abominabel, a. abomina&Z. 
ibonnee [de], abonan^. 
abonneren, abonar. 
abonnent [de], abonant 
abrikoos [de], abrikos. 
absent, a. absent. 



absentie [de], absenti^^ (ab- 

sens) . 
absint [de, het], absint. 
absolutie [de], absol v^mon 

(absolusion). 
absol utisme [het] , absolutiam. 
absoluut, a. absolut. 
absolveren, absolvar. 
absorberen, absorbar. 
abstinent, a. abstinent. 
abstinentie [de], abstinentie^ 

(abstinens). 
abstraheren, abstraktar. 
abstrakt, a. abstrakt. 
absurd, a. absurd. 
absurditeit [de], absurdi^^ 
abt [de], abat. 
Abyssinië [het], Abisinia. 
achl a! 

acht; in — nemen, observar. 
acht, okt. 

achtbaar, a. honora^^. 
achteloos, a. negligi^. 
achten, estimar. iemand in 

staat — , estimar kh kapabl. 
achter, prep. po , dorsw (ach- 
ter do rug van) ; adv . 

posteriore. 
achteraan, posterior^. 
achterblijven, restar poste- 

piore. 
achterdocht [de], suspekt. — 

hebben, suspektar. 
achteren; naar — , a poste- 

piore. van — ,>|a postepiorc. 



achterffaan — afdanking 



235 



achtergaan, andar tro lente 

(van een uurwerk), 
achtergrond [de], fon. 
achterlaten, abandonar. 
achternazenden, mitar po8- 

teriore. 
achterneef [de], grand-nef. 
achterstaand, a. posterior. 
achterste [het], an. 
achteruitgaan, regresar. 
achteruitgang [de], regres. 
achtervoegsel [het], sufiks. 
achterwaarts, adv. versu 

dors. 
achthoek [de], o^^oangul. 
achting [de], estim. 
achtste, okiim (oktav). 
adder [de], vipr. 
^del [de], nomtet. 
adelaar [de], akuil. 
adelen, nobKfikar. 
adellik, a. nobl. 
adem [de], respir. 
aderaen, respirar; halitar. 
ademhalen, respirar. 
ademhaling [de], respirasion. 
ademtocht [de], halit. 
ader, aar [de], ven; lign-ven 

(in hout), 
adieu I a Deo/ 
adjektief [het], adyektiv. 
adjudant [de], adyutant. 
adjudiceren, ad-yudikar. 
adjungeren, ad-yunktar. 
adjusteren, ad-yustar. 



administrateur [de], admi- 
nistrator. 

administratie [de], admini- 
sXrasion. 

administreren, administrar. 

admiraal [de], admiral. 

admiraliteit [de], admiral itet. 

admitteren, admitar. 

adopteren, adoptar. 

adres [het], adres. 

adresseren, adresar. 

adverbium [het], adverb. 

advertentie, advertensie [de], 
anunsi. 

adverteren, anunsia?*. 

advies [het], avis. 

adviseren, advizeren, avisar. 

advokaat [de], advokat. 

afbedelen, de-mendikar. 

afbeelden, portretar. bespot- 
telik — , karikaturar. 

afbeelding [de], imag. 

atbestellen, de-komitar. 

afbetalen, payar. 

afbeuren, levar. 

afboeten, eksfliar. 

af boeting [de], ekspiasion. 

afborstelen, de-brusar. 

afbranden, de-kombusta? 

afbreken, de-frangar ; demo- 
lar (slopen). 

afdalen, desendar. 

afdammen, konstruar dam. 

afdanken, dimitar. 

afdanking [de], dlmlsion. 



236 



afdeling — afkorten 



afdeling [de],86k8ion,rubrik. 
— van bestuur, departe- 
ment. 

afdekken, de-kuvrar. 

afdingen, merkantar. 

afdringen, de-urgar. 

afdrukken, de-presar; impri- 
mar (op een drukkerij). 

afduwen, de-pusar. 

afdwalen, aberar. 

afdwaling [de], aberastoji. 

afdwingen, forsar. 

afeisen, demandar. 

affaire [de], afer. 

affekt [het], afekt. 

affekteren, afektar. 

affektie [de], afeksion. 

affiche [het], afish. 

afgeleefd, a. senil. 

afgelegen, a. distant. 

afgeleid woord, parol de- 
rmd. 

afgemat a. fatigec^. 

afgematheid [de], fatig. 

afgescheiden, a. separiA;. 

afgetrokken, a« abstrakt. 

afgevaardigde [de], deputed. 

afgeven, donar. 

afgezonderd, a. isol^cZ. . 

Afghanistan [het], Afgani- 
stan. 

afgieten, de-versar. 

afglijden, de-glisar. 

afgod [de], idol. 

afgrijselik, a. hororo8. 



afgrijzen [het], horor. 

afgrond [de], presi pis (steile 
af hel ling) ; abism (gronde- 
loze diepte). 

afgunst [de], envi. 

afgunstig, a. envio8. 

afhakken, de-batar. 

afhalen, ad-portar. 

afhandelen, de-merkantar. 

afhangen, dependar. 

af helling [de] ; steile — 
presipis. 

afhouwen. de-batar. 

afhuren, luar. 

afhuring [de], \ua/i. 

af huurder [de], \uator. 

afkappingsteken [het], apo- 
strof. 

afkeer [de], aversion. 

afkeuren, reprovar. 

afkeuring [de], reprova«ion. 

afkluiven, de-rodar. 

af knabbelen, de-rodar. 

af knagen, de-rodar. 

afknippen, tonsar. 

af knotten, tronkar. 

afkoelen, refreskar. 

afkoken, de-kukar. 

afkomen, proveniar. 

afkondigen, proklamar; pu- 
blikar (publiceren). 

afkondiging [de], proklama- 
sion, 

afkopen, akuirar. 

afkorten, abreviar. 



afkorting:— afstijgen 



!287 



afkorting [de], abreviemon. 

afkrabben, de-kratar. 

afkrassen, de-kratar. 

afladen, de-sharjar. 

afleggen, de-posar. 

afleiden, derivar; de-turnar 
(afwenden). 

afleveren, delivrar. 

aflezen, lektar. 

aflichten, levar. 

afluisteren, auskultar. 

afmaaien, de-falsiar. 

afmaken, per-fasiar (vol- 
einden). 

afmarcheren, de-marshar. . 

afmatten, fatigar. 

afmeten, mesurar. 

afmeting [de], dimension. 

afnemen, de-prendar (trans.) ; 
minuesArar (intr.). 

aforisme [het], aforisill. 

afpakken, de-sharjar. 

afpassen, ad-yusta/*. 

afpellen, pelar. 

afraden, de-konsiliar. 

afranselen, bastonar. 

afreis [de], partad (vertrek). 

afreizen, de-voyajar; partar 
(vertrekken) . 

afrekenen, de-kontar. 

africhten, Ar^sar . een paard 
— , dresar kaval. 

Afrika [het]. Afpik. 

afronden, rotond i^A:ar. 

afrossen, bastonar. 



afschaffen, anular. 
afschaven, de-rabotar. 
afscheiden, eskartar ; separar 

(scheiden) . 
afscheiding [de], separoston. 
afscheuren, de-niptar. 
afschieten, lansar. 
afschilderen, piktar. 
afschillen, pelar. 
afschrift [het], kopi. een — 

maken, kopiar. 
afschrijven, de-skribar. 
afschrikken, tiillidij^A;ar. 
afschudden, de-sukusar. 
afschuieren, de-brusar. 
afschuimen, de-skumar. 
afschuw [de], abomino^on. 
afschuwelik. a. aboiiiina62. 
afslaan, de-batar. 
afslijten, de-usar. 
afsluiten, klosar. 
afsnijden, de-kupar. 
afspannen (paarden) , de- 

yunktar (kavali). 
afspiegelen, refleksar. 
afspreken, stipular*. 
afspringen, de-saltar. 
afstammen, dedend nrr. 
afstand [de], distantiere (dis- 

tans); abdikaato^. — doen, 

abdikar. 
afstappen, desendar. 
afsteken ; met paaltjes — , 

trasar medit^ pik^ti. 
afstijgen, desendar. 



238 



afstoffen — akademies 



afstoffen, de-pulvar. 

afstompen, minueskar (intr.) ; 
tronkar (knotten). 

afstoten, de-pusar. 

afstraffen, puniar. 

aftekenen, deliniar. 

aftreden, retipar se. 

aftrekken, subtraktar. 

aftrekking[de],8Ubtrakta8'i(m. 

aftreksel [het], ekstrakt. 

afvaardigen, deputar; delegar. 

afval [de, hetj, sord. 

afvallen, de-kadar. 

afvallig, a. apostat. 

afvloeien, de-fluar. 

afvoeren, de-dukar. 

afvragen, interogar. 

afwachten, atendar. 

afwachting [de], atend. 

afwenden, de-turnar. 

afwennen, de-kustomar. 

afwerken, eks-laborar. 

afwezig, a. absent. 

afwezigheid [dej, absentitet 
(absens). 

afwijken, diferar (verschil- 
len). 

afwijzen, refusar. 

afwijzing [de], refus. 

afwisselen, alternar (beurte- 
lings doen); variar (varië- 
ren). 

afwisseling [de],alternaston; 
y ariasion. 

afwrijven, frotar. 



afzadelen, de-sedlar. 
afzakken, desendar. 
afzeilen, apo-selar. 
afzenden, ekspedia>'. 
afzetten, de-posar; dimitar 

^ontslaan) ; amputar(ampu- 

teren). 
afzetting [de], amputo^on. 
afzien ; van iets — , renunsiar 

a kk. 
afzonderen, isolar. 
afzond erlik,a. apart ; separi^ 

(enkel), 
afzweren, abyurar. 
agaat [het, de], agat. 
agent [de], agent. 
agentschap [het], agensi. 
agglutineren, ad-glutinar. 
agio [de, het], ajio. 
agitatie [de], agitcwiow. 
agitator [de], agitator. 
agiteren, agitar. 
agonie [de], agoni. 
agrikultuur [de], agrikultur. 
agraffe [de], agraf. 
ahl a! 

ahorn [de], aser. 
ai, aai [de], ai. 
air [het], aria. 
ajuin [de], bulb. 
akacia [de], akasia. 
akademie [de], akademi. 
akademielid [het], akade- 

mian. 
akademies, a. akademian. 



akceleratie -— alimenteren 



239 



akceleratie [de] , akselera^on. 
akcent [het], aksent. 
akcentuatie [de], aksentu- 

asion, 
akcentueren, aksentuar. 
akcept [het], aksept. 
akcepteren, akseptar. 
akcident [het], aksident. 
akker [de], agr. 
akkeren, arar. 
akklamatie [de], aklamasion 
akkomodatie [de], akemo- 

Aasion. 
akkomoderen, akomodar. zich 

— , akomodar se. 
akkoord [het], akord. 
akkorderen, akordar. 
akkrediteren, akreditar. 
akkumiilator [de], akumula- 
. ior. 

akkuraat, a. akurat. 
akkuratesse [de], skuraiitet. 
akkusatief [de], akusativ. 
akkusativies, a. akusativtA:. 
akkuseren, akusar. 
akoustiek [de], akustik. 
aksijns [de], impost. 
akte [de], akt. 
akteren, aktar. 
akteur [de], aktor. 
aktie [de], aksion. 
aktief, a. aktiv. 
aktionaris, aktion(n)air [de], 

aksion^. 
aktiviteit [de], aktivi^^t. 



aktrice [de], aktor^. 

aktualiteit [de], aktuali^<?t. 

aktueel, a. aktual. 

akuut, a. akut. 

al [het], univers. 

al, adv. ya; k. negligan^ke 
(hoewel). — te, tPO. — 
wat, omni fekos. — wie, 
omni ki. 

alarm [het], alarm. 

alarmeren, alarm^r. 

Albanië [het], Albania. 

albast [het], alabastr. 

albe [de], alb. 

album [het], albom. 

alchimie [de], alkimi. 

alchimist [de]« alkimiis^ (al- 
kimist). 

alchimisties. a. Bikimiistik 
(alkimistiA;). 

aldus, tale. 

alembiek [de], alambik. 

alfabet [het], alfabet. 

alfenide [het], alfenid, 

algebra [de], algebra. 

algebraïes, a. algebrai^. 

algemeen, a. general, adv. 
generale, over het — , ge- 
nerale. 

Algerië [het], Aljeria. 

aliënatie [de], aliena^ion. 

aliëneren, alienar. 

alimentatie [de], allmenta- 
sion, 

alimenteren, alimentar. 



j 



240 



alinea — ambrosia 



alinea [de], aline. 

alkali [het], alkali. 

alkalies, a. alkalli^. 

alkohol [de], alkohol. 

alkoof [de], alkov. 

alle, pr. omni (gevolgd door 
een meervoud). 

alledaags, a. vulgar 

allee [de], alé. 

allee-achtig, a. alea^r. 

alleen, a. sol, adv. sole. — 
blijven, restar sol. niet 
— ... maar ook, no sole ... 
ma et. 

alleenhandel [de], monopol. 

alleenheerser [de], monark. 

alleenheerschappij [de], mo- 
nark ia. 

alleenspraak [de], monolog. 

alleenzijn [het], solitet 

allegorie [de], alegori. 

allego ries, a. alegorÜA: Cale- 
gorik). 

allengs, suksesiv^. 

allerhande, a. vari os. 

allerlei, a. vapios. 

alles, omni-kos. 

alliantie [de], alians. 

alligator [de], aligator. 

almanak [de], almanak. 

aloëe [de], aloë. 

alomvattend, a. universal. 

Alpen [de], Alpi. 

alruin [de], mandragor. 

als, kuale (gelijk, zoals); In 



kuBiMlet de (in hoedanig- 
heid van); ka (na een 
vergrotende trap). 

alsof, kual^ if. 

alt [de], kontralt 

altaar [het], altar. 

altans, a minu (ten minste). 

alternatie [de], alternasion. 

alternatief [het], alternativ. 

alterneren, alterriar. 

altijd, sempr^. 

altijdbloeiend, a. sempr^-flo- 
rant. 

altijddurend, a. perpetu, adv. 
perpetue; a. sempri^. 

altist [de], kontraltis^. 

altviool [de], viola. 

aluin [de], alum. 

aluminium [het], aluminium. 

alvorens, ante ice. 

amalgaam, amalgama [het], 
amalgam. 

amalgameren, amalgamar. 

amandel [de], mand. 

amaril [de], esmeril. 

amateur [de], BMator. 

amazone [de], amason. 

ambacht [het], metier. 

ambacht.«!raan [(ie],metieri.vt. 

ambassade [de], ambasad. 

ambassadeur [de],ambasader. 

ambitie [de], ambisi. 

ambitieus, a. ambislos. 

ambrosia [de], ambrozijn 
[het], ambrosi. van — , 



ambt — ankeren 



241 



ambrosian. 
ambt [het], ofls. 
ambtelik, a. oflst^ (oflsial). 
ambtgenoot [de], koleg. 
amen [het], amen. 
Amerika [het], Amerik. 
Amerikaan [de], amerikan. 
amerikaans, a. amerikan. 
amethist [het, de], ametist. 
amfibie [het], amflbi. 
amfibies, a. amfibian. 
ammoniak [de], amoniak. 
amnestie [de], amnesti. 
amortisatie [de], amortisa- 

sion. 
amortiseren, amortisar. 
amoureus, a. amoro8. 
amputatie [de],amputa«ion. 
amputeren, amputar. 
amulet [de], amulet. 
amusQren,amuzeren, amusar. 
anaal, a. SMik. 
analoog, a. analog. 
analyse [de], analis. 
analyseren, analisar. 
ananas [de], ananas. 
anapest [de], anapest. 
anapesties, a. anapestiA;. 
anarchie [de], anarki. 
anarchisme [het], anarkiüm 

(anarkism). 
anarchist [de], anarklist 

(anarkist). 
anarchisties, a. anarküA: 

(anarkik). 



anathema [het], anatem. 

Anatolië [het], Anatolia. 

anatomie [de], anatomi. 

anatomies, a. anatomKA; (ana- 
tomi k). 

anatoom [de],anatomits^(ana- 
tomist). 

Andaloezië [het], Andalusta. 

ander, pr. otp. de ene ... de 
andere, un...otr. 

andermaal; een — , adv. 
otp/oa. 

anders, otpe; otr-tempe (tijd), 
iets — , otr-kos. 

anderzijds, otr-flanke. 

andijvie [de], endiv. 

Andorra [het], Andora. 

anekdote [de], anekdot. 

angel [de], angl. 

angina [de], angin. 

angora [de], angoran. 

angst [de], angust. 

angstvallig, a. \\mid (geneigd 
tot angst) ; skruploa (skru- 
pulos) (met het bijdenk- 
beeld van kleingeestig- 
heid). 

angstvalligheid [de], t\midi- 
tet; skrujf\o8itet (skrupu- 
\ositet). 

anijs [de], anfs. 

animaal, a. animalt^. 

animeren, animar. 

anker [het], ankr. 

ankeren, ankrar. 

46 



t24^i 



annalen — arbitrago 



annalen [de], anali. 
annex [het], aneks. 
annexeren, aneksar. 
annonce [dej, anunsl. 
annonceren, anunsiar. 
annuleren, anular. 
anoniem, a. anonlm. 
anonimiteit [de], anonlmi^^ 
anti-alkoholies, a. antieAko- 

hoUk. 
antiek, a. antlk. 
antifona [de], antlfon. 
antifonaal, a. antlfoniAi. 
antikiteit [de], antlkt^^ 
Antillen [dej, Antllt. 
antilope [de], antilop. 
antimonium [het], antlmon. 
antipathie [de], antlpatl. 
antipathiek, a. antlpatÜA; 

(antlpatik). 
antipode [de], antlpod. 
antwoord [het], respond. 
antwoorden, respondar. 
anus [de], an. 
aorta [de], aort. 
apanage [het], apanaj. 
apanageren, apanajar. 
apart, a. apart. 
apathie [de], apati. 
apathies, a. apatÜA; (apatik). 
ape-, s\m\ik, de simi. 
apologeet [de], apologli^^ 

(apolopist). 
apologeties, a. apolotfiiA; (apo- 

logetik). 



apologie [de], apologl. 
apoplekties, a. apopleksÜAi 

(apopleptik). 
apoplexie [de], apopleksl. 
apostel [de], apostol. 
apostolies, a. apostoh'A;. 
aposlrofe [de], apostrof. 
apoteek [de], apotek. 
apoteker [de|, apoteker. 
apparaat [het], aparat. 
appel [de], pom. 
appol [het], apel. 
appelleren, apelar. 
appendix [hot,cle],ad-pendar/. 
Appenijnen [de|, Apenini. 
appetyt [de|, apetlt. 
applaudisseren, aplaudar. 
apporteren, ad-portar. 
approberen, aprob^/r. 
approximatie [de], ad-prok- 

slmoaion. 
approximatief, a. aprokslma- 

tlv, adv. aprok8lmatlv<9. 
April [de], april. 
aprils, a. aprilan, de april. 
aquarium [het], akuarlum. 
arabesk [de], arabesk. 
Arabië [het|, Arabia. 
arak [de], arak. 
araroet [de, het], arorut. 
arbeid [de], labor. 
arbeiden, laborar. 
arbeidzaam, a. Industrlo^. 
arbiter [de], arbltr. 
arbitrage [de], arbltraj. 



arbitrair — asth m a 



243 



^arbitrair, a. arbitrar. 
archief [het], arkiv. 
architekt [de], arkitekt. 
are [de], ar. 
arena [de], aren. 
arend [de], akuil. 
areometer [de], areometr. 
Argentina |het], Argentina. 
arglist [de], pBrfiAitet. 
arglistig, a. perfid. 
argon [het], argon. 
argument [het], argument. 
argumenteren, argumentar. 
4irgwaan [de], suspekt. 
argwanen, suspektar. 
aria [de], aria. 
aristokraat [de], aristokrat. 
aristokratie [de], aristokrati. 
arithmetika [de], aritmetik. 
arkade [de], arkad. 
arm, a. povr. — worden, 

povreskar . 
arm [de], bras. 
armband [de], braselet. 
armee [de], armi. 
Armenië [het], Armenm. 
armoede [de], powritet. 
armoedig, a. povr. 
armstoel [de], bras-stul. 
armzalig, a. misera^Z. 
aroma [het], aromat. 
aromaties, a. aromatiA;. 
arrangeren, ad-rangar. 
arrest [het], arest. 
arresteren, arestar. 



arriveren, arivar. 
arrogant, a. arogant. 
arrogantie [de],, aroganti^f 

(arogans). 
arsenaal [het], arsenal. 
arsenikum [het], arsen. 
artiest [de], dJiist 
artificieel, a. artifisial. 
artikel [het], artikl. 
artillerie [de], artileri. 
artillerist [de] , artileriisf 

(artilerist). 
artisjok [de], artishok. 
arts [de], medik. 
artsenij [de], medikament. 
as [de], aks (spil), 
as [de], sen (overschot van 

verbranding), 
asbest [het], asbest. 
asceet [de], asket. 
asfalt [het, de], asfalt. 
aspekt [het], aspekt. 
asperge [de], asparg. 
aspireren, aspirar. 
assessor [de], asesor. 
assigneren, asignar. 
assistent [de], asistant. 
assisteren, asistar. 
associatie [de], asosia^n. 
nssocié [de], asosi^. 
associëren, asosiar. 
assurantie, assuransie [de], 

aseku rosion. 
Assyrië [het], Asiria. 
asthma [het], astmat. 



244 



astrologie — baatzucht 



astrologie [de], astrologl. 

astroloog [de], astrolog. 

astronomie [de], astronoifli. 

astronomies, a. astronoifiüA: 
(astronomik). 

astronoom [de], astronoifl. 

asyl, aziel [het], asil. 

atheïsme [het], atelsifi. 

atheïst [de], ateist. 

athleet [de], atlet 

athleties, a. atletiA; . 

Atlantiese oceaan [de], At- 
lantiA; (osean atlanti^). 

atlas [de], atlas (met kaarten). 

atmosfeer [de], atmosfer. 

atoom [het], atom. 

attaque [de], atak. 

attaqueren, atakar. 

attent, a. atensionos. 

attentie [de], atension. 

attest [het], atest. 

attesteren, atesta?*. 

attraktie [de], atrakto^ion 
(atrakslon) . 

attraperen, atrapar. 

audiëntie [de], audiens. 

augment [het], augment. 

Augustus [de], august. 

Augustus-, augustan, de au- 
gust 

auktie [de], auksion. 

auskulteren, auskultar. 

Australië [het], Austraiia. 

auteur [de], autor. 

authentiek, a. autentik. 



autobiografie [de], autoblo- 

gpafi. 
automaat [de], automat. 
automaties, a. autolnat^^^ 

adv. automate. 
automobiel [de], [vehiki] au-- 

tomobil. 
autoriseren, autorisar. 
autoriteit [de], autoritet. 
avanceren, avansar. 
aversie [de], aversion. 
avond [de], vespr. 
avondeten [het], supé. 
Avondmaal [het], eukarist; 

komunion. 
avonds ('s — ), vespre. 
avontuur [het], aventur. 
axioma [het], aksiom. 
Aziaat [de], asian (asiatik). 
aziaties, a. asian (asiatik)* 
Azië [het], Asia. 
azijn [de], vinegr. 
azuren, a. asur. 

B. 

baai [de], golf. 
baaierd [de], kaot. 
baan [de], rut. 
baar [de], bar fstaaf). 
baard [de], barb. 
baardig, a. barbos. 
baarmoeder [de], matris. 
baas [de], maestr. 
baatzucht [de], egoism. 



baatzuchtige— barmhartig 



245 



baatzuchtige [de], egoist. 
babbelachtig, a. lokuas. 
babbelen, babiliar. 
bad [het], bani. 
baden, baniar. 
bader [de], banier. 
badhuis [het], baniert. 
badkuip [de], bani-kuf. 
bagage [de], bagaj. 
bagatel [het], bagatel. 
bagger [de], slim. 
bajonet [de], bayonet. 
bakkebaard [de], quiii-barb. 
bakken, bakar ; friar (in de 

pan), 
baksel [het], bskad, 
baksteen [de], brik. 
bal [het], bal. 
balanceren, balansar. 
balans [de], balans; bilans 

(handel) . 
baldakijn [de, het], baldakin. 
balk [de], trav. 
balken, asin-klamar. de ezel 

balkt, asin klam. 
balkon [het], balkon. 
ballade [de], balad. 
ballast [de], balast. 
ballet [het], balet. 
ballingschap [de], eksil. 
ballistiek [de], balistlk. 
ballon [de], balon. 
balsem [de], balsam. 
balsemen, balsamar. 
balsemijn [de], balsamin. 



Baltiese zee [de], BeAXik (mar 

balttib). 
baluster [de], balustr. 
balustrade [de], balustrocf.- 
bamboe [de, het], bambu. 
banaan [de], banan. 
baud [de], band. 
bandagist [de], bando/tst. 
bandiet [de], bandlt. 
bang, a. t\mid. 
bangheid [de], ümiditet. 
banier [de], baner. 
bank [de], skamnu; bank 

(handel). — van lening, 

lombard. 
bankbiljet [het], bank-billet. 
banket [het], banket. 
bankier [de], bank^. 
banknoot [de], bank-blliet. 
bankroet [het], bankrot. — 

gaan, fasiar bankrot. 
banvloek [de], anatem. 
barak [de], barak. 
barbaar [de], barbar. 
barbaars, a. barbar. 
Barbarije [het,] Berberia. 
barbeel [de], barbi. 
barbier [de], barbar. 
baren, natar. 
baret [de], baret. 
baring [de], nato^ion. 
bariton [de], bariton. 
barium [het], barium. 
bark [de], bark. 
barmhartig, a. miserikordo^. 



246 



barmhartigheid — bedotten 



barmhartigheid [de], miseri- 
kord. 

barnsteen [het], elektropetr. 
barometer [de], barometr. 
baron [de], baron. 
barrière [de], barier. 
barrikade [de], barikad. 
bars, a. brusk. 
barsheid [de], bruskitet 
barst [de], fisctd. 
barsten, krakar. 
basilisk [de], basilisk. 
basis [de], basis. 
Basjkier [de], bashkir. 
bassin [het], basin. 
bassist [de], bdiSist. 
basstem [de], vok bas. 
bast [de], bast. 
bastaard, basterd [de], bas- 

tard. 
bastion [het], bastion. 
bataat [de], batat. 
bataljon [het], bataiion. 
batist [het], batist. 
batterij [de], bateri. 
baviaan [de], pavian. 
bazaar [de], basar. 
bazalt [het], basalt. 
beamen, asentiar. 
beaming [de], asenti. 
beangstigen, angustar. 
beantwoorden, respondar. 
bearbeiden, el(s-laborar. 
beboeten, mulktar. 
bebouwen, kultivar. 



becijferen, besijferen, shifpar^ 

bed [het], bed. 

bedaard, a. trankil. 

bedachtzaam, a. prudent. 

bedachtzaamheid [de], pril- 
denti/e( (prudens). 

bedanken, mersiar. 

bedanking [de], mersicmcm. 

bedaren ; doen — , kalmar. 

bede [de], prek (gebed); 
preg (verzoek). 

bedeesd, a. Wmtd. 

bedeesdheid [de], Wmiditef. 

bedekken, kuvrar. met wol- 
ken ^, kuvrar mediu nubt» 

bedelaar [de], mendikanif. 

bedelen, mendikar. 

bedenken, konsiderar; ima- 
ginar (verzinnen). 

bederf [het], jfuireskasion. 

bederven, jfuXreskar. 

bedevaart [de], peregrina- 
sion. op — gaan,peregrinar. 

bedevaartganger [de], pere- 
gpin. 

bediende [de], serv. 

bedienen, servar. 

bedillen, kritikar. 

beding [het], kondision. 

bedingen, stipular. 

Bedoeïen [de], beduin. 

bedoelen, intensionar. 

bedoeling [de], intension. 

bedorven, a. putr. 

bedotten, dupar. 



bedrag — begrijpelik 



247 



bedrag [het], 8um. overge- 
maakt — , rimes. 

bedragen, fasiar sum de. 

bedreigen, menasar. 

bedreiging [de], menas. 

bedremmeld, a. perpleksed. 

bedremmeldheid [de], peP- 
f\eksltet. 

bedreven, a. ekspert. 

bedriegen, fraudar. 

bedrijf [het], akt (akte). 

bedrijvig, a. aktiv. 

bedrijvigheid [de], aktiv^'^^^ 

bedrinken; zich — ,ebri/ïA:a?' 
se. 

bedroefd, a. trist. innig — , 
kontrit. 

bedroefdheid [de], trlsttf^^. 

bedroeven, afliktar. zich — , 
grivar. 

bedrog [het], fpaud. 

bedrukken, imprimar. 

beduiden, signifikar. 

beduiding [de],8ignifika8ion. 

bedwelmd, a. krapulos (een 
roes hebbende). 

bedwelmen, narkotisar ; in- 
ebrar (van dranken). 

bedwelmend, a. narkotisant. 

bedwelming [de], narkotisa- 
sion. 

beëdigen, yurifikar (een 
persoon); afirmar mediu 
yurad (onder ede beves- 
tigen). 



beek [de], fluvie^ 
beeld [het], imag. 
beeldhouwen, skulptar. 
beeldhouwer [de], skulpta- 

tor (skulptor). 
beeldhouwkunst [de], skuip- 

Xasion (skulptur). 
beeltenis [de], imag. 
been [het], gamb. 
been [het], 08 (gebeente), 
beer [de], UP8. 
beest [het], animal. 
beet [de], moriad (hap), 
beet [de], betarubr (wortel), 
beetpakken, sisar, 
befaamd, a. famos. 
befaamdheid [de], fam. 
begeren, desirar. 
begerig, a. avid ; kupid. 
begerigheid [de], Biyiiitet; 

kujfiAifet. 
begeerte [de], deeip. 
begeleiden, kompanar. 
begenadigen, amneetiar. 
begenadiging [de], amnesti. 
begiftigen, dotar. 
begin [het], komene, in het 

— , komenee, in komene. 
beginnen, komensar.^ 
beginsel [het], prinsip. 
begoochelen, ilusionar. ^ 
begoocheling [de], ilusion. 
begraven, sepultar. 
begrenzen, limitar. 
begrijpelik, a. komprend^^^' 



248 



begrij pen — bekrachtigen 



begrijpen, komprendar. 

begnp [het|, nosion. 

begroeten, salutar. 

begroten, taksar. 

begroting [de], takso^ton. 

begunstigen, favorar (favo- 
rlsar). 

behaagziek, a. koketiA;. 

behagelik, a. komforta62. 

behaard, a kapilos. 

behagen, plisar. 

behalve, ekseptu. — wan- 
neer, eksepte ka. 

behandelen, traktar. 

behandeling [de],trakta«i(m. 

behang [het], papir-tapet 

behangsel [het], papir-tapet 

behartigen, konsiderar. 

beheer [het],admini8tra^n. 

beheerder [de],admliil8traeor» 

beheren, adifilnlstrar. 

beheersen, ragnar. 

behendig, a. agii. 

behoeden, presarvar. 

behoeftig, a. Indigent. 

behoeftigheid [de], indigen- 
titet (Indigens). 

behoeven, avar n^s^sitet de. 

behoorlik, a. pertinent. 

behoren, apartenar. 

behouden, retenar. 

behulp [hetj; met — van, 
ko eukure de. 

beide, pr. omnI du. 

J3eieren [het], Bavaria. 



beijveren ; zich — ^ peaar. 

beitel [de], sisel. 

beitelen, siaeiar. 

bejaard, a. anaiaa. 

bejaardheid [de], anaiamt^. 

bek [de], muaal. 

bekeerde [de], konvart 

bekeerder [de], konvertator. 

bekeren, konvartar. 

bekering [de], konvertcmon 
(konversion). 

bekend, a. konosed. alge- 
meen — , notorï^. 

bekendmaken, publikar; 
anunsiar (aankondigen). 

bekendmaking [de], publl- 
kcmon; anunai (aankondi- 
ging). 

bekennen, konfesar. 

bekentenis [de], konfeaosto/t 
(konfeslon). 

beker [de], bokal. 

bekijken, aspektar. 

beklagen, kompasionar (me- 
delijden hebben met) ; de- 
plorar (treuren over), zich 
over iets — , lamentar di kk. 

bekomen, reaivar (ontvan- 
gen) ; obtenar (verkrijgen). 

bekommeren; zich — , soli- 
eitar. 

bekoorlikheid [de], sharm. 

bekoren, sharmar. 

bekoring [de], sharm. 

bekrachtigen, konfirmar;ra- 



bek rach tigi ng— bemorsen 



249 



tiflkar ; sanksionar 

bekrachtiging [de], sanksion. 

bekransen, koronar. 

bekwaam, a. kapabi ; apt 
(geschikt) . 

bekwaamheid [de], kapabli- 
tet; BLjfHtet, 

bel [de], klok. 

beladen, sharjar. 

belanden, ad-bordar. 

belang [het], interes. — in- 
boezemen, interesar. 

belangrijk, a. Important. 

belasten, sharjar (beladen); 
impostar (met een be- 
lasting); komltar (lastge- 
ven). 

belasteren, kalumniar. 

belastering [de], kalumnla- 
sion . 

belasting [de], Impost. 

beledigd ; — zijn, esar ofen- 
Aed. 

beledigen, inyurlar ; ofen- 
dar. 

belediging [de], Inyuri. 

beleefd, a. polit. 

beleefdheid [de], poWiitet 

beleg [het], obsldio^ion. 

belegeren, obsidiar. 

belegering [de], obsidiaaion. 

belemmeren, impediar. 

beletten, impediar. 

beleven, eksperiar. 

België [het], Belgia. 



beliegen ; iemand — , menti- 

ar a kh. 
believenh, plisar. 
believen [het], piisad. naar 

— , sekuaneu pllsa^i. 
belijden, konfesar. 
belijdenis [de], konfesasion 

(iconfeslon). 
belladonin [de], beladen. 
bellen, tdtinar. 
belofte [e], promet. 
belonen, rekompensar. 
beloning [de], rekompensa- 

don, 
belopen, fasiar sum de. 
beloven, prometar. plechtig 

— , VOVar. 
beluisteren, auskultar. 
belvedère [de], belveder. 
bemannen, ekipar. 
bemantelen, mantelar. 
bemerken, perseptar. 
bemiddelaar [de], mediator, 
bemiddelen, medlar. 
bemiddeling [de] , mediaan, 
beminnelik. a. fmabl, 
beminnelikheid [de] , ama6Zi- 

tet 
beminnen, amar. 
bemïnnenswaardig, a . ejndbl, 
beminnenswaardigheid [de], 

^mablitet . 
bemoedigen, In-kurajar. 
bemoeiliken, n^aslli^A^ar. 
bemorsen, sordi^Arar. 



250 



bemost — beschadiging 



bemost, a. muskiod. 

benadelen, damnt^^ar. 

benaderen, ad-proksimar . 

benaderend, a. aproksimativ, 
adv. aproksimative. 

benadering [de], ad-proksi- 
masion. 

benaming [de], nom. 

beneden, adv inferior^ ; 
prep. inferior6 de. hier 
— , 8U ter. naar— ,alnfe- 
riore. van — , dainferior^. 

beneficie [de], benefice [de], 
benefis. 

benijden, enviar. 

benoemen, nominar. 

benoeming [de], nominoston. 

benodigdheid [de], rekuisit. 

benuttigen, utilisar. 

benzine [de], bensin. 

benzol [het], bensol. 

beogen, intensionar. 

beoordelen, yudisiar. 

beoordeling [de], yudisiosion. 

beoorlogen ; iemand — , 
guerar ko kh. 

bepaald, a. sert^ adv. sertö. 

bepalen, determinar; statuar 
(vaststellen), nauwkeurig 
— , deflniar. 

beperken, limitar; restriktar. 

beploegen, plugar; arar (ak- 
keren) . 

bepoederen, pudrar. 

bepraten, persuadar. 



beproeven, provar. 

beraadslagen, konferar. 

beramen, proyektar. 

bereid, a. dispos^d 

bereiden, preparar. 

bereiding [de], preparo^ion. 

bereiken, atinar. 

berekenen, kalkular. 

berekening [de], kalkul. 

berg [de], mont. 

bergwerk [het], min. 

bericht [het], raport (ver- 
slag); avis (tijding). 

berichten, raportar; avisar. 

berijden ; een paard — , 
dresar kaval. 

beril [de, het], beril. 

berispen, reprimandar. 

berisping [de], reprimand. 

berk [de], betul. 

beroemd, a. selebr. 

beroemdheid [de], selebri^^^. 

beroep [hot], profesion. 

beroerte [de], apopleksi. 

beroven, pri var. 

berouw [het], repent. 

berouwen, repentar. 

bersten, krakar. 

berusten, resignar se. 

berusting [de], VBSi^nasion. 

beryllium [het], berilium. 

bes [de], ber. 

beschaamd, a. puéijiked. 

beschadigen, lesar. 

beschadiging [de], lesasion. 



beschaduwen — bestaan. 



251 



beschaduwen, ombrar. 
beschamen, puéifikar. 
beschaven, sivilisar; kultivar. 
beschaving [de], sivilisadion ; 

kultur. 
bescheiden, a. modest; dis- 

kret. 
bescheidenheid [de], modes- 

titet. 
beschermen, protektar. 
beschermer [de] , protekta^or 

(protektor). 
beschermheilige [de], patron. 
bescherming [de], protek- 

iasion (proteksion) . 
beschijnen ; iets — , mitar 

radK su kk. 
beschikken, disposar. 
beschilderen, piktar. 
beschimpen, insultar. 
beschimping [de], insult. 
beschonken, a. ebr. 
beschonkenheid [de], ebritet, 
beschouwen, aspektar. 
beschrijven, deskribar. 
beschroomd, a. timtc^. 
beschroomdheid [de], tlmi- 

ditet 
beschuit [de, het], biskuit. 
beschuldigen, kulpar. 
beschutten, gardar. 
besphutting [de], gard. 
beslag [het], sekuestr. — leg- 
gen op, sekuestrar. in — 

nemen, konflskar. 



beslissen, desidar. 
beslissing [de], desidoston 

(desision) . 
beslist, a. kategori^. 
besluit [het], flni (einde); 

resolusion; dekret. bij ~- 

vaststellen, dekretar.een — 

nemen, fasiar resolusion. 
besluiteloos, a. pevphksed. 
besluiteloosheid [de], per- 

phksitet. 
besluiten, flniar (eindigen); 

resolvar; konkludar (na 

nauwgezette overweging 

afleiden), 
besmeren, gresar. 
besmetten, infektar. 
besmetting [de], infektasion 

(infeksion). 
bespannen, yunktar. 
besparen, parsimoniar. 
bespeuren, perseptar. 
bespieden, spionar. 
bespieder [de], spion. 
bespiegelen, spekular. 
bespoedigen, akselerar. 
bespoediging [de], akselera • 

simi. 
bespotten, de-ridar. 
bespreken, diskutar. 
besproeien, irigar. 
besproeiing [de], M^aaion. 
Bessarabië [het], Besarabia. 
bestaan, eksistar; subsistar 

(blijven bestaan). — in, 



252 



bestaan — beurs 



konsistar in. — uit, kon- 

sistar eks. 
bestaan [het], eksistens. 
besteden, spendar. 
bestek [het], instrument- 

kompleks. 
bestekamer [de], kloset. 
bestellen, komitar. 
bestelling [de], komitoston. 
bestemmen, destinar. 
bestemming [de], destino- 

bestendig, a. konstant ; a. 
kontinut^, adv. kontlnu^. 

bestieren, guvernar. 

bestijgen, asendar. 

bestraffen, puniar. 

bestralen; iets — , mitar 
radii su kk. 

bestraten, pavar. 

bestrating [de], pav. 

bestrijd baar, a. kontestoöZ. 

bestrijden, kontestar (fig.). 
iemand — , guerar ko kh 
(beoorlogen). 

bestrijding [de], kontesta- 
èion. 

besturen, guvernar; dirigar. 

bestuur [het], direktorad. 

bestuurder [de], administra- 
tor (beheerder). 

betalen, payar. 

betamelik, a. konvena6^ 

betamen, konvenar. 

betasten, pal par. 



bete [de], morsel. 
betekenen, signiflkar. 
betekenis [de] , signiflkasio/i ; 

sens (zin). 
beteren, plu-boni/i A;ar . 
beterschap [de], sejieskasion. 
beteugelen, bridar. 
betitelen, titular. 
betogen, demonstrar. 
betoveren, sliarmar. 
betovering [de], sharm. 
betrappen, atrapar. 
betreffen, konsemar. 
betre fTende, relativt^. 
betrekkelik, a. relativ. 
betrekking [de], relasion; 

ofls (ambt) . — hebben op, 

konsernar. met — tot, 

relativi^. 
betreuren, deplorar (treuren 

over) ; regretar (spijt heb- 
ben over), 
betten, fomentar. 
betuigen, atestar. 
betwijfelen; iets — , dubiar 

di kk. 
betwistbaar, a. kontesta^L 
betwisten, kontestar. 
betwisting [de], kontesta- 

sion, 
beuk [de], fag. 
beul [de], eksekuta^ yus- 

tist'A;. 
beurs [de], bors (buidel) ; 

burs (gebouw). 



beurtelings— bewieroken 



253 



beurtelings; — doen, al- 
ternar. 

beurtzang [de], antifon. 

bevallen, plisar (behagen). 
— van, natar (baren). 

bevallig, a. grasios. 

bevalligheid [de], grasiostf^^. 

bevalling [de], mtaaion, 

bevatten, kontenar. 

bevechten ; iemand — , gue- 
rar ko kh. 

bevel [het], komand. op — 
van, sekuan^i^ komand de. 

bevelen, komandar; imperar 
(gebieden) . 

beven, tremblar. 

bever [de], kastor. 

bevestigen, flksar (vastma- 
ken); afirmar; konflrmar. 
onder ede — , aflrmar me- 
A\u yurad. plechtig — in 
een waardigheid, instalar. 

bevestiging [de], aflrmadion. 

bevijlen, limar. 

bevinden; zich — , standar. 

bevlekken, makular. 

bevleugelen, alar. 

bevlijtigen; zich — , penar. 

bevloeien, irigar. 

bevloeiing [de], Mfasion. 

bevochtigen, humldifikar. 

bevoegd, a. kompetent. 

bevoegde [de], iisenskd. 

bevoegdheid [de], lisensi. 

bevoelen, palpar. 



bevolken, poplar. 

bevolkt, a. poploa. 

bevoogden, tutar. 

bevorderen, promovar. 

bevrachten, sharjar. 

bevredigen, satisfaktar. 

bevrediging [de], satisfak- 
iasion (satisfaksion) . 

bevreemden, semblar estran. 

bevriezen, aeiar. 

bevrijden, libri^^ar;redimar 
(vrijkopen). 

bevruchten, fruktt^^ar. 

bevuilen, sordi^^ar. 

bewaaien, ventoiar (meteen 
waaier). 

bewaarplaats [de], depó. 

bewaken, gardar; kustodar. 

bewapenen, armar. 

bewaren, preservar. 

beweegbaar, a. mova&L 

beweeggrond [de], motiv. 

beweegreden [de], motiv. 

bewegelik, a. mobil. 

bewenen, deplorar. 

bewegen, movar. 

beweging [de], movadion. 

beweren, aflrmar; pretendar 
(ten onrechte). 

bewering [de], aflrmaaioTi. 

bewerken, eks-laborar (af- 
werken) ; efektuar (tot 
stand brengen). 

bewerkstelligen, efektuar. 

bewieroken, insensar. 



^254 



be wieroker — biezonderheid 



bewieroker [de], insensa^or. 
bewijs [het], pruf. schrifte- 

lik — , sertifikasion, 
bewijsgrond [de], argument. 
bewijzen, prufar. , 
bewilligen, konsesionar . 
bewilliging [de], konsesion. 
bewolken, kuvrarmediunulH. 
bewonderen, admirar. 
bewonderenswaardig, a. ad- 

m'irabL 
bewondering [de], admira- 

aion, 
bewonen, habitar. 
bewoner [de], habitan^ 
bewoonbaar, a. habita6L 
bezaaien, in-seminar. 
bezatten; zich — , ebrt^A;ar se. 
bezegelen, sigilar. 
bezem [de], svip. 
bezetten, olcupar. 
bezetting [de], okupcmon. 
bezichtigen, aspektar. 
bezie [de], ber. 
bezielen, animar. 
bezigheid [de], okupaston. 
bezighouden, oklipar. zich 

met iets — , okupar se 

in kk. 
bezinksel [het], sediment. 
bezinnen, reflel(tar. 
bezit [het], poses. 
bezitten, posesar. 
bezitting [de], posesad. 
bezoedelen, makular. 



bezoek [het], visit. 
bezoeken, visitar. 
bezoldigen, salarar. 
bezoldiging [de], salar. 
bezonnen, a. prudent. 
bezonnenheid [de], pruden- 

titeni (prudens). 
bezorgen, prokurar. 
bezwaar [het], skrupl. 
bezwaarlik, a. n^fasil. 
bezwangeren, impregniar . 
bezwaren, sharjar. 
bezweren, aflrmar meólu yu- 

rad; eksorsismar (van 

geesten) . 
bibliothekaris [de], bibiiote- 

ker. 
bibliotheek [de], bibliotek. 
bicycle [de], bisikl. 
bicyclist [de], bisikltat. 
bidden, prekar. 
biecht [de], konfesoaion (kon- 
fesion). 
biechten, konfesar. 
biefstuk [de], blfstek. 
bier [het], bir. — brouwen, 

bir-kukar. 
bierbrouwerij [de], bir-ku- 

keri. 
bierhuis [het], bWeri. 
bies [de], kan. 
biezonder, a. partikular, adv. 

partikular^ ; a . spesial, ad v. 

spesialé. 
biezonderheid [de], partiku- 



bigot — blaffen 



255 



iart^^; spesiaMtet; detali. 
bigot, a. bigot. 
bij, ad. 
bij [de], api. 

bijbehorende [het], aneks. 
bijbel [de], bibl. 
bijdrage [de], kontribua(i . 
bijdragen, kontribuar. 
bijeenkomen, konventar. 
bijeenkomst [de], konvent. 
l)ijekorf [de], apim. 
bijgeloof [het], superstisi. 
bijgelovig, a. superstisios. 
l)ijgevolg, adv. ergo. 
bijkans, adv. kuasi. 
bijl [de], skur, 
bijlage [de], ad-penda(i. 
bijna, adv. kuasi. 
bijouterie [de], yuvel. 
bijstaan, asistar; sekundar. 
bijstander [de], asistant. 
bijten, mordar. 
bijtend, a. kaustiA;. 
bijtijds, 8ue-temp6. 
bijvoegen, aneksar. 
bijvoeg(e)lik, a. adyektivi^. 
bijvoegsel [het], ad-pendac2. 
bijwonen, esar present. 
bijwoord [het], adverb. deel- 

woordelik — , adverb par- 

tisipiA;. 
bijziend, a. miop. 
bijziendheid [de], mlopitet. 
biljart [het], biliard. 
biljet [het], biiiet 



biUik, a. yust, adv. yustö. 

billiken, aprobar. 

billikheid [de], yusti^^. 

billioen, biljoen [het], trilion 
(I.ÜÜO.000.000.000). 

binden, bandar. 

binnen, adv. interior^ ; prep. 
interior^ de, inu (in minder 
tijd dan), naar — ,ainte- 
riore. van — , da interior^. 

binnendringen, penetrar. 

binnengaan, intrar. 

binnenkomen, intrar. 

binnenkort, po-breV6. 

binnenste, a. interior. 

binnentreden, intrar. 

binocle [de], binokl. 

biografie [de], biograf). 

biscuit [het], biskit. 

bisdom [het], dioses. 

bismuth [het], bismut. 

bisschop [de], episkop. 

bisschoppelik, a. episkopiA;. 

bisschopsmuts [de], mitr. 

bitter, a. amer. 

bitumen [het], bitumin. 

bitumineus, a. bituminoa. 

bivak [het], bivuak. 

bivakkeren, bivuakar. 

blaam [de], blam. 

blaas [de], vesik. 

blad [het], foli. 

bladeren, foWetar, 

bladzijde [de], pagin. 

blaffen, kani-klamar. de hond 



256 



blair eren — bodem 



blaft, kani klam. 


blindheid [de], shkiiet. 


blameren, blamar. 


blindslang [de], fals-serpent. 


blank, a. blank. 


blinken, splendar. 


blauw, a. blu. 


blink [de] negrod (schoen- 


blauwachtig, a. b\natr. 


smeer). 


blauwbes [de], mirtil. 


blo, blode, a. timtrf. 


blauwen, b\uifikar. 


bloed [het], sanguin. 


blazen, siiflar; halitar. 


bloedbad [het], masakr. 


bleek, a. palid. — worden, 


bloeden, sanguinar. 


paiid^^A^r. 


bloedschande [de], insesta. 


bleken, pMiifikar. 


bloedschendig, a. insestuaa. 


blekerij [de],palidi/ïfcen. 


bloedverwant [de], parent. 


blij, a. gaudio«. 


bloedverwantschap [de], pa- 


blijdschap [de], gattdi. 


renteZ. 


blijgeestig, a. yovial. 


bloedzuiger [de], sanguin- 


blijgeestigheid [de],yoy\a\itet. 
blijheid [de], gaudl. 


sug. 


bloeien, florar. 


blijken, resultar. 


bloem [de], flor. 


blijmoedig, a. yovial. 


bloembed [het], bet. 


blijmoedigheid [de], yoviaii- 


bloemkool [de], flor-brasik. 


tet. 


bloemkrans [de], flor-koron. 


blijspel [het], komedl. 


bloemperk [het], bet. 


blijspel-, komedian. 


bloheid [de], imiditet. 


blijven, restar. 


blok [het], blok. 


blik [de], spekt. 
blik [het], lamin. 


blokkeren, blokar. 


blond, a. blond. 


blikken, spektar. 


bloot, a. nud. 


bliksem [de], fulmin. 


blootheid [de], nuiitet 


bliksemafleider [de], para- 


blozen, rubea^r. 


fiilmin. 


bobijn [de], bobin. 


bliksemen, fbiminar. 


bobijnen, bobinar. 


bliksemsnel, rapide kuak 


bochel [de], gib. 


fulmin. 


bocht [de], kurv (buiging). 


blind, a. siek. — maken. 


bode [de], nunsi. 


slBkifikar. 


bodem [de], suol. 



bodeloon— boon 



257 



bodeloon [het], porto. 
boedelbeschrijving [de], in- 

ventar. 
boef [de], brikon. 
boek [het], libr. 
boekbinden , iibr-bandar. 
boekbinder [de], iibr-banda- 

tor. 
boekdeel [het], torn. 
boekdrukker [de], tipograf. 
boekdrukkerij [de], impri- 

ïïieri. 
boekerek [het], repositorie^. 
boeket (de], buket. 
boekhandel [de], libreri. 
boekhandelaar [de], librar. 
Boekhara [het], Bukhara. 
boekhouden, libr-tenar. 
boekhouder [de], iibr-tenator. 
boekverkoper [de], librer. 
boekwinkel [de], librm. 
Boelgarije [het], Bulgam. 
boeljon [de], bulion. 
boer [de], rustik. 
boerderij [de], farm. 
boers, a. rustik. 
boert [de], yok. ' 
boerten, yokar. 
boertig, a. yokos. 
boete [de], penitens. — doen, 

fasiar penitens. 
boetedoening [de], ekspl- 

asion. 
boeteling [de], penitent. 
boeten, ekspiar. 



boetvaardig, a. penitent. 
boezelaar [de], aremlad 
boezem [de], pektor. 
Bohemen [het], Bohemia. 
bok [de], kapro. 
bokaal [de], bokal. 
bokkesprong [de], kapriol. 
boksen, boksar. 
bol [de], glob; sfer. 
bol, a. konveks. 
Bolivia [het], Bolivta. 
bolletje [het], giob^^ 
bolrond, a. sferik; konveks. 
bolster [de], silik. 
bolvormig, a. sferih, 
bolwerk [het], bastion. 
bom [de], bomb. 
bombarderen, bombardar. 
bonbon [de], bonbon. 
bond [de], lipa; federasion; 

konfederaatan. 
bondgenootschap [het], ali- 

ans. 
bont [het], peit. 
bont, a. van-koloriA;. 
bontheid [de], vari-kolor. 
bontwerk [het}, pelt. 
boodschap [de], komision. 
boodschapper [de], nunsi. 
boog [de], ark. 
boogschutter [de], ark^. 
boom [de], arbor. rechtop 

zetten als een — , arborar. 
boomstam [de], tronk. 
boon [de], fasol. 

17 



258 



boor — brandweerman 



boor [het], bor. 

boord [de], bord (rand) ; ko\ad 
(boordje). 

boosaardig, a. malisias. 

boosaardigheid [de], malisi. 

boot [de], shalup. 

borax [de], boraks. 

bord [het], platll (tafelbord). 

bordeel [het], bordel. 

borduren, brodar. 

boren, perforar. 

borg [de], garant. — staan, 
garantar. 

borgen, prendar pro kredit. 

borst [de], pektor! mamel 
(van een moeder), de — 
geven, mamelar. 

borstel [de], brus; setul (van 
zwijnen enz.). 

borstelen, brusar. 

borstelig, a. setulos. 

bos [de], tuf; fask (bundel). 

bos [het], forest (woud). 

bosbes [de], mirtll. 

Bosnië [het], Bosnia. 

bot [het], 08. 

botanie [de], botanik. 

botanies, a. botanikaZ. 

botaniseren, botanisar. 

boter [de], butlr. 

boteren, builvifikar. 

botsen, kolisionar. 

botsing [de], kolision; kon- 
flikt (fig.). 

bottel [de], boteli. 



bouw [de], kuitur (akker- 
werk); struktur. 

bouwen, edifisiar; konstniar. 

bouwmeester [de], arkitekt. 

boven, adv. superiors; prep. 
superiors de. — . . . uit, 
ultra, naar — , a superiore. 
van — , da superiors 

bovendien, adv. ekstr it 

bovenkaak [de], maksll su- 
perior. 

bovenmatig, a. enorm. 

bovenop, superiors de. 

boze ; het — , it mal. 

braadpan [de], rost-plat. 

braaf, a. brav, adv. bravé. 

braafheid [de], bvBVitet. 

braden, rostar; friar (in de 
pan). 

braken, vomar. 

braking [de], vomasion. 

brand [de]. Insendi. in — 
steken, flagri^^ar. in — 
vliegen, HdLüVeakar, 

brand-, insendian. 

branden, flagrarCintr.); kom- 
bustar (trans.). 

brandewijn [de], akuavit. 

brandmerk [het], stigmat. 

brandnetel [de], urtik. 

brandpunt [het], fokus. 

brandverf [de], esmalt. 

brandweer-, Insendian. 

brandweerman [de], insen- 
dier. 



brasselet — bruik baar 



259 



brasselet [de], braselet. 

brassen, krapular. 

bravo! brave I 

Brazilië [het], Brasilm. 

breed, a. larg. — maken, 
\arqifiJcar. 

breedte [de], \ar^tet. 

breedtegraad [de], grad de 
larg?^^. 

breekbaar, a. franga6Z; re- 
franga&Z (van stralen). 

breekbaarheid [de], franga- 
blitet', refranqablitef, 

breien, trikotar. 

brein [het], serebr. 

breken, frangar; refrangar 
(van stralen), het ijs — , 
frangar glas. kort en klein 
— , c^isfrangar. 

brengen, ad-portar. 

bres [de], bresh, 

Bretagne [het], Bretonm. 

breuk [de], frangad; frak- 
sion (gebroken getal). 

brevier [het], breviar. 

brief [de], letr. per — , me- 
dit^ letr. 

briefje [het], tiket (etiket). 

briefkaart [de], post-kart. 

briefwisseling [de], kores- 
pondac2 (korespondens).— 
houden, korespondar. 

bries [de], bris. 

brievetas [de], portfoli, 

brigade [de], brigad. 



brij [de], papil. 
brijomslag [de], kataplasm. 
bril [de], preoiul. 
Brittanje [het], Britanta. 
brocheren, broshar. 
brochure [de], broshur. 
broed [het], kuv, 
broeden, kuvar. 
broe(de)r [de], fratr. 
broedsel [het], kuv. 
broek [de], pantalon. 
brok [het], morsel. 
brokstuk [het], fragment. 
bromium [het], brom, 
brommen, murmurar. 
brommig. a. moros. 
bron [de], fontoc^. 
bronchiaal, a. bronkÜA; (bron- 

kial). 
brons [het], brons. 
bronzen, bronsar. 
brood [het], pan. zijn — 

verdienen, ganiar pan. 
broos, a. franga^^. 
broosheid [de], fvBinqablitet, 
brouwen ; bier — , bir-kukar. 
brouwerij [de], bir-kukeri. 
brug [de], pont. 
bruid [de], tian^eda. 
brui(de)gom [de], Hansedo. 
bruidschat [de], dot, — 

geven, dotar. 
bruidsjonker [de], paranimf. 
bruidspaar [het], tiemsedi. 
bruikbaar, a. usabL 



260 



bruikbaarheid — b . v . 



bruikbaarheid [de],usabliteL 
bruiloft [de], nupt. 
bruin, a. brun. 
bruineren, brunifikar, 
bruinen, brunifikar, 
bruisen, bruar. 
brutaal, a. brutai. 
brutaliteit [de], brutalito^. 
bruto, adv. bruto. 
bruusk, a. brusk. 
buflfet [het], bufet. 
buidel [de], bors. 
buigbaar, a. flekta^^ (flek- 

8ibl). 
buigbaarheid [de], flekta^^t- 

tet (fleksibli^O. 
buigen, flektar; kurvar 

(krommen), 
buiging [de], flektodtpn (flek- 

sion); kurv, 
buigzaam, a. flekta6^ (flek- 

8ibl) 
buigzaamheid [de], flekta&^i- 

tet (fleksiblt^Q. 
buik [de], ventr, 
buikig, a. ventras. 
buikloop [de], disenteri. 
buis [het], kamisol. 
buisje [het], tub (tube), 
buit [de], kaptad. 
buiten, adv. eksteriore; prep. 

eksteriopé de; ekstr (fig). 

naar — , a eksteriore. 

van — , da eksterior^. 
buiten [het], vila. 



buiten, v. kaptar. 
buitendien, adv. ekstr it. 
buitengemeen, a. ekstr-ordi- 

nar. 
buitengewoon, a. ekstr-ordi- 

nar. 
buitenland [het], ekstrta. 
buitenlands, a. eksotiA;. 
buitenplaats [de], vila. 
buitensporig, a. eksest^. 
buitensporigheid [de],ekse8. 
buitmaken, kaptar. 
buks [de], karabin. 
bulhond [de], dog. 
bulken, vaka-klamar. de koe 

bulkt, vaka klam. 
bult [de], gib. 
bultenaar [de], qibos, 
bultig, a. gibos. 
bundel [de], fask; tuf (bos), 
burcht [de], kastel, 
bureau, buro [het], ofisln, 
bureel [het], ofisln. 
burger [de], boroes, 
burgerlik, a. slvil, 
burgerman [de], borges. 
burlesk, a. burlesk. 
buskruit [het], pulvr. 
buste, buuste [de], bust. 
buur [de], visin. 
buurt; in de — , visine. 
b.v. (bij voorbeeld), p. e. =: 

pro eksempl. 



ca. — christen 



261 



Wat hier niet wordt gevon- 
den, staat onder de K. 

ca. (cirka), 8, =: sirka, 
café [het], kafen. 
calèche, kales [de], kalesh. 
calicot, kaliko [het], kalikot. 
cambiëren, kambiar. 
cambio [het], kambi. 
caseïne [de], kasein. 
casserolle [de], kaseroi. 
cavalier [de], kavalier. 
ceder [de], sedr, 
ceintuur [de], sintur, 
cel, sel [de], selul. 
celebriteit [de], selebri^^^ 
celibaat [het], selibat. 
cement, seraent [het], 86- 

ment. 
cementeren, sementeren, 86- 

m6ntar. 
censeren, 86n8Urar. 
censor [de], 86n80r. 
censuur [de], senaur. 
centenaar [de], sant-livr. 
centime [de], aantim. 
centralisatie [de], aentraliaa- 

sion, 
centraliseren, sentralisar. 
centrum [het], sentr. in het 

— van , in sentr de. 
ceremonie [de], seremoni. 



cerium [het], serium. 
certifikaat[het], sertifikasion. 
certificeren, sertifikar. 
cesium [het], seslum. 
cesseren, sesar. 
charapêtre, a. kampestr. 
champignon [de], shampi- 

nion. 
chaos [de], kaot. 
chaoties, a. kdiOUk. 
chargeren, sharjar. 
charme [de], sharm. 
charmeren, sharmar. 
chef, sjef [de], shef. 
chemie [de], l(imi. 
chemies, a. kimÜA;. 
chemist [de], kimiia^ 
cheque [de], eek. 
cherub [de], kerub. 
Chili [het], Ciii. 
China [het], Cinesia. 
chinaasappel, sinesappel[de], 

oranj. 
chirurg [de], kirurg. ^ 
chirurgie [de], kirurgi. 
chloor [de], klor. 
chokola, sjokola [de], coko- 

lad. 
cholera [de], kolera. 
choleries, a. koleri^. 
cholerikus [de], kohviker. 
christelik, kristelik, a. kris- 

tian. 
christen, kristen [de], kpis- 

tian. 



262 



christendom — dadelik 



christendom, kristendom 

[het], kmWanism. 
Christus, Kristus [de], Krist. 
chronies, a. kront^. 
chronologie [de], kronologi. 
chronologies, a. kronologÜA; 
. (kronologik). 

chronometer [de],krono7netr. 
chroom, chroiiiium [het], 

krom. 
chrysalide [de], krisalid. 
cichorei, suikerij [de], sikor. 
cider [de], sidr. 
cijfer, sijfer [het], shlfr. 
cijferen, sijferen, shifPar. 
cijns [de], tribut. 
cimbaal [de], simbal. 
cinnaber [het], sinabr. 
cipres, cypres [de], sipres. 
cirka, adv. sirka. 
cirkel [de], sirkl. 
cirkulaire [de], sirkuiar. 
cirkuleren, sirkIrYr. 
cirkus [de, het], sirk. 
cisterne [de], sistern. 
citadel [de], sitadel. 
citeren, sitar. 
citer [de], sitr. — spelen, 

musikar mediu sitr. 
citroen, sitroen [de], limon. 
civet [het], sibet. 
civetkat [de], sibet-kat. 
civiel, a. sivil. 
civilisatie [de], slviliso^ion. 
civiliseren, sivilisar. 



cognac [de], koniak. 
conduite [de], kondukt. 
couperen, kupar. 
courage [de], kuraj. 
courant, koerant [de],gaset. 
courtisan [de], kurtisan. 
courtisane [de], kurtisana. 
courtiseren, kurtisar. 
couvert, koevert [het],kuvert. 

in een — doen, kuvertar. 
cravate [de], kravat. 
crayon [het], krayon. 
crème [de], krem. 
croupade [de], krupaacZ (hoge 

sprong van een paard), 
cylinder [de], silindr. 
cylinderhoed [de], silindr- 

shapó. 
cypres, cipres [de], sipres. 

D. 

daad [de], akt. 

daar, adv. la, te\oke (ginds) ; 

k. kaus^. — juist, yuste 

sitempe. 
daarenboven, adv. ekstr it. 
daarentegen, kontrar^. 
daarheen, a fe\oke, 
daarom, tekause, 
daar vandaan, da fe\oke. 
dadel [de], datl. 
dadelik, adv. n^mediat^ (on- 

middellik); ^momenté; 

(ogeublikkelik). 



dag — deel 



263 



dag [de], diurn. bij — , diurn^. 
tweemaal per — , du/oa 
in diurn. 

dagblad [het], gaset. 

dageliks, adv. omni-diurn^. 

dagen, sitar. 

dagtekening [de], dat. 

dagvaarden, sitar. 

dak [het], tel(t. van een — 
voorzien, tektar. 

dakpan [de], bril(. 

daktylies, a. dalctiKA;. 

daktylus [de], dalctil. 

dal [het], val. 

dalen, desendar. 

Dalmatië [het], Dalmatia. 

dam [de], dam. 

dame [de], siniora. 

damp [de], vapor. 

dampen, vaporar*. 

dampkring [de], atmosfer. 

dan, adv. t^tempe; k. na een 
vergrotende trap, l(a. — 
dat (in de achterste zin, 
wanneer te, al te in de 
voorste zin staat), a 1(6. 
nu en — , kükfoa. 

dank [de], mersiad 

dankbaar, a. mersios. 

dankbaarheid [de], merslosi- 
tet, 

danken, mersiar. 

dankzeggen, mepsi^n 

dankzegging [de], mersiasi- 

071. 



dans [de], dans. 

dansen, dansar. 

dapperheid [de], kuraj. 

Dardanellen [de], DardaneK. 

darm [de], intestin. 

das [de], daks (dier). 

das [de], kravat (halsdoek). 

dat, pr. dem. el, el-k08 (alleen 
zelfstandig gebruikt); pr. 
rel. kei ; k. ke (het werk- 
woord dat volgt, altijd in 
de aantonende wijs). 

dat (met nadruk), pr. dem. 
tel. 

datgene, tel-kos. 

datief [de], dativ. 

datum [de], dat. 

dauw [de], rosi. 

dauw-, rosiiky de rosi. 

dauwen, rosia?*. 

de, blijft onvertatild, zie § 4. 

debat [het], debat. 

debatteren, debatar. 

debet [het], debet. 

debiteren, debetar. 

decent, a. desent. 

dechargeren, de-sharjar. 

decideren, desidar. 

decisie [de], desidaston (de- 
sision). 

decor [het], dekor. 

deeg [het], past. 

deel [de], plank (plank). 

deel [het], parti; parsel 
(deeltje); torn (boekdeel). 



266 



dichtkunst — dirigeren 



dichtkunst [de], poesi, 
dichtknepen, butonar. 
dichtsluiten, klosar. 
didymium [het], didim. 
die, pr. dem. el ; pr. rel. kei. 
die (met nadruk), pr. dem. 

tel. 
dieet [het], diet. 
dief [de], rapiator. 
diegene, pr. tel. 
dienaar [de], serv. 
dienen, sepvar. 
dienst [de], ofls (ambt), 
dienstig, a. usabL 
dienstigheid [de], U9ablitet. 
dienstvaardig, a. komplesant. 
dienstwillig, a. komplesant. 
diep, a. profund. 
diepte [de] ; grondeloze -, 

abism. 
dier [het], animal. 
dierbaar, a. kar. 
diereriem [de], sodlak. 
dierkunde [de], soolo^l. 
dierkundig, a. soolooitA; (so- 

ologik). 
dierlik, a. animal' A;. 
differentie [de], diferens. 
difteritis [de], difterl. 
difteritis-. difterii^. 
dij [de], krur, 
dijk [de], dam, 
dik, a. gros; dens (dicht); 

kras (niet zeer vloeibaar), 
dikheid [de], grosi^^^; kra- 



sitet. 

dikte [de], qrositet 

diktator [de], dlktator. 

diktee [het], diktad. schrij- 
ven volgens — , skribar 
sekuantu diktacZ. 

dikteren, diktar. 

diktionaire [de],dikslonar. 

dikwels, frekuent<3. 

dikwerf, frekuent^. 

dilemma [het], dllem. 

dilettant [de], diletant. 

dimensie [de], dimenslon. 

dinamiet [het], dinamit. 

dinastie [de], dinastl. 

dinee [het], diné. 

dineren, dlnear. 

ding [het], kos. 

dingen, solisltar; merkantar 
(afdingen). 

Dinsdag [de], marsdi. 

dinsdags, a. marsdian, de 
marsdi. 

diocese [de], dioses. 

diploma [het], dlplom. 

diplomaat [de], dlplomat. 

diplomatie [de], dlplomati. 

diplomatiek, diplomaties, a. 
diplomatÜA; (diplomatik). 

diplomeren, diplomar. 

direkt, a. direkt. 

direkteur [de], direktor. 

direktie [de], dlrektorac^ (be- 
stuur); direkslon (richting). 

dirigeren, dirlgar. 



dis — dom 



t267 



dis [de], tabl. 
disipline [de], disiplin. 
diskonteren, diskontar . 
diskonto [het], diskont. 
diskrediet [het], miskreiW, 
diskreet, a. diskret. 
diskus [de], dFsk. 
diskuteren, disktitar. 
disparaat, a. dispar. 
dispensatie [de], dispens. 
dispenseren, dispensar. 
disponeren, disposar. 
disputeren, disputar. 
dispuut [het], disput. 
dissel, disselboom [de],timon. 
distantie [de], distantieer (dis- 

tans). 
distel [de], kardon. 
distilleerkolf [de], alambik. 
distilleren, destilar. 
distingeren, distinguar. 
distinktie [de], distinsion. 
distribueren, distribuar. 
distrikt [het], distrikt. 
dit, pr. ist; ist-kos (alleen 

zelfstandig gebruikt) . 
ditmaal, ist/oa. 
divan [de], divan. 
divergeren, divergar. 
divers, a. divers. 
divident [het], dividend. 
divideren, divldar. 
divisie [de], division. 
dobbelsteen [de], kub. 
dobberen, fluktuar. 



docent [de], dosent. 

doch, ma. 

dochter [de], fliia. 

doden, mortij^^r. 

doeane [de], duan. 

doeanekantoor [het], duanm. 

doel [het], but (doelwit); 
intent (datgene waarnaar 
men streeft, dat men zoekt 
te bereiken). 

doelen, butar (mikken). 

doelmatig, a. usabL 

doelmatigheid [de] , usMitet 

doelwit [het], but. 

doen, fasiar. 

doenlik, a. fasia62. 

dof, a. mat (raat) ; surd (ge- 
dempt). — maken, matt- 
fikar, 

dog [de], dog. 

dogma [het], doqmat. 

dokter [de], medik (genees- 
heer). 

doktor [de], doktor (akade- 
miese titel). 

doktoraat [het], doktorocZ. 

doktrine [de], doktrin. 

dokument [het], dokument. 

dokumenteren, dokumentar. 

dol, a. frenettA;. 

dolen, erar. 

dolfijn [de], delfln. 

dolk [de], puniard. 

dollar [de], dolar. 

dom, a. stupid. — worden, 



268 



domein — doorzichtkunde 



sXuj^lAeskar. 

domein [het], domen. 
domheid [de], sXuflAitet 
domicilie [het], domisili. 
domiciliëren, domisilia)*. 
dominee [de], pastor (pastor 

protestant). 
domineren, dominar. 
Dominikaan[de], dominikan. 
dompelen, mergar. 
domvroom, a. bigot. 
donder [de], toner. 
Donderdag [de], yovdi. 
donderdags, a. yovdian, de 

yovdi. 
donderen, tonerar. 
donker, a. obskur, 
donker [het], obskuriiet. 
donkerblauw, a. obskur-biu. 
donkerbruin, a. obskur-brun, 
donkergeel, a. obskur-yelb, 
donkergrijs, a. obskur-gris. 
donkergroen, a. obskur-verd. 
donkerheid [de], obskuritet. 
donkerpaars, a. obskur-violet, 
donkerrood, a. obskur-rub. 
dons [het], lanu^in. 
donzen, a. lanuginos. 
donzig, a. lanuginos. 
dood [de], mort. 
dood, a. morttA;. 
doodbloeden, eks-sanguinar. 
doodkist [de], sark. in de — 

leggen, in-sarkar. 
doodschieten, fusilar. 



doodstrijd [de], agoni. 

doof, a. surd. 

doofheid [de], surditet. 

doolhof [het], labirint. 

doop [de], baptosion. 

dopen, baptar. 

doper [de], baptist 

door, per; medit^ (doormid- 
del van) door en door, 
prob«. 

doorbladeren, foWetar. 

doorboren, perforar (boren); 
persa/' (doorsteken). 

doorbrengen, pasar. 

doordringen, penetrar. 

doorgaan, pasar. 

doorgang [de], pasaj. 

doorgeven, pasar 

doorgronden, penetrar. 

doorn, doren [de], spin. 

doornig, a. spinos. 

doorschijnend, a . transpa- 
rant. 

doorsnede [de], profil. 

doorstaan, sufrar (lijden). 

doorsteken, persar. 

doortrekken, pasar. 

doortrekken, fnpregniar. 

doorvaart [de], pasaj< 

doorvoer (van waren) [de], 
transit. 

doorzichtig, a. diafan. 

doorzichtigheid [de], diafa- 
nitet. 

doorzichtkunde [de], pers- 



doorzien — droefheid 



269 



pektiv. 

doorzien, rey'isar. 

doos [de], skatul. kartonnen 

— , papir-kest. 
doosje [het], skaiu\et. 
dop [de], silik. 
dor, a. sik (droog); steril 

(onvruchtbaar), 
dorheid [de], sikitet. 
dorp [het], viiaj. 
dorpel [de], slipr. 
dorsen, gren-batar. 
dorst [de], siti. — hebben, 

avar siti. 
dorstig, a . sitios, avan< siti. 
doseren, dosiar. 
dosis, dozis [de], dosi. 
douche [de], dusll. 
douw [de], pus. 
dozijn [het], dusen. 
draad [de, het], fli. 
draaien, turnar; tornar (in 

het draaiers vak) . om zijn 

spil — , pivotar. 
draaier [de], tornator. 
draak [de], drakon. 
dracht [de], kostum. 
draf [de], trot. 
dragen, portar. 
dragonder [de], dragon. 
dralen, morar. 
drama [het], dramat. 
drank [de], bibad. 
draperen, drapar. 
drasland [het], palud. 



drassig, a. paludiA;. 

drasties, a. drasttA:. 

draven, trotar. 

dreigen, menasar. 

dreiging [de], menas. 

drek [de], ekskrement. 

drempel [de], slipr. 

drenken, fasiar bibar; im- 
pregniar. 

dresseren, dresar. 

drie, tri, 

driedubbel, n . \r\upl (tripl). 

drieënheid [de], trinltet. 

driehoek [de], ^riangul. 

driest, a. Iiard. 

driestal [de], ^riped. 

driestheid [de], hardi^e^ 

drievoet [de], ^riped. 

drievoudig, n. \riupl (tripl). 

driewieler [de], trisikl, 

drift [de], koler (toorn); pa- 
sion (hartstocht). 

driftig, a. koleroa. 

drijven, flotar (in water); 
removar ( voortdrij ven) . 

dringen, urgar. 

dringend, a. urgant (urgent). 

drinken, bibar. 

drinkgelag [het], orgi. 

droef, a. trist, 

droefgeestig, a. melankolitA; 
(melankolik). 

droefgeestigheid [de], melan- 
koli. 

droefheid [de],\mtitet; aflik- 



270 



droevig— duperen 



sion (verdriet) . innige — , 

kontritoc^. 
droevig, a. trist. 
droevigheid [de], \r\s\itet, 
drogerij [de], drog. 
drogist [de], drogist. 
droUig, a. drol. 
dromrnedaris [de], dromedar. 
dronken, a. ebr. — maken, 

ebrifikar . 
dronkenschap [de], ebritet, 
droog, a. sik. 
droogheid [de], sikitet, 
droogte [de], sikitet 
dromen, somniar. 
droom [de], somni. 
droppel [de], gut. 
droppelen, gutar. 
druif [de], grap. 
druipen, gutar 
drukken, imprimar; presar 

(persen) . 
drukkerij [de], imprimeri. 
drukpers [de], pres, 
drukte [de], rumor. — ma- 
ken, rumorar. 
druppel [de], gut. 
druppelen, gutar. 
dubbel, n. Auupl (dupl). 
dubbeladelaar [de], dupi- 

akull. 
dubbelzinnig, a. ambigu. 
dubbelzinnigheid [de], am- 

bigui^e. 
dubieus, a. dubiod. 



dubloen [de], dubion. 

duchten, timar. 

duel [het], duel. 

duelleren ; met iemand — , 
dueiar ko kil. 

duet [het], duet. 

duidelik, a. distlnkt. 

duif [de], kolumb. 

duiken, v. intr. plenjar. 

duim [de], pols. 

duin [de, het], dun. 

duister, a. obskur. 

duisterheid [de], obskuHtet. 

duisternis [de], obskuritet. 

duits, a. german(inhetduits, 
duits sprekende); germa- 
nian (hetgeen tot Duits- 
land behoort), in het — 
vertalen, tradukar in [lin- 
qu] german. 

Duitser [de], german. 

Duitsland [het], Germanm. 

duivel [de], diabol. 

duivelbezwering [de], eksor- 
sism. 

duizelig, a. vertiginos. 

duizeling [de], vertigin. 

duizend, mil. 

duizendpoot [de],skolopendr. 

dukaat [de], dukat. 

dulden, sufrar (verduren) ; 
tolerar (gedogen). 

dun, a. tenu. 

dunheid [de], XbïiUitet, 

duperen, dupar. 



durabel — eek hoorn 



271 



durabel, a. Aurabl. 

duren, durar. 

durven, riskar. 

dus, erjjo. 

dusdanig, pr. tal, adv. Xeie, 

dusver; tot — , uskdiemfe. 

duur, a. kar. — maken, ka- 

rifikar, 
duurzaam, a. iurabl. 
duurzaamheid [de], diJra6Zt- 

tet. 
duw [de], pus. 
duwen, pusar. 
dwaaltuin [de], labirint. 
dwaas [de], fol. 
dwaas, a. fol. 
dwaasheid [de], foltto^ 
dwalen, erar. 
dwaling [de], eror. 
dwarrel [de], vort. 
dwarrelen, vortar. 
dwars, a. transversai, adv. 

transversale. 
dwarsbomen, impedl ar. 
dwerg [de], nan. 
dwingeland [de], despot; 

tiran. 
dwingen, forsar. 
d. w. z. (dat wil zeggen), i. 

e. = it es. 
dynamies, a. dlnamlka^. 
dynamika [de], dinamik. 
dysenterie [de], disenteri. 
dysenterie-, disenter ii^ (di- 

senterlk). 



dyspepsie [de], dispepsl. 
dyspepties, a . dIspepsliA: (dis- 
peptik). 

E. 

eb, ebbe [de], refluks. 

ebbehout [het], eben. 

echo [de], eko. 

echt, a. genuln. 

echt [de], matrimoni. 

echtbreken, adulterar. 

echter, ye. 

echtgenoot [de], marito. 

echtgenote [de], marita. 

echtheid [de], penuinifót. 

echtscheiden, divorsar. 

echtscheiding [de], divors. 

éclat [het], eklat. 

edel, a. nobl. 

edelheid [de], nobMtet. 

edelknaap [de], paj. 

edelmoedig, a. generos. 

edelmoedigheid [de], gene- 
rosi^^ 

edikt [het], edikt. 

editie [de], edita^n (edi- 
slon). 

eed [de], yurad. onder ede, 
yurade. onder ede bevesti- 
gen, aflrmar medluyurod. 
onder ede binden, obligar 
medb yurad. 

eekhoorn, eekhoren [de], 
skiur. 



272 



eelt — eeuwigheid 



eelt [de], kal. 

eeltig, a. kaloa. 

een, art. blijft onvertaald, 
zie § 4; n. un. de ene ... 
de andere, un ... otr. een 
of ander, pr. keik-un. 

eend [de], anat. 

eendags-, efemer. 

eendracht [de], konkord. 

eenheid [de], unitet, 

eenhoorn, eenhoren [de] , 
unikorn. 

eenjarig, a. monoanuik. 

eenklank [de], unison. 

eenlettergrepig, a. monosWdi- 
bik, 

eenmaal, unfoa, 

eenogig, a. monookulik, 

eens, prelonqe (verleden) ; 
future (toekomst), het — 
zijn, akordar se. 

eensgezind; — leven, akor- 
dar 86. 

eensgezindheid [de], kon- 
kord. 

eensklaps, subite. 

eénspannig, a. monokavaKA;. 

eenstemmig, a. unanim, adv. 
unanime. 

eenstemmigheid [de], unani- 
miiet 

eentonig, a. monoton. 

eenvoud [de], sm f Utet {sm- 
plisitet). 

eenvoudig, a. simpi. 



eenvoudigheid [de], simpli- 

tet (simplisitet). 
eenzaam, a. sol. 
eenzaamheid [de], soUteL 
eer [de], honor. ter ere van, 

In honor de. 
eer, adv. anteriore (vroeger) ; 

plu volontare (liever), 
eerbaar, a. pudiA;. 
eerbaarheid [de], puAikitet, 
eerbied [de], respekt. 
eerbiedigen, respektar. 
eerbiedwaardig, a. venera&{. 
eerbiedwaardigheid [de], ve- 

nerablitet, 
eerder, adv. anteriope (vroe- 
ger) ; plu volontare (liever), 
eergisteren, plu-prmdiurn^. 
eerkrenking [de], inyurl. 
eerlik, a. honest. 
eerste, n. unim (prim). ten 

— , prime. 
eerstgeboorte [de], primoge- 

nitur. 
eertijds, prelonge. 
eerwaardig, a. veneraèZ. 
eerwaardigheid [de], venera- 

blit^t, 
eerzucht [de], ambisi. 
eerzuchtig, a. ambisloa. 
eetbaar, a. eda6Z. 
eetlust [de], apetit. 
eeuw [de], sekul. 
eeuwig, a. etern. 
eeuwigheid [de], eterni^^. 



efemeer — elektriseren 



273 



efemeer, a. efemer. 
effekt [het], efekt. 
effektief, a. efektiv. 
effen, a. glat. — maken, 

qldiifikar, 
effenen, glatï^Arar (effen- of 

gladmaken) ; p\amfikar 

(vlakmaken) . 
ega [de], sm. sf. marlt- 
egaal, a. egual. 
egaliseren, BqueAifikar (egua- 

ll'sar). 
egge, eg [de], rastron. 
eggen, rastrowar. 
egoïsme [het], egoism. 
egoïst [de], egoist. 
Egypte [het], Egiptta. 
eil a! 
ei [het], ov. — eren leggen, 

metar ovi. 
ei-, eier-, ovtA;. 
eierkoek [de], omlet. 
eierleggend, a. ovipar. 
eierstok [de], ovarl. 
eigen, a. propr. de ouderdom 

— , a. senil. zich — maken, 

apropriar. 
eigendom [het], propritet. 
eigendunkelik, a. arbitrar. 
eigendunkelikheid [de], arbl- 

Xmritet 
eigenlik, a. propr, adv. propre. 
eigenschap [de], kuaittot. 
eigenzinnig, a. obstinont; ka- 

pri8o« (grillig). 



eigenzinnigheid [de], obsti- 

nadon. 
eik, eikeboom [de], kuerk. 
eiland [het], insttl. 
eilander [de], tnsulan. 
eind-, HnHk (flnal). 
einde, eind, end [het], flni. 
eindelik, flnfó. 
eindigen, einden, flniar. 
eis [de], demand. 
eisen, demandar; flagiW. 
eivormig, a. oval. 
ekipage [de], ekipa;. 
eklips [de], eklips. 
eklipseren, eklipsar. 
ekliptika [de], ekliptik. 
ekonomie [de], ekonomi. 
ekonomies, a . ekonomKA; 

(ekonomik). 
ekonomist [de], ekonomii^t 

(ekonomist) . 
ekskuseren, ekskuzeren, eks- 

kusar. 
ekspres, a. ekspres. 
ekster [de], pikas. 
Ekuador [het], Ekuador. 
el [de], uln. 
elasticiteit [de], eiaztikiiet 

(elastisitet). 
elasties, a. elastiA;. 
elders, otr-loke. 
elektriciteit, elektrisiteit [de], 

eiBtórikitet (elektrisitet). 
elektries, a. elektrtj;. 
elektriseren, elektrizeren 
18 



274 



elektro-chemie — enigmaties 



aiektrisar. 

elektro-chemie [de], elek- 

troklmL 
elektro-dynamika [de], elek- 

trodinamik. 
elektro-magneet [de],eleJc- 

tromagnet 
elektrometer [de], elek- 

trometr. 
elektro -negatief, a. elek- 

tronegativ. 
elektro-positief, a . elek- 

tropositiv. 
elektro-statika [de], elek- 

trostatik. 
elektro-techniek [de], elek- 

troteknik. 
elegant, a. elegant. 
elegantie [de], elegantttot 

(elegans). 
elegie [de], elegi. 
elegies, a. elegÜA; (eiegik). 
element [het], element, 
elite [de], ellt. 
elf, desun. 
eleveren, elevar. 
elk, pr. omni (gevolgd door 

een enkelvoud), 
elkaar, elkander, pr. unotr. 
elkeen, omni-hofli. 
elleboog [de], uln. 
ellende [de], miser. 
ellendig, a. mlserabl. 
ellips [de], eilps. 
ellipties, a. ellpei^ (eliptlk). 



eloquent, a. elokuent. 
eloquentie [de], eiokuentüet. 
elpenbeen [het], ivor. 
els, elzeboom [de], aln. 
els [de], alen (priem). 
Elzas [de], Alsasia. 
email [het], esmalt. 
emanciperen, emansipar. 
embleem [het], emblem. 
embryo [het], embrlon. 
embryonair, a. embrioniA;. 
emigrant [de], .emigrant. 
emigratie [de], emlgrodion. 
emigreren, emlgrar. 
eminent, a. eminent. 
emmer [de], situl. 
empiries, a. empiriA;. 
en, e. en ... en, e ... e. en 

wel, e norn^. 
endosseren, girar. 
energie [de], enerqi. 
energiek, a. energiiA; (ener- 

gii() 

eng, a. stret. 

engel [de], angel. 

Engeland [het], Anglm. 

engels, a. an^Mk (in het 
engels, engels sprekende) ; 
anglian (hetgeen tot En- 
geland behoort). 

Engelsman [de], anglïan. 

engheid [de], stretiteL 

engte [de], stretitet 

enig, kalk (pr.); unik (a.). 

enigmaties, a. enigmatiA:. 



eui^ins — ervaren 



275 



enigsins, sert-manier^. 
enkadreren, in-kadrar. 
enkel, n. unupl (aiinpl); a. 

separi/r (afgescheiden), 
enkelvoud [het], singiilar. 
enorm, a. enorm. 
enthousiasme [het], entii- 

siasm. 
enthousiasmeren, entusias- 

mar. 
entomologie [de], entomoiogi. 
entomologies, a . entomolo- 

qiik (entomoiogik). 
entomoloog [de], entomoiogi- 

i8t (entomologist). 
enz. (en zo voort), 6 8.= 

e setri. 
epidemie [de], e|Mdemi. 
epidemies, a. epidemitA; (epi- 

demik). 
epigraaf [de], epiqraf. 
epigram [het], efiigram. 
epilepsie [de], epilepsi. 
epilepties, a . epilepsiiib (opi- 

leptik). 
epiloog [de], epiiog. 
episkopaal, a. episkopiA;. 
episkopaat [het], episkopod 

(ambt); episkopJ 

(lichaam), 
epopee [het], epopé. 
epoque [de], opok. 
epos [het], epiwé. 
equator [de], ekuator. 
equiliber [het], ekuillbrL 



equilibrist [de], ekuiUbrit^ 
(ekuilibrist). 

equilibristies, a. ekuiiibri/^riJ; 
lekuiiibristii;). 

equiperen, ekiperen, ekipar. 

era [de], era, 

erbarmelik^ a. misera&I. 

erbarmen ; zich — , miserar. 

erbarming [de], kompaaion. 

erbium [het], erbium. 

eredienst [de], kult. 

eren, honorar. 

erfdeel [het], heredod. va- 
derlik — , patrimoni. 

erfenis [de], heredod. 

erfgenaam [de], hered. 

ergens, keik-loke. — anders, 
Otr-loke. — anders heen, 
a otr-lok6. — anders van- 
daan, da otr-lok6. 

ergeren, veksar. zich — , 
esar ybksed. 

ergernis [de], skandal. 

erkennen, rekonosar, 

erkentelik, a. mersiod. 

erkentelikheid [de], merslo- 
aitet. 

erlangen, obtenar. 

ernst [de] , seriost^^ ; gravtt^t. 

ernstig, a! serios; grav. 

erratum [het], BVad. 

ert [de], pis. 

erts [het], pro tometal. 

er tussen, intre. 

ervaren, a. ekapert. 



!276 



ervaren — exceptie 



ervaren, v. eksperiar. 
ervaring [de],ei(8periae{(ek8' 

periens). 
erven [de], heredi. 
erven, heredar. 
es [de], fraksin. 
eskader [het], eskadr. 
eskadron [het], eskadron. 
eskimo [de], eskimo. 
eskorte [de, het], eskort. 
eskorteren, eskortar. 
esp, espeboora [de], trembl. 
esparcette [de], esparset. 
essence [de], esens. 
estrade [de], estrad; 
etage [de], etaj. 
etape [de], etap. 
elc. (et cetera), e s. = e setri. 
eten, edar. 
eten [het], edac^. 
ether [de], eter. 
ethiek, ethika [de], etik. 
ethies, a. etika^ 
Ethiopië [het], Etiopta. 
etiket [het], tiket. 
etikette [de], etiket (vormen 

in de samenleving), 
etsen, kauterisar. 
etter [de], ulseroc^. 
etteren, ulserar. 
etui [de, het], kuvr. 
etymologie [de], etlmologf. 
etjmologies, a. etimologiiib 

(etimoioglk). 
etymoloog [de], etimologfiat 



(etimologist) . 

eucharistie [de], eukarist. 
eucharisties, a. eukaristt'A;. 
eunuuch,eunuuk [de],eiinilk. 
Europa [het], Europ. 
Europeaan [de], europan. 
europees, a. europan. 
evangelie [het], evangel. 
evangelies, a. evangelie;. 
evangelist [de], evangelta^. 
even, a. pari*. — getal, numr 

parik 
evenredig; — maken, pro- 

porsionar. 
evenredigen, proporsionar. 
evenredigheid [de], propor- 

sion. 
eventualiteit [de] , eventualt- 

tet. 
eventueel, a. eventual, adv. 

eventuak. 
evenwel, ye. 
evenwicht [het] balans; ekui- 

ilbri. 
evenwijdig, a. paralel. 
evenzo, eguale. 
evolutie [de], evolusion. 
examen, eksamén [het] , ek- 

samin. 
examineren, eksami neren, 

eksaminar. 
excellent, a. ekseient. 
excellentie [de], ekselens 

(titel) . 
exceptie [de], eksept. 



exces — falen 



277 



exces [het], ekses. 
exciteren, eksitar. 
exekuteren^ eksekutar. 
exempel [het], eksempl. 
exemplaar, eksemplaar[het], 

eksemplar. 
exerceren, ekserseren, ek- 

sersar. 
exercitie, eksercitie [de],ek- 

Sbrsad. 
exil [het], eksil. 
existentie [de], eksistens. 
existeren, eksistar. 
exklusief, a. eksklusiv, adv . 

eksklusive. 
exkrement [het], ekskrement. 
exorcisme [het], eksorsism. 
exoties, a eksótik 
expediëren, ekspediar 
experiment [het], eksperi- 

ment. 
experimenteren, eksperimen- 

tar. 
expireren, eks-respirar (eks- 

pirar). 
expliceren, explikeren, eks- 

plikar. 
exploderen, eksplodar. 
exploitatie [de], ekspioato- 

sion. 
exploiteren, eksploatar. 
export [de], eksport. 
exporteren, eksportar. 
exposeren, eks-posar. 
expositie [de], eks-poso^'on 



eks posision). 

expressie [de], ekspresion. 
extase [de], ekstas. 
exterieur, a. eksterior, adv. 

eksteriore. 
extern, a. ekstern. 
extra, ekstra, a. ekspres. 
extraheren, ekstraktar. 
extrakt [het], ekstrakt 
extra-ordinair, a. ekstr-ordi- 

.nar. 
extremiteiten [de], ekstre- 

miteti. 
ezel [de], asin. 

F. 

faam [de], fam. 
fabel [de], fabl. 
fabriceren, fabriseren, fabri- 

kar. 
fabriek [de], fabrik. 
fagade [de], fasad. 
face [de], fas. 
faïence [de], fayans. 
failleren, fasiar bankrot 
faillissement [het], bankrot. 
faljiet [het], bankrot. 
faljiet; — gaan, fasiar 

bankrot. 
fakkel [de], tork. 
faktuur [de], faktur. 
fakulteit [de], fakultet. 
falanx [de], falang. 
falen, faiiar. 



278 



falset — fibrine 



falset [het], falset. 

fameus, a. fanio«. 

familiaar, a. famillar. 

&miliariteit [de], familiarittff. 

familie, famielie [de],famlli. 

fanatiek, fanaties, a. fanatiib. 

fanatisme [het], fanatt^m. 

fanfare [de], fanfar. 

fantaseren, fantazeren, fan- 
tasiar. 

fantasie, fantazie [de], fan- 
tas!. 

fantast [de], fantast. 

fantasties, a. fantasttA;. 

fantoom [het], fantom. 

farm [de], farm. 

farmaceut [de], farmasitd^. 

farmaceuties, a. farmasnib 
(farroaseutik). 

farmacie [de], farmasl. 

farmer [de], farmer. 

fascine [de], fashin. 

fataal a. fatal. 

fatigeren, fatrgar. 

fatsoeneren, formar. 

fatsoenlik^ a. desent. 

fatum [het], fat. 

fausset [het], falset. 

faveur [de], favor. 

favoriseren, favorar (favo- 
Pisar). 

fazant [de], fasan. 

Februarie [de], februar. 

Februarie-, februaran, de 
februar. 



federatie [de], federasion. 
fee [de], fea. 
feest [het], fest. 
feestelik, a. soiemn. 
feestelikheid [de], solemntte<. 
feestmaal [het], festin. 
feestvieren, festar. 
feestviering [de], festomon. 
feil [de], erad. 
feilbaar, a. faiia&L 
feilen, faliar. 
feit [het], fakt 
feitelik, a. efektiv, adv. faktf. 
felicitatie, felisitatie [de], 

feiisitodum. 
feliciteren, felisiteren, felisi- 

Xar. 
fenomeen [het], fenomen. 
ferm, a. agil. 
ferment [het], ferment. 
fermentatie [de], fermenta- 

8um. 
fermenteren, fermentor. 
ferociteit [de], ferosite^ 
fertiel, a. fertil. 
fertiliteit [de], fertllite^ 
festijn [het], festin. 
festoen [het], feston. 
festonneren, festonar. 
feudaal, a. feodal. 
feuilleton [het], folieton. 
feuilletonist [de], folietonist. 
fiacre [de], flakr. 
fiasko [het], flasko. 
fibrine [de], flbrin. 



fideel — fonograaf 



279 



fideel, iL. fldel. 


flatteren, flatar. 


fier, a. oroulo9. 


flauw, a. InsIpid (smakeloos). 


fierheid [de], orgul. 


flegma [het], flegmat 


fiets [de], velosiped. 


flegmatiek^ flegmaties, a. fleg- 


fietser [de], velosipedtat . 


matiib. 


figureren, flgorar. 
figuur [de, het], flgur. 


flegmatikus [de], flegmatij^. 


fles [de], boteli. 


fijn, a. fin. 


flikkeren, brillar. 


fijnheid [de], finitet 


flink, a. agil. 


fijnmalen, molinnr. 


floers [het], krep. 


fijnproever [de], gastronom. 


flonkeren, brillar. 


fijnstampen, triturar. 


floreren, florar. 


fijnstoten, triturar. 


florijn [de], florln. 


fijnwrijven, triturar. 


fluit [de], flaut. — spelen, 


filomeel [de], filomel. 


musikar mediu flaut. 


filosoferen, filozoferen, fllo- 


fluiten, fifar. 


SOf ar. 


fluitje [het], fif. 


filosofie, filozofie [de],fllo80fl. 


fluktueren, fluktuar. 


filosofies, filozofies, a. filoso- 


fluor [het], fluor. 


fiik (fliosofik). 


fluweel [het], velut. 


filosoof, filozoof [de],fll080f. 


foedraal [het], kuvr. 


filter [de, het], flltr. 


foeil fll 


filtreren, flltrar. 


foerage [de], furaj. 


finaal, a. flnüA: (flnal). 


foerageren, furajar. 


financieën [de], flnansi. 


foerageur [de], fiiraj^. 


fingeren, flngar. 


fokus [de], fokus. 


Finland [het], FInlandta. 


folteren, torturar. 


fint [de], flnt (list). 


foltering [de], tortur. 


firma [de], flrma. 


fond [het], fon. 


firmament [het], firmament. 


fondament [het], fundament. 


fistel [de], fistu . 


fonderen, fundar. 


fixeren, fiksar. 


fonetiek [de], fonetik. 


fladderen, yoUtar. 


foneties, a. fonetlkaZ. 


flambouw [de], topk. 


fonkelen, brillar. 


flanel [het], flanel. 


fonograaf [de], fonograf. 



280 



fontein — furie 



fontein [de], fontan. 
foppen, mistiflkar. 
fopperij [de], misXlfikasion. 
forceren, forsar. 
forel [de], truit. 
formaliteit [de], formalist. 
formeel, a. formal. 
formeren, formar. 
formidabel, a. formidabl. 
formule [de], formul. 
formuleren, formular. 
fornuis [het], forn. 
fort [het], fortres. 
fortuin [het], fortun. 
fosfor, fosfor ns [de], fosfor. 
fossiel, a. fosil. 
fotograaf [de], fotograf, 
fotografereu, fotografar. 
fotografie, foto [de], fotogra- 

fad. 
fotometer [de], fotometr. 
fourneren, furnar. 
fournisseur [de], furnator. 
fout [de], eroci. 
fraai, a. bel. 
fraaiheid [de], b^Utet. 
fragment [het], fragment, 
frak [de], frak. 
iVftktie [de], fraksion. 
framboos [de], frambos. 
Francipkaan [de], fransis- 

kan. 
franje [de], frangi. 
frank [de], frank. 
frankeren, frankar. 



Frankenland [het], Franko- 

nia, 
Frankrijk [het], Fransta. 
frase, fraze [de], fras, 
fraterniseren, fraternisar. 
fraude [de], fraud. 
frauderen, fraudar. 
fregat [het], fregat. 
frenetiek, a. frenetiA;. 
frequenteren, frekuentar. 
freq[uentatie [de],frekuenta- 

sion, 
fresko [het], fresko. 
fret [het], fiiret (roofdier), 
fries [de], fris (bouwkunde), 
fris, a. fresk. 
friseren, frisar. 
frisheid [de], ttBSkitet, 
frivoliteit [de], fr\yo\itet. 
frivool, a. frivol. 
front [het], front 
frotteren, frotar. 
frugaal, a. frugal. 
frugaliteit [de], frugali^^. 
fruit [de, het], frukti. 
fruiten, friar. 
frustreren, frustrar. 
fthisis [de], ftisl. 
fuga [de], fuga. 
fundament [het], fundament. 
funderen, fündar. 
funkiie [de], funksion. 
funktioneren, funksionar. 
furie [de], fiirl (woede); 

furia (vrouw). 



furieus — gaten 



furieus, a. ftrios. 
fusilleren, fiisilar. 
fysies, a. fisika^. 
fysika [de], fisik. 
fysikus [de], fisikist. 
fysionomie [de], fisioiKNili. 
fysionomies, a. fisionoHlKib 

(fisiononiik). 
fysionomist [de], fislono- 

mmt (risionomist). 

G. 

gaaf, gave [de], don. 
gaan, andar. 
gaanderij [de], galeri. 
gaard [de], hort. 
gaarne, volontar«. 
gadeslaan, observar. 
gal [de], bill. 
galadinee [het], ^a^diné. 
galakleed [het] , ^a^vest 
galant, a. galant. 
galappel [de], gal. 
galei [de], galer. 
galena [de], galen. 
Oallicië [het], Galitsta (in 

Oostenrijk). 
Gallicië [het], Gailsta (in 

Spanje). 
Gallië [het], Galta. 
gallig, a. bilio8. 
gallium [het], gallum. 
galnoot [de], gal. 
galon [het], galon. 



galoneren, galoRor* 

galop [de], 



281 



galopperen, oalopor. 
galrijk, a. m\os. 
galvanies, a. galvailiib. 
galvanisme [het],galvaiiiaifi. 
gang [de], koridor. 
gangreen [de|, gangron. 
gans [de], gu8. 
gans, a. total; adv. totale. 
gapen, musardar; ositar 

(geeuwen), 
gaper [de], musard. 
garanderen, garantar. 
garant [de], garant 
garantie [de], garantod. 
garde, gard [ de ] , verg (roede), 
garderobe [de], ganlerob. 
garenklos [de], bobin. 
garf, garve [de], garb. 
garneren, garnar. 
garnizoen [het], garnison. in 

— liggen, qarnisonar. 
garst, gerst [ae], ors. 
garstig, a. ransid. 
garstigheid [de], ransiditot. 
gas [het], gas. 
gashouder [de], gasometr. 
gasthuis [het], hospital. 
gastmaal [het], fesiin. 
gastronoom [de], gastronom. 
gat [het], for (opening) ; an 

1 achterste), een — maken, 
^orifikar. 
gaten, forifikar» 



282 



gauw — gedrochtelik 



gauwl hast^! 

gave, gaaf [de], don. 

gavotte [de], gavot. 

gazel, gazelle [de], gasel. 

gazet [de], gaset. 

gebaar [het], mim. gebaren 
maken, gestikular. 

gebaard, a. barbos. 

gebak [het], bakad. 

gebarekunst [de], mimik. 

gebarespel [het], gestiku- 
\aêion . 

gebed [het], prek. 

gebeente [het], 08. 

gebergte [het], inontaj. 

gebeuren, aksidar. 

gebeurlik, a. eventual, adv. 
eventual^. 

gebeurlik heid [de], eventua- 
litet 

gebeurtenis [de], aksident. 

gebieden, Imperar. de gebie- 
dende wijs, imperativ. 

gebieder [de], imperator. 

gebit [het], dentaj. 

gebladerte [het], foliq;. 

gebocheld, a. gibos. 

geboorte [de], nat. 

geboren; — worden, nas- 
kar. in het land — , a. 
indïgen. 

gt^bouw [het], edifisi. 

gebraad [het], VOsXad. 

gebrandmerkt, a. stigmatiA;. 

gebrek [het], defekt. — heb- 



ben aan, esar priv6d de. 

bij — aan, mankin. 
gebrekkig, a. defektos. 
gebroken, a. kontrit (fig.). 
gebrokenheid [de],kontritad. 
gebruik [het], U8. 
gebruiken, usar. 
gedaante [de], fopm. een — 

geven, formar. 
gedaanteverwisseling [de], 

metamorfos. 
gedachte [de], p^nsad. 
gedachtenis [de], memori, 
gedachtestreep [de], liniatde 

separadïon. 
gedeelte [het], parti. 
gedeeltelik, partie. 
gedempt, a. surd (van een 

geluid), 
gedenken, memoriar. 
gedenkteken [het], monu- 
ment. 
gedenkwaardig, a. memorioó^. 
gedetailleerd, a. detaiie^Z. 
gedicht [het], poem. 
gedienstig, a. Jcomplesant. 
gedijen, prosperar. 
geding [het], proses. 
gedisponeerd, a. dispose. 
gedogen, toierar (toelaten), 
gedrag [het], kondukt. 
gedragen; zich — , konduk- 

tar se. 
gedrocht [het], monstni. 
gedrochtelik, a. monstnk)8. 



geducht — geiden 



283 



geducht, a. formidabl. 

geduld [het], fa»\BMiet (pa- 

' siens). — hebben, avar 
ptaiBntUet (pasiens). 

geduldig, a. (ïasient. 

gedurende, inraniu, 

geel, a. yelb. 

geen, pr. noun. 

geest [de], spirit (in tegen- 
stelling van het lichaam) ; 
esprit (geestigheid). 

geestdrift [de],entusiasiii.in 
— brengen, entvsiasmar. 

geestelik, a. spiiïttA; (tegen- 
gestelde van stoflfelik) ; spi- 
ritval (tegengestelde van 
¥^ereldlik) . 

geestelike [de], Ideran. 

geestelikheid [de], l(ler. 

geostebez weerder [de], ne- 
icromant. 

geestig, a. spiritos. 

geestigheid [de], esprit. 

geestkracht [de], energi. 

geestrijk (van dranken), a. 
spritos. 

geeuwen, ositar. 

gefluit [het], fifod. 

geheel, a. total, adv. totale. 
in 't — , — en al, totaie. 
in 't — niet, totale no. 

geheel [het], toi^Uiet. 

geheim, a. arlcaa. 

geheim [het], selcret. in 't — , 
sekret^. 



geheimenis [de], misteri. 
geheimhouden, tenarsekrete. 
geheimzinnig, a. mistorio». 
gehemelte [het]^ palat. 
geheugen [het], memori. 
geheugenis [de], memori. 
gehoor [ het] , audit ( zintuig), 
gehoorzaam, a. obediant. 
gehoorzamen, obodiar. 
gehuicheld, a. hipokritiA;. 
geil, a. ittbrtib. 
geilheid [de], \ubTihiiet, 
geit [de], kapr; kapra(wijQe). 
geitebok [de], kapro. 
gejammer [het], lament. 
gejubel [het], yubil. 
gejuich [het], yubil. 
gek, a. foi. 
gek [de], fól. voor de — 

houden, simiar. 
gekheid [de], Mitet. 
gekraak [het], frakas. 
gekroesd, a. krispiA;. 
gekruld, a. krisptik. 
gekunsteld, a. artifisial. 
gelaat [het], fas (aangezicht); 

fisionomi (gelaatstrekken), 
gelaatstrekken [de] ,fisionomi. 
gelasten, sharjar. 
gelatenheid [de],resigna«ton. 
gelatine [de], gelatin. 
geld [het], mon. 
geldboete [de], mulkt, 
gelden, vaiar (geldig zijn); 

konsemar (betreffen). 



286 



genotrijk - geslotenheid 



I 



genotrijk, a. delisio/t. 
gentiaan [de], gensian. 
genus [het], gen. 
geodesie [de], geodesi. 
geodeties, a. gepdesitA;. 
geografie [de], geografl. 
geografies, a. geografltA; (ge- 



ografik). 

ologie [de], 



geologie [de], geoloai. 

geologies, a. geologitA; (geo- 
logik). 

geoloog [de], geolog. 

geometrie [de], geometri. 

geometries, a. geometriiA; 
(geometrik). 

Georgië [het], Gnism. 

gepast, a. konvena^Z; opor- 
tun; pertinent. 

gepeupel [het], kanali. 

geraamte [het], skelet 

geraas [het], nimor. — ma- 
ken, nimorar. 

geraken, arivar. 

geranium [de], geranium. 

gerecht, gericht [het], yustis. 

gerecht [het], platad (scho- 
tel). 

gerechtigd, a. kompetent. 

gereed, a. parat. 

gereed! parat! 

gereedmaken, preparor. 

gereedschap [het], utensilt. 

geregeld, a. regular. 

geregeldheid [de], regularftet. 

gering, a. minim. 



geringheid [de], m\n\mitei. 

Germaan [de], germanik. 

germaans, a. germanik. 

germanium [het],germanlttm. 

.germinatie [de], germina^ion. 

gerst [de], ore. 

gerundium [het], gerundi. 

gerundivum [het], genindlv. 

gerust, a. trankii. 

geschal [het], son. 

geschenk [het], donat. 

geschieden, aveniar. 

geschiedenis [de], histor. 

geschiedkundig, a. historiA;. 

geschikt, a. apt; oportun (ge- 
legen). — maken, kualt/ïj^r. 

geschiktheid [de], aptitet. 

geschil [het], kuerel. — heb- 
ben, kuerelar. 

geschilpunt [het], kontro- 
vers. 

geschrift [het], skflbad. 

geschubd, a. skuamod. 

gesel [de], flagel. 

geselen, flagelar. 

geseling [de], flageloston. 

geslacht [het], seksu (sekse); 
gen (gram.); generaston. 

geslachtsrekenkunde [de] , 



geslepen, a. astusios. geslepe- 
ner zijn, esar plu astusios. 
geslepenheid [de], astusl. 
gesloten, a. tasiturn. 
geslotenheid [de],tasiturntt&t. 



gesnedene — gewag 



287 



gesnedene [de], eamik. 
gesp [de], fibl. 
gespen, fibiar. 
gespierd, a. inuskiilod. 
gesprek [het], konversomtm. 
gespuis [het], kanali. 
gestadig, a. kontinuiJk, adv. 

kontinu6. 
gestalte [de], form; statur. 
gestel [het], konstitusion. 
gesteld dat, sufosante ke. 
gestemd, a. disposed. 
gesternte [het], konstelasion. 
gestikulatie [de], gestlkuio- 

don. 
gestikuleren, gestikular. 
gestreept, a. 8tri6<i. 
gestreng, a. sever. 
gestrengheid [de], seveK/ei. 
getal [het], numr. gebroken 

— , fraksion. 
getier [het], rumor. 
getrouw, a. fidel. 
getrouwheid [de], fidelit^t. 
getuige [de], atestator. 
getuigen, atestar. 
getuigschrift [het], atest. — 

afgeven, atestar. 
geur [de], odor. 
geuren, odorar. 
gevaar [het], perikl. 
gevaarlik, a. periklo8. 
geval [het], kasu. bij -— , 

okasione. in ieder — , in 

omni kasu. 



gevangene [de], prisoner. 

gevangenis [de], prison. 

gevangennemen, prisonar. 

gevangenschap [de], priso- 
nad. 

gevecht [het], kombat. 

gevederte [het], pluma;. 

geven, donar. 

gevleugeld, a. al^. 

gevoel [het], sentiment. 

gevoelen [het], sentiment; 
opinion (mening) . van ze- 
ker — zijn, esar de sert 
sentiment. 

gevoelen, sensiiar (met de 
zintuigen); sentiar. 

gevoelig, a. sensua6Z (sensibi). 

gevoeligheid [de], sensuab^ 
tet {s%ns\b\itet) . 

gevoelloos, a. apatitA; (apatik). 

gevoelloosheid [de], apati. 

gevoelvol, a. sentimento8. 

gevolg [het], sekuoci; suit 
(van een persoon), ten ge- 
volge van, s^kuantu. 

gevolgtrekking ; de — maken, 
konkludar. 

gevolmachtigd, u. pfentpo- 
tent. 

gewaarworden, sensiiar (ge- 
voelen): perseptar (be- 
speuren). 

gewaarwording [de], sensii- 
caion, 

gewag [het], mension. 



288 



gewagen — ginds 



gewagen, mennlonar. 

gewas [het], vegetabil. 

geweer [het], fusil. 

geweld [het], fortitet (fors). 

gewelf [het], volt. 

gewennen, kustomar. 

geweten [het], konsient. 

gewetenswroeging [de], pe- 
mors. 

gewicht [het], pesad; gra- 
yitet 

gewichtig, a. grav ; important 
(belangrijk). 

gewillig, a. dispos^d 

gewis, a. sert, adv. serte. 

ge wisheid [de], serti^t. 

gewoon, a. ordinar. 

gewoonte [de], kustom; us 
(gebruik). 

gewricht [het], f lekt. 

gezag [het], autoritei 

gezameniik, yunkta. 

gezang [het], kant. 

gezant [de]^ ambasader. 

gezantschap [het], amba- 
sad. 

gezel [de], kompan. 

gezellige a. sosiabl. 

gezelligheid [de], soslablt^^t. 

gezelschap [het], sosietet. in 
— van, in sosietet de. 

gezet, a. korpulent. 

gezicht [het], vis (gezichts- 
vermogen^; aspekt (aan- 
zicht); fas (aangezicht). 



scherpziend — , perspika- 

sitet, 
gezichteinder [de], horisont 
gezichtspunt [het], punktde 

vis. 
gezin [het], famiii. 
gezond, a. san (niet ziek); 

salubr (van lucht, land enz.). 

— worden, S9ineskar, 
gezondheid [de], SHnitet, 
gezwel [het], tumor. 
gezwind, a. velos, adv. velo8«. 
gezwindheid [de], ye\(mtet, 
gezworene [de], yuro. 
gids [de], gid. tot— dienen, 

gidar. 
gier [de], vultur. 
gierig, a. avar; sordid. 
gierigaard [de], avar. 
gierigheid [de], avari^^t; aor- 

didt^^ (lage, vuile gierig- 
heid), 
gierst [de], miliet. 
gieten, versar (storten), 
gieterij [de], fondm (smel- 

terij). 
gif, gift [het], venen. 
gift [de], don. 
giftig, a. veneno8. 
giftigheid [de], venenoaitee. 
giganti es, a. giganttA;. 
gij, sing. vo; pi. voi. 
gild, gilde [het], korporasion. 
ginder, teloke. 
ginds, te\oke. 



gips— goed 



289 



gips [het], gips. 

giraife [de], giraf. 

gireren, girar. 

gissen, l(onyel(turar. 

gissing [de|, l(onyel(tur. 

gisten, fermentar. 

gisteren, gister, presiAiurne, 

gisting [de], fermentcmon ; 
aqWasion (fig.). 

giststof [de], ferment. 

gitaar [de], gitar. 

gitaarspeler [de], gitarts^. 

glad, a. qlat (effen); \ubrilc 
(glibberig). 

gladheid [de], qïeAitet; iubri- 
bitef, 

gladiator [de], gladiator. 

glad maken, glati^Aiar (effen- 
maken) ; poliar (po- 
leren). 

gladstrijken, qMifikar. 

glans [de], spiendor. 

glanzen, spiendar. 

glanzend, a. spiendicf. 

glas [het], vitr, 

glasachtig, a. vitratr. 

glazen, a. vitrtA;. 

glazemaker [de], vitper. 

glazuren, giasar. 

glazuur [het], glasacf. 

gleuf [de], Icanel. 

glibberig, a. iubri^. 

glibberigheid [de], \ubriJcitet. 

glibberigmaking [de], iubrï- 
fikoHon. 



glijden, glisar. 
glimlachen, sub-ridar. 
glinsteren, spiendar. 
glinsterend, a. spiendic^. 
glippen, aiisar. 
glissen, glisar. 
glit [het], litapg. ^ 
globe [de], glob. 
gloed [de], ardor. 
gloeien, ardar. 
glooien; doen — , sicarpar. 
glooiing [de], sicarp. 
glorie [de], glori. 
glorieus, a. glorio^. 
gluten [het], glutin. 
glycerine [de], gliserin. 
God [de], Deo. — lasteren, 

blasfemar. o — 1 o Deo/ 

om — swil, Icaust^ Deo. 
goddelik, a. dlvin. 
goddelikheid [de], dlvini^t. 
gode(n)drank [de], neictar. 
gode(n)spijs [de], ambrosi. 
godgeleerd, a. teologÜ^. 
godgeleerde [de], teologiist. 
godgeleerdheid [de], teologi. 
godin [de], dea. 
godsdienst [de], reilgl. 
godsdienstig, a. reiigios. 
godsdienstigheid [de], reiigi- 

08itet. 
godsvrucht [de], üMositet. 
godvruchtig, a. piei08. 
goed, a. bon; adv. bene. zeer 

— , muit6 bene. 

49 



290 



goed — gretig 



goed [het], posesad. 
goedertieren, a. klement. 
goedertierenheid [de] , kle- 

goedheid [de], boniiet 
goedkeuren, sanksionar; 

aprobar (billiken). 
goedkeuring [de], sanksion. 
goedkoop, a. nekar. 
goedmaken, bonifikar. 
golf [de], undui; golf (zee- 

boezem). 
golven, undular. 
gom [de], gom. 
gommen, gomar. 
gondel [de], gondol. 
gooi [de], iansad. 
Goot [de], got 
gordel [de], sintur. 
gorden, sinturar. 
gordijn [het, de], kortin. 
gorgel [de], gorg. 
gorgelen, gorgar. 
gort [de], grit. 
goties, a. qoiik. 
goud [het], aur. 
graad [de], grad. 
graaf [de], komt. 
graag, voiontar^. 
graan [het], gren. 
graanzolder [de], gren^. 
gracieus, a. grasios. 
gracieusheid [de] , grasiosito^. 
gradatie [de], gradaston. 
graderen, gradar. 



gradueren, gradar. 
graf [het], sepult; tomb. 
grafiet [het], graflt 
grafschrift [het], epitaf. 
grafstede [de], tomb. 
gram [het], gram. 
grammaire [de], gramatik. 
grammatika [de], gramatik. 
grammatikaal, a.gramatika^. 
gramschap [de], koler. 
granaat [de], grenad (mil.). 
granaat [de, het], granat 

(steent 
grandioos, a. grandios. 
grandioosheid [de], grandio- 

sitet, 
graniet [het], granit. 
grap [de],yok, — pen maken, 

yokar. 
grappig, a. yokos. 
gras [het], herb. 
gratie [de], gras (genade), 
gratis, adv. pratis. 
grauw, a. gns. 
graveel [het], gravin. 
graveren, gravar. 
graven, fosar. 

gravitatie [de], gravitasion. 
graviteit [de], qvByitet 
grazen, pasturar. 
grendel [de], bar. 
grendelen, barar. 
grens [de], frontier (van een 

land); limit. 
gretig, a. avid; kupid. 



gretigheid — grutten 



291 



gretigheid [de], aviditot; 

kupiAitet, 
grief, grieve [de], gpiv. 
Griekenland [het], Gresia. 
griep [de], influensa. 
grieven, g pi var. 
griffel, grift [de], shist-kra- 

yon. 
grijpen, sisar. 
grijs, a. gris. 
grijsaard [de], ansian. 
gril [de], kapris. 
grillig, a. kaprisoa. 
grimas [de], primas. 
grimassen, arimasar. 
groef [de], kanel (sleuf ); fo8 

(groeve) . 
groei [de], kreskosion 
groeien, kreskar. 
groen, a. vepd. — worden, 

verdesfcar. 
groenachtig, a. verdatr. 
groenen, yerieskar, 
groenig, a. verda^r. 
Groenland [het], Grenlandia. 
groente [de], legum. 
groep [de], grup. 
groeperen, grupar. 
groet [de], saiut. 
groeten, saiutar. 
groeve [de], fo8. . 
groeven, kanelar. 
grof, a. rud (ruw); kras. 
grofheid [de], rumtet\ kra- 

sitet. 



grond [de], suol (bodem); 
kaus (oorzaak), te —e 
gaan, periar. te — e rich- 
ten, ruina)'. 

grondbeginsel [het], prinsip. 

gronden, fundar. 

grondgebied [het], teritori. 

grondig, a. ppob, adv. ppobe. 

grondigheid [de], probt^^ 

grondoorzaak [de], kaus 
prinsipal. 

grondslag [de], fundament; 
basis. 

grondstelling [de], maksim. 

grondvesten, fundar. 

grondwet [de], konstitusion. 

groot, a. grand. 

groothandelaar [de], grand- 
komersant. 

grootheid [de], grandito^. 

grootmoedig, a. magnanim. 

grootmoedigheid [de], mag- 
neinmitet, 

groots, a. grandios. 

grootsheid [de], grandiostfót. 

grootte [de], grandt^^^. 

grootvader [de], grand-patr. 

groshandel [de], groso. 

grossier, grossist [de], groso- 
ist (grosist). 

grot [de], grot. 

grotendeels, grand-partia. 

grotesk, a. grotesk. 

gruis [het], gravin. 

grutten [de], grit. 



292 



gruwel — hamer 



gruwel [de], abominasion. 
gruwelmoord [de], masakr. 
Guatemala [het], Guatemala. 
guide [de], gid. 
guirlande, gierlande [de], 

pirland. 
guit [de], bufon. 
guiterij [de], bufonaci. — 

uithalen, bufonar. 
guitig, a. bufoniA:. 
gulden [de], florln. 
gulzig, a. voras. 
gulzigheid [de], yorasiteL 
gunst [de], favor. ten —e 

van, favoru. 
gunstig, a. oportun. 
guttegom [de], gumigut. 
gymnasium [het], aimnas. 
gymnastiek [de], gimnastik. 
gymnasties, a. gimnastikaZ. 
gymnastiseren, gimnastikar. 

H. 

haag [de], sepi. 

haai [de], skual. 

haak [de], kpok, 

haakje [het], parentes (tekst- 
haakje), tussen — s zetten, 
metar in parentesi. 

haan [de], galino. 

haar, pr. sie. — (eigen), pr. 
8ue. 

haar [het], kapil. 

haarlok [de], bukl. 



haarzalf [de], pomad. 
haas [de, het], lievp. 
haast, adv. kuasi. 
haast [de], hast. 
haasten, hastar. zich — , 

hastar. 
haastig, a . hasttib, adv. haste. 

te — doen. fasiar tro haste. 
haat [de], odi. 
hagedis [de], lasert. 
hagel [de], apel. 
hagelen, greiar. 
Haïti [het], Haiti. 
haken, aspirar (streven), 
hakken, perkutar. 
hal [de], hal. 
halen, ad-portar. 
half; een — , n. un sekund 

(un demi). 
half broeder [de], aemifrdAr, 
halfjaar [het], semestr. 
halQaarliks, a. semestriib. 
half klinker [de], semtvokal. 
hallucinatie [de], haluslna- 

sion. 
halm [de], tronken 
hals [de], kol, 
halsdoek [de], kravat, 
halsstarig, a. obstinan^. 
halsstarrigheid [de], obsti- 

noMon. 
hatt! stop! 

halt, halte [de], stop. 
ham [de], gambon. 
hamer [de], martel. 



hameren — haten 



293 



hameren, marteiar. 
hamster [de], hamster. 
hand [de], manu. ter — 

stellen, in-manuar. 
handdoek [de], manu-drap. 
handel [de], komers. — drij- 
ven, komersar. 
handelaar [de], merkant. 
handelen, aktar. 
handeling [de], akt 
handelsman [de], negosiant. 
handelszaak [de], negosi. 
handelwijze, handelwijs [de], 

prosed. 
handhaven, mantenar. 
handig, a. agil. 
handschoen [de], gant. de 

— en aandoen, gantar. 
handschrift [het], manus- 

kript, 
handvat [het], ans (oor); 

manivel (kruk), 
handwerk [het], metier, 
handwerksman [de], metie- 

rist. 
hanekam [de], esparset 

(bot.), 
hangen, pendar. 
hangmat [de], hamak. 
Hannover [het], Hanovr. 
hansworst [de], bufon. 
hanteren, manipular. 
hantering [de], manipu lotion. 
Hanze, Hansa [de] , hanseat. 
hanzeaties, a. hanseatiib. 



hap [de], mordod. 

hard, a. dur. — maken, 
Aurifikar 

harden, iuvifikar; asierar 
(van metalen). 

hardheid [de], durt^^. 

hardnekkig, a. obsilnant. 

hardnekkigheid [de], obstl- 
noMon. 

harig, a. kapilo8. 

haring [de], haring. 

hark [de], rastr, 

harken, rastrar. 

harlekijn [de], harlekin. 

harmonie [de], harmoni. 

harmonies, harmonieus, a. 
haj^monlo8. 

harmonium [het], harmo- 
nium. 

harnas [het], harnes. 

harnassen, hamesar. 

harp [de], harp, 

harpenaar [de], harpist. 

harpoen [de], liarpun. 

hars [de, het], resin. 

hart [het], kord, 

hartelik, a. kordial. 

hartelikheid [de], kordiaii^. 

hartstocht [de], piasion. 

hartstochtelik, a. pasiono^. 

hartzeer [het], afliksion. 

haspel [de], guind. 

haspelen, guindar. 

hatelik, a. odios. 

haten, odiar. 



294 



hatens waard — hekwerk 



hatenswaard, a. oAiabi. 
have [de], posesad 
haven [de], port. 
havendam [de], molo, 
haver [de], aven. 
havik [de], hastor. 
hazard [het], hasard. 
hazarderen, hasardar. 
hazelnoot [de], niis^^ 
hebben, avar. 
hebreeuws, a. hebreiA;. 
hecht, a. firm. 
hechtenis [de], arest. in — 

nemen, arestar. 
hechtheid [de], firmi^e^. 
heden, ^diurné. 
heel, adv. muite. 
heelal [het], univers, 
haalbaar, a. remedia&L 
heelkunde [de], kirurgi, 
heelkundige [de], kirurg. 
heelmeester [de], kirurg. 
heen en weer, a ulteriore e 

a siteriore. 
heen en weer trekken, am- 

bular. 
heengaan, apo-andar. 
heenkomen, arivar. 
heer [de], sinior. 
Heer f de], Sinior (God), 
heerlik, a. superb. 
heersen, dominar. — over, 

regnfïr. 
heerser [de], regna^or. 
hees, a. rauk. 



heesheid [de], TBiukitet. 

heester [de], arbust. 

heet, a. keiid; apdoros (vu- 
rig)- 

hefboom [de], h^ator, 

heffen, levar. 

heftig, a. vehement ; impetu- 
08 (onstuimig). 

heftigheid [de], vehementtt^t 
(vehemens); impetuo^t^^^ 

heg, hegge [de], sepi. 

hegemonie [de], hegemoni. 

heil heidaar! audial 

heiden [de], pagan. 

heidendom [het], paganm^. 

heidens, a. paganiA;. 

heil [het], prosperitet. 

heildronk [de], tost. 

heilig, a. sankt. 

heilige [de], sankt. 

heiligen, SBinktifikar, 

heiligheid [de], sankti^t. 

heilzaam, a. saiubr. 

heimelik, a. arkan. 

heining [de], sepi. 

hekel [de], aversion (afkeer). 

hekel [de], lin-pekt (vlas- 
hekel). 

hekelen, lin-pektar. 

hekelschrift [het], satir. 

hektograaf [de], hektograf 
(werktuig). 

hektograferen, hektografar. 

hektoliter [de], hektoiWr. 

hekwerk [het], balustrac^. 



) 



hel — heros 



295 



hel, a. lusid. 

hel [de], infern. 

helaas I reg retel 

held [de], hero. 

heldendicht [het], epopé. 

heldenmoed [de], heroism. 

helder, a. klar ; limpid (door- 
zichtig); lusid (lichtend). 

helderheid [de], klaritei; lim- 
plAitet; \us\Aitet. 

heldhaftig, a. hwoik. 

heldhaftigheid [de], herCHsm. 

helen, remediar (genezen). 

helft [de], semiad. 

helium [het], heüum. 

hellebaard [de], halebard. 

hellebaardier [de],halebardér. 

hellen; doen — , skarpar. 

helling [de], dekliv; skarp 
(glooiing), zachte — , ramp. 

helm [de], kask (hoofddek- 
sel). 

help! sukurs! 

helpen, sukursar. 

hemd [het], kamis. 

hemel [de], siei. 

hemelgewelf [het] , firma- 
ment. 

hemellichaam [het], astr, 

hemelsblauw, a. asur. 

hemels, a. sMik, 

hemelvaart [de], asenslon. 

hen [de], galina. 

hengelen, anglar. 

hengsel [het], ans (handvat); 



kardin (scharnier), 
hengst [de], kavalo. 
hennep [de], kanab. 
heraldiek [de], heraidik. 
heraut [de], herald. 
herberg [de], alberg. 
herbergen, aiberqar. 
herbergier [de], albergis^ 
herder [de], pasturan. gees- 

telik — , pastor. 
herenigen, reuniar, 
hereniging [de], r^union. 
heremiet [de], eremit. 
herfst [de], fruktotemp. 
herhaald, a. frekuent. 
herhaaldelik, adv. frekuent^. 
herhalen, repetar. 
herhaling [de] , repetoaion 

(repetision). 
herinneren, remlnlskar. zich 

— , memoriar. 
herinnering [de], reminls- 

koMon. 
herkauwen, ruminar. 
herkauwing [de], rumina^on. 
herkennen, rekoïïosar. 
herkomstig;— zijn, proveniar. 
hermafrodiet [de], hermafro- 

dit. 
hermelijn [de], hermeiin. 
hermeties, a. hermetiA;. 
hermitage [de], eremlt<?H. 
heroïek, a. heroi/:. 
heroïsme [het], heroiam. 
heros [de], hero. 



t21)6 



herscheppen — hoe 



herscheppen, regenerar. 

herschepper [de], regenera- 
tor. 

herschepping [de], regene- 
Vdfdon. 

hersenen, hersens[de] , serebr, 

herstel [het], seiïïeslcasion . 

herstellen, restaurar; pepa- 
rar ; seineskar (gezond wor- 
den). 

herstelling [de],re8taurasi^m. 

hert [het], serf. 

hertog [de], duk. 

hervormen, reformnfr. 

hervormer [de], reformator. 

hervorming [de] , reforma- 
sion. 

herwaarts, versu ailoke, 

herzien, revisar. 

hesi teren, hesitar. 

het, art. blijft onvertaald, 
zie § 4; pr. it. 

heten, esar nomed (genoemd 
worden). 

heterogeen, a. heterogen. 

heterogeniteit [de], hetero- 
qenitet. 

hetwelk, pr. kei. 

hetïelfde, pr. el sem ; it sem 
(allt^^ri Jielfstandig). juist 
— , i>r. yu3t6 ei sem ; yuste 
It sem (ulleen zelfstandig). 

hetzij . . . hetzij, u,... u, 

heugUk, [leugelik, a. yukund. 

heup [de], lomb. 



hevel [de], slfon. 
hevig, a. vehement. 
hevigheid [de], vehementi/et 

(vehemens). 
hexameter [de], heksametr. 
hiel [de], talon. 
hier, ailoke. 
hierheen, a siloke. 
hierom, aikause. 
hiertoe; tot — , usk dloke, 
hier vandaan, da siloke, 
hij, il. 

hijsblok [het], rula;. 
hijsen, arborar (van vlaggen, 

vanen), 
hik [de], hik. 
hikken, hikar. 
hinderen, Impediar. 
hindernis [de], obstakl. 
hinderpaal [de], obstakl. 
hinken, mmndar. 
hinniken, kaval-klamar. het 

paard hinnikt, kaval klam. 
hippodroom [het], hipodrom, 
hippopotamus [de], hipopo- 

tam. 
historie [de], histor. 
histories, a. histori/:. 
hit [de], kavalee. 
hitte, hette [de], kalor; ardor 

hml a! 

hoe, kualé. — ... des te, 

plu...plu, — dikwels, ke- 

frekuente. 



hoed — hoogleraar 



297 



hoed [de], shapó. hoge — , 

silindr-shapó. 
hoedanigheid [de], kuali^^. 
hoede [de], gard. 
hoeden, gardar; kustodar. 
hoeder [de], kustod. 
hoef [de], ungu masiv (bij 

dieren) . 
hoek [de], angui. 
hoen [het], galin (kip), 
hoereerder [de], fornikator, 
hoereren, fornikar. 
hoererij [de], fomikasion. 
hoest [de], tU8. 
hoesten, tusar. 
hoeve, hoef [de], farm, 
hoeveel, pr. kuant. — maal, 

kuant/ba. 
hoeveelheid [de], kuanti^^^ 
hoeveelste, kuantim (a.). 
hoewel, negligan^ ke. 
hoezeer, kuanté. 
hof [de], hort (tuin), 
hof [het] , kurt (van een vorst). 
hoffehk, a. polit. 
hoffelikheid [de], poiiti^e^ 
hofstede, hofstee [de], farm. 
hogere, a. superior. 
hogeschool [de], universitet. 
hol [het], kavern. 
hol, a. kavernt/:. 
hola! audial 
holrond, a. konkav. 
holrondheid [de] , konkavtté^ 
homeopaat [de],homeopati^s^ 



homeopathie [de],homeopati. 
homeopathies, a. homeopatKA; 
(homeopatlk). 

homogeen, a. homogen. 
homoloog, a. homoloq. 
homoniem, a. homonim. 
hond [de], kani. 
honderd, sent. 
honderdjarig, a. sekulii: (se- 

kular). 
hondsdolheid [de], hidrofobi. 
Honduras [het], Honduras. 
honen, insultar. 
Hongarije [het], Hungarta. 
honger [de], famel. 
hongeren, avar famel. 
hongerig, a. ftme\ik. 
honing [de], miei. 
honingraat [de], protos'w, 
honorabel, a. honoraö^. 
honoreren, honorar. 
hoofd [het], kap; shef (per- 
soon), over het — zien,no ob- 

servar. uit het — , memorie. 
hoofdig, a. obstinan^ 
hoofdigheid [de],ob8tlnasion. 
hoofdtelwoord [het], nume- 

rativ kardinal. 
hoofdstad [de], metropol. 
hoofdstuk [het], kapltl. 
hoofdzakelik, a. prlnsipal, 

adv. prInsIpaU. 
hoog, a. alt. — worden, al- 

\eskar. 
hoogleraar [de], profesor. 



298 



hoogmoed — humus 



hoogmoed [de], orgul. 
hoogmoedig, a. orgillos. — 

zijn op iets, esar orgulos 

di kk. 
hoogte [de], Mitet. 
hoogtijd [de], nupt (bruiloft), 
hoogwaardig, a. reverend. 
hooi [het], flen. 
hoon [de], insult. 
hoop [de], kumul (stapel); 

trup (mensen of dieren), 
hoop [de], esper (verwach- 
ting), 
hoor 'es! audia I 
hoorn, horen [het, de],kornu. 
hop [de], lupul (plant), 
hopen, kumular (stapelen), 
hopen, esperar (verwachten), 
horde [de], hord. 
horen, audiar. 
horizon, horizont [de],hori- 

sont. 
horizontaal, a. horisonttA; 

(horisontal) 
horreur [de], horor, 
horribel, a. hororoa. 
hospitaal [het], hospital. 
hospitium [het], hospit. 
hotel [het], hotel. 
hótelier [de], hotels. 
houden, te nar. — van, amar. 

er vooi — , estlmar. goed 

— , konservar. 
houding [de], pos (van het 

lichaam); stand. 



hout [het], llgn. 

houtachtig, a. ligna^r. 

houten, a. ligntA;. 

houtgraveur [de], ksilograf. 

houtrijk, a. lignos. 

houtskool [de], karbon. 

houwen, perkut^'»*. 

hovaardig, a. orgulos. 

hovaardigheid [de], orgul. 

hoveling [de], kurtisan. 

hovelinge [de], kurtlsana. 

huichelaar [de], hipokrit. 

huid [de], pel. 

huiduitslag [de], pustui. 

huilen, uluiar; lakrlmar (we- 
nen). 

huis [het], dom. naar — , a 
Aome. ten — e van, in dom 
de. van — , da Aome, 

huisgereedschap [het], uten- 
siii de dom. 

huishouden [het], menaj. 

huishouden, menajar. 

huishouding [de], menaj. een 
~ besturen, menajar. 

huisraad [het], mobifi 

hulp [de], sukurs. 

hulpgeld [het], subsidi. 

hulpmiddel [het],ekspedient. 

humaan, a. human. 

humaniteit [de], humBnitet. 

humiditeit [de], humidite^ 

humor [de], humor. 

humorist [de], humorist. 

humus [de], hum. 



hun — ijveren 



299 



hun, pr . lor. — (eigen), pr. 

8ue. 
huren, luar. 
hut [de], barak; kabin (aan 

boord), 
huur [de], \uad. 
huurder [de], \uator. 
huurkoets [de], flakr. 
huwbaar, a. niibil. 
huwbaarheid [de], nubilite^. 
huwelik [het], matrimoni. 
huweliks, a. matrimonian 

(matrimonial). 
huweliksgift [de], dot. 
huwen, maritar. 
huzaar [de], husar. 
hyacint [de], hiasint. 
hydra [de], hidra. 
hydrodynamika [de], hidro- 

dinamik. 
hydrofobie [de], hidrofobl. 
hydrogenium [het],hidrogen. 
hydropsie [de], hidropsi. 
hydrostatika [de], /itdrosta- 

tik. 
hyena [de], hien. 
hymne [de], himn. 
hyperbool [de], hiperbol. 
hypotheek [de], hipotek. 
hypothese [de], hipotes. 
hysterie [de], histeri. 
hysteries, a. histerit^ (histe- 

rik). 



I. 



ideaal [het], ideal. 

ideaal, a. ideaÜA;. 

idee [de], idé. 

identiek, identies, a. identiA;. 

identiteit [de], Uentikitet 

(identitet). 
idioom [het], idiom. 
idylle [de], idil. 
ieder, pr . omni (gevolgd door 

een enkelvoud). in — geval, 

in omni kasu. 
iedereen, omni-hom. 
iemand, kelk-hom (kh). 
Ierland [het], Irlandia. 
iets, kelk-ko8 (kk). een zeker 

— , sert-kos. — anders, 

otr-ko8. 
ignoreren, ignorar. 
ijdel, a. van, adv. vane. 
ijdelheid [de], wanitet, 
ijlen, hastar (spoeden), 
ijlen, delirar (b.v. in de 

koorts) . 
ijlhoofdigheid [de], delir. 
ijs [het], alas. 
ijsehk, a. nororoa. 
IJsland [het], Islandia. 
ijsvogel [de], halsion. 
IJszee [de], GlastA; (mar gla- 

Sik). 
ijver [de], fervitet. 
ijveren, esar fepv. 



300 



ij verig — indulgentie 



ijverig, a. ferv, 

ijverzucht [de], leiusitet. 

ijverzuchtig, a. Jaliis. 

ijzer [het], fer. 

ijzing [de], horor. 

ik, ml. 

illumineren, ilumlnar. 

illusie [de], llusion. 

illustreren, ilustrar. 

Illyrië [het], lliria. 

imagineren ; zich — , imagi- 
nar. 

imiteren, Imitar. 

immatrikuleren, Imatrikular. 

immens, a. imens. 

immer, semppé. 

imperatief [de], imperativ. 

impertinent, a. impertinent. 

impetueus, a. impetiio8. 

impetuositeit [de], impetll- 
ositet . 

important, a. Important. 

impost [de], Impost. 

impregneren, impregnlar. 

impressie [de], Impreslon. 

impressioneren, Impreslonar. 

improvisator [de]. Improvi- 
sator. 

improviseren, Improvisar. 

impuls, impulsie [de]. Impuls. 

imputeren, Imputar. 

in, In. 

in acht nemen, observar. 

inachtneming [de],observa- 
sion. 



inademen, in-respirar (Inspi- 

rar). 
inauguratie [de], inaugura- 

sion. 
inaugureren, inaugurar. 
inbeelden ; zich — , imaginar. 
inbeslagneming [de], seku- 

estr. 
inboezemen, Inspirar. 
inboorling [de]. Indigen. 
inbrengen ; tegen — , oposar. 
inderdaad, fakt^. 
indiceren, indikeren, Indikar. 
Indië [het], Indm. 
indikatief [de], Indikatlv, 
indien, If. 

indifferent, a. Indiferent. 
indigo [de], Indigo. 
indium [het], indlum. 
individu [de, het]. Individu. 
individualiteit [de], individu- 

ikitet (individualt^^O- 
individueel, a. IndividutA; (in- 

dividual). 
indolent, a. Indolent. 
indolentie [de], indolentt^t 

(indoiens). 
indompelen, mergar. 
indopen, mergar. 
indringen, in-urgar; penetrar. 
indruk [de], impresion. - 

maken, impreslonar. 
indrukken, in-presar. 
indulgentie [de], indulgentt- 

tet (indulgens) . 



industrie — innig 



301 



industrie [de], industri. 
industrieel, a. industrKA; (in- 

dustrial). 
inenten, vaksinar. 
inenting [de], vaksina^on. 
inertie [de], inerti^^ 
infanterie [de], infanteri. 
infanterie-, infanterian. 
infanterist [de], infanterita^ 

(infanterist). 
infekteren, infektar. 
infektie [de], infektaaion 

(infeksion). 
inferieur, a. inferior. 
inferioriteit [dejjnferlorüe^. 
infinitief [de), inflnitlv. 
inflammatie [de|Jnflama8ton. 
inflam meren, inflamar. 
influenceren, infliiensar. 
influenza [de], influensa. 
influisteren, insinuar. 
informatie [de], infopmowion. 
informeren, informar (kh di 

kk). zich — , informar se 

di kk. 
ingaan, intrar. 
ingang [de], Intracï (plaats) ; 

introdion (handeling), 
ingeboren, a. indigen. 
ingeborene [de], indigen. 
ingenieur [de], injenler. 
ingenomenheid [de].afek8ion. 
ingeven, Inspirar (fig.). 
ingeving [de], inspircuton. 
ingevolge, wkncmtu. 



ingewand [het], intestin, 

ingezetene [de], regnikoi. 

ingieten, in-versar. 

inheems, a. indigen, 

inhiberen^ inhibiar. 

inhoud [de], jcontenoc^. 

inhouden, kontenar. 

inhullen, kuvrar. 

injurie [de], inyupi. 

injuriëren, inyuriar. 

inkarnatie [de], in-karno^ion. 

inkarneren, in-karnar. 

inkasseren, in-kasar. 

inklinatie [de], inkiino^on. 

inklineren, inklinar. 

inklusief, inklusive. 

inkopen, akuirar. 

inkt [de], tint. 

inlander [de], indigen. 

inlands, a. indigen. 

inlassen, inserar. 

inleggen, in-metar. 

inleiden, introdukar. 

inleidend, a. preliminar. 

inlichting [de], informaaion. 
—en geven, informar (kli 
dl kk). —en vragen, in- 
formar se di kk. 

inlijven, aneksar. 

inlopen; er laten — ,dupar. 

inmiddels, intr-tempe. 

innaaien, brosliar. 

innen, In-kasar. 

innerlik, a. intern. 

innig, a. Intim. 



302 



innigheid — intern 



innigheid [de], intimitot. 
innocent, a. inosent. 
innocentie [de], inosentt^e^ 

(inosens). 
inpakken, paketar. 
inpersen^ in-presar. 
inrichten, instituar; organi- 

sar. 
inrichting [de], orqani8a.s-ion. 
inschrift [het], epiaraf. 
inschrijven, in-skrioar. 
insekt [het], insekt. 
insekteleer [de], entomo- 

logi. 
insereren, inserar. 
insinueren, insinuar. 
insisteren op iets, instar su kk. 
inslikken, inglotar. 
insluiten, in-Klosar. 
insolent, a. insolent. 
insolentie [de], insolentt^ef. 
insoppen, mergar. 
inspannen ; zich — , eforsar. 
inspanning [de], efors. 
inspek teren, inspektar. 
inspekteur [de], inspektator. 
inspiratie [de], inspirosion. 
inspireren, inspirar. 
instaan, respondar. 
installeren, instaiar. 
instellen, instituar. 
instelling [de], instituoc^ (in- 

stitut). 
instemmen, asentiar. 
instemming [de], asenti. 



insteren op iets, instar su kk. 

instigeren, instigar. 

instinkt [het], instinkt. 

institueren^ instituar . 

instituut [het], lnstituac^(in- 
stitut). 

instorting [de], residiv (bij 
een ziekte). 

instromen, in-fluar. 

instrueren, instruar. 

instrukteur [de], instruator. 

instrument [het], instrument. 

instrumenteren, instrumen- 
tar. 

insult [het], insult. 

insulteren, insuitar. 

integendeel, kontrar^. 

integriteit [de], integri^e^ 

intellekt [het], intelektu. 

intellektueel, a. intelektuoa. 

intensief, a. intensiv. 

intentie [de], intension. 

intentioneren, intensionar. 

intercéderen, intersedar. 

interesseren, interesar. iets 
interesseert mij, ik inte- 
resseer mij voor iets, keik- 
kos interes mi. 

interest, intrest [de], inte- 
rest. — geven, portar In- 
terest. 

interieur, a. interlor. 

interjektie [de], interyeksion. 

interludium [het], intr-lud. 

intern, a. intern. 



internationaal —ivoor 



303 



internationaal, a. internasio- 

nal. 
interromperen, interiimpar. 
interpreteren, interpretar. 
interpunkteren, interpunktar. 
interpunktie [de] , interpunk- 

interrogeren, interogar. 
interval [het], interval. 
intiem, a. intim. 
intimideren, tmidifikar. 
intimiteit [de], intimtt^t. 
intocht [de], inXrasion, 
intreden, intrar. 
intrige [de], intrig, 
intrigeren, intrigar. 
introduceren, introdukar. 
intuïtie [de], intua8?on(intui- 

sion). 
intuïtief, a. intua^tt; Hntuitiv). 
intussen, intr-temp6. 
inundatie [de], 'munioMon. 
inval [de], invasion. 
invalide, a. inval id. 
invalide [de], invalid. 
invaliditeit [de], invalidt^t. 
invasie [de], invasion. 
inventaris [de], inventar. 
inventie [de], invento^n 

(invension). 
investigatie [de], investiga- 

don. 
inviteren, Invitar. 
invloed [de], influens. — 

hebben, — oefenen', influ- 



ensar. 
invloeien, in-fliiar. 



invoegen, in-piasar. 

invretend, a. kausttA;. 

inwendig, a. Interior, adv. 
interiore. 

inv^^ijden^ konsakrar. plech- 
tig — , inaugurar. 

inwijding [de], inaugurcmon. 

inwikkelen, kuvrar. 

inwilligen, konsentar. 

inwilliging [de], konsent. 

inwoner [de], habitant. 

inzamelen, kolektar. 

inzenden, mitar. 

inzetten, in-metar. 

inzouten, salar. 

inzuigen, in-suqar. 

iridium [het], iridium. 

ironie [de], iponi. 

ironies, a. ironioa. 

irrigatie [de], irigo^ton. 

irrigeren, irigar. 

irriteren, iritar. 

isoleren, isolar. 

isthraus [de], istm. 

Italiaan [de], italian. 

italiaans, a. italian (hetgeen 
tot Italië behoort); ItaliA; 
(in het italiaans, italiaans 
sprekende). 

Italiaanse [de], italiana. 

Italië [het], Italm. 

ivoor [het], Ivor. 



304 



ja — juffrouw 



J. 

ja, si. 

jaar [het], anu. alle — , ieder 

— , omni-anue. 
jaarboeken [de], analt. 
jaardag [de], aniversar. 
jaarliks, a. anuiib (anual). 
jaarliks, adv. omni-anue lalle 

jaar), 
jaarmarkt [de], feri. 
jaargetij, jaargetijde [het], 

seson. 
jaartelling [de], era, 
jacht [de], veaod. — maken, 

venar. 
jacht [het], yakt( vaartuig), 
jagen, veiiar (jacht maken) ; 

palpKar (van pols of hart); 

removar (drijven), 
jager [de], vena^>r. 
jak [hetj, yak, 
jakhals [de], shakal. 
jaloers, a. jalus. 
jaloersheid [de], jalvsitet. 
jambe [de], lanb. 
jambies, a. ianbii*. 
jammer! danno^ï 
jammer [het], IsMMt. 
jammeren. laaMtar. 
janhagel [het], kaïali. 
Januarie [de], yawMT. 
Januarie-, yaBvaran, da 

yaavar. 



Japan [het], Yaponia. 

je, pr. pers. vo; pr. pos. votr. 

jegens, kontr. 

jelui, pr. pers. vot; pr. pos. 
voatr. 

jeneverboom [de], yunipr. 

jeugd [de], yunitet. 

jeugdig, a. yun. 

jeuken, pniriar. 
! jicht [de], podagr. 
I jichtig, a. podragros. 
; jij* vo, 

jode(n)dom [het], yiidaum. 
. jodekerk [de], sinagog. 
! jodium [het], iod. 
i Johannesbrood [het], karob. 

jok [de], yok. 

jong, a- yun. 

jongelingsjaren [de], yuveat 

jongen [de], infanto; paer. 
Jongere, a. yvnior. 
, jonkman [de]. garsM. 
. jonkvrouw [de], virgina. 
■ jonkvrouwelik. a. virgiu. 

jood [de], yudan. 

joods, a. yudatlr. 

jouw, votr. 

joviaal, a. yovial. 
^ jovialiteit [de;, yovialtf^f. 
' jubel [de], ]fubiL 
; jubelen, yuMlar. 

jubilaris [de], yubil«r. 
I jubilee [het], yibilad. 
j jubileren, yubilar. 
! juffironw [de], siiioriia. 



juichen — kalium 



305 



juichen, yubilar. 

juist, adv. yusU, daar — , 

yusU 8ttemp6. 
juk [het], yug. onder het — 

breuken, sub-yugar. 
Julie [de], yuli. 
Julie-, ^Man, de yuli. 
jullie, pr. pers. vot; pr. pos. 

vostr. 
Junie [de], yuni. 
Junie-, yunian, de yuni. 
junior, a. yunior. 
juridies, a. yuridt^. 
jurisdiktie [de]^ yurisdiksion. 
jurisprudentie [de],yuri8pru- 

dens. 
jurist [de], yurist. 
juristies, a. yuriaiik. 
jury [de], yuri. 
jury-lid [het], yupo. 
justitie [de], yustls. 
jute [de], yut. 
juweel [het], yuvel. 
juwelier [de], yuveler. 

K. 

kaai [de], kay. 
kaak [de], maksii. 
kaal, a. kalv. 
kaalheid [de], kalvi^^ 
kaars [de], kandel. 
kaart [de], kart. 
kaas [de], kase. 
kabaal [het], kabal. 



kabel [de], kabl. 
kabeltouw [het], kabl. 
kabinet [het], kabinet. 
kachel [de], forn. 
kachelpijp [de], forn-tub. 
kadans [de], kadens. 
kadaver ]het], kadavr. 
kadeau, kado [het], donat. 
kader [het], kadP. 
kadet [de], kadet (mil.). 
kadmium [het], kadmium. 
kahier, kajee [het], papiP- 

libp. 
kakao, kakau [de], kakao. 
kakebeen [het], Maksii. 
kakelen, galina-klamar; babi- 

liar (fig.). de kip kakelt, 

galina klam. 
kaken [de], bokcm (fig.). 
kaketoe [de], kakadü. 
kaktus [de], kakt. 
kalamiteit [de], kalamitet. 
kalander [de], kalandp. 
kalanderen, kalandpar. 
kalcium [het], kaisium. 
kaleidoskoop [de], kalidos- 

kop. 
kalender [de], kalendap. 
kales [de], kalesh. 
kaliber [het], kalibr. 
kalibreren, kallbrar. 
kalief [de], kalif. 
Kalifornië [het], Kalifopnm. 
kaliko, calicot [het], kalikot. 
kalium [het], kalium. 

20 



306 



kalligraaf — kapper 



kalligraaf [de], kaligraf. 

kalligraferen, kaUgrafar. 

kalk [de], kalsin. 

kalkoen [de], meleagr. 

kalmeren, kalmar. 

kalmte [de], kaim. 

kalomel [het], kalomel. 

kam [de], pekt. 

kamëe [de], kamé. 

kameel [de], kamel. 

kameleon [de, het], kame- 
leon. 

kamelia [de], kameli. 

kamer [de], kamr. 

kameraad [de], kamarad. 

kameraadschap [de], kama- 
reLÓitet. 

kamerheer [de], kamr^r. 

kamerling [de], kamrer. 

kamfer [de], kamfor. 

kamille [de], kamomll. 

kamizool [het], kamisol. 

kammen, pektar. 

kamp [de], kombat (strijd). 

kampanje [de], kampani 
(veldtocht). 

kampen, kombatar. 

kan [de], pot. 

kanaal [het], kanal. 

kanalje [het], kanall. 

kanarie, kanarievogel [de], 
kanarit. 

kandelaar [de], kandelad 

kandelaber [de], kandeiabr. 

kandidaat [de], kandidat. 



kandidatuur [de], kandida- 

tad. 
kaneel [de, het], slnamon. 
kanefas [het], kanvas. 
kanker [de], kansr. 
kanneleren, kanelar. 
kannibaal [de], kanibal. 
kannibaals, a. kanibaliA:. 
kanon [het], kanon. 
kanoniek, a. kBnonik. 
kanonnade [de], kanonad. 
kanonneren, kanonar. 
kanselarij [de], kanselm. 
kanselier [de], kansel^r. 
kant [de], bord (rand); flank 

(zijde), van alle — en, omnl- 

flanké. van de andere — , 

otr-flanké. 
kant [de], dentel (weefsel), 
kanteel [de], kren. 
kanton [het], kanton. 
kantoor [het], kontor. 
kaoetsjoek [de], kaucuk. 
kap [de], kapus. 
kapabel, a. kapabi. 
kapel [de], kapel (bedeplaats). 
kapel [de], papilion (vlinder). 
kapelaan [de], kapelan. 
kapitaal [het], kapital. 
kapitein [de], kapitan. 
kapitool [het]\ kapitol. 
kapittel [het], kapitl. 
kapoen [de], kapon. 
kapoets [de], kapus. 
kapper [de], kapar (bot.). 



kaprice — kathedraal 



307 



kaprice [de], kapris. 
kapricieus, a. kapri8o«. 
kapriool [de], kapriol. 
kapsule [de], kapsul. 
Kapucijner, Kapusijner [de], 

kapusin (monnik), 
kar [de], karet. 
karaat [het], karat. 
karabijn [de], karabin. 
karabinier [de], karabiner. 
karaf, kraf [de], karaf. 
karakter [het], karakter. 
karakteristiek, a. karaktert^. 
karambolage [de], karam- 

bolac^. 
karambole [de], karambol 

(de rode bal), 
karamboleren, karambolar. 
karamel [de], karamel. 
karavaan [de], karavan. 
karbonkel [de, het], karbunkl. 
kardinaal, a. kardinal. 
kardinaal [de], kardinal. 
kardoes [de], kartush (mil.). 
Karintië [het], Karintia. 
karikatuur [de], karikatur. 

een — maken, karlkaturar. 
karmijn [het], karmin, 
karnaval [het], karneval. 
karnen, butlrt^A;ar. 
karoesel [de], karusel. 
Karpaten [de], Karpatt. 
karper [de], karplon. 
karton [het], karton. 
kas [de], kas. 



kasjet [het], sigil. 
kaskade [de], kaskad. 
Kaspiese zee [de], KaspiA; 

(mar kaspiA;). 
kassette [de], kaset. 
kassier [de], kaser. 
kast [de], reposltori. 
kastanje [de], kastani. grote, 

edele — , maron. 
kaste [de], kast. 
kasteel [het], kastel; turi 

(schaakspel), 
kastemaker [de], tabkr. 
kastijden, kastigar. 
kastijding [de], kastigoston. 
kastreren, kastrar. 
kastrol [de], kaserol. 
kat [de], kat. 
katafalk [de], katafalk. 
katakombe [de], katakomb. 
katalepsie [de], katalepsl. 
katalepties, a. katalepsKA; 

(kataleptik). 
katalogus, kataloog [de], 

katalog. 
kataplasma [het], kataplasm. 
katar [de], katar. 
katarakt [de], katarakt 

(med.). 
katastrofe [de], katastrof. 
katechismus [de], katekism. 
kategorie [de], kategori. 
kategories, a. kategortA;. 
katheder [de], katedr. 
kathedraal [de], katedraL 



308 



katholicisme — ketel 



katholicisme [het], katoltHd?72. 
katholiek [de], katoliA;. 
katoen [het, de], koton. 
katrol [de], pulaj. 
Kaukasië [het], Kaukasia. 
Kaukasus [de], Kaukas. 
kauteriseren, kauterisar. 
kauwen, mastikar. 
kavalerie [de], kavaleri. 
kavalerie-, kavalerian. 
kavalerist [de], kavalerits^ 

(kavalerist). 
kavalkade [de], kavalkoc^. 
kaviaar [de], kaviar. 
kazemat [de], kasemat. 
kazerne [de], kasern. 
kazuifel [de], kasubl. 
keel [de], gora, 
keelkop [de], Taring. 
keelletter [de], konsonant 

gutural. 
keelontsteking [de], angin. 
keer [de] ; deze — , 'istfoa . 

die — , el/ba. beide — en, 

omni-du/ca. de hoeveelste 

— , kelm/oa. de volgende 
— , SBkuantfoa, een an- 
dere — , otP/ba . hoeveel 

— , kuant/oa. iedere — , 
omni f oa. iedere — dat, 
omni/oa ke. (voor) de eer- 
ste — , ppim/oa. (voor) de 
laatste -- , ultim/ba. welke 
— , kel/oa. 

J( eerkring [de], tropik. 



keerkringslanden [de], tro- 

pikta. 
keg, kegge [de], koin. 
kegel [de], kon. 
kegelvormig, a. konik. 
keizer [de], imperator. 
keizerlik, a. Imperatorik. 
keizerrijk [het], imperia. 
kelder [de], kav. 
kelk [de], kalis. 
kennen, konosar. leren — ^ 

koïiQseskar. 
kennis [de], konosac^. — 

geven, notifikar. 
kennisgeving [de], notifika- 

sion, 
kenteken [het], sign. 
keren, turnar (wenden), 
kerk [de], ekles. 
kerkbenodigdheden [de], u- 

tensili de ekles. 
Kerkelike Staat [de] , Eklesta. 
kerkeraad [de], konsistori. 
kerkgebruik [het], pitu. 
kerkvergadering [de], konsil. 
kermen, gemar. 
kermis [de], fepj. 
kern [de], gpan (pitV, kuint- 

esens (fig.)- 
kers [de], kpes (kruid), 
kers [de], sepis (vrucht), 
kerspel [het], paroki. 
Kers(t)feest [het], nativitet. 
Kers(t)mis [de], nativitet. 
ketel [de], kaldron. 



keten — kleermaker 



309 



keten [de], katen. 
ketter [de], heretiA;. 
ketterij [de], he^etis??^. 
ketters, a. heretik, 
ketting [de], katen. 
keuken [de], kukm. 
keur [de], elit. 
keurig, a. minion. 
kever [de], skarab. 
Khiwa [het], Khiva. 
kiel [de], kil (van een schip), 
kiem [de], germin. 
kiemen, germinar. 
kieming [de], germinoaion . 
kies, a. delikat. 
kiesheid [de], delikates. 
kietelen, titilar. 
kieuw [de], branki. 
kieviet [de], vanel. 
i^iezelzand [het], gravin. 
kiezen, seiektar. 
kijk! ekse! 
kijken, spektar. 
kikker [de], pan. 
kikkervisje [het], yun-ran. 
kikvors [de], pan. jonge — , 

yun-ran. 
kilogram [het], M/ogram. 
kilometer [de], H^ometp. 
kin [de], menton. 
kind [het], infant (de mens 

in zijn kindsheid); flii 

(zoon of dochter), 
kinderachtig, a. pueril. 
kinderachtigheid [de], pueri- 



Mtet. 

kinderpok [de], varloi. 

kinine [de], kinin. 

kinnebak [de], maksli. 

kip [de], galin (hoen); galina 
(hen) . 

kist [de], kest. 

kisten, in-sarkar (in de dood- 
kist). 

kistje [het], kaset. 

klaar, a. klar; limpid (door- 
zichtig); papat (gereed). 

klaarheid [de], klart^^ 

klacht [de], lament. 

klagen, lamentar. 

klank [de], son. 

klant [de], klient. 

klaploper [de], parasit. 

klarinet [de], klarinet. 

klas, klasse [de], klas. 

klassiek, a. klast^. 

klassiekheid [de], ktasiH^e^. 

klausule [de], kiausui. 

klausuleren, kiausuiar. 

klauteren, klimbar. 

klauw [de], grif. 

klaver [de], tnfoii. 

kla verzuring [de], oksal. 

klaverzuring-, üksdiik. 

kleden, vestar. 

kleed [het], vest (kleding- 
stuk); tapet (vloerkleed). 

kleedkamer [de], garderob. 

kleerkast [de], garderob. 

kleermaker [de], talier. 



310 



klei— knappen 



klei [de], argil. 

k leiachtig, a. argiicw. 

klein, a. aima. 

Klein- Azië [het], ARatolia. 

kleingeestig, a. miwnmos. 

kleingeestigheid [de], mIri- 
sio»iiet. 

kleinheid [de], mlnimUet. 

kleinigheid [de], minvsi. 

kleinhoofdig, a. mikrokafik. 

kleinood [het], yvvel. 

kleinzoon [de], grand-filio. 

klematis [de], klematit 

klementie [de], klementite^. 

klemtoon [de], aksent 

klep [de], klep; valv(lucht- 
klep). 

klems [de], kier. 

kletsen, bablliar. 

kleur [de], kolor. 

kleuren, kolorar. 

kleven, alutinar. 

kliënt [de], Mient. 

kliëntele [de], kilente^. 

klier [de], gland. 

klierachtig, a. skrofuio^. 

klierziekte [de], skrofkii. 

klimaat [het], kilmat. 

klimmen, klimbar. 

klimop [het, de], hedr. 

kling [de], lam. 

klinken, eonar; rivetar (vast- 
klinken). 

klinker [de], vokal. enkel- 
voudige - , vokal klap. 



tussenliggende — ^, vokal 
iitenMdiar. 

klinknagel [de], rivet 
klip [de], rok. 
klisteer [de], klister, 
kloaka, kloak [de], kleak. 
klok [de], klok. 
klomp [de], blok. 
klompje [het], gram. 
klonter [de], gram. 
klonterig, a. qrumos, 
kloof, klove [de], fisad. 
klooster [het], monaster. 
kloosterting [de], monak 

(monnik of non); monako 

(monnik), 
kloosterlinge [de], monaka. 
kloppen, palpitar; pulsar 

(polsslagen geven), 
klos [de], blok; guind (om te 

winden), 
klossen, guindar. 
kloven, mar. 
klozet [het], kloset. 
klub [de], klub. 
klucht [de], yok (grap), 
kluchtig, a. yokos. 
kluiven, rodar. 
kluizenaar [de]^ eremit. 
kluizenaarshut [de], eremi- 

tm. 
knaap [de], Infanto; puer. 
knabbelen, rodar. 
knagen, rodar. 
knappen, krakar (intr.). 



knellen — kollekteren 



311 



knellen, pinsar. ' 

kneuzen, kontusionar. 
kneuzing [de], kontuslon. 
knevel [de], mustakt. 
knie [de], genu. 
kniebuiging [de], genu-flek- 

taaion (genu-fleksion) . 

een — maken, genu-flek- 

\ar, 
knielen, genuar. 
knieschijf [de], patel. 
knijpbril [de], pins^. 
knijpen, pinsar. 
knipogen, palpebrar. 
knippen, tonsar. 
knobbel [de], tuber. 
knobbelig, a. tuberos. 
knobbeligheid [de], tubero- 

sitet 
knol [de], pap. 
knolzaad [het], raps. 
knoop [de], buton (aan de 

kleding) ; nod (b . v. in een 

touwV 
knop [de], boton. 
knopen, nodar. 
knoppen, botonar. 
knorrig, a. moros. 
knotten, tronkar. 
koaguleren, koaaular. 
kobalt [het], kobalt. 
kochenille [de], koshinil. 
koddig, a. drol. 
kodex [de], kod. 
kodicil [het], kodisil. 



koe [de], vaka. 
koëfficiënl [de], koeflsient. 
koek [de], kek. 
koekoek [de], kukul. 
koel, a. fresk. 
koelte [de], freskitet, 
koen, a temer. 
koenheid [de], iemeritet 
koepel [de], kupol. 
koepokstof [de], vaksln. 
koepon [de], kupon. 
koerier [de], kurser. 
koers [de], kurs; kambi-kurs 

(wisselkoers), 
koersen, kursar. 
koertage [de], kurtaj. 
koets [de], karos. 
koetsier [de], karosan. 
koevert, couvert [het],kuvert. 

in een — doen, kuvertar. 
koffer [de], kofp. 
koffertje [het], kaset. 
koffie [de]., kaf. 
koffiehuis [het], kafen. 
kogel [de], bul. 
kokarde [de], kokard. 
koken, bullar; kukar (van 

het eten), 
kokertje [het], tub (tube), 
koket, a. koketiA;. 
koketteren, koketar. 
kokon [de], kokon. 
koliek [de], kollk, 
koUega [de], koleg. 
kollekteren, koiektar. 



312 



kollektie — kompliment 



koilektie [de], kolektac^. 

kollisie [de], kolision. 

kolom [de], kolumn. 

kolonel [de], kolonel. 

koloniaal, a. kolonitA; (kolo- 
nial). 

kolonie [de], koloni. 

koloniseren, koloniar. 

kolonist [de], kolonita^ (ko- 
lonist). 

koloreren, kolorar. 

kolos [de], kolos. 

kolossaal, a. ko\osik (kolosal). 

Kolumbia [het], Kolumhm. 

kombinatie [de] , kombina- 
aion, 

kombineren, kombinar. 

komediant [de] , komedian . 

komedie [de], teatp (schouw- 
burg). 

komedie [de], komedi (blij- 
spel). 

komedie-, komedlan. 

komeet [de], kornet. 

komen, veniar. 

komfort [het], komfort. 

komfortabel, a. komfortos. 

komiek, komies, a. komik, 

komijn [de], kumin. 

komitee, komiteit[het], komi- 
tet. 

komkommer [de], kukum. 

komma [de, het], koma. 

kommanderen, komandar. 

kommandite [de], komandit. 



kommando [het], komand, 

kommapunt [de], koma- 
punkt. 

kommenteren, komentar. 

kommer [de], griv. 

kommies [de], duan^ (tol- 
beambte). 

kommissaris [de], komisar. 

kommissie [de], komision. 

kommitteren, komitar. 

kommode [de], komod (la- 
tafel). 

kommoditeit [de], komoditet. 

kommuniceren, komunlkar. 

kommunie [de], komunion. 

kommunikatie [de], komuni- 
kaaion, 

kompakt, a. kompakt. 

kompanjon [de], a,sos\ed, 

komparatief [de], kompara- 
tiv. 

kompareren, komparar. 

kompas [het], kompas. 

kompensatie [de], kompen- 
scmon. 

kompeilseren, kompensar. 

kompetent, a. kompetent. 

kompleet, a. komplot. 

komplement [het], komple- 
ment. 

kompleteren, komplett^A;ar. 

komplex [het], kompleks. 

kompliceren, komplikar. 

kompliment [het], kompli- 
ment. 



komplimenteren — konjugatie 



313 



komplimenteren, komplimen- 

taè'. 
komplot [het], komplot. 
komponeren, komposar. 
komponist [de], komposa^or. 
kompost [het], kompost. 
kompote [de], kompot. 
kompres [het], kompres. 
koncentreren, konsentrar. 
konceptie [de], konseptoattm. 
koncert, konsert [het], kon- 

sert 
koncerteren, konserteren, 

konsertar. 
koncessie [de], konsesion. 
koncessioneren, konsesio- 

nar. 
koncilie [het], konsil. 
koncipiëren, konseptar. 
kondemnatie [de], kondam- 

nasion. 
kondemneren , kondamnar . 
kondensatie [de], kondenso- 

sion, 
kondensator [de], kondensa- 

tor. 
kondenseren, kondensar. 
konditie [de], kondision. 
kondoleance [de], kondola- 

aion. 
kondoleren, kondolar. 
kondor [de], kondor. 
kondukteur [de], konduktor. 
konfederatie [de], konfede- 

rasion. 



konfedereren, konfederar. 
konfereren, konferar. 
konfessie [de], konfesion. 
konildentie [de] , konfldens. 
konfidentieeK a. konfldensiA; 

(konfldensial). 
konfijt [het], konfet. 
konfirmandus [de], konflr- 

matid, 
konürmeren, konflrmar. 
konfiskeren, konflskar. 
konflikt [het], konflikt. 
konform, a. konform, adv. 

konforme. 
kunformiteit [de], konfor- 

mitet. 
konfronteren, konfrontar. 
konfusie [de], konfusion. 
kongestie [de], kongestoston 

(kongestion). 
Kongo [de], Kongo. 
kongres [het], kongres. 
kongruent, a. kongruent. 
kongruentie [de], kongruen- 

titet (kongruens). 
konies, a. koni^. 
konifeer [de], konifer. 
konijn [het], kunikl. 
koning [de], reg (ook in het 

schaakspel), 
koningin [de], rega (ook in 

het schaakspel), 
konjektureren, konyekturar. 
konjektuur [de], konyektur. 
konjugatie [de], konyugoaion. 



314 



konj ugeren — kontrast 



konjugeren, konvugar. 
koDjunktie [de], konyunkslon. 
konjunktief [de], subyunktiv. 
konjunktuur [de], konyunk- 

tur. 
konkaaf, a. konkav. 
konkaviteit [de], konkeiwitet, 
konkluderen, konkludar. 
konkureren, konkurar. 
konknrent [de], konkuran^. 
konkurentie [de], konkura- 

aion. 
konnexie [de], koneks. 
konsak reren, konsakrar. 
konsciëntie [de], konsient. 
konsciëntieus, a. konsientos. 
konsekieren, konsakrar. 
konsekwent, a. konsekuent. 
konsekwentie [de], konseku- 

^ntitet (konsekuens). 
konsent [het], konsent. 
konsenteren, konsentar. 
konserveren, konservar. 
konsideratie [de], konside- 

rasion. 
konsid ereren , konsierar . 
konsistoriaal, a. konsistorian 

(konsistorial). 
konsistorie [het], konsistori. 
konsistorie-, konsistorian 

(konsistorial). 
konsonant [de], konsonant. 
konsonantie [de], homoXon 

(konsonans). 
konsort [de], konsort. 



konspiratie [de], konspira- 

8ion. 
konspireren, konspirar. 
konstant, a. konstant. 
konstateren. konstatar. 
kouetellatie [de], konstela- 

sion. 
konsterneren, konstemar. 
konstitutie [de],konstitusion. 
konstrueren, konstruar. 
konsul [de], konsul. 
konsulaat [het], konsulat, 
konsult [het], konsultatie 

[de], konsuitrmon. 
konsulteren^ konsultar. 
konsumeren, konsumar. 
konsumptie [de], konsum. 
kontakt [het], kontakt, 
kontant, adv. per kontant. 
kontanten [de], kontant. 
kontent, a. kontent. 
kontinent [het], kontinent. 
kontinentaal, a. kontinentiAr 

(kontinentai). 
kontingent [het], kontinpent. 
kontinuatie [de], kontinua- 

sion, 
kontinueren, kontinuar. 
kontra, kontr. 
kontrabande [de],kontra- 

band. 
konlrakt [het], kontrakt. 
kontrakteren, kontraktar. 
kontrair, a. kontrar. 
kontrast [het], kontrast. 



k ontrasteren — kor pus 



315 



kontiasteren, kontrastar. 

kontribueren, kontribuar. 

kontributie [de], kontri buocJ. 

kontrole [de], kontrol. 

kontroleren, kontrolar. 

kontro verse [de], kontrovers. 

kontroverseren, kontrover- 
sar. 

konvenabel, a. konvena&Z. 

konveniëren, konvenar. 

kon vent [het], konvent. 

konventie [de], konvension. 

kon vergeren, konvergar. 

konversatie [de], konversa- 
8ion . 

konverseren, konversar. 

konversie [de], konvertcmon 
(konversion). 

konverteren, konvertar. 

konvex, a. konveks. 

konvexiteit [de], konw^ksiteL 

konvulsie [de], konvulsion, 

kooi [de], kabin (aan boord). 

kookbaar, a. kukabl, 

kooks [de], koks. 

kool [de], karbon (brandstof ). 

kool [de], brasik (gewas). 

koolstof [de], karbon. 

koon [de], guen. 

koopman [de], merkant. 

koopwaar [de], merkantad. 

koor [het], kor. 

koördineren, koordInar. 

koorhemd [het], alb. 

koorkleed [het], surpiis. 



koorts [de], febr. 

kop [de], kap (hoofd). 

kop [de], tas (kopje). 

kopek [de], kopek. 

kopen, akuirar. 

koper [het], kupr. 

kopie [de], kopi. 

kopiëren, kopiar. 

kopiist [de], kopiist. 

kopje [het], tas. 

koppelteken [het], lini^^ de 
union. 

koppel woord [het], kopul. 

koppen, skdirifikar. 

koppig, a. obstinant. 

koppigheid [de], obstïnasion. 

kopula [de], kopul. 

koraal [het], koral (koraal- 
gezang). 

koraal [het, de], korali. 

koran [de], koran. 

kordon [het], kordon. 

Korea [het], Korea. 

koren [het], gren. 

korenaar [de], spik. 

korenzolder [de], grenm. 

kort [de], korb. 

korist [de], korist. 

kornis [de], kornis. 

korporaal [de], kaporal. 

korporatie [de], korporaslon. 

korpulent, a. korpulent. 

korpulentie [de], Korpulenti- 
tet (korpulens). 

korpus [het], korp. 



316 



k orrekt— krabbelen 



korrekt, a. korekt. 
korrektheid [de], korekti^^ 
korrektie [de], koriga^ton 

(koreksion). 
korrel [de], gran. 
korrelatief, a. korelativ. 
korres ponden tie [de],kore8- 

jfonéad (korespondens). 
korresponderen, korespon- 

dar. 
korridor [de], koridor. 
korrigeren, korigar. 
korruptie [de], Korumpaston 

(korumpsion). 
korset [het], korset 
Korsika [het], Korsika. 
korst [de], krust. met een 

— bedekt, krustos. 
korstmos [het], liken. 
kort, a. brev. 

kortademigheid [de], astmat. 
kortelings, nelonqe. 
kortgeleden, nelonge. 
kortheid [de], breyitet. 
korting [de], rabat. — geven. 

rabatar. 
kortzichtig, a. miop. 
kortzichtigheid [de],mioptte^. 
koryfee [de], korifé. 
kosmograaf [de], kosmograf, 
kosmografie [de] , kosmografl. 
kosmografies, a. kosmografliA; 

(kosmopraflk). 
kosmopoliet [de], kosmopolit. 
kosmopolitisme [het], kos- 



mopolitt^m. 

kost [de], edad (spijs). 

kost [de], kost. ten —e leg- 
gen, spendar. 

Kostarika [het], Kostarika. 

kostbaar, a. presios. 

kostbaarheid [de] , presiositot. 

kosteloos, adv. gratis. 

kosten [de], kost. 

kosten, kostar. 

kostumeren, kostumar. 

kostuum [het], kostum. 

kotelet [de], kotlet. 

koud, a . friqid . — worden, 
Mqideskar. — zijn, het 

— hebben, frigar (ik ben 
— , ik heb het — = mi 
frig). 

koude, kou [de], frigor. kou 

vatten, frigadar se. 
koudvuur [het], gangren. tot 

— overgaan, gangrenar. 
koud V uurachtig, a.gangrenod. 
kous [de], kals. 

kozak [de], kosak. 
kraag [de], ko\ad. 
kraaien, galino-klamar. de 

haan kraait, galino klam. 
kraak [de], krak. 
kraakbeen [het], kartilag. 
kraan( vogel) [de], grus. 
krab [de], skar (schram), 
krab, krabbe [de], krab 

(schaaldier) . 
krabbelen, kratar. 



krabben — kroos- 



317 



krabben, kratar. 

kracht [de], foriitet (fops) ; 
vigor. —geven, koroborar 
(o.a. van geneesmiddelen 
en voedsel). 

krachtdadig, a. vigoros. 

krachtdadigheid [de],vigopo- 
sitet 

krachteloos, a. Invaiid. 

krachtens, eks. 

krachtig, a. fort; vigoros; 
robust. — maken, vigomr . 

krak [de], krak. 

kraken, krakar (intr.). 

kram [de], kramp. 

kramp [de],, spasm. 

krank, a. maiad. 

krankheid [de], maladt^^. 

krankzinnig, a. frenetiA:. 

krans [de], flor-koron. 

kransen, koronar. 

krant [de], gaset. 

krassen, kraiar. 

krater [de], krater. 

krediet [het], kredit — ver- 
schaffen, akreditar. 

krediteren, kreditar. 

krediteur [de], kreditar. 

kreeft [de], krev. 

kreeftskeerkring [de], tropik 
de krev. 

kreëren, krear. 

krekel [de], gril. 

krenken, lesar. 

krenking [de], lescwion. 



kreunen, gemar. 

kreupelbos [het], boeket. 

kreutzer [de], kreutser. 

krib, kribbe [de], presepi. 

krielen, formikar. 

krijg [de], guer. 

krijgen, guerar (oorlogen). 

krijgen, obtenar( verkrijgen); 
resivar (ontvangen). 

krijgsmanstand [de], milltar. 

krijgs wezen [het], miiitar. 

krijt [het], kret (stof). 

krijten, vagiar (klaaglik we- 
nen). 

kring [de], sirkl. 

krioelen, formikar. 

krip [de], krep. 

krisis, krizis [de], kris. 

kristal [het], kristal. 

kritiseren, kritlkar. 

kritiek [de], kritik, 

Kroatié [het], Kroatia. 

kroep [de], krup. 

kroes, a. kriSfilc. 

krokodil [de], krokodil. 

krom, a. kutyik. 

krommen, kurvar. 

kromming [de], kurv. 

kronen, koronar. 

kroniek [de], kronik. 

kronkelen, serpentar. 

kroon [de], koron. 

kroonlijst [de], kornis. 

kroos [het], mesenteri, 

kroos-, mesenteriifc (mesen- 



318 



krucifix — kwadrant 



terik). 

krucifix [het], krusiflks. 

kruid [het], vegetabü. 

kruidje-roer-mij-niet [het] , 
miinos. 

kruik [de], kruk. 

kruin [de], vertis; somit (top). 

kruipen, kripar. 

kruipend, a. servil. 

kruiperigheid [de], Sbrwilitet, 

kruis [het], krupa (van een 
paard enz.). 

kruis [het], kPU8. 

kruisen, krusar. 

kruisigen, krusiflksar. 

kruistocht [de], krusad. 

kruit [het], puivr (buskruit). 

kruitmijn [de], pulvr-min. 

kruiwagen [de], pus-kar. 

kruk [de], manivei (hand- 
vat). 

krul [de], bukl. 

krullen, krispar. 

Kuba [het], Kuba. 

kubiek, a. kubik. 

kubiek wortel [de], knhik- 
radik. 

kubus [de], kub. 

kuil [de], f08. 

kuip [de], kuf. 

kuipen, intrigar (fig.). 

kuiper [de], kufer. 

kuiperij [de], intrig (fig.). 

kuis, a. kast. 

kuisheid [de], kasti^^ 



kuit [de], pulp de gamb. 
kulti veren, kultivar. 
kultus [de], kult. 
kuituur [de], kultur. 
kunde [de], konosoc^. 
kundig, a. ekspert. 
kunne [de], seksu. 
kunnen, potesar. 
kunst [de], art. 
kunstenaar [de], arttat. 
kunstgreep [de], artiflsi. 
kunstig, a. artiflsloa. 
kunstmatig, a. artiflsial. 
kunststuk [het], artlflsi. 
kunstvaardig, a. artiflslos. 
kuras [het], kiras. 
kureren, kurar. 
kurk [de], tampon, met een 

— sluiten, tamponar. 
kurk [het], kork. 
kurken, tamponar. 
kus [de], oskul. 
kussen, oskular. 
kussen [het], pulvin. 
kust [de], mar-bord. 
kuur [de], kur. 
kwaad; het — , it mal. 
kwaadaardig, a. malislod. 
kwaadaardigheid [de],maii8i. 
kwaadspreken, kalumniar . 
kwaadsprekendheid [de],ka- 

\umnia8ion, 
kwadraat [het], kuadratd. 
kwadraat, a. kuadratiA;. 
kwadrant [het], kuadrant. 



kwaker — lak 



319 



kwaker [de], kuekr. 
kwalificeren^ kusAifikar. 
kwalik; — nemen, ofendar 
86. 

kwalitatief, a. kualitativ. 
kwaliteit [de], kusAiteL 
kwantitatief, a. kuantitativ. 
kwantiteit [de], kuanti^t. 
kwart; een — , n. un kua- 

\Hm (un kuart). 
kwartet [het], kuartet. 
kwartier [het], kuartier 

(wijk), 
kwarts [het], kuarts. 
kwasi, adv. kuasi. 
kwast [de], kuast (voorwerp), 
kwee [de], kuidon. 
k wekeling [de], elev. 
kweken, kult! var. 
kwellen, tormentar. 
kwelling [de], torment. 
kwestie [de], kuestion. 
kwetsbaar, a. vulnera6L 
kwetsen, vuinerar; lesar 

(krenken), 
kwetsing [de] vulnero^ion; 

lesaston . 
kwetsuur [de], vulneradtcm. 
kwijtbrief [de], kuit. 
kwijtraken, perdar. 
kwijtschelden, amnestiar. 
kwijtschelding [de] , amnesti. 
kwik [het, de], merkur. 
kwikzilver [het], merkur. 
kwintessens [de], kuint- 



esens. 

kwintet [het], kuintet. 
kwitantie, kwitansie [de], 

kuit. 
kwiteren, kuitar. 

L. 

laag, a. bas, adv. base; a. 

vilan (gemeen). — maken, 

bdiSifiJcar, 
laag [de], strat. in lagen 

leggen, sXr&tifikar. 
laagheid [de], bast^^ 
laan [de], aiè. 
laanachtig, a. aiea^r. 
laars [de], bot. 
laarzemaker [de], boter. 
laat, a. tard, adv. tarde. te 

— komen voor, mankar. 
laatdunkend, a. arogant. 
laatdunkendheid [de], aro- 

ganti^t (aroaans). 
laatst, adv. neïonqe. 
laatste, a, ultim. ten — , flnie. 
labiel, a. iabii. 
labyrint [het], iabirint. 
lachen, ridar. 
laden, sharjar. 
lading [de], shag. 
laf, a . poltron ;insipld (flauw), 
lafaard [de], poltron. 
lafheid [de], poltroni^f. 
lagune [de], iagun. 
lak [het], iak; sigil (zegel). 



320 



lakei — latijn 



lakei [de], iaké. 

laken, reprovar. 

laken [het], drap. 

lakken, iakar; sigilar (ver- 
zegelen). 

lakmoes [het], lakmus. 

laks, a. laks, 

laksheid [de], laksi^^ 

lam [het], agnei. 

lam ; — worden, deveniar 
misdiniant. 

lama [de], lyam (dier). 

lama [de], lama (tibetaans 
opperpriester) . 

lamaïsme [het], lamaism. 

lamentatie [de], iament. 

lamenteren, lamenter. 

lamp [de], lamp. 

lamprei [de], lampret (vis). 

lampzwart [het],fuiii-negrad. 

lanceren, lansar. 

land [het], ter (niet water); 
land ; kampestrac^ (niet 
stad); teren (landerijen). 

landbouw [de], agrikuitur. 

landelik, a. kampestr. 

landen, ad-bordar. 

landengte [de], Istm. 

landkaart [de], kartgeogra- 
tiik (kart geoaraflk) . 

landman [de], farmer. 

landschap [het], paisaj. 

landschapschilder [de], pai- 

landmeetkunde [de],geode8i. 



landstreek [de], land. 
landsverordening [de],edikt. 
landverhuizer [de], emigrant. 
landverhuizing [de],emlgra- 

sion, 
lang, a. long, adv. long^. 
langs, prep. longu. 
langwerpig, a. oblong. 
langzaam, a. ient, adv. lente. 
langzaamheid [de], hntitet. 
langzamerhand, suksesive. 
lans [de], lans. 
lantaren, lantaarn [de], lan- 

tem. 
lanthanium [het], iantan. 
Lapland [het], Laponta. 
lariks [de], lariks. 
larve [de], larv. 
larynx [de], laring. 
lasso [de], laso. 
last [de], sharj. — geven, 

komitar. ten —e leggen, 

imputar. 
laster [de], kalumnl(mo?i . 
lasteren, kalumniar. 
lastering [de], keAumniasion. 
lastig, a. molestt^. — vallen^ 

molest^r. 
lat [de], lat. 
latafel [de], komod. 
laten, lascrr. — gaan, lasar 

andar. 
later, a. posterior, adv. pos- 

terlore. 
latijn, latijns [het], latin. 



latoen — lekken 



321 



latoen [het], latun. 

latrine [de], latrin. 

latuw [de], laktuk. 

laurierboom [de], laur. 

lauw, a. tepid; laks (fig.). 

lauwheid [de], laksitei (fig.)- 

lava [de], lav. 

lavement [het], klister. 

laven, restaurar. 

lawaai [het], rumor. — ma- 
ken, rumorar. 

lazaret [het], iasaret. 

leb, lebbe [de], koapulad 

leder, leer [het], kuir. 

ledig, leeg, a. vaku; oslos 
(nietsdoende). ledige tijd, 
osi. 

ledigen, legen, eks-vakuar. 

lediggang [de], osiositet. 

ledigiieid [de], wdikuitet; 
OSlodtet (lediggang). 

leedvermaak [het], malisi. 

leedwezen [het], regret. 

leeg, ledig:, a. vaku; osios 
(nietsdoende). 

leegte [de], vakui^t. 

leem [het], argil. 

leemachtig, a. argiios. 

leenman [de], vasai. 

leenroerig, a. feodal. 

leer [de], doktrin. 

leer, leder [het], kuir. 

leerbaar, a. aprenda&2. 

leerling [de] ,8koia7i (scholier); 
elev. — van de Ie (hoogste) 



klas, priman. — van de 2e 

klas, sekundan. 
leerlooien, tanar. 
leerlooier [de], tfknator. 
leerlooierij [de], tanm. 
leermeester [de], 
leesbaar, a. \ek\ahl 
leesteken [het], sign de in- 

terpunktcmon. 
leeuw [de], ieon. 
leeuwerik [de], alaud. 
legen, ledigen, eks-vakuar. 
legende [de], ieqend. 
leger [het], armi. 
leger-, armitA;, de armi. 
leggen, metar ; situar ; posar; 

piasar. eieren — , metar ovi. 

verkeerd — , wismetar. 
legioen [het], ie^ion. 
legitiem, a. iegitim. 
legitimeren ; zich — , demon- 

strar se. 
legitimiteit [de], iegitimï^^ 
legumine [de], legumin. 
leiden, dirlgar; guvernar; 

Eidar (tot gids dienen); 
ondukar (b. v. water, elek- 
triciteit); dukar (voeren). 

leiding [de], konduka^n; 
duka^on. 

leidsman [de], mentor. 

leisteen [de], shist. 

lek [het], iekaj. 

lekkage [de], iekaj. 

lekken, iekaj^^* (een lek 

21 



322 



lekken— lichtheid 



hebben). 

lekken, lekar (likken). 

lekkerbek [de], friand;ga8- 
tronom. 

lekkerbekken, friandar. 

lekkernij [de], delikates. 

lel [de], lob (van het oor), 

lelie [de], lili. 

lelietje van dalen [het], kon- 
valari. 

lelik, a. de-formt^. 

lemmet [het], lam. 

lende [de], lomb. 

lenen, prestar. 

lening [de], prestcwto??. 

lengte [de], longi^^ 

lengtegraad [de], grad de 
\onqitet. 

lenigen, minuar. 

lente [de], florotemp. 

lepel [de], kullap. 

lepra [de], iepr, 

leproos [de], lepro8. 

leprozehuis [het], leprosm. 

leraar [de], dosent. 

leren, aprendar (door de leer- 
ling); erudiar (ontwikke- 
len); instruar; presepto- 
par. 

les [de], leksion. 

letter [de], liter. 

lettergreep [de], siiab. 

letterkunde [de], literatur. 

letterlik, a. literal. 

leugen [de], mentlac^. 



leunen, ad-dorsar. 
leuning [de], balustrad 
leuningstoel [de], bras-stul. 
leus, leuze [de], devis. 
leven, vivar. 
leven [het], vit; rumor, om 

liet — komen, periar. — 

maken, rumorar. 
levend, a. wiwik. 
levendig, a. vivas. 
levendigheid [de], vivasi/e^ 
levensbeschrijving [de], blo- 

grafl. 
levenskracht [de], vital^/e^ 
levenskrachtig, a. vital. 
levenslang, a. pro-vltiA;, adv. 

pro-vite. 
levensmiddel [het], viktuai. 
lever [de], hepat. 
leverancier [de], furnator. 
leveren, furnar; delivrar 

(afleveren), 
lezen, lekta?*. 

lezing [de], version (versie). 
Liberia [het], Liberia. 
libretto [het], libre^ 
licenciaat [de], lisenslec^. 
licentie [de], lisensi. 
lichaam [het], korp. 
licht [het], lum. — geven, 

lumar. 
licht, a. iusid (helder); lejer 

(niet zwaar), 
lichten, lumar. 
lichtheid [de], lejert^^^. 



lichtkrans - links 



323 



lichtkrans [de], nimb. 

lichtmeter [de], fotometr. 

lichtvaardig, a. frivol. 

lichtvaardigheid [de], frlvo- 
\itet. 

lichtzinnig, a. frivol. 

lichtzinnigheid [de], frlvo- 
' litet. 

licitum [het], lisensloc/'. 

lid [het], membr. 

lidwoord [het], artikl. — 
van bepaaldheid, artikl 
deflnit. — van onbepaald- 
heid, artikl indeflnit. 

lied [het], kanson. 

liederlik, a. disoiut. 

lief, a. kar; gentii (aardig). 

liefde [de], nmor, 

liefhebben, amar. 

liefhebber [de], amator; 
diletant (in de kunst). 

liefheid [de], gentlK^J. 

liefkozen, karesar. 

liefkozing [de], kares. 

lieftallig, a. grasios. 

lieftalligheid [de], grasiost- 
feL 

liegen, mentiar. 

lier [de], lir. 

liever, plu volontar^. 

liga [de], liga. 

liggen, yasiar; esar sWued. 

ligging [de], situasion. 

ligue [de], liga. 

lijdelik, a. pasiv 



lijdelikheid [de], pasivt^e^. 
lijden, pasia?* (intr.); sufrar 

(trans.), 
lijden [het], pasicwion (b.v. 

van Jezus); sufrasion, 
lijf [het], korp. 
Lijfland [het], Livonia. 
lijk [het], kadavr. 
lijken, sembiar (gelijken), 
lijm [de], glutln. 
lijmen, glutinar. 
lijn [de], lini (streep), 
lijnen, iinlar. 
lijnwaad [het], lin-drap. 
lijst [de], kadr (b.v. vaneen 

schilderij); list. 
lijvig, a. korpulent. 
lijvigheid [de], korpuientttét 

(korpulens). 
likeur [de], liker. 
likken, lekken, lekar. 
likwideren, likuidar. 
limiet [de], limit. 
limiteren, iimltar. 
limoen [de], limon. 
limonade [de], IJmonad 
linde [de], tlli. 
linde-, tilitA:, de tili. 
lineair, a linÜA; (linear). 
linguïst [de], lingut^t. 
linie [de], lini. 
liniëren, Iinlar. 
linker, a. sinlstr. 
links, a. sinistr, adv. sinistre. 
— van, sinistre de. naar 



324 



linnen— lopen 



— , a sinistré. van — , da 
sinistré. 

linnen [het], lin-drap. 

linze [de], lentil. 

lip [de], iabi. 

lipletter [de], konsonant la- 

bial. 
lis, lus [de], iaksi. 
list [de], astusi ; fint (streek). 

in — overtreffen, esar plu 

astusios. 
listig, a. astuslod. 
litanie [de], litani. 
liter [de], lltr. 
literatuur [de], literatur. 
lithium [het], litlum. 
Littauen [liet], Lituania. 
litteken [het], sikatris. een 

— worden, sikatrisar. 
liturgie [de], iiturgi. 
liturgies, a. llturgüA; (iitur- 

glk). 
livrei [de], iivpé. 
lob [de], lob. 
lof [de], laud. 
loflied [het], pean. 
logarithme [de], logaritm. 
loge [de], iodji. 
logeren, lojlar. 
logenstraffen, dementlar. 
logenstraffing [de], dementi, 
logies, a. loglkaf. 
logika [de], iogik. 
lok [de], bukl. 
lokaal [het], lokal. 



lokaal, a. spasHk (lokal). 

lokken, alektar. 

lokking [de], a\ektasion, 

lokomobiel [de], lokomobil. 

lokomotief [de], iokomotiv. 

lombard, lomberd [de], lom- 
bard. 

Lombardije [het],Lombardta. 

lommer [het], foliaj. 

lommerd [de], lombard. 

lomp, a. rud (ruw); kras 
(plomp). 

lompheid [de], rudt^^; kra- 
sitet, 

lonen, rekompensar. 

long [de], pulmon. 

lont [de], flagr6dA;-kordon. 

loochenen, negar. 

loochening [de], negcwion. 

lood [het], plomb. 

loodglans [het], galen. 

loodrecht, a. perpendikular. 

loods [de], pilot (persoon). 

loodsen, pilotar. 

loodwit [het], serus. 

loof [het], follaj. 

loog [de], llksiv. 

loogzout [het], alkali. 

looien, tanar. 

looier [de], tanator. 

looierij [de], tanm. 

looistof [de], tanin. 

loon [het], salar. 

loop [de], kurs. 

lopen, kursar. 



lorkeboom —maagd 



325 



lorkeboom [de], lariks. 

lornjet [de, het], pins^r. 

los [de], links. 

losbandig, a. iisensioa. 

losbandigheid [de], lisenslo- 
aitet 

losbinden, de-bandar. 

loskopen, redimar. 

lot [het], lot; fat (noodlot) . 

loterij [de], loteri. 

Lotharingen [het], Lotarin- 
gta. 

louter, a. pur. 

louteren, purifikar. 

loven, laudar. 

loyaal, lojaal, a. loyal. 

lokaliteit, lojaliteit [de], lo- 
'ya\itet, 

lubben, kastrar. 

lubriciteit [de], \ubrihitet. 

lubriek, a. lubrtA;. 

lucht [de], aep. de — ver- 
versen, ventiiar. 

luchtdicht, a. hermetiA;. 

luchtklep [de], valv. 

luchtpijp [de], traké. 

luchtpijptak [de], bronkl. 

luchtververser [de], ventila- 
tor. 

luchtverversing [de], venti- 
\(w>on, 

lucifer [de], flagrea^ator. 

lui, a. inert. 

luid, a. sonor. 

luiden, tonar. 



luien, tintinar. 

luiheid [de], inerti^t. 

luim [de], kapris. 

luimig, a. kaprisoa (grillig). 

luipaard [de], leopard. 

luis [de], pedikul. 

luister [de], splendor. — ver- 
spreiden, splendar. 

luisteren, auskuitar. 

luisterrijk, a. splendtd. 

luit [de], liut. 

luitenant [de], leutenant. 

lukratief, a. lukrativ. 

lunatiek, a. lunatiA;. 

lupine [de], iupin. 

lus [de], laksi. 

lustig, a. yovial. 

lustigheid [de], yovlaltéet. 

lutheraan [de], luteran. 

lutherdom [het], luteranww. 

luthers, a. luteran. 

luxe [de], luks. 

Luxemburg [het], Luksem- 
burg. 

luxurieus, a. luksoa. 

luxurieusheid [de], iuksoat- 
teL 

lyceum [het], ilseum. 

lynx [de], links. 

M. 

maag [de], stomak. 
maagd [de], virgina. de 
Heilige Maagd, madona. 



326 



maagdelik —makelaar 



maagdelik, a. virgin. 

maagdelikheid [de], virgini- 
tet. 

maagschap [de], parentel. 

maaien, falsiar. 

maal [de, het] ; dit — , istfoa. 
de hoeveelste - , keUmJoa. 
de volgende — , sekuant- 
foa. een ander — ,otr/oa. 
hoeveel — , kuantjfoa. 
meermalen, plu/ba. menig- 
— , mult/ba. zo menig — , 
tale mult/ba. (voor) de 
eerste — , prim/oa. (voor) 
de laatste — , ultim/ba . 

maal [het], repast (maaltijd). 

maaltijd [de], repast. 

maan [de], lun. halve — , 
semilun, volle — , plenilun, 

maand [de] , mens. tweemaal 
per ~ , du/oa in mens. 

Maandag [de], lundi. 

maandags, a. lundian, de lundi. 

maandeliks, adv. omni-mensé. 

maanziek, a. lunattA;. 

maar, k. ma; adv. so\o. 

maarschalk [de], marshal. 

Maart [de], mars. 

maarts, a marsan, de mars. 

maas [de], mail (van een net). 

maat [de], mesur; takt (tijd- 
maat), de — slaan, tak- 
tar. 

n^aatregel [de], mesur. 

ii^aatschappelik, a. sosial. 



maatschappij [de], sosietet. 

machine, masjine [de], ma- 
shln. 

macht [de], potenXitet (po- 
tens). 

machtig, a. potent. 

machtigen, autorisar. 

madelief [de], margarit. 

Madonna [de], madona. 

magazijn [het], magasin. 

mager, a. magr. — worden, 
maqreskar. 

mageren, mSinreskar. 

magerheid [de], mei^ritet 

magerte [de], magri^^^. 

magiër [de], magi^/*. 

magies, a. magÜA; (magik;. 

magistraat [de], magistrat. 

magnaat [de], magnat. 

magneet [dej. magnet. 

magnesium [het], magnesi- 
um. 

magneties, a. magnetiA;. 

magnetiseren, magnetisa?*. 

magnetisme [het],magne- 
Xism, ^ 

mahoniehout [het],mahagoni. 

mahoniehouten, a. mahago- 
nitA;, de mahagoni. 

maïs [de], mais. 

majesteit [de], mayestet. 

majoor [de], mayor. 

majoriteit [de], mayoritet. 

makaroni [de], malcaron. 

makelaar [de], kurtajt^t. 



maken — marionet 



327 



maken, fasiar. hoe maakt u 
het?'kual6 vo stand? 

maker [de], autor. 

makkelik, a. komod (gemak 
opleverende); fasil (niet 
moelik). — maken, fasiK- 
fikar. 

makkelikheid [de], komodt- 
tet; fasWiteL 

makker [de], kamarad. 

makreel [de], makrel. 

Maleier [de], malay. 

malen, molinar (fijnmalen). 

malice [de], malisi. 

malicieus, a. malisio^. 

mals, a. tendr, 

malt [het], malt. 

malve, maluwe [de], maiv. 

mammouth, mammoet [de], 
mamut. 

man [de], vir; marito (echt- 
genoot) . 

manbaar, a. nubiU 

manbaarheid [de], nubilt^^ 

manchet, mansjet [de] , man- 
shet. 

mand [de], korb. 

mandaat [het], mandat. 

mandoline [de], mandolin. 

mandragora [de], mandragor. 

manege [de], manej. 

manen, monitar. 

maneuver [de], manovr. 

maneuvreren, manovrar. 

mangaan [het], mangan. 



mangel [de], kalandr. 

mangelen, kalandrar. 

mangelen, mankar (ontbre- 
ken). 

manie [de], mani. 

manier [de], manier, op de 
— van, in manier de. op 
deze — , dimaniere. op 
welke — , kemsnwe. 

manifest [het], manifest. 

manifesteren, manifestar. 

manipuleren, manipular 

manipulatie [de], manipula- 
sion. 

mank; - lopen, nitsandar. 

mankeren, mankar. 

manna [het], mana. 

mannelik, a. maskul/A; (mas- 
kulin). 

mannetje [het], maskul. 

mansarde [de], mansard. 

mantel [de], mantel. 

mantille [de], mantili. 

manuskript [het], manus- 
kript. 

marasme [het], marasm. 

marchanderen, merkantar. 

marcheren, marshar. 

margariet [de], margarit. 

marine [de], marin. 

marineren, marinar. gemari- 
neerde spijs, marinad. 

mariolein, marjolein [de], 
mayoran. 

marionet [de], marionet. 



328 



mark — mede-erfgenaam 



mark [de], mark (geldstuk), 
markeren, markar. 
markeur [de], marker. 
markt [de], basar. 
markt vlek [het], burg. 
marli [het], marli. 
marli-, marWik, de marli, 
marmelade [de], marmeiad. 
marmer [het], marmor. 
marmot [de], marmot. 
marokijn [het], marokin. 
Marokko [het], Maroko. 
mars [de], marsh (mil.). 
marsepein [het], marsipan. 
martelaar [de], martir. 
martelen, tortur<^^r. 
marteling [de], tortur. 
marter [de], mart. 
masker [het], mask. 
maskeren, maskar. 
maskeren, maskar. 
massa [de], mas. 
massacie [de], masakr. 
massakreren, masakrar. 
massief, a. masiv. 
mast [de], mast. 
mastik [de], mastik. 
mastodon [de], mastodon. 
mat, a. mat (ook in het 

schaakspel). — maken, 

mati^A:ar. 
matador [de], matador. 
materiaal [het], material.^ 
materialisme [het], materia- 

liam. 



materie [de], materi. 
materieel, a. materüA; (mate- 

riai). 
mathematiek [de], matema- 

tik. 
mathematies, a. matematika^. 
matig, a. sobr. 
matigen, moderar. 
matigheid [de], sobrilet. 
matiging [de], moderoston. 
matras [de], matras. 
matrimonium [het], matri- 

moni. 
matrone [de], matron. 
matm*iteit [de], meiuritet. 
maxime [de], maksim. 
maximum [het], maksimum. 
mazelen [de], morbli. 
mazurka [de], masurka. 
mechanies, a. mekanikaZ. 
mechanika [de], mekanik. 
mechanikus [de], mekaniker. 
mechanisme [het], mekanism. 
medalje [de], medall. 
medaljon [het], medaiion. 
mededelen, komunikar. 
mededeling [de], komunlka- 

don, 
mededine:en, konkurar. 
mededinger [de], rival. 
mededinging [de], konkura- 

sion, 
mededogen [het], kompasion. 
mede-erfgenaam [de], ko- 

hered. 



medeklin ker — menen 



329 



medeklinker [de], konsonant. 
scherpe —, konsonant dur. 
vloeiende — , konsonant li- 
kuid. zachte ^, konsonant 
mol. 

medeleerling [de],ko-skolan. 

medelid [het], membr. 

medelijden [het], kompasion. 
— hebben met, kompasi- 
onar. 

medemens [de], ko-hom. 

medeminnaar [de], plval. 

medestander [de], konsort. 

mediatie [de], mMasion, 

mediciin, medisijn [de], 
medikament. 

medicijnen [de], medisin (ge- 
neeskunde) . 

medikament [het], medika- 
ment. 

medikus [de], medlsinis^ 

mediteren, meditar. 

meegeven, dotar. 

meel [het], farin. 

meer, adv. plu. 

meer [het], lag. 

meerdere, a. superior. 

meerderheid [de], superiori- 
tet; mayoritet (grootste 
aantal) . 

meerle, merel [de], merl. 

meermalen, adv. plu/ba. 

meervoud [het], plural. 

mees [de], titmes. 

meesmuilen, sub-ridar. 



meest, adv. leplu. 

meester [de], maestr. 

meetkunde [de], geometrl. 

meetkundig, geometrÜA; (geo- 
metrik). 

Mei [de], mal. 

lifei-, maian, de mal. 

meinedig, a. peryurios. — 
worden, peryuriar. 

meineed [de], peryur. 

meisje [het], infanta; puera. 

melaats, a. leprod. 

melaatsheid [de], lepr. 

melancholies , melankoliek, 
a. melankolitA; (melankolik). 

melancholikus [de], melan- 
kolitA;er (melankoliker). 

melankolie [de], i*ielankoli. 

melasse [de], melas. 

melden, mensionar. 

melding [de], mension, 

melk [de], lakt. gestremde 
— , kiiak. 

melken, laktar. 

melkweg [de], galaksl. 

melodie [de], melodi. 

melodieus, a. melodiod. 

meloen [de], melon. 

memorabel, a. memoria&Z. 

memorie [de], memori (ge- 
heugen). 

men, on. 

menage [de], menaj. 

meneer [de], sinior. 

menen, pensar. 



330 



mening — mevrouw. 



mening [de], opinion. 
mengelmoes [het], pelmei. 
mengen, miksar. 
menie [de], minium. 
menigmaal, adv. mult/oa. 

zo — , XeAe mult/ba. 
menigte [dej, multitot; mas 

(massa), 
mennen, dirigar karos. 
mens [de], hom. 
menseëter [de], kanibai. 
mensehater [de], misantrop. 
menslievend, a. human. 
menslievendheid [de],huma- 

niiet. 
mentioneren, mensionar. 
mentor [de], mentor. 
merel [de], merl. 
merg [het], medul. 
mergel [de], marg. 
meridiaan [de], meridian. 
meridionaal, a. meridianiA;. 
merk [het], mark. 
merkantiel, a. merkanttA; 

(merkantil). 
merken, markar; perseptar 

(bemerken), 
merkwaardig, a. notabL 
merrie [de], kavala. 
mes [het], kultel. 
messemaker, kultel^r. 
Messias [de], Mesias. 
messing [het], latun. 
mest [de], kompost. 
mesten, kompostar. 



mesties [de], mestis, 

met, ko. 

metaal [het], metal. ~ plet- 
ten, laminar. 

metaaldraad [de], metal-fli. 

metaalgieter [de], foniator. 

metaalplaat [de], lamin. 

metaalschuim [het], skori. 

metaalslak [de], skori, 

metafoor [de], metafor. 

metafysika [de], metaflsik. 

metalen, a. metaltA:. 

metamürfose[de],metamorfos. 

metamorfoseren, metamor- 
fosar. 

meten, mesur^r. 

meteoor [de], meteor. 

meteorologie [de], meteoro- 
logi. 

meter [de], metr. kubieke — , 
kubikmetr, vierkante — , 
kuadrat-metr. 

meter [de], ko-matr (peet- 
tante). 

metgezel [de], kompan. 

métier [het], metier. 

metropool [de], metropoi. 

metselaar [de], murator. 

metselen, murar. 

meubelmaker [de], tabler. 

meubel rr akerswerkplaats 
[de], tabler-oflsin. 

meubels, meubelen [de], 
mobili. 

mevrouw [de], siniora. 



Mexikaan — mm 



331 



Mexikaan [de], meksikan. 
mexikaans, a. meksikan. 
Mexiko [het]. Meksik. 
mezzaoino [de], mesanin. 
miasme [het], miasm. 
miauwen, kat-klamar. de kat 

miauwt, kat klam. 
middag [de], medi-diurn. 

's middags, medi-diurn<?. 
middagmaal [het], diné. 
middagmalen^ dinear. 
middel [het], medi. door — 

— van, mediu. 

middel [het], remedi (ge- 
neesmiddel). 

middelaar [de], mediator. 

middeleeuwen [de], medi- 
epok. 

middelen, mediar. 

middelgroot, a. medi-grand. 

Middellandse zee [de], Medi- 
teran (mar mediteran) 

middellik, a. mediat. 

middellijn [de], diametr. 

middelmatig, a. mediokr. 

middelmatigheid [de], medi- 
okritet, 

middelpunt [het], sentr. in 
het - van, in sentp de. 

middelrif [het], diafragm. 

middelsie, a. medüA;. 

middelvinger [de], medi-digit. 

midden [het], mediad in het 
midden, in mediac^. in het 

— van, in mMad de. 



middenin, adv. In mediac^. 
middernacht [de], medl- 

noktu. te — , medi-noktuf. 
mier [de], formik. 
migraine [de], migren. 
mijl [de], mlliar. 
mijn, pr. mie. 
mijn [de], min; pulvr-min 

(kruitmijn). 
mijnbouw [de], min-konstru- 

aSion. 

mijnen, minar. 
mijter [de], mitp. 
mikken^ butar. 
mikpunt [het], but. 
mikrometr [de], mikrometr. 
mild, a. generos. 
mildheid [de], generosi^^ 
militair, a. militartA;. 
militairisme, militarisme 

[het], milWsLrism. 
militie [de], millsl. 
militie-, mlllslan, de millsl. 
milliard [het], billon 

(1.000.000.000). 
millioen, miljoen [het], mi- 

lion (1.000.000). 
millionnair, miljonair [de], 

milioner. 
milt [de], splen. 
mimiek [de], mimik. 
mimosa [de], mlmoSb 
min [de], amor. 
min [de], nuXrtatora (zoog- 

ster) . 



332 



minachtea — modderig 



minachten, kontemtar. 

minachting [de], kontemt 

minder, adv. minu. — wor- 
den, minueskar. 

mindere, a. inferior. 

minderen, minuar (trans.); 
minueskar (intr.). 

minderheid [de], inferiorit^^, 
minoritet (kleinste aantal). 

mineraal [het], mineral. 

mineren, minar. 

minimum [het], minimum. 

minister [de], ministr. 

ministerie [het], minister. 

minium [het], minium. 

minnaar [de], amator. 

minoriteit [de], minoritet 

minstens, ten minste, adv. 
a minu. 

n^inutieus, a. minusiod. 

öiinuut [de], minut. 

minzaam, a. afabi. 

minzaamheid [de], afabltt^^. 

mirakel [het], miraki. 

mirakuleus, a. miraklod. 

mirre [de], mir. 

mirt [de], mirt. 

mis [de], mes. 

misanthroop [de] , misantrop. 

misboek [het], misal. 

misbruik [het], mism. 

misbruiken, misusar. 

misdaad [de], deiikt. 

misdrijf [het], deiikt. 

miserabel, mizerabel, a. mi- 



sera&^ 
misère [de], 
misgunnen, envïar. 
miskrediet [het], midkredit 
misleiden, misAukar. 
mislukking [de], fiasko. 
mif^maakt, a. de-formtA;. 
mismaken, de-formar. 
misnoegd a. fï^kontent. 
misnoegd heid [de], n^kon- 

tentitet. 
mispel [de], mespil. 
misschien, posiblé. 
misselik, a. nauseod. 
misselikheid [de], nausé. 
missen, Ti^truvar; mankar (te 

laat komen voor), 
mist [de], nebl. 
mistekenen, misdeüniar. 
mistig, a. neblos. 
mistrouwen, miskontUar. 
mistrouwen [het], niiskonfld. 
mistrouwig, a. rniskonMik, 
misverstaan, Tnt^komprendar. 
misverstand [het], miskoïïl' 

prendac^. 
misvormen, de-formar. 
mitra [de], mitr. 
mobie), a. mobil. 
mobilisatie [de], mobilisadion. 
mobiliseren, mobiiisar. 
modaal, a. modal. 
modaliteit [de], modait^^. 
modder [de], slim; fang. 
modderig, a. slimod. 



mode — monster 



333 



jnode [de], 
model [het], model. 
modelleren, modelar. 
moderatie [de], moderoaion. 
modereren, moderar. 
modern, a. modern. 
modest, a. modest. 
modestie [de], modesti^^. 
modies, a. moAik. 
modificeren, modiflkar. 
moe, a. fatig^d. 
moed [de], kuraj. 
moeder [de], matr. 
moederborst [de], mamel. 
moedwil [de], petulanti^^ 

(petulans). 
moedwillig, a. petulant. 
moedwilligheid [de], petu- 

lantt^^e (petulans) 
moeheid [de], fatig. 
moeilik, moeielik, a. n^asll. 

— maken, nefa,s\\ifikar. 
moeilikheid, moeielikheid 

[de], nefasWiteL 
moeite [de], pen. de -- waard 
zijn, valar. het is de — 
waard, it val. met — , pene. 

— doen, zich — geven, 
penar. 

moeras [het], palud. 
moerassig, a. paludos. 
moerbei^ moerbezie [de], 

maur-ber. 
moerbeiboom, moerbezie- 

boom [de], maur. 



moesehne [de], muslln. 

moeten, debar. 

mogelik, a. posibi, adv. po- 

slbk. 
mogelikheid [de], poslblttot. 
mogen, avar permit a. 
mohammedaan [de], maho- 

metan. 
mohammedaans, a. mahome- 

ta». 
mohammedanisme [het], ma- 

hometa/mm. 
mol [de], talp. 
Moldavië [het], Moldavm. 
molekulair, a. molekuK^ (mo- 

lekular) . 
molekule [de], molekul. 
molen [de], molln. 
molesteren, molestar. 
mollusk [de], molusk. 
molybdenium [het], molib- 

den. 
moinent [het], moment. 
Monako [het], Monako. 
monarch [de], monark. 
monarchie [de], monarkm. 
mond [de], bok. 
mondeling, a. oral, adv. oraU. 
monnik [de], monako. 
monogram [het], monogram. 
monoloog [de], monolog. 
monopolie [het], monopol. 
monotoon, a. monoton. 
monster [het], monstru (ge- 
drocht). 



334 



monsterachtig — munten 



monsterachtig, a. monstruod. 

monstrueus, a. monstruos. 

monstrum [het], monstru. 

Montenegro [het]. Monte- 
negr. 

monteren, montar. 

monument [het], monument. 

monumentaal, a. monumen- 
iik. 

mooi. a. bel. 

mooiheid [de], bbUtet. 

moor [de], moresk. 

moord [de], asasino^ion. 

moorden, asasinar. 

moordenaar [de] , asasinator. 

moorkop [de], moorpaard 
[het], negr-kaval. 

moors^ a. moresk. 

moraal [de], moralad 

moraliteit [de], morBiitet. 

moreel, a. moral. 

morfine [de], morfln. 

morgen [de], matin. 's mor- 
gens, matin6?. 

morgen, adv. po-^diurn^. 

morille, morielje [de], morel. 

morren, murmurar. 

morsig, a. sordik. 

mortaliteit [de], mortBiitet. 

mortel [de], mortar. 

mos [het], muski. 

moskee [de], moské, 

moskiet [de], moskit. 

mossig, a. muskios. 

most [de], most. 



mosterd, mostaard [de], mo8* 
tard. 

mot [de], tine (insekt). 

motief [het], motiv. 

motiveren, motivar. 

motor [de], movator (motor). 

motto [het], moto. 

mout [het], malt. 

mouw [de], mansh. 

moveren, movar. 

mozaïek [het, de], mosalk. 

muil [de], musel. 

muilband [de], museller. 

muildier [het], mul. 

muilezel [de], mulet. 

muilkorf [de], museller. 

muis [de], mus. 

muiteling [de], rebel. 

muiten, rebelar. 

muiter [de], rebel. 

mulat [de], mulat. 

multipliceren, multiplikar. 

mummie [de], muml. 

municipaal, a. munisipal. 

municipaliteit [de], munlsi- 
jfBlitet 

munitie [de], munislon. 

munt [de], monet. klinkende 
— , kontant. 

munt [de], monetm (ge- 
bouw). 

munt [de], ment (bot.). 

munten, monetar (geld 
slaan) . 

munten, butar (doelen). 



murmelen— nadat 



335 



murmelen, murmurar. 
murmureren, murmurar. 
mus [de], pasr. 
museum [het], musé. 
musiceren, musikar. 
muskaatnoot [de], muskad. 
muskei [de], muskul. 
musket [het], musket. 
muskiet [de], moskit. 
mutatie [de], mutaaion. 
mutileren, mutilar. 
muts [de], koif. 
muur [de], mur. 
muze [de], musa. 
muziek [de], musik. 
muzikaal, a. musika^. 
mysterie [de], misteri. 
mysterieus, a. misteriös. 
mystificeren, mistifikar. 
mystifikatie [de], mistiflka- 



sion. 



N. 



'n, art. blijft onvertaald, zie 

§4. 
na, adv. proksim^. 
na, prep. po (tijd of plaats), 
naad [de], sutad!. 
naaien, sutar. 
naaister [de], suiafora, 
naakt, a. nud. 
naaktheid [de], nuAitet 
naald [de], aku. 
naaldboom [de], konifer. 



naam [de], nom. in — van, 

in nom de. 
naamloos, a. anonim. 
naamloosheid [de], anonimi- 

tet. 
naamval [de], kasu. Ie, 2e, 

3e, 4e, 5e, 6e — , nomina- 

tiv, genitlv, dativ, akusativ, 

Yokativ, ablativ. 
naamwoord [het] ; bijvoeglik 

~, adyektiv. zelfstandig 

— , substantiv. 
nappen, simiar. 
naar, a. trist (treurig), 
naar, prep. a. 
naarstig, a. ferv. 
naarstigheid [de], feryitet. 
naast, prep. visint^. — elkaar, 

un visint6 otr. 
naaste [de], ko-hom. 
naasteliefde [de], kBiritet. 
nabij, adv. proksime. 
nabijgelegen, a proksim. 
nabijheid [de], proksimt^^. 

in de — van, proksimu. 
nabootsen, imitar. 
naburig, a. visin. 
nabuur [de], visin. 
nabuurschap [de], visini^e^. 
nacht [de], noktu. bij — , 

's — s, noktue. 
nachtegaal [de], fliomel. 
nachtelik, a. noktuiA; 
nachtkwartier [het], etap. 
nadat, po ke. 



336 



nadenken — navel 



nadenken, meditar; reflektar. 
naderen, ad-proksimar . 

nadering [de], ad-proksima- 

sion. 
nadir [het], nadir. 
nadoen, imitar. 
nadruk [de], aksent. 
nafta [de], naft. 
nagel [de], ungu (aan 't 

lichaam); klav (spijker), 
nagenoeg, kuasi. 
nagerecht [het], deser. 
naïef, a. naiv. 
naijver [de], jalust^^^ 
naijverig, a. Jalus. 
naïveteit [de], neAyitet. 
najade [de], nayad. 
nakomelingschap [de], po8- 

teritet. 
nalaten, trans-m itar herede 

(bij erfenis vermaken); 

omitar (verzuimen), 
nalatenschap [de], heredacZ. 
naleven, observar (van wet- 
ten), 
namaken^ imitar. 
namelik, e nome. 
namens, in nom de, 
nanking [het], nankin. 
namiddag [de],po-medi-diurn. 

's — s, po-medi-diurne. 
nar [de], bufon. 
narcis [de], narsis. 
narede [de], epllog. 
naricht [het], avis. 



narkose [de], narkotisoston. 
narkoties, a. narkotisan^. 
narkotiseren, narkotisar. 
narwal [de], narval. 
nasporen, eicsaminar (onder- 
zoeken) . 
nat, a. humid. 
natheid [de], liumidi^e^. 
natie [de], nasion. 
nationaal, a. nasional. 
nationaliteit [de], nasiona- 

litet 
natrium [het], natrium. 
naturalisatie [de], naturali- 

sasion. 
naturaliseren, naturalisar. 
natuur [de], natur. 
natuurkunde [de], flsik. 
natuurkundig, a. flsikaZ. 
natuurkundige [de], flsiktdt. 
natuurlik, a. natuHA; (na- 

tural), adv. nature (natu- 

rale) . 
nauseêus, a. nauseod. 
nauw, a. stret. 
nauweliks, pene. 
nauwgezet, a. akurat. 
nauwgezetheid [de], akura- 

XiteL 
nauwheid [de], stretitóA 
nauwkeurig, a. akurat. 
nauwkeurigheid [de], akura- 

titel. 
nauwte [de], sir^tUet. 
navel [de], umbilik. 



navel — net 



337 



navel-, umbilika^. 

navigatie [de], navigodion. 

navolgen, sekuar (volgen) ; 
imitar (nabootsen). 

navorsen, investigar. 

navorser [de], investiga^or. 

navorsing [de], investigoston. 

navragen, interogar. 

nawoord [het], epilog. 

nazenden, mitar posteriore. 

nazien, sekuar medh aspekt; 
rey'isar. 

neer, a ba8«. 

nederig, a. humil. 

nederigheid [de], humiltt^t. 

Nederland [het], Nederlan- 
dta. 

Nederlander [de], nederlan- 
dmn. 

nederlands, a. nederlandtan 
(hetgeen tot Nederland 
behoort); nederlandt^ (in 
het nederlands, nederlands 
sprekende) . 

nederzetting [de], kolonl. 

neef of nicht [de], nef (broers- 
of zusterskind); kusin 
(ooms- of tanteskind). 

neef [de], nefo; kusino. 

neen, nee, no. 

neerdalen, desendar. 

neerdrukken, opresar; depri- 
mor (neerslachtig maken). 

neerduiken, plonjar. 

neerleggen, abdlkar (een 



waardigheid). 

neerlegging [de],abdikasion. 

neersabelen, maaakrar. 

neerslaan, deprimar (neer- 
slachtig maken). 

neerslachtig ; — maken, 
deprimar. 

neerstorten, presipitar. 

neerzetten ; zich — , koloniar. 

neet, niet [de], rivet 

negatie [de], negasion. 

negatief, a. nega^tt?. 

negen, nov. 

negenoog [de], lam pret (vis). 

negentig, novdes, 

neger [de], negr. 

negeren, negar. 

negligeren, negligar. 

neigen, inklinar. 

neiging [de] , inklinoston ; 
afeksion. — hebben, Inkli- 
nar. 

nek [de], nuk. 

nekroloog [de], nekrolog. 

nekromant [de], nekromant. 

nektar [de], nektar. 

nemen, prendar. op zich — , 
prendar su se. 

nergens, no\oke, 

nerveus, a. nervo8. 

nest [het], nid. 

nestelen, nliifikar, 

nesten, nUifilcar. 

net, a. minion. 

net [het], ret.. 

22 



338 



netel — noen 



netel [de], urtlk, 

neten, nieten, pivetar. 

netto, adv. neto. 

neus [de], nas. 

neusgat [het], naris. 

neusgeluid [het], konsonant 
nasal. 

neushoorn, neushoren [de], 
rinoseros. 

neusknijper [de], pins^r. 

neutraal, a. neutral. 

neutraliteit [de], neutralitot. 

nevel [de], nebl. 

nevelig, a. neblod. 

nevens, vlsinu. 

Newfoundland [het], Niu- 
fundlandm. 

nicht of neef [de] , nsf (broers- 
of zusterskind); kusin 
(ooms- of tanteskind) . 

nicht [de], nefa; kusina. 

niemand, nohom. 

niemendal, nokos. 

nier [de], ronion. 

niet, adv. no. — weten, — 
willen weten, ignorar. te 
— doen, anular. 

niet, neet [de], rivet. 

nieten, neten, rivetar. 

nietig; — verklaren, anu- 
lar. 

nietigheid [de], bagatel. 

niets, nokos. 

niettegenstaande, obstlnii. — 
dat, obstin^ ke. 



niettemin, negligante It. 

nieuw, a. nov. 

nieuweling [de], novlsl. 

nieuwheid [de], nowitet, 

nieuw-perzies, a. neoperstan. 

nieuws [het], avis. 

nieuwsgierig, a. kurios. 

nieuwsgierigheid [de], kuri- 
osilet . 

niezen, sternutar*. 

niezing [de], sternuta-ston. 

nijd [de], envi. 

nijlpaard [het], hipopotam. 

nijver, a. Industrios. 

nijverheid [de], industri. 

Nikaragua [het], Nikaragua. 

nikkel [het], nikl. 

nimbus [de], nimb. 

nimmer, nokuande. 

niobium [het], nioblum. 

nis [de], nish. 

niveau [het], nivel. 

nivelleren, nivelar. 

nobel, a. nobl. 

nobelheid [de], nobli^^ 

noch. . .noch, nL.ni. 

nochtans, negligan^ it. 

nodig, a. neses (nesesar). — 
hebben, avar nesesite^ de. 
— zijn, esar neses (nese- 
sar). 

noemen, nomar. 

noemer [de], denominator 
(van een breuk). 

noen [de], medi-diurn. 



nog — nummeren 



339 



nog, ankor. 
nogmaals, ankor/oa. 
nomade [de], nomad. 
nominatie [de], nomïnadon. 
nomineren, nominar. 
nominatief [de], nominatlv. 
nomraer, nummer [het], 

numr. 
nommeren, nummeren, num- 

rar, 
tion [de], monaka. 
nood [de], kalamitet; miser. 
noodlijdend, a. indigent. 
noodlot [het], fat- 
noodlottig, a. fatal. 
noodwendig, a. neses (nese- 

sar), 
noodwendigheid [de], nese- 

sitet. 
noodzak elik, a. neses (nese- 

sar). 
Doodzakclikheid [de], nesesi- 

tet, 
noodzaken, nesesitar. 
nooit, nokuande. 
noordelik, a. nordtA;, adv. 

norde. 
noorden [het], nord. in het 

— , norde. naar het ^-, 

versu nord. 
noordoostelik, a. nord-estiA;, 

adv. nord-est^. 
noordoosten [het], nord-est. 

in het — , nord-este. 
noord westelik,a. nord-uestt'A;, 



adv. nord-ueste. 
noordwesten [het],nord-uest. 
Noordzee [de], Horiik (mar 

novAik). 
Noorwegen [het], Norvegm. 
noot [de], not (aantekening), 
noot [de], nus (vrucht), 
norm [de], norm. 
normaal, a.| normi^ (normal). 
nors, a. brusk. 
norsheid [de], bruskitet, 
nota [de], nota. 
notabel, a. notabL 
notaris [de], notar. 
noteren, notar. 
notemuskaat [de], muskad. 
notie [de], nosion. 
notificeren, notiflkar. 
notifikatie [de], notiflka«ion. 
notitie [de], not. 
notories, a. notoriA;. 
November [de], noYombr. 
November-, nóvembran, de 

novembr. 
novice [de], novisi. 
nu, sttempe. — eens . . . dan 

weer, tempe,.. tempe. — en 

dan, kelk/oa. 
nuance, [de], nuans. 
nuanceren, nuansar. 
nuk [de], kapris. 
nukkig, a. kaprisod. 
nul, nul. 

nummer [het], numr. 
nummeren, numrar. 



340 



nurks— olierijk 



nurks, a. moros. 

nut [het], proflt. tot — van, 

profltu. 
nutteloos, a. n^til. 
nuttig, a. util. 
nuttigheid [de], utiK^^. 

O. 

ol o! 

oase [de], oasi. 

obelisk [de], obelisk. 

objekt [het], obyekt. 

objektief, a. obyektiv. 

obligatie [de], obligo^ion. 

obligeren, obligar. 

obsceen, a. obsen. 

obsceniteit [de],.ob8enite<. 

observatie [de], observo^tor». 

observeren, observar. 

obskuriteit [de], obskuritet. 

obskuur, a. obskur. 

obstakel [het], obstakl. 

obstinaat, a. obstinant. 

oceaan [de], osean. Atlan- 
tiese — , AtlantiA; (osean 
atiantij;). Stille -«Pasiflk 
(osean pasiflk). 

Oceanië [het], Oseanta. 

ode [de], od. 

odeur [de], odor. 

odieus, a. oi\o8, 

oefenen, eksersar. 

oefening [de], eksersad. 

oeros [de], UP. 



oerwoud [het], protoforest» 
oester [de], ostp. 
oever [de], iluvi-bord. 
of, u (duits: oder); eske 

(duits: ob). 
óf. . .óf, U...U. 
offer [het], viktim. 
offeren, viktimar. 
officie [het], ofls. 
officieel, a. otisik (oflsial). 
officier, offisier [de], oflsip» 
officina [de], oflsin. 
offreren, ofpar. 
ofschoon, negligan<6 ke. 
ogenblik [het], moment, op 

dit — , «tmoment^. 
ogenblik kelik, a. momenttA;;. 

adv. ^momenté. 
okcident [het], oksident. 
oker [de], okP. 
okkasie [de], okasion. 
okkasioneel. adv. okaslone. 
okkupatie [de], okupo^on. 
okkuperen, okupar. 
oktet [het], oktet. 
Oktober [de], oktobr. 
Oktober-, oktobran, de oktobr.. 
okulair, a. okulik. 
okulist [de], okuMat. 
oleander [de], oleandr. 
olie [de], ole. met — insme- 

ren, olear. 
olieachtig, a. oleatr. 
olieën, olear. 
olierijk, a. oleo8. 



olifant— omtrent 



341 



olifant [de], elefant. 

olijf [de], oliv. 

olm [de]^ ulm. 

om, prep. sirka ; kauau (we- 
gens) . — . . . heen, sirka. 
— te (voor een infini- 
tief in de achterste ver- 
korte zin), a ; soms onver- 
taald, zie § 65 noot. 

omarmen, In-brasar. 

ombrengen, mortiflkar (do- 
den). 

omdat, kause. 

omdraaien, turnar. 

omen [het], omin. 

omgaan, sirkl-andar. met 
iemand — , frekuentar kh. 

omgang [de], komunikodion. 

omgekeerd, adv. inversk. 

omgeven, sirka-donar. 

omgeving [de], 9\rk\ad. 

omgooien, subvertar. 

omgorden, sintiirar. 

omhaal [de], sirkuit. 

om . . . heen, sirka. 

omheinen, sepiar. 

omhelzen, in-brasar. 

omhoog, superiors, naar -— , 
a superiors, van — , da 
superiore. 

omineus, a. omino^. 

omkeren. Inversiar; returnar 
(terugkeren). 

omkleedsel [het], kuvr. 

omkomen, periar. 



omkoopbaar, a. korumpabl. 

omkoopbaarheid [de], korum- 
pablitet. 

omkopen, konimpar. 

omkoper [de], korumpator* 

omkoping [de], korumpoaion 
(kor4ip8ion). 

omkreits [de], sirkuit. 

omlaag, bas6. naar — , a baS6. 
van — , da base. 

omlijsten, in-kadrar. 

omloop [de] ; in — zijn, 
sirklar. 

ommelet [de], omlet. 

omnibus [de], omnibus. 

omploegen, arar; plugar. 

omringen, sirka-donar. 

omruilen, kambiar. 

omruiling [de], kambiosion. 

omschutten, sepiar. 

omslachtig, a. sirkuitoa. 

omspannen, variar kavalt. 

omspannen, in-brasar. 

omstandigheid [de], sirkum- 
stans. 

omstorten, subvertar. 

omstreek [de], sirklad. 

omstreeks, sirka. 

omtrek [de], kontur (hoofd- 
lijnen die de grenzen van 
een figuur uitmaken) ; pe- 
riferi (van een cirkel); 
sirkuit; sirklaci (omstreek), 
de — tekenen, konturar. 

omtrent, sirka. 



342 



om vang — onderkaak 



omvang [de], periferi. 
omvatten, kompleksar. 
omvergooien, subvertar. 
omverhalen, demolar. 
omverwerpen, subvertar. 
omweg [de], sirkuit. 
omwenden, turnar. 
omwenteling [de], revolusion. 
omwerpen, subvertar. 
omwikkelen, kuvrar. 
omzendbrief [de], sirkular. 
omzet [de], vendacZ. 
omzetten, permutar (cijfers, 

letters), 
omzetting [de], permutasion. 
omzichtigheid [de], prekaut. 
omzomen, bordar. 
onachtzaam, a. negligtA;. 
onafgebroken, a. perpetu. 
onafhankelik, a. n^dependanf. 
onaf hankelikheid [de], nede- 

fbniantitet. 
onbeduidend, a. neimportant. 
onbegrijpelik, a. Tz^kompren- 

iahl. 
onbehoorlik, a. impertinent. 
onbekwaam, a. n(?kapabl. 
onbelangrijk, a. neimpor- 

tant. 
onbepaald, a. vag (vaag) ; ab- 

solut (onbeperkt), 
onbeperkt, a. absolut. 
onbeschaamd, a. impertinent; 

nopuiik (schaamteloos) . 
onbestemd, a. vag. 



onbetekenend, a.neimportant^ 
onbevlekt, a. n^makujed. 
onbewoond, a. desert. 
once [de], ons. 
ondanks, obstinu. 
onder, sub. 

onderbreken, interumpar. 
onderbroek [de], kalson. 
onderbuik [de], abdomin. 
onderdirekteur [de], viseii- 

rektor. 
onderdompelen, mergar. 
onderdrukken, supresa?' ; 

opresar (verdrukken), 
onderduiken, plonjar. 
ondergaan, periar; dtsaparar 

(van hemellichamen) . 
ondergaan, sufrar. 
ondergeschikt, a. inferior ; 

subaltern. — maken, su- 

bordinar, 
ondergeschiktheid [de], Infe* 

fioritet; subordinaston. 
ondergeschiktmaking [de], 

subordina^on. 
ondergraven, minar. 
onderhandelaar [de], paria- 
ment^. 
onderhandelen, parlamentar ;^ 

konferar. 
onderhoud [het], alimentoai- 

on; konversasion. een « — 

hebben, konversar. 
onderhouden, mantenar. 
onderkaak [de], roaksil infe- 



onderlijf— ongelovig 



343 



PIOP. 

onderlijf [het], abdomin. 
ondermijnen, minar. 
ondernemen, entreprenar. 
onderneming [de],eiitrepreii. 
onderofficier, onderoffisier 

[de], sub-oflsir. 
onderpand [het], pignor. 
onderrichten, instruar; ppe- 

septorar; informar (kh di 

kk). 
onderrichter [de], instruator; 

preseptor. 
onderscheid [het], distingu; 

diferens (verschiij. 
onderscheiden, di8tingu</r. 
onderscheiding [de], distin- 

sion. 
onderschrijven, sub-skrib^r. 
ondersteboven, inversfó. — 

keren, inversiar. 
ondersteunen, sustentar ; pro- 

tektar (fig.). 
ondersteuner [de], protekta- 

tor (protektor). 
ondersteuning [de], protek- 

temon (proteksion). 
ondertekenen, sub-skribar. 
ondertussen, intr-temp«. 
ondervinden^ eksperiar. 
ondervinding [de],ek8periac2 

(eksperiens). 
ondervragen, interogar. 
onderwerp [het], subyekt. 
onderwerpen, sub-mitar. 



onderwyzen, instniar; pre- 
septorar. 

onderwijzer [de], ïnstruator; 

preseptor. 
onderzoek [het], eksamin. 
onderzoeken, eksaminar. 
ondeugd [de], visi. 
ondeugend, a. vislo^. 
oneerbaar, a. obsen. 
oneerbaarheid [de], obsen i<«^. 
oneigenlik, a. troptA;. 
onenig; — maken, dim- 

niar. 
onenigheid [de], diskord. 
onfeilbaar, a. TbefsWabl. 
ongeacht, negligaritu. 
ongedierte [het], vermin. 
ongeduid [het], nepeLÜenXiiet 

(nepasiens). 
ongeduldig, a. ^epasient. 
ongeduldigheid [de], Ti^pasi- 

BnHiet (nepasiens). 
ongehuwde staat [de], sell- 

bat. 
ongekunsteld, a. naiv. 
ongelijk, a. dispar. 
ongelijk [het], tort. 
ongelijkheid [de], dispan/6^ 
ongelijksoortig, a. heterogen. 
ongelijksoortigheid [de], he- 

terogenito^ 
ongeloof [het], nekreiantiteL 
ongelooflik, ongelofelik, a. 

nekr%óabi, 
ongelovig, a. nekredant. 



344 



ongelovigheid — onthoofden 



ongelovigheid [de], nekre- 

dantitet, 
ongeluk [het], mtafortun. 
ongepast, a. impertinent. 
ongerijmd, a, absurd. 
ongerijmdheid [de], absiir- 

Aitet. 
ongeschikt, a. impertinent. 
ongeschonden, a. integr. 
ongeschondenheid [de] , in- 

ongestoord, a. seren. 
ongeveer, slrka. 
onhandig, a. ?i6apt. 
onhandigheid [de], ncapti^ei. 
onheil [het], misiortun. 
onheilspellend, a. omino8. 
onkosten [de], kost. 
onkuis, a. n^kast. 
onkuisheid [de], nek^iSiitet. 
onlangs, ne\on^e, 
onmetelik, a. imens. 
onmiddellik, a. n^mediat, etdv. 

n^mediate. 
onmogelik, a. n^posibl. — 

maken, fasiar ri^osibl. 
onophoudelik, a. nesBSant, 
onpartijdig, a. n^partlsan. 
onrein, a. nejfur, 
onrijp, a. nematur. 
ons, onze, pr. nostr. 
ons [het], hekloqvfim. 
onschuld [de],inosenttte^(ino- 

sens). 
onschuldig, a. inosent. 



onstuimig, a. impetuos. 
onstuimigheid [de], impetu- 

ositet 
ontaarden, degenera?*. 
ontberen, esar privec^ de. 
ontbieden, sitar. 
ontbijt [het], matin-repast. 
ontbijten, matin-repastar. 
ontbinding [de], putre^ktaton 

(bederf), 
ontbloten, nuóifikar, 
ontbranden, fl^Lüveskar . 
ontbreken, manlcar. 
ontdekken, dekuvrar. 
ontdekking [de], dekuvracZ. 
onteren, violar, 
ontering [de], violoston. 
ontevreden, a. nekontent. 
ontevredenheid [de], n^kon- 

iBïAlteL 
ontfermen ; zich — , miserar 

(intr.), 
ontferming [de], kompasion. 
ontginnen, eksploatar. 
ontginning [de], eksploa- 

tasion. 
ontglippen, eks-glisar. 
onthalen, regalar. 
onthalzen, de-kapar (deka- 

pitar). 
onthalzing [de], de-kaposton 

(dekapitasion). 
ontheiligen, profanar. 
onthoofden, de-kapar (deka- 

pitarj. 



onthoofding — ontwerp 



345 



onthoofding [de], de-kapa- 

sion (dekapitasion). 
onthouden ; zich — , abstinar. 
onthouding [de], abstinen- 

\itet (abstinens). 
onthullen, de-kuvrar. 
onthutst, a. perpleksed. 
ontkennen, negar. 
ontkennend, a. negativ. 
ontkenning [de], nego^on. 
ontkiemen, germinar. 
ontkieming[de] , germino^ion. 
ontkleden, de-vestor. 
ontknopen, dismdar. 
ontladen, de-sharjar. 
ontlasten, de-sharjar. 
ontleden, dümbmbrar, 
ontleding [de], analis. 
ontleedkunde [de], anatomi. 
ontleedkundig, a. anatoRiK^ 

(anatomik). 
ontleedkundige [de], anato- 

mKat (anatomist). 
ontmannen, kastrar. 
ontmaskeren, de-maskar. 
ontmoedigen, de-kurajar. 
ontmoeten; iemand — ,oku- 

rar kh, 
ontmoeting [de], okuvasion. 
ontnemen, de-prendar. 
ontpakken, diëfskétar. 
ontploffen, eksplodar. 
ontploffingsgeluid [het], kon- 

sonant eksplosiv, 
ontraden, de-konsiljar. 



ontruimen, yfikuifikar. 

ontslaan, dimitar. 

ontslag [het], dimlsion, zijn 

— nemen, dimisionar. 
ontsluiten, aperiar. 
ontsmetten, desinfektar. 
ontsnappen, eks-glisar. 
ontspannen ; zich — , rekrear. 
ontspanning [de],rekreGMion. 
ontspruiten, germinar. 
ontspruiting[de] ,germln(mon. 
ontstaan, deveniar. 
ontsteken, noqrifikar; infla- 

mar (med.). 
ontsteking [de], inflamodion. 
ontstellen; doen — , konster- 

nar. 
onttrekken, pri var. 
ontucht [de], nekdisUtet 
ontuchtig, a. n^kast; obseir. 
ontuchtigheid [de] , obwmtet 
ontvangen, resivar; konsep- 

tar (zwanger worden), 
ontvangenis [de], konsep- 

iasion, 
ontvoeren, raptar- 
ontvoering [de], rapt. 
ontvolken, de-poplar. 
ontvreemden, defraudar. 
ontvreemding [de],defrauda- 

aion. 
ontwaken, yiqWeskar, 
ontwarren, disnoiar. 
ontwerp [het], proyekt; skis 

(schets). 



346 



ontwerpen — ootmoed!*^ 



ontwerpen, proyektar; skisar. 

ontwijden, profanar. 

ontwijken, evitar. 

ontwikkelen, erudiar (leren). 

ontwikkeling [de], evolu- 
sion. 

ontwortelen, de-radikar. 

ontzadelen, de-sediar. 

ontzaglik, ontzaggelik, a. for- 
midabl. 

ontzettend, a. hororos. 

ontzetting [de], horor. 

onverdroten, a. asidu. 

onverenigbaar, a. dispar, 

onverenigbaarheid [de], dis- 
parttot. 

onvermijdbaar, a. neevita62. 

onvermijdelik, a. neevlta&Z. 

onvermoeibaar, a. asidu. 

onvermoeibaarheid [de],asi^ 
Auitet 

onvermoeid, a. asidu. 

onverschillig, a. indiferent. 

onvervalst, a. genuin, 

onverzoenlik, a. nejf\Bkabl. 

onvoorwaardelik, a. absolut. 

onvruchtbaar, a. steril. 

onweer [het], tempestad. 

onyx [de], oniks. 

onze, pr. nostr. 

onzijdig, a. neutral; neutrtA; 
(gram,). — geslacht, neutr. 

onzijdigheid [de], neutral ito^ 

onzuiver, a. nepuv. 

ooft [het], frukti. 



ooftwijn [de], sidr. 
oog [het], okul. 
oogappel [de], pupila. 
ooghaartje [het], sil. 
ooglid [het], palpebr. 
oogmerk [het], intenslon. 
oogpunt [het], punkt de vis. 
oogst [de], rekolt 
oogsten, rekoltar. 
ooievaar [de], sikon. 
ooit, kelk-unfoa. 
ook, et, — al, if et. 
oom [de], onkl. 
oor [het], or; ans (hand- 

vatsel). 
oord [het], lok. 
oordeel [het], yudisi. 
oordelen, yudisiar. 
oorkonde [de], dokument. 
oorlog [de], guer. 
oorlogen, guerar. 
oorsprong [de], origin, 
oorspronkelik, a. original. 
oorspronkelikheid [de], ori- 

ginalitot. 
oorzaak [de], kaus. 
oostelik, a. estiA;, adv. este. 
oosten [het], est. naar het 

— , versu est, 
Oostenrijk [het], Austrta. 
Oost-Indië [het], Estindia. 
Oostzee [de], BMik (mar 

balttA;). 
ootmoed [de], humilifet. 
ootmoedig, a. humil. 



op —opmerkzaamheid 



347 



op, prep. 8U. 

opaal [hett de], opal. 

opbeuren, levar (opheffen). 

opbod [het] ; bij — verkopen, 
auksionar. 

opbouwen, konstruar. 

opdat, a fini ke. 

opdracht [de], komision. 

opdragen, komitar; dedikar 
(toewijden) . 

openbaar, a. notortA;. 

openbaarmaken, pubiikar. 

opendoen, aperiar. 

openen, aperiar. 

openhartig, a. sinser. 

openhartigheid [de], sinse- 
ritet. 

opening [de], aperiaci. — 
van de slokdarm, faring. 

openmaken, aperiar. 

opensiuiten, aperiar. 

opensnijden, aiakupar. 

openstellen, aperiar. 

opera [de], opr. 

operateur [de], operator. 

operatie [de], opera^ton. 

opereren, operar. 

opfrissen, refreskar. 

opgaan, aparar (van hemel- 
lichamen). 

opgeld [het], ajio. 

opgeruimd, a. alegr. 

opgeruimdheid [de],alegri^e^ 

opgetogenheid [de], eEstas. 

opgeven ; iets — , renunsiar 



a kk. 

opgewekt, a. alegr. 

opgewektheid [de],alegrt^(. 

opgroeien, kreskar. 

ophangen, pendar. 

opheffen, ievar; anular (af- 
schaffen) . 

ophelderen, iiustrar. 

opheldering [de],ilu8tra8i(m. 

ophitsen, instigar. 

ophopen, akumular; konges- 
tar (van bloed). 

ophoping [de] , akumulo^n ; 
kongestadion ^kongestion). 

ophouden, sesar ; retenar 
(tegenhouden) . zich — , 
morar; sejurnar; stopar. 
doen — , fasiar flniar. 

opinie [de], opinion. 

opium [het], opium. 

opjagen, removar. 

opleggen, 8U-metar. 

oplettend, a, ateneionod. 

oplettendheid [de] , atension. 

oplezen, lektar. 

oplichten, levar (opheffen). 

oploop [de], tumultu. 

oplossen, 80i var. 

oplossing [de], 80l vo^ion (80- 
lueion). 

opmerken, observar. 

opmerking [de], observa^ion. 

opmerkzaam, a. atenaionos. 
— maken, preveniar. 

opmerkzaamheid [de], aten- 



348 



opmeten— optellen 



sion. 
opmeten, mesurar. 
opnemen, levar (optillen) ; 

inserar (in een krant); 

akseptar (aannemen), als 

lidmaat — , konflrmar. 
opnieuw, denove. 
opofferen, viktimar. 
oponthoud [het], stop; mor 

(vertraging); sejurn (ver- 

blijf), 
oppervlakkig, a. superflsKA; 

(superflsial). 
oppervlakte [de], superflsi. 
opplakken, su-glutinar. 
opponeren, oposar. 
oppositie [de], ojfOSasion 

(oposision). 
oprecht, a. sinser. 
oprechtheid [de], sïns^ritet. 
oprichten, erektar; arborar 

(recht(Tp als een boom), 
oprijzen, levar se. 
oprispen, eruktar. 
oprisping [de], eruktaaion. 
oprit [de], ramp. 
oproep [de], apel. 
oproepen, apelar. 
oproer [het], revolt. — ma- 
ken, revoltar. 
opruien, instigar 
opruimen, yfikmfikar, 
opschrift [het], epiaraf. 
opschrijven, In-skribar. 
opschudding [de], tumuitu. 



— verwekken, tumultuar. 

opslaan, kfiVifikar (de prijs) . 

opslikken, Inglotar. 

opslokken, inglotar. 

opsluiten, in-klosar. 

opstaan, levar se; resurek- 
sionar (uit den dode) ; re- 
voltar. 

opstand [de], revolt 

opstanding [de], resureksion. 

opstapelen, akumular. 

opstapeling [de], akumulo- 
sion, 

opstel [het], skribad. 

opstellen, redakta?*. 

opsteller [de], redaktator 
(redaktor). 

opstijgen, asendar. 

opsluiten, in-klosar. 

opstaan, levar se; resurek- 
slonar (uit den dode); re- 
voltar. 

opstand [de], revolt. 

opstanding [de], resureksion. 

opstapelen, akumular. 

opstapeling[de],akumulaaton. 

opstel [het], skrlbac^. 

opstellen, redaktar. 

opsteller [de], redaktator 
(redaktor). 

opstijgen, asendar. 

opstoken, instigar (fig.). 

optatief [de], optativ. 

optekenen, not^/r. 

optellen, sumar. 



opticien— orgeltrapper 



349 



opticien [de], optikt^^ 

opties, a. optika^ 

optika [de], optik. 

optikus [de], optiki^^ 

optillen, levar. 

optimist [de], optimist. 

optomen, bridar. 

optuigen, harnesar. 

opulent, a. opulent. 

opvatten, konseptar. 

opvatting [de], konseptosion. 

opvliegen, deveniar pasionos. 

opvliegend, a. bru8l(, 

opvliegendheid [de], bruskt- 
Ut. 

opvoeden, edukar. 

opvoedingsgesticht [het], in- 
sWtaad (institut) de eduko- 
sion. 

opvoedkunde [de], pedagoqi. 

opvoedkundig, a. pedagogitA; 
(pedagogikl. 

opvoedkundige [de], pedagog. 

opvoeren, representar. 

opvolgen, suKSedar. 

opvolging [de], suksesion. 

opvullen, fhnifikar, 

opwassen, kreskar. 

opwekken, animar; stimuiar 
(prikkelen); eksitar (ver- 
wekken) . 

opwellen, fontar. 

opwinden, guindar; agitar 

(fig.). 
opzadelen, eediar. 



opzeggen, resitar. 

opzettelik, a. ekspres. 

opzicht [het], regard, ten — e 
van, regardu. 

opzichtelik, prep. regardu. 

opzichtig, a. ostentaitt;. 

opzien [het], eklat; sensasion. 

opzoeken, shershar. 

opzwellen, tumorar. 

oraal, a. oral, adv. orale. 

orakel [het], orakl. 

oranje [de], oranj amer. 

oranje [het], oranj-kolor. 

oranje, a. oraiiJ-koloriA;. 

oratie [de], orasion. 

orator [de], orator. 

orde [de], ord; ordn (rid- 
derorde), in — brengen, 
ad-yu8tar; ad-rangar. 

ordenen, ordar. 

ordinair, a. ordinar. 

ordonantie [de], ordona«ton. 

ordoneren, ordonar. 

oreren, orar. 

orgaan [het], organ. 

organiek, a. organiAr. 

organisatie [de],organi8(mon. 

organies, a. organiA;. 

organiseren, organisar. 

organisme [het], organism. 

organist, orgelist [de], orgist 
(organist). 

orgasme [het], orgasm. 

orgel [het], org. 

orgeltrapper [de], kaikator. 



350 



orgelist— o vereeastemmend 



orgelist [de] , orqïst (organist). 
orgie [de], orgi. 
oriënt [het], oriënt, 
oriënteren, orientar. zich — , 

orientar se. 
originaliteit [de],originalt<6t. 
origineel, a. originai, 
origineel [het], originai. 
orkaan [de], uragan, 
orkest [het], oricestr. 
orkestreren, oricestrar. 
ornament, ornement [het], 

ornament. 
orneren, ornamentar. 
ornithologie [de], omitologi. 
orthografie [de], ortografl. 
orthografies, a. ortografltA; 

(ortografilc). 
oscilleren, osilar. 
osmium [het], osmium. 
ostenteren, ostentar. 
otter [de], iutr. 
oud, a. ansian; antilc. — 

worden, anslanesirar. 
oude [de], ansian, 
ouderdom [de], ansianitet. 

de — eigen, a. senil. 
oudere, a. senior. 
ouders [de], generaton. 
oudgediende [de], veteran. 
oudheid [de], tinWkitet, 
oudoom [de], grand-onlcl. 
ovaal, a. oval. 
ovarium [het], ovarl. 
ovatie [de], ovasion. 



oven [de], forn. 

over, superiora (lok.) ; di (b.v. 
stemmen over iets, votar 
di l(l(); via, — dag, diurn^. 
— . . . heen, trans, 

overal, omni-lol(6. - waar, 
omni-iok^ Ice. 

overblijfsel [het], rest 

overblijven, restar. 

overbluffen, perpleicsar. 

overbrengen, transportar. 

overbrenging [de], transport, 

overbruggen, trans-pontar 

overdenken, meditar; reflek- 
tar. 

overdrachtelik, a. troptA;. 

overdrijven, el(sagerar. 

overdrijving [de], eksagera- 
sion] hiperboi. 

overdwars, diagonal, diago- 
nale; transversai, trans- 
versale. 

overeenkomen, akordar ; pak- 
tar (door een overeen- 
komst); korespondar. 

overeenkomst [de], konfor- 
mitet; konvension; pakt. 

overeenkomstig, a. konTÖrm, 
adv. konforme. 

overeenkomstig, prep. kon- 
formu. 

overeenstemmen, korespon- 
dar. 

overeenstemmend, a. kon- 
form, adv. konforme. 



overeenstemming — overwinnend 



351 



overeenstemming [de], kon- 

overgankelik, a. transitiv. 

overgeven, trans-donar; vo- 
mar (braken). 

overgrootvader [de], plu- 
grand-patr. 

overhaasten, fasiar tro hasté. 

overhalen, persuadar (over- 
reden), 

overhandigen, in-manuar. 

overheerlik, a. delisio^. 

overheid [de], autoritei. 

overhellen, inklinar. 

overig, a. setr. 

overigen [de], setri. 

overigens, setre. 

overjas [de], surtut. 

overlast [de]; — aandoen, 
molestar. 

overlaten, lasar. 

overleggen, trans-ffletar. 

overleggen, konsiderar; re- 
sonar, 

overlevering [de], tradision. 

overlijden, moriar. 

overlopen, trans-fluar (over- 
vloeien). 

overmaat [de], ekses. 

overmatig, a. eksesïA;. 

overmoed [de], insoientit^^ 

overmoedig, a. insoleilt 

overmorgen, plu-po-aidiurn6. 

overnemen, prendar su se. 

overpeinzen, meditar. 



overreden, persuadar. 
overreding [de], persuada- 

ftion (persuasion). 
overreiken, trans-donar. 
overschaduwen, ombrar. 
overechieten, restar. 
overschoen [de], galosh. 
overschot [het], rest; pluad 

(surplus), 
overslaan, no observar. . 
overspel [het] ; — plegen, 

adulterar. 
overstromen, inundar. 
overstroming [de], inun- 

éasion. 
overtallig, a. supernumerar. 
overtocht |de], pssaj, 
overtollig, a. superflu. 
overtreden, vlolar. 
overtreding [de], violo^ion. 
overtreffen, surpasar. 
overtuigen, konvinsiar. 
overvloed [de], abundad. — 

hebben, abundar. 
overvloeien, trans-fluar ; 

abundar (fig.). 
overvoeren, transportar. 
overwegen, konsiderar; re- 

flektar. 
overweldigen, usurpar. 
overweldiger [de], usur- 
pator, 
overwinnaar [de], viktor. 
overwinnen, viktoriar. 
overwinnend, a. viktorio8. 



352 



overwinning — paragraaf 



overwinning [de], viktori, 
overzetten, pasar; tradukar 

(vertalen), 
overzetting [de], inAvkasion 

(traduksion) . 
oxyde [het], oksid. 
oxyderen, oksidar. 

P. 

paal [de], pal. 

paaltje [het], pïket. 

paar [het], par. 

paard [het], kaval (ook in 

het schaakspel). — rijden, 

kavalkar. 
paardeknecht [de], kava- 

\an, 
paardetuig [het], harnes. 
paarl [de], peri. 
paars, a. violet. 
pachten, arendar. 
pachter [de], arendator. 
paddestoel [de], shampinion. 
page [de], paj. 
pagina [de], pagin. 
pagineren, paginar. 
pagode [de], pagod.' 
pak [het], paket (pakket). een 

— slaag geven, bastonar. 
pakhuis [het], magasin. 
pakken, paketar (inpakken) ; 

sisar (beetpakken). 
pakket, paket [het], paket. 
pakt, paktum [het], pakt. 



paleis [het], palast. 

Palestina [het], Palestina. 

palet [het], palet. 

paling [de], anguil. 

palissade [de], palisad. 

palissaderen, palisadar. 

palladium [het], paladium. 

palm(boom) [de], palm. 

palpabel, a. palpa6Z. 

palpiteren. palpitar. 

pamflet [het], paskuil. 

pan [de], rost-plat. 

pand [het], pignor (onder- 
pand). 

pandjeshuis [het], lombard. 

paniek [de], panik. 

panorama [het], panoram. 

pantalon [de], pantalon. 

panter [de], panter. 

pantoffel [de], pantufl. 

pantomime, pantomine [de]^ 
pantomim. 

pap [de], papil. 

papaver [de], papavr. 

papegaai [de], papagay. 

papier [het], papir. 

parabel [de], parabol. 

parabolies, a. paraboliA;. 

parade [de], parad. 

paraderen, paradar. 

paradijs [het], paradis. 

paradijsachtig, a. paradIsiA;. 

paradox, a. paradoks. 

paraffine [de], parafin. 

paragraaf [de], paragraf. 



Paraguay — pastei 



353 



Paraguay [het], Paraguay. 
parallel a. paralel. 
paralyseren, paralls^'»*. 
paralysie [de], paralls. 
paranimf [de], paranimf. 
paraplu [de], paraplu vi. 
parasiet [de], parasit. 
parasol [de], j>ara80l. 
parceel [hét], parseJ. 
pardon [het], pardon. 
pardon I pardon! 
pardoneren, pardonar. 
parel [de], perl. 
parenthese [de], parentes. 
parfum [het], parfum. 
parfumeren, parfumar. 
pari [de], pari, 
pariêren, parlar. 
park [het], park. 
parket [het], parket. 
parlement [hetj. parlament. 
parlementair [de], parla- 
menter. 
parlementeren, parlamentar. 
parochiaal, a. paroklan. 
parochiaan [de], paroklan. 
parochie [de], parokl. 
parodie [de], parodl. 
parterre [het], parter. 
participeren, partisipar. 
partjj [de], partis. 
partijdig, a. partison.^ 
partijganger [de], partisan. 
partikel [het], partikl. 
partikularisme [het], partl- 



kulartsm. 

partikulariteit [de], partiku- 

IdLTitet. 
partikulier, a. partikular. 
partisan [de], partison. 
partner [de], partner. 
pas, adv. yuste «itempe. 
pas [de], pasu (tred); pas- 

port. 
Pasen [de], pask. 
pasgang [de], ambl. in — 

gaan, amblar. 
pasganger [de], amblator. 
pasja [de], pasha. 
paskwil [het], paskuil. 
paspoort [het], paeport. 
passage [de], pasaj. 
passagier [de], pasajer. 
passant; en — , pa»ante 

(schaakspel) . 
passeren, pasar, 
passement [het], pasement. 
passementwerker [de],pa8e- 

menter. 
passen, konvenar. 
passend, a. konvena62; per- 
tinent. 
passer [de], sirklator. 
passeren, pasar, 
passie [de], pasiaaion (lijden 

van Jezus), 
passie [de], pasion. 
passief, a. pasiv. 
pasta [het], past. 
pastei [de], pastet. 

23 



354 



pastinak — per 



pastinak [de], pastinak. 
pastoor [de], pastor (pastor 

katoltA;) . 
pataat [de], batat 
Patagonië [het], PatagOflia. 
patent [het], patent. 
paternoster [het], patmostr. 
patiëntie [de], pasientt^e^ 

(pasiens) . 
patriarch [de], patriark. 
patriciër [de], patrisi. 
patrijs [de], perdiks. 
patrimonium [het], patri- 

moni. 
patriot [de], patriot 
patriotisme [het], patriottsm. 
patriotties, a. patriottAr. 
patroelje [de], patruli. 
patroeljeren, patmiiar. 
patroon [de],patron(schuts- 

heer) . 
patroon [de], kartush. 
paus [de], pap. 
pausdom [het], papa(2. 
pauselik, a. papiA;. 
pausschap [het], papar^. 
pauw [de], pavon. 
pauze [de], paus. 
pauzeren, pausar. 
paviljoen [het], pavilion. 
pean [het], pean. 
pedagogie [de], pedagoai. 
pedagogies, a. pedagogii^ 



pedagoog [de], pedagog. 



pedant [de], pedant. 
pedant, a. pedanttA;. 
pedel [de], bedel. 
pedestal [het], pedestal. 
peer [de], per. 
pees [de], tendon. 
peet [de], ko-patr; ko-matr. 
peetschap [het], ko-peAr itet, 
peettante [de], ko-matr. 
peinzen, medltar. 
pek, pik [het], pes. 
pelgrim [de], peregrin. 
pelgrimage [de], peregrlno- 

pelikaan [de], pelikan. 
pellen, pelar. 
pels [de], pelt. 
pelterij [de], pelt. 
pen [de], plum (schrijfpen), 
penetreren, penetrar. 
penitent [de], penitent 
penitentie [de], penitens. 
penning [de], f enig. 
penseel [het], pinsi. 
pensioen [het], pension, 
pensioneren, pensionar. 
pentameter [de], pentametr. 
peper [de], pepr. 
peperen, peprar. 
peperhuisje [het], papir- 

komu. 
pepton [het], pepton. 
per, mediu (door middel van); 

in (b.v. tweemaal per dag, 

du/ba in diurn). 



percent — piek 



355 



percent, persent [het], pre- 
sent. 
perfekt, a. perfekt. 
perfektie [de], perf Mitet 

(perfeksion) . 
perfidie [de], perfldt^t. 
perforeren, perforar. 
periferie [de], periferi. 
periferies, a. periferiiA; (pe- 

riferlk). 
perikel [het], perikl. 
perikuleus, a. periklod. 
periode [de], perlod. 
periodiek, a. periodtib. 
perk [het], bet (bloemperk); 

limit. 
perkament, perkement [het], 

pergamen. 
perkussie [de], perkutcmon 

(perkusion) 
perkuteren, perkutar. 
permanent, a. permanant. 
permitteren, permitar. 
permutatie [de] , permutemon. 
permu teren, p^rmutar. 
perpendikulair, a. perpendi- 

kular. 
perpetueel, a. perpetu, adv. 

perpetué. 
perplex, a. perpleks^. 
perplexiteit[de], perplekst^et. 
perron [het], peron. 
pers [de], pres. 
persekuteren, persekuar. 
persen, presar. 



persevereren, perseverar. 
persoon [de], person. 
perspektief [de], perspektiv. 
perspektief [het], perspektiv. 
perspektivies, a. perspektiviA;. 
.perspikaciteit [de], perspi- 

keisitet 
persuaderen, persuadar. 
persuasie [de], persuademon 

(persuasion). 
pertinent, a. pertinent 
Peru [het], Peru. 
pervers, a. pervers. 
perversiteit [de], perver8ï7e«. 
Perzié [het], Persia. 
perzik [de], persik. 
pessimist [de], pesimist. 
pest [de], pest. 
pet [de], kBLSket, 
peter [de], ko-patr. 
peterselie, pieterselie [de], 

petrosel. 
petitie [de], petision. 
petitioneren, petisionar. 
petrificeren, feirifikar. 
petroleum [de], petrole. 
peulvruchten [de], legumi- 

nosi. 
peuteren, skruplar. 
pfennig [de], fenia. 
pianino [de], pianm. 
pianist [de], pianot9^ (pianist). 
piano [de], piano. 
piëdestal [het], pedestal. 
piek [de], pik. 



356 



pier — plantaard ig 



pier [de], verm, 

piëtisme [het], pietüm. 

piëtist [de], piëtist. 

pieus, a. pietoa. 

pijl [de], sagit. 

pjjler [de], pilastr. 

pijn [de], dolor. 

piJQ(boom) [de], pin. 

piJDigen, torturar. 

pijniging [de], tortur. 

pijnlik, a. doioroa. 

pijp [de], pip. 

pik, pek [de], pes. 

piket [de], pilc^t. 

piketpaal [de], piket. 

pikken, bekar. 

pil [de], pilui. 

pilaar [de], pilastr. 

pilaster [de], pilastr. 

piloot [de], piiot 
pince-nei [de], pinser. 
pinken, pal|>ebrar (knipogen). 
Pinkster, Pinksteren [de], 

pentekost. 
pinksternakel [de], pastinak. 
pioen [de], peoni. 
pion [de], soldat (schaakspel), 
piraat [de], pirat. 
piramide [de], piranid. 
pis [de], arin. 
pisang [de], banaa. 
pisblaas [de], aria-veslk. 
pisbuis [de], arstf. 
pisleider [de], arater. 
pissen, ariaor. 



piston [de], piston. 

pistool [het], pistol. 

pisvloed [de], diabet. 

pit [de], gran (kern). — vaiï 
een kaars, fil de kandei* 
— van een lamp, fil da 
lamp. 

pittoresk, a. pitoresk. 

plaag [de], torment (kwel- 
ling). 

plaat [de], lamin (metaal- 
plaat). 

plaats [de], lok; plas. — 
hebben, avar lok. in — 
dat, plase ke. in — van,. 
in plas de, plasu. inde — 
stellen, substituar. 

plaatselik, a. spasitib (lokal). 

plaatsen, plasar; inserar (ia 
een krant). 

plaatsvervanger [de], vikar* 
als — optreden, vikaror. 

plagen, veksar. 

plakaat [het], plakard. 

plakken, glatiaar. 

plan [het], provekt een — 
maken, proyextor. het — 
hebben, van — zijn, da- 
siaor. 

planeet [de], plaaat 

planeren, planar. 

plank [de], plaak. met- 
beleggen, plaakor. 

plant [de], plaat 

plantaardig, a. vegatofrL 



plantage — poetsen 



357 



plantage [de], plantaj. 
•planten, plantar. 
plantegroei [de], vegeta^/on. 
planteleven [het] ; een — 

leiden^ vegetar. 
plante voedsel [het], vege- 

tari. 
plantkunde [de], botanik. 
plastiek [de], plastiki^^ 
plasties, a. plastik, 
plat [het], plat. 
plat, a. platiA;. 
plataan [de], piatan. 
platform [het], platform. 
platina [het], platin. 
platmaken, platar. 
platonies, a. platontAr. 
platteland [het], kampestrocZ. 
platten, platar. 
plausibel, a. plausibl. 
plaveien, pavar. 
plaveisel [het], pav. 
plebejer [de], plebe. 
plebejies, a. plebeiA;. 
plechtig, a. solemn. 
plechtigheid [de], so\%mmtet; 

seremonl. 
plee [de], kloset. 
pleegkind [het], pupil. 
pleister [de, het], piastr 

(med.). 
plek [de], plas. 
pletten, platar. 
plezier [het], piesir. 
plicht [de], deb; obiigac2.de 



— zijn, esar deb. 
ploeg [de], plug. 
ploegen, arar; plugar. 
ploegvoor [de], sulk. 
plomberen, plombar. 
plomp, a. kras. 
plompheid [de], krasi^^ 
plooi [de], pllk. 
plooien, plikar. 
plots, subite. 
plotseling, a. subit, adv. 

subite. 
pluche [de], plush. 
pluimage [de], pluma/. 
pluis [de], plush. 
plukken, karpar. 
pluksel [het], karp-fUt. 
pluralis [de, het], plural. 
pochen; op iets — , esar 

orgulod di kk. 
podagra [de], podagr. 
podagreus, a. podagros. 
podium [het], podium. 
poeder, poeier [het], pulvr; 

pudr. tot — stampen, pul- 

vrar (puiverisar). 
poederen, poeieren, pudran 
poëem [het], poem. 
poëet [de], poet. 
poep [de], eskart. 
poepen, eskartar. 
poes [de], kat. 
poëties, a. poetiA;. 
poëtiseren, poetisar. 
poetsen; '— van schoenen, 



358 



poëzie — postiljon 



n^rifikar, 
poëzie [de], poesi. 
pogen, provar. 
poging [de], prov. 
pok [de], variol. 
Polen [het], Polonta. 
poleren, poliar. 
policie [de], poiisi. 
poliep [de], polip. 
polijsten, poliar. 
polis [de], polis. 
politie [de], polls!. 
politiek [de], politik. 
politiek, a. politikaZ. 
polka [de], polka. 
pols [de], puls. 
polsader [de], arter, 
polsslagen geven, pulsar. 
poltron [de], poltron. 
polyglot [de], poliqlot. 
polyglotties, a. poliglottA;. 
polytechniek [de], po/^teknik. 
polyteehnies, a. po^iteknikaZ. 
pomade [de], pomad. 
pomaderen, pomadar. 
Pommeren [het], Polneran^a. 
pomp [de], pump. 
pompen, pumpar. 
pompeus, a. pompoa. 
pond [het]. Iivr. 
ponjaard [de], puniard, 
ponjarderen, puniardar. 
pons, punch [de], punsh. 
ponton [de], ponton. 
pony [de], kavalé^ 



pool [de], pol. 

pop [de] pup; krisalid (van 

een insekt). 
populeus, a. poploa. 
populair, a. popular. 
populariteit [de] , populart^eL 
poreus, a. poroa. 
porie [de], por. 
porselein [het], porselan. 
port [het], porto. 
portaal [het], portal. 
portefeuille [de], portfoli. 
portemonnaie, portemonnee 

[de], portmoné. 
portie, porsie [de], pofsion» 
portiek [de], portik. 
porto [het], porto. 
portret [het], portret. 
portretteren, portretar. 
Portugal [het], Portugalta. 
pose [de], pos. 
poseren, posar. 
positief, a. positiv, adv. 

positive. 
positief heid [de], positivi^^. 
positivisme [het], posltlvisrw. 
possibel, a. posibl. 
possibiliteit [de], posibli^^* 
post [de], post. 
posterieur, a. posterior. 
posterioriteit [de] , posten- 

oritet, 
posteriteit [de], posteritet. 
posthumus, a. posthum. 
postiljon [de], postillon. 



postkaart — priester 



359 



postkaart [de], post-kart. 
postzegel [de], post-mark. 
postrijder [de], postillon. 
pot [de], pot 
potaarde [de], argil. 
potas [de], potash. 
potlood [het], krayon. 
pots [de], bufona^^ 
potsemaker [de], bufon. 
potsig, a. buionik. 
pover, a. povr. 
praal [de], pomp. 
praalziek, a. ostenta/tt;. 
praatachtig, a. lokuas. 
praatziek, a. lokuas. 
praatzucht [de], lokuast^t. 
pracht [de], magnlf; pomp. 
prachtig, a. maqnnik; pompos; 

superb. 
prakties, a. praktlka^. 
praktijk [de], praktik. 
praktikabel, a. praktika6/. 
praktizeren, praktikar. 
pralen, ostentar. 
praten, parlar. 
preceptor [de], preseptor. 
precies, presies, a. presis. 
precieus, a. presios. 
predikant [de], predikator. 
prediken, prediker. 
prediker [de], predikator. 
prediking [de], predikcmon. 
predilektie [de], predileksion. 
preek [de], predikod. 
prefekt [de], prefekt. 



preferabel, a. preferab/. 
prefereren, preferar. 
preferentie [de], preferad. 
preken, predikar. 
prelaat [de], prelat. 
preliminair, a. preliminar. 
prelude [de], prelud. 
premie [de], premi. 
premieren, premiar. 
prent [de], imag. 
preparatie [de], prepara^ion. 
prepareren, preparar. 
prepositie [de], preposision. 
prerogatief [het], prerogativ. 
presbyter [de], presbitr. 
present, prezent, a. present. 
presenteren, prezenteren, 

presentar. 
presentie, prezentie [de], 

pPBseniiiet (presens). in — 

van, presentu. 
preserveren, preservar. 
presideren, prewAur- 
president [de], president. 
prestatie [de], prestasion. 
presteren, prestar. 
pretenderen, pretendai*. 
pretext [het], pretekst. 
prettig, a. agreabi, 
prettigheid [de], agreablttet. 
preuts, a. prud. 
preutsheid [de], pruAitet. 
preveniëren. prewenlar. 
priem [de], alen. 
priester [de], presbitr. 



360 



priesterlik — proklamatie 



priesterlik, a. presbltriA;. 
priesterschap [het], presbi- 

trad. 
prys [de], pris; premi; laud 

(lof); kaptod (buit), een — 

geven, premiar. 
prijszetting [de], taka. 
prijzen, laudar. 
prik [de], lampret (vis). 
prikkel [de], apin (stekel); 

stimui (fi^.). 
prikkelen, stiffluiar; iritar. 
prikken, pikar. 
prime [de], ton prim. 
primitief, a. primitiv. 
primo, adv. prim^. 
primogeniiuur [de], primo- 

penitur. 
pnmula [de], primi. 
principaal, a. prinsipal, adv. 

prinsipaié. 
principe [het], prinsip. 
principieel, a. prinsiptfe. 
prins [de], prins. 
prioriteit [de], prioritot 
prisma [het], prism. 
privaat, a. privat. 
privaat [het], kioset. 
pri veren, pri var. 
privilege [het], priviieg. 
priviiegiëren, priviiegar. 
pro, pro. 

probabei, a. probabi. 
proberen, provar. 
probleem [het], probiem. 



procédé [het], prosed. 
procederen, prosedar (te 

werk gaan) ; prosesa?- 

(een proces voeren), 
procent [het], prosent. 
proces [het], proses. een — 

voeren, prosesar. 
processie [de], prosesion. 
prodigaliteit [de], prodiga- 

Hon, 
produceren, produktar. 
produkt [het], produkt. 
proef, proeve [de], prov. 
proefneming [de], eksperi- 

ment. 
proefondervindelik, a. empi- 

rik. 
proeven, gustar. 
profaan, a. profanifc. 
profaneren, profanar. 
profeet [de], profet. 
professie [de], profesion. 
professor, professer [de], 

profesor. 
profeteren, profetar. 
profiel [het], profli. 
profijt [het], proflt. 
profiteren, profltar. 
prognose [de], prognos. 
programma, program [het], 

program. 
projekt [het], proyekt. 
projekteren, proyektar. 
proklamatie [de], proklama- 

aion. 



proklameren — pudiek 



361 



proklamereo, proklamar. 
prokura [de], prokur. 
prokuratie [de], prokur. 
prokureur [de], prokurta^ 
prolongatie [de], proionga- 

8ion, 
prolongeren, prolongar. 
proloog [de], proiog. 
promenade [de], promenod. 
promeneren, promenar. 
promoveren, promovar. 
pronk [de], pomp. 
pronken, ostentar. 
pronkziek, a. ostentatit?. 
pronomen [het], pronom. 
prononceren, pronunsiar. 
prononciatie [de], pronunsi- 

asion. 
prop [de], tampon, met een 

— sluiten, tamponar. 
propageren, propagar. 
proponeren, proposar. 
proportie [de], proporsion. 
proportioneren,proporsioiiar. 
propositie [de], proposadton. 
proskriberen, proskribar. 
prosodie [de], proaodi. 
prosodies, a. prosodKfe (pro- 

sodik) . 
prospereren, prosperar. 
prosperiteit [de], prosperitet. 
protegeren, protektar. 
protektie [de], protekto^ion 

(proteksion). 
protektor [de], protektator 



(protektor). 

protest [het], protest. 
protestant [de], protestant. 
protestantisme [het] , protes- 

tantism, 
protestants, a. protestant, 
protesteren, protestar. 
protokol [het], protokol. 
protokolleren, protokoiar. 
prototype [de, het],2>rototlp. 
prouveren, prufar. 
provincie, provinsie [de], 

provins. 
provisie, provizie [de], pro- 

vision. 
provisories, a. provisorifc. 
provoceren, provokar. 
proximiteit [de], proksifflif«^ 
proza [het], prosa. 
prozaïes. a. prosat^. 
prude, a. prud. 
prudentie [de], pruiBniitet 

(prudens) . 
pruderie [de], pmAitet. 
pruik [de], peruk. 
pruim [de], prun. 
Pruisen [het], Prusia. 
pruttelen, murmurar. 
psalm [de], psalm. 
pseudoniem [het],pseucionom 

(pseudonim). 
pst! audia! 
publiceren, pubiikar. 
publiek [het], pubiik. 
pudiek, a. puAik, 



362 



pueriel— raadsheer 



pueriel, a. pueril. 
pueriliteit [de], pubrWitet 
puimen, pomisar. 
puimsteen [de, het], pomls. 

met — afwrijven, puim- 
stenen, pomisar. 
puissant, a. potent. 
puitaal [de], lota. 
pulver [het], pulvr. 
pulveriseren, pulvrar (pulve- 

risar). 
punch [de], punsh. 
punktualiteit [de], punktu- 

eAitet. 
punktueel, a. punktual. 
punt [de], punt (spits) ; punkt 

(leesteken), dubbele — , 

dupi-punkt. 
punt [het], punkt. 
puntdicht [het], epigram. 
punten, akutt^A:ar. 
punteren, punktar. 
puntkomma [de], koma- 

punkt. 
pupil [de], pupil (pleegkind); 

pupila (oogappel), 
purgatie [de], purgcution. 
purgatief, a. purqativ. 
purgeren, purgar. 
purificeren, purifiëren, puri- 

Jikar, 
puritanisme [het], purita- 

nism. 
puritein [de], puritan. 
puriteins, a. puritan. 



purper [het], purpur. 

put [de], puit. 

putrefaktie [de], putresA:a- 

don. 
puur, a. pur. 
])uurheid [de], puritet. 
Pyreneën [dé], Pireneik 

(monti pireneik). 
pyrotechniek [de], pirotek- 

nik. 
pyrotechnies, a. piroteknika^. 

Q 

quadrille [de], kuadriü. 
quarantaine, karantaine [de], 

kuaranten. 
quasi, kwasi, adv. kuasi. 
querel [het], kuerel. 
querelleren, kuerelar . 
quota [de], quotum [hej], 

kuot. 
quotiënt [het], kuosient. 

R. 

raad [de], konsili; konsilier 
(titel). — geven, konsiliar. 
- van voogdij, iuXel. 

raadplegen, konsultar. 

raadpleging [de], konsulta- 
sion . 

raadsel [het], enigmat. 

raadselachtig, a. enigmatiA:. 

raadsheer [de], konsilier; 



raadzaam — recept 



363 



kurser (schaakspel), 
raadzaam, a. konsilia&J. 
raaf [de], korv. 
raam [het], fenestr. 
raap [de], pap. 
raapzaad [het], raps. 
raar, a. rap. 
rabat [het], rabat. 
rabatteren, rabatar. 
rabbijn [de], rabin. 
rad [het], rot. 
raden, divinar; konsiliar 

(raad geven), 
raderen, rasar. 
radiaal, a. radÜA; (.radial). 
radijs [de], radis. 
radikaal, a. radika^. 
radius [de], radi. 
radix [de], radik. 
raffineren, raflnar. 
raii, reel [de], reis, 
raisoneren, resonar. 
raken, konseriïar (betreffen), 
ramp [de], kalamitet. grote 

— , katastrof. 
rampspoedig, a. advers. 
rand [de], bord, 
rang [de], rang. 
rangeren, rangar. 
rangschikken, rangar. 
rangtelwoord [het], numera* 

tiv ordinal. 
rankune [de], rankor. 
ranonkel [de], ranunki, 
rans, a. ransid. 



ransheid [de], ransiditet. 

ransig, a. ransid. 

ransigheid [de], ransidtt^^ 

rapiditeit [de], rapidit^t. 

rapport [het], raport. 

rapporteren, raportar. 

rariteit [de], r^ritet. 

ras [het], ras. 

raseren, rasar. 

rasp [de], rasp. 

raspen, raspar. 

rat, rot [de], rat. 

ratificeren, ratifiëren, rati- 
flkar. 

rationalisme [het], rasiona- 
Msm, 

rationaliteit [de] , rasionaltte^. 

rationeel, a. rasional. 

rattekruit [het], arsen. 

ravijn [het], ravin. 

razen, fiiriar. 

razend, a. furio8. 

razernij [de], furi. 

reaal, reëel, a. real. 

reageren, reaktar. 

reaktie [de], reaktasio7? (re- 
aksion). 

realiseren, realisar. 

realisme [het], resMsm. 

realiteit [de], reeiiiet 

rebel [de], rebel. 

rebelleren, rebelar. 

rebus [de], rebus. 

recept, resept [het], resept; 
preskribasion (van een 



364 



recht —reformatie 



dokter), 
recht, a. rekt. rechte hoek, 
angui rekt. rechte lijn, iini 

recht [het], yur. het — geven, 

autorisar. 
rechter, a. dekstr. 
rechter [de], yuilkator. 
rechtheid [de], rektite^ 
rechtmatig, a. legitim. 
rechtmatigheid [de], iegiti- 

mitet 
rechts, adv. dekstr^. — van, 

dekstre de. naar — , a 

dekstre. van — , da dekstre. 
rechtschapen, a. honest; a. 

prob, adv. probe. 
rechtschapenheid [de], ppo- 

btfe^. 
rechtsgeding [het], proees. 
rechtsgeleerde [de], yurist. 
rechtstandig, a. perpendiku- 

iar. 
rechtstreeks, a. direkt. 
rechtswezen [het], yustis. 
rechtvaardig, a. yust, adv. 

yusté. 
rechtvaardigen, yusUfikar, 
rechtvaardigheid [de],yu8ti- 

tet. 
recidive [de], residiv. 
recidivist [de], residiv^. 
reciteren, reeita?*. 
redakteur [de], redaktator 

(redaktor). 



redaktie [de], redakta^n 
(redaksion). 

redden, saivar. 

redder [de], saivator. 

rede [de], orasion (redevoe- 
ring); reson (denkvermo- 
gen); rad (ree voor sche- 
pen), in de — vallen, 
interumpar. 

rededeel [het], parol-sort. 

redelik, a. reeonos. 

reden [de], kau8 (oorzaak), 
om die — , tókau86. 

redenaar [de], orator. 

redeneren, resonar. 

redetwist [de], dieput. 

redetwisten, disputar. 

redevoeren, orar. 

redevoering [de], orasian. 

redigeren, redaktar. 

ree [de], kapreoi (dier); rad 
(voor schepen). 

reeds, ya. 

reëel, a. real. 

reeks [de], seri. 

reet [de], ruptad (scheur); 
fimd (spleet). 

referaat [het], referad. 

refereren, reférar. 

reflekteren, reflektar (naden- 
ken); refleksar (terugstra- 
ien). 

reflektie [de], refleks. 

reform [de], reform. 

reformatie [de], reformamon. 



reformator — reliëf 



365 



reformator [de], reformator. 

reformeren, reformar. 

refuseren, refusar. 

refuteren, refutar. 

refuus [het], refus. 

regaieren, regalar. 

regard [de], regard. 

regatta [de], regat. 

regeerder [de], rtqmtor, 

regeren, regnar. 

regel [de], regl. 

regelen, regular. 

regelmaat [de], r^qularitet 

regelmatig, a. repuiar. 

regelmatigheid [ae], reguia- 
ritet. 

regen [de], piuvi. 

regenachtig, a. pluviod. 
regenbak [de], sistern. 
regenboog [de]. Iris. 
regenen, pluvlar. 
regeneratie [de], 7'egenera- 

«ton. 
regenereren, r^generar. 
regenscherm [het], para- 

pluvi. 
regenworm [de], iombrik. 
regiment [het], regiment. 
register [het], registr. 
registreren, registrar. 
reguleren, regulariseren, re- 
gular. 
rehabiliteren, rehabiiitar. 
reiger [de], heron, 
rein, a. pur (zuiver) ; net (zin- 



delik). 
reinheid [de], purtt^^; nett- 

iet. 
reinigen, purifikar (zuive- 
ren) ; neiifikar (schoon- 
maken). 

reis [de], voyaj. 

reisgoed [het], bagaj. 

reispas [de], pasport. 

reizen, voyajar. 

reiziger [de], voyajer. 

rekapituleren, rekapituiar. 

rekenen, kaikular. 

rekening [de], nota; kaikul 
(berekening); kont (boek- 
houding), op — van, a 
kont de. 

rekenkunde [de], aritmetik. 

rekken, tendar. 

reklame [de], reklam. 

reklameren, reklamar. 

rekom manderen, rekomen- 
dar. 

rekompenseren,rekompen8ar. 

rekreatie [de], rekrearion, 

rekruteren, rekrutar. 

rekruut [de], rekrut 

rektificeren, rekti^A;ar. 

rektor [de], rektor. 

rekwisiet [het], rekuisit. 

relatie [de], reiasion. 

relatief, a. reiativ. 

relegatie [de], reiegaaion. 

relegeren, reiepar. 

reliëf [het], reiief; a. reiiefiL 



366 



religie — ressort 



religie [de], religi. 
religieus, a. reiigio8. 
relikwie, reliquie [de], re- 

likui. 
relikwieé-, reiikuitA: (rell- 

kuiar). 
rem [de], fren, 
remboers [het], rimbors. on- 
der — zenden, rimborsar. 
remboersement [het], rem- 

burs. 
remboerseren, rembursar 

(terugbetalen), 
remedie [de], remedl. 
remediëren, remediar. 
reminiscentie [de], remlnis- 

kosion, 
remise [de], rimes. 
remmen, fpenar. 
removeren, removar. 
ren [de], kurson. 
renbaan [de], kwrsoneri; 

hipodrom. 
renbode [de], kurs^r. 
rendier [het], ren. 
renforceren, renforsar. 
renloop [de], kurson. 
rennen, kursonar. 
renner [de], küTSoner. 
renonceren ; van iets — , re- 

nunsiar a kk. 
renoveren, renovar. 
rente [de], rent. 
renten, rentar. 
rentenier [de], penter. 



repareren, repara/*. 
repertoire, repertorium [het], 

repertori. 
repeteren, repetar. 
repetitie [de], repetoaitm 

(repetision). 
repliceren, replikar. 
repliek [de], replik. 
representeren, representar. 
reprimande [de], reprimand. 
reprobatie [de], reprovaaion. 
reprouveren, reprovar. 
republiek [de], republik. 
republikein [de], repu bli kan. 
republikeins, a. republikan. 
reputatie [de], reputaslon. 
requisiet, rekwisiet [het] , 

rekuislt. 
reserve [de], reserv. 
reserveren, reservar. 
resideren, residar. 
resignatie [de], resignosio/i. 
resigneren, resignar. 
resistentie [de], resistens. 
resolutie [de], resolusion. 
resoluut, a. resolut. 
resolveren, resolvar. 
resonantie [de], resonans. 
respekt [het], respekt. 
respekteren, respektar. 
respektievelik, adv. respek- 

\m. 
respiratie [de], resplrodion. 
respireren, respirar. 
ressort [het], resor. 



rest — rillen 



:i67 



rest [de], rest. 

restaurant [het], restaurm. 

restauratie [de], restaura- 
sion (herstelling). 

resteren, resten, restar. 

resultaat [het], resultac^. 

resulteren, resultar. 

resurrektie [de], resureksion. 

retarderen, rrtardar. 

retirade [de], rtWrad (terug- 
tocht). 

retireren, retirar. zich — , 
retirar se. 

retort [de], retort. 

retoer [het], return. 

retoerneren, returnar. 

reuk [de], odorat (zintuig); 
odor (geur). 

reukwerk [het], parfum. 

reünie [de], r^union. 

reüniëren, reuniar. 

reus [de], gigant. 

reusachtig, a. gigantiA;. 

revideren, reylsar, 

revolte [de], revolt. 

revolteren, revoltar. 

revolutie [de], revoiusion. 

rib. ribbe [de], kosta. 

richten, yudikar. 

richtig, a. korekt; rekt. 

richtigheid [de], korektttet. 

richting [de], direksion. in 
de — van, versu. 

richtsnoer [het], norm. 

ridder [de], kavaiier. 



ridderorde [de], ordn. 

rieken, odorar. 

riem [de], kuir-band (lede- 
ren strook); rem (roei- 
spaan). 

riet [het], kan. 

rigide, a. rigid. 

rigiditeit [de], rigidi^e^ 

rij [de], rang; seri, in —en 
plaatsen, seriar. 

rijbaan [de], manej. 

rijden, kavaikar (te paard); 
vehikl'^'r (in een rijtuig). 

rijgen, iasear. 

rijglijf [het], korset. 

rijk, a. rik. zeer — , opu- 
lent. 

rijk [het], regnia. 

rijkdom [de], flkitet. 

rijksgrote [de], magnat. 

rijm [de], glas-rosl. 

rijm [het], rim. 

rijmen, rimar. 

njp, a. matur. 

i*|JP [^^]> glas-rosi. 

rijpen, matur^^^ar. 

rijpheid [de], mHtuHtet, 

rijschool [de], maneJ. 

rijst [de], ris. 

rijten, ruptar (scheuren); 
fisar (splijten). 

rijtuig [het], vehikl. 

rijwiel [het], velosiped. 

rijzen, asendar. 

rillen, tremblar. 



868 



rimesse — roofzuchtig 



rimesse [de], rimes. 

rimpel [de], rug. 

rimpelen, riigar. 

rimpelig, a. rugos. 

ring [de], anei. 

rinoceros [de], rinoseros. 

riool [het], kioak.^ 

risiko [het, de], risk. 

riskeren, riskar. 

rituaal [het], rituai. 

ritus [de], ritu. 

rival [de], rlval. 

rivaliseren, rivaiar(riYali8ar). 

rivier [de], fluvl. 

robe [de], rob, 

robijn [de, het], rubin. 

robuust, a. robust, 

rodium [het], rodium. 

roebei [de], rubl. 

roede, roe [de], verg. 

roeien, remar. 

roeiriem [de], rem. 

roeispaan [de], rem. 

roem [de], giori; laud (lof). 

Roemelië [het], Rumeiia. 

roemen, laudar. 

Roemenië [het], Rumenta. 

roemrijk, a. glorios. 

roem vol, a. gloriod. 

roepen, vokar. 

roeping [de], vokasion. 

roer [het], guvem (stuur). 

roes [de], Krapui. een — 
hebbende, a. Icrapuiod. zich 
een — drinken, krapular. | 



roet [het], fuilgin. 

roetig, a. fuiiginos. 

rogge [de], rog (graan). 

rok [de], frak; yup (vrou- 
wekleed) ; rob (lang vrou- 
wekleed). 

roken, fumar; in-fumar (van 
worst enz.). 

rol [de], rul; rol (theater- 
rol). 

rollen, rular. 

roman [de], roman. 

rombus [de], romb (geom.). 

romp [de], tronk. 

rond, a. rotond, 

rondborstig, a. ioyal. 

rondborstigheid [de], loya- 
lüet. 

ronddelen, dletribuar. 

ronden, rotoniifikar. 

rondgaan, sirkl-andar. 

rondlopen, sirkl-andar. 

rondom, sirka. 

rondte; in de — , sirka. 

rondtrekken, ambular. 

ronken, stertar. 

rood, a. rub. — maken, rubt- 
fikar. — worden, mbes- 
kar. 

roof [de], rapin; krust (korst 
van een zweer). 

roofdier [het], animal rapas. 

roofvogel [de], ornit rapas. 

roofzucht [de], rafAsitet. 

roofzuchtig, a. rapas. 



rook — rutheniurn 



rook [de], flim. 

room [de], krem. 

roos [de], ros (bloem). 

rooster [de, het], rost. 

roosteren, rostar. 

roven, rapinar. 

rover [de], rapinator. 

rosmarijn [de], rosmarin. 

rot, a. putr. 

rotatie [de], rotasion, 

rots [de], rok. 

rotten, putreskar, 

route [de], rut. 

rouw [de], luktu. 

rouwbeklag [het], kondoia- 

don. 
rouwen, iuktuar. 
rouwfloers [het], krep. 
rouwig, a. iuktuoa. 
rozemarijn [de], rosmarin. 
rozijn [de], rosin. 
rubidium [het], rubidium, 
rubriceren, rubrikar. 
rubriek [de], rubrik. onder 

— en brengen, rubrikar. 
rudimenten [de], nidimenti 
ruditeit [de], ruéitet, 
rug [de], dors. achter de — 

van, dorste. 
ruiken, odoratar (trans.); 

Odorar (intr.). 
ruiker [de], buket. 
ruil [de], kambiemon. 
ruilen, kamblar; permutar 

(b. V. een ambt). 



ruiling [de], kambiosion ; per- 
muiasion. 

ruim, a. spaslos; ampl (wijd) ; 
vast (uitgestrekt). 

ruimte [de] spasi; amplt^^ 

ruïne [de], rum. 

ruïneren, ruinar. 

ruisen, bruar. 

ruit [de], romb(geom.); plas 
(schaakspel); ruta (wijn- 
ruit, bot). 

rukken, tirar. 

rum [de], rum. 

rumatiek [de], reumatlsffl. 

rumaties, a. reumatismil; 
(reumatik). 

rumatisme [het], reumatism. 

rumoer [het], rumor. 

rumoeren, rumorar. 

run [de], tanin. 

rund [het], bov. 

rundvlees [het], bov-kam. 

Rus [de], ruso. 

Rusland [het], Rusm. 

russies, a. rusiA; (in hetrus- 
sies, russies sprekende) ; 
rustan (hetgeen tot Rus- 
land behoort). 

Russin [de], rusa. 

rust [de], kuiet. 

rusten, Icuietar. 

rustiek, a. rustik. 

rustig, a. trankil. 

rusting [de], armatur. 

ruthenium [het], rutenlum. 

24 



370 



ruw — sardientje 



ruw, a. rud. 
ruwheid [de], ruAitet 
ruzie [de], kuerei. — maken, 

kuereiar. 
rythme [het],rythmus [de], 

ritm. 
rythmies, a. rItmiA:. 

S. 

sabel [de], sabr (wapen); 

80bi (dier), 
sabeidier [het], sobi. 
safiQer [het, de], saflr. 
saffraan [de], safran. 
sakrament [het], sakrament. 
sakristie, sakristij [de], sa- 

kristi. 
Saksen [het], Saksonm. 
salade, sla [de], saiad. 
salamander [de], salamandr. 
salariëren, saiarar. 
salaris [het], salar. 
saline [de], saiiiir 
salon [de, het], salon. 
salpeter [de, het], nitr. 
salto [de], salt 
salubriteit [de], saiubri^^^. 
salueren, salutar. 
saluut [het], saiut. 
salvo [het], salv. 
samarium [het], samarium. 
samen, te zamen, yunkté. 
samenbrengen, rmniar, 
samenhang [de], koneks. 



samenhangen, avar koneks. 

samenkomen, konventar. 

samenkomst [de], konvent. 

samenloop van omstandig- 
heden [de], konyunktur. 

samenspraak [de], diaiog. 

samenstellen, kompoaar. sa- 
mengesteld woord, parol 
ko-pos^cü. 

samentrekken, sentralisar. 

samentrekking [de], sentra- 
Wsasion, 

samenvatten, rekapitular. 

samenvoegen, yunktar. 

samenvouwen, piikar. 

samenzweren, konspirar. 

samenzwering [de], konspi- 
rasion, 

sandalen [de], sandaK. 

San Domingo [het], Sando- 
mingo. 

sanguïnies, a. sanguin%A;. 

sanguïnikus [de], sanguintA^. 

sanktie [de], sanksion. 

sanktifiëren, sanktificeren, 
Shnkiifikar. 

sanktioneren^ sankaionar. 

San Marino [het],8anmarino. 

San Salvador [het], Sansal- 
vador. 

Sanskriet [het], sanskrit. 

sap [het], 8uk. 

sappig, a. sukos, 

saprijk, a. sukos, 

sardientje [het], sardin. 



sarkasme- scheenbeen 



371 



sarkasme [hetj, sarkasm. 
sarkasties, a. sarkasmiA; (sar- 

kastik). 
sarren, iritar. 
satan [de], satan. 
satans, a. satantA:. 
sater [de|, satiro. 
satijn [het], satln. 
sati neren, satinar. 
satire [de], satir, 
satisfaktie [de], satisfakta- 

sion (satisfaksion). 
saturatie [de], saturcmcm. 
saucijs, sosijs [de], sosis. 
saus [de], sos. 
savoois, a. savoyan. 
Savoyaard [de], savoyan. 
Savoye [het], Savoya. 
^cène [de], sken. 
schaaf [de], rabot. 
schaakbord [het], shak-plat, 
schaakspel [het], shak. 
schaakspeler [de], shakis^. 
schaal [de], skal ; krust 

(korst); p\a\ad (schotel). 

met een — bedekt, kriistoa. 
schaamachtig, a. jfuAik, 
schaamachtigheid [de], pu- 

iihitet. 
schaamteloos, a. nopuAik. 
schaap [het], muton. 
schaar [de], trup; Xonsator 

(werktuig), 
schaats [de], patin. 
schaatsen rijden, patinar. 



schabrak [de, het], shabrak. 
schacht [de], puit. 
schade [de], damn. 
schadeloosstellen, bonifikar . 
schaden, d^mnifikar, 
schaduw [de], ombr, 
schaduwen, ombrar. 
schakeren, nuansar. 
schakering [de], nuans. 
schaken, raptar (ontvoeren), 
schaking [de]^ rapt 
schal [de], son. 
schallen, sonar. 
schamen ; zich — , pudar. 
schandaal [het], skandal. 
schandalig, schandaleus, a. 

skandaloa. 
schanskorf [de], gabion. 
scharlaken, a. skarlat. 
scharlakenrood, a. skarlat. 
scharnier [het], kardin. 
schat [de], tresor. 
schatten, taksar. 
schatter [de], taksator. 
schatting [de], iaksasion; 

tribut (cijns), 
schaven, rabotar; rasar. 
schavot [het], skafold. 
schavuit [de], brikon. 
schedel [de], krani. 
schedel-, kranii^, de krani. 
schede [de], vagin. 
scheef, a. obliku. 
scheefheid [de], oblikutt^. 
scheenbeen [het], tibi. 



37ii 



scheepvaart — schilfersteen 



scheepvaart [de], navigcmon. 
scheermees L^^t], ramtor, 
scheiden, separar. 
scheiding [de], separasion. 
scheidsgerecht [het] , arbitraj. 
scheidsrechter [de], arbitr. 
scheikunde [de], klmi. 
scheikundig, a. kimÜA;. 
scheikundige [de], kimiis^ 
schelden, Insuitar. 
schellen, tintinar. 
schelm [de], brikon. 
schelp [de],^ konk. 
schenden, vioiar. 
schending [de], wioladon, 
schenkel [de], krup. 
schenken, donatar. 
schennis [de], violasion. 
schepel [de], bushl. 
scheppen, krear. 
schepper [de], kreatoj*. 
schepping [de], kreasio/i. 
schepter [de], skeptr. 
scheren, rasar (met een mes); 
tonsar (met een schaar), 
scherf [de], vas-fragment. 
schermen, gladiar. 
scherp, a. akut. 
scherpen, akiAifikar. 
scherpheid [de], akuti(e^ 
scherpte [de], akutUet. 
scherpziend, a. persplkas. 
scherpzinnig, a. sagas, 
scherpzinnigheid [de], sa 
qeisitet. 



scherts [de], yok. 
schertsen, yokar. 
schertsend, a. yokos. 
schets [de], skls. 
schetsen, skisa)*. 
scheur [de], ruftad. 
scheuren, rupta/*, laserar* 

(van vlees), 
schicht [de], saqit. 
schiefer [de], shist. 
schier, adv. kuasl. 
schiereiland [het], peninsul. 
schieten, lansowar. 
schietgat [het], kren. 
schietkatoen [het], fulmin- 

koton. 
schijn [de] ; de — aannemen, 

airéktar. 
schijnen, sembiar. 
schijnheilig, a. hipokrlti^. 
schijnheilige [de], hipokrit. 
schikken, ad-yustar. 
schikken; zich — , akomo- 

Aar se. zich gelaten in zijn 

lot — , resignar se. 
schil [de], sillk. 
schild [het], skut. 
schilder [de], plkta^or. 
schilderachtig, a. pitoresk. 
schilderen, piktar. 
schilderij [de], plktac^. 
schilderkunst [de], pikiasion, 
schildpad [de], tortii. 
schildwacht [de], sentlnel. 
schilfersteen [de], shIst. 



schillen — schrijfboek 



373 



schillen, peiar. 

schim [de], ombr (schaduw); 

fantom (spook), 
schimmel [de], blank-kaval ; 

muf (plantjes), 
schimmelen, mufar. 
schimpen op, insuitar. 
schip [het], nav. 
schipbreuk [de], naufrag. — 

lijden, naufragar. 
schitteren, brili'xr. 
schoen [de], bas-bot. - en 

poetsen, neqrifikar. 
schoenmaker [de], boter. 
schoensmeer [het], negrad. 
schoft [de], brikon (schurk), 
schok [de], sukus. 
schokken, sukusar. 
schol [de], gleb (aardkluit), 
scholier [dej, skolan. 
schommelen, osilar. 
schoof [de], garb. 
school [de], skoi. 
schoolvos [de], pedant. 
schoon, a. bei. 
schoon, k. negligan^ ke. 
schoonbroer [de], bel-fratr. 
schoonheid [de], belitet. 
schoonmaken, nbiifikar. 
schoonogig, a. kaliokulos, 
schoonschrijver [de],^aZ*- 

graf. 
schoonvader [de], bei-patr. 
schoonzoon [de], bei-fllio. 
schoorsteen [de], kamin* 



schoot [de], gremi. 

schootsvel, [het], gremiacZ. 

schop [de], palet (spade). 

schor, a. pauk. 

schorheid [de], TBiUkitet 

schorpioen [de], skorpioh. 

schors [de], bast, 

schorsen, suspendar. 

schort [de], gremiac^. 

schot [het], janson (het 
schieten). 

schotel [de], piatoc^. 

schoteltje [het], sub-tas. 

Schotland [het], Skotta. 

schotschrift [het], paskuil. 

schouder [de], epol. 

schouderblad [het], omopiat. 

schouw [de], kamin (schoor- 
steen). 

schouwburg [de], teatr. 

schouwspel [het], spektaki, 

schouwtoneel [het], sken. 

schraal, a. magr. 

schraalheid [de], magK^^ 

schram [de], skar. 

schrammen, skBTifikar, 

schrander, a. sagas. 

schranderheid [de],8aga8i^t. 

schrede [de], pasu. 

schreeuwen, klamar. 

schreien, lakrimar. 

schrift [het], skribad. 

schriftelik, adv. skribade, 

schrijden, pasuar. 

schrijfboek [het], papir4fbr. 



374 



schrij n werker — semafoor 



schrijnwerker [de], tabier. 

schrijven, skribar. 

schrijven [het], skribosion. 

schrijver [de], skvlbator; 
autor. 

schrijverij [de], skvibcmon. 

schrik [de], teror. — aan- 
jagen^ terorar. 

schrikkeljaar [het], bisekstil 
(anu bisekstil). 

schrikken, terorar (trans.). 

schroef [de], skrub. 

schroeien, kombustar. 

schroeven, skrubar. 

schroomvallig, a. timid, 

schroomvalligheid [de], ti- 
miditet 

schub, schubbe [de],skuam. 

schubbig, a. skuamoa. 

schuchter, a. timid, 

schuchterheid [de],tïmiditet. 

schudden, sukusar. 

schudding [de], sukus. 

schuier [de], brus. 

schuieren, brusar. 

schuifla [de], remov-kest. 

schuilnaam [de], pseudonom 
(pseudonim). 

schuilplaats [de], refugi. 

schuim [het], skum. 

schuimen, skumar. 

schuin, a. obliku. 

schuinheid [de], oblikuitet. 

schuinte [de], oblikutt^t. 

schuld [de], kuip; debt (in 



geld) . aktieve — , debt 

aktiv. 
schuldeiser [de], kredit^. 
schuldig, a. kulpos. — aan, 

kulpod de. — zijn, debtar. 
schulp [de], konk. 
schurft [de], skabi. 
schurftig, a. skabioa. 
schuringsgeluid [het], kon- 

sonant frikativ. 
schurk [de], brikon. 
schutsheer [de], patron. 
schutting [de], sepi. 
schuwen, timar. 
schuwheid [de], timor. 
sedert, p. da ; adv. da tetemp^ ; 

k. da temp ke. 
sediment [het], sediment. 
segment [het], segment. 
sein [het], signal. 
seizoen [het], seson. 
sekonde [de], sekond (maat); 

ton sekund (mus.), 
sekonderen, sekundar. 
sekretaris [de], sekretar. 
sekse [de], seksu. 
sekte [de], sekt. — s vormen, 

sektar. 
sektie [de], seksion. 
sekundair, a. sekundar. 
sekuriteit [de], SBkuritet 
sekuur, a. sekur. 
selenium [het], selen. 
selderie, selderij [de], selrl. 
semafoor [de], semafor. 



semester — siroop 



375 



semester [het], semestr. 
semestraal, a. semestrtA;. 
semiet [de], semit. 
seminarie, seminarium [het], 

seminar. 
senaat [de], senat. 
senator [de], senater. 
senior, a. senior. 
sensatie [de], sensasion. 
sensualiteit [de], sensuait^t. 
sensueel, a. sensual. 
sententie [de], sentens. 
sentiment [het], sentiment. 
sentimentaliteit [de], senti- 

mentaii^^. 
sentimenteel, a. sentimentai. 
separatie [de], separtmon. 
separeren, separar. 
September [de], septembr. 
September-, septembran, de 

septembr. 
septet [het], septet. 
sequester [het], selcuestr. 
sequestreren, selcuestrar. 
seraf, serafijn [de], seraf, 
sereen, a. seren. 
serenade [de], serenad. 
serie [de], serl. 
serieus, a. serios. 
serpent [het], serpent. 
serpentine [de], serpentin. 
servet [het], serviet. 
Servië [het], Serbia. 
serviel, a. servil. 
serviliteit [de], serviit^^. 



sextet [het], seicstet. 
sfeer [de], sfer. 
sferies, a. sfertA:. 
sfinx, sünks [de], sfinl(s. 
shilling [de], shiiing. 
Siam [het], Siam. 
Siberië [het], Siberïa. 
Sicilië [het], Sisiiia. 
sidderen, trembiar. van vrees 

— , trepidar. 
siddering [de], trepidcmon. 
sieraad [het], del(or. 
sieren, delcorar. 
sierlik, a. minion. 
sigaar [de], sigar. 
sigaret [de], sigar^^ 
signaal, sienjaal [het], signai. 
signaleren, signalar. 
sikkel [de], taisi^^ 
Silezië [het], Siiesia. 
silicium [het], siiisium, 
sim [de], simi (aap). 
simpel, a. simpi. 
simuleren, simular. 
simultaan, u. simuitan. 
simultaneïteit [de], simulta- 

nitet. 
sinds, p. da; adv. da tel^mpe; 

k. da temp Ice. 
sinesappel, chinaasappel [de], 

oranj. 
singularis [de, het], singular. 
Sinksen [de], pentelcost. 
sintel [de], sicori. 
siroop [de], sirop. 



376 



sisklank — slikken 



sisklank [de], son sibilan^, 
liter sibilan^. 

sissen, sibiiar. 

situatie [de], situaaion. 

Skandinavië [het], Skandi- 
navta. 

skandium [het], skandium. 

skelet [het], skelet. 

skepticisme [het], skeptiktam. 

skepties, a. skeptik. 

skeptikus [de], skeptik. 

skolopender [de], skolopendr. 

skrofula [de], skroful. 

skrofuleus, a. skrofujos. 

skrupule [de], skrupj. 

skrupuleus, a. skruplos (skru- 
pulos). 

skrupuleusheid [de], skru- 
plodtet (skrupulodiet). 

skulptuur [de], skulptoaton 
(skulptur). 

sla [de], salad. 

slaaf [de], skiav. 

Slaaf [de], slav (volkstam). 

slaafs, a. servil. 

slaafeheid [de], servilitot. 

slaan, batar (ook in het 
schaakspel); palpitar (klop- 
pen), en passant — (schaak- 
spel), batar pa»ante, 

slaap [de], dorm; tempor 
(van het hoofd). 

slachten, maktar. 

slachter [de], maktator. 

slachting [de], maktasion. 



slachtoffer [het], viktim. 

slag [de], bat; batall (veld- 
slag). 

slagader [de], arter. grote — , 
aort. 

slagboom [de], bar. 

slagen, avar sukses ko kk. 

slak [de], kokle; skori (bij 
't smelten). 

slang [de], serpent. 

slank, a. grasll. 

slankheid [de], qvasWitet. 

slap, a. laks. 

slapen, dormar. 

slaperig, a. dormos. 

slapheid [de], laks^^^ 

slavies, a. slaviA;. 

slecht, a. mal. 

slechten, demolar. 

slechts, solé. 

slede^ slee [de], slit. 

slepen, traktuar (voorttrek- 
ken). 

sleuf [de], kanel. 

sleutel [de], klavl. 

slijk, slik [het], slim; fang. 

slijkerig, a. siimoa. 

slijm [het], pituit. 

slijmig, a. pituitoa. 

slijpen, poliar (polijsten); 
akuUfikar (scherpen). 

slijpsel [het], poiiac^. 

slijten, de-usar. 

slik [het], slim; fang. 

slikken^ inglotai-. 



slikkerig— snel 



377 



slikkerig, a. slimos. 

slinger [de], pendui (van een 
klok). 

slingeren, penduiar (intr.); osi- 
\ar (intr.h lansar (trans.). 

slobkous [cle], gamash. 

sloep [de], shalup. 

slof, a. laks. 

slofheid [de], \aksitet. 

slokdarmshoofd [het],faring. 

slopen, demolar. 

slot [het], klos (sluitnaiddel); 
kastel; flni (einde), ten 
— te, flniö. 

slot-, finiik (flnai). 

slotrede [de], epilog. 

sluier [de], vel. 

sluieren, velar. 

sluipen, gllsar. 

si uithoorn [de], bar. 

sluiten, klosar. met tralie- 
werk — , klosar mediu tre- 
liaj. 

sluitspier [de], sflnkter. 

slurf [de], probosk. 

sluw, a. astuslod. 

sluwheid [de], astusl. 

smaad [de], insult. 

smaak [de], gust. 

smachten naar, desirar. 

smaden, Insultar. 

smakeloos, a. insipid. 

smaken, gustar. 

smal, a. stret. 

smalheid [de], stvetiteL 



smalte [de], strett^^ 

smaragd [het, de], smaragd. 

smart [de], dolor. 

smartelik, a. doloros. 

smeden, forgar. 

smederij [de], forg. 

smeekbede [de], supllk. 

smeekschrift [het], suplik. 

smeken, suplikar. 

smeer [het], gres. 

smelten, fondar. 

smelter [de], fonda^or. 

smelterij [de], fondm. 

smeren, gresar. 

smergel [de], esmerll, 

smerig, a. sordtA:. 

smet [de], makul. 

smetten, makular. 

smokkelaar [de], kontra- 
baniist, 

smokkelen, kontrabandar. 

smokkel waar [de] , kontra- 
band. 

smoren, sufokar. 

smulbroer [de], gastronom. 

snaaks, a. bufon?A:. 

snaar [de], korda. 

snapachtig, a. lokuas. 

snapachtigheid [de], lokua- 
siteL 

snappen, babiliar. 

snavel [de], bek. 

sneeuw [de], nev. 

sneeuwen, nevar. 

snel, a. vetos, adv. velos6. 



378 



snelheid — spatie 



biezonder — , a. rapid, adv. 

rapida. 
snelheid [de], velosite/; ra- 

jfliiteL 
sneuvelen, periar. 
snijden, kupar. kort en klein 

— , diskupar. 
snik [de], singult. 
snikken, singuitar. 
snip [de], bekas. 
snoek [de], luk. 
snoepen, friandar. 
snoeper [de], friand. 
snoer [het], kordone^. 
snoeren, lasear. 
snor [de], mustakt. 
snorken, stertar. 
snuit [de], probosk. 
snuiven, smonar. 
snurken, stertar. 
sober, a. 8obr. 
soberheid [de], sobriteL 
sociaal, a. sosial. 
sociabel, a. sosiabl. 
socialisme [het], sosMism. 
sociteit [de], sosietet. 
soda [de], 80d. 
soep [de], sup. 
sofa [de], divan. 
soldaat [de], soldat. 
solderen, sol dar. 
solidair, a. solidar. 
solidariteit [de], soWófkViteL 
solide, solied, a. solld. — 

worden, soWAeskar. 



soliditeii [de], soWiitet. 
solitair, a. sol. 
solliciteren, solisltar. 
solo [de], solo. 
solutie [de], solvamw (so- 

lusion). 
solveren, sol va)*. 
som [de], sum. 
soms, keik/oa. 
sonate [de], sonat. 
sonde [de], sond. 
sonderen, sondar. 
sonnet [het], sonet. 
sonoor, a. sonor. 
soort [de], sort. 
sooitelik, a. spesiftA:, 
sopraan [de], sopran (stem); 

sopranta^ (peisoon). 
sorteren, sortar. 
souffreren, sufrar. 
soupee [het], supé. 
souperen, supear. 
spaak [de], radia^. 
spaarzaam, a. parsimonioa. 
spaarzaamheid [de], parsi- 

moni. 
spaath [het], spat. 
spacie, spatie [de], spasi. 
spade, spa [de], palet. 
spaden, paletar. 
Spanje [het], Espania. 
spannen, tendar. 
spanning [de], aalta^icm. 
sparen, parsimonïar. 
spatie, spacie f de], spasi. 



spatieus— spoedig 



379 



spatieus, a. spasio^. 

specerij, speserij [de], spes. 

specht [de], pikl. 

spechteêi [het], ov p\k\ik, ov 
de piki. 

speciaal, a. spesial. 

specialiteit [de], SfwMitet. 

specificeren, specifiëren, spe- 
eiflkar. 

specifiek, a. spesiftfc. 

specifikatie [de] ,8pe8iflk(mon. 

speek [de], radiac^. 

speeksel [het], saliv. 

speer [de], lans. 

spek [het], lard. 

spektakel [het], spektaki 
(schouwspel); nimor (ru- 
moer) . 

spektator [de], spektator. 

spekuleren, spekular. 

spel [het], Ittd. op het — 
zetten, hasardar. 

speld [de], spil. 

spelen, ludar. 

spelkunst [de], ortografl. 

spellen, Itterar. 

spenderen, spendar. 

sperma [de], spem. 

sperwer [de], sparv. 

spie [de], spion. 

spi^el [de], niror. 

spiegelen, refleksar. 

spr^eling [de], refleks. 

spier [de], üiHsktti. 

spies, spiets [de], lans. 



spietsen, persa/*. 
spijker [de], kiav. 
spijs [de], ^dad. 
spijsvertering [de] ; slechte 

— , dispepsi. 
spijt [de], rearet. — hebben 

over, regretar. in — van, 

obstint^. 
spil [de], pivot. om zijn — 

draaien, pivotar. 
spin [de], aran. 
spinazie [de], spinat. 
spinnen, fliar. 
spinnerij [de], film. 
spinsel [het|, lAad. 
spion [de], spion. 
spioneren, spionar. 
spiraal [de], spiral. 
spiraalvormig, a. spiral. 
spiritisme [het], spiriti^m. 
spiritist [de], spiritt8e. 
spiritueus, a. sprito». 
spiritus [de], sprit. 
spits [de], punt; sonit (top). 
spits, a. akut. 
spitsen, dkutifikar, 
spitten, paletar. 
spleet [de], tiwd. 
splendied, a. splendu^. 
splijten, flsar. 
spoed [de], bast 
spoedeisend,a.nrgant(urgent). 
spoeden, bastar. zich — , 

bastar. 
spoedig, a. bastt^: a. po-bre- 



380 



spoel — stabiliteit 



yik, adv. po-brev6 (bin- 
nenkort). 

spoel [de], bobin. 

spoken; het spookt, fantomt 
apar. 

spondee, spondeus [de], 
sponde. 

spondeïes, a. spondetA:. 

spons [de], spongi. 

sponsachtig, a. spongia^r 
(spongios) . 

spontaan, a. spontan. 

spontaneïteit [de], sponta- 
nitet. 

spook [het], fantom. 

spoor [de], sporn. de sporen 
geven, spornar. 

spoor [het], tras. 

spoortrein [de], tren. 

spoorwagen [de], vagon. 

spoorweg [de], rels-rut. 

sporadies, a. sporad^A;. 

sporen, spornar (de sporen 
geven) . 

sport [de], sport (lichaam- 
sport) . 

spot [de], mok. 

spotten, mok'/r. 

spraakkunst [de], gramatik. 

spraakkunstig, a. gramatika^. 

sprakeloos, a. mut. 

sprank [de], sintil. 

spreekwoord [het], proverb. 

spreeuw [de], sturn. 

spreiden, eks-tendar. 



spreken, parlor. 

spreuk [de], sentens. 

springbron [de], fontan. 

springen, saltar; eksplodar 
(ontploffen) . 

springveer [de], resor. 

sprinkhaan [de], ioklist. 

sprong [de], salt. 

sprookje [het], fabl. 

spruit [de], germin. 

spruiten, germinar. 

spugen, sputar. 

spuit [de], spris. 

spuiten, sprisar. 

spuug [de, het], sput. 

spuwen, sputar. 

staaf [de], bar. 

staal [het], asier (metaal). 

staan, standa?*. - op iets, 
instar stt kk. 

staar [de], katarakt. 

staart [de], kaud. 

staat [de], stand (toestand); 
stat (staatkundig geheel) . 
in — z\jn, esar in stand. 
iemand in — achten, es- 
tima)^ kh kapabl. onge- 
huwde - , seiibat. 

staatkunde [de], politik. 

staatkundig, a. politika^. 

staatsie [de], pomp. 

staatsregeling [de], konsti- 
tusion. 

stabiel, a. stabiL 

stabiliteit [de], stabiltt^t. 



stad — stemmen 



384 



stad [de], urb. 

stadie [de], stadium [het], 

stadi. 
stadsregering [de] , magistrat. 
staf [de], baston ; stab (mi).), 
stagneren, stagnar. 
staken, stopar; strikar (het 

werk), 
staking [de], strik. 
stal [de], stal. 
stalen, a. asiertA;. 
stalen, y. asierar. 
stam [de], tronk (boomstam); 

tribu; radik (gram.), 
stamelen, balbiisiar. 
stamper [de], Mkator (in 

een vijzel), 
stamwoord [het], protopwrol. 
stand [de], stand; pos. in 

— houden, mantenar. 
standaard, standerd [de], 

standart. 
standbeeld [het], statu, 
standpunt [het], punkt de vis. 
standvastig, a. konstant. 
stang [de], stang. 
stap [de], pasu, — voor — , 

de pasu a pasu. 
stapel [de], kumui. 
stapelen, kumular. 
stapelplaats [de], etap, 
stappen, pasuar. 
statie [de], staston. 
staties, a. statikaZ. 
statig, n. solemn. 



statigheid [de], solemnitee. 
statika [de], statik. 
station, stasion [het],stasion. 
statistiek [de], stathtik. 
statue [de], statu. 
statueren, stattiar. 
statuur [de], statur. 
statuut [het], statut. 
staven, motivar. 
stearine [de], stearin. 
steel [de], tronkee. 
steen [de], petr. — bakken, 

prodnktar brikt. 
steenachtig, a. petra^. 
steenbok [dc^ kaprikorn. 
steenbokskeerk.-qg [de],tro- 

pik de kaprikorn. 
steenkool [de], karbon. 
steenrijk, a. petros. 
steil, a. skarpêA:. 
stekel [de], spin. 
stekelig, a. splno$. 
steken, pikar. 
stelen, rapiar. 
steler [de], rapiator. 
stelkunde [de], aioebra. 
stelkundig, a. aigebratib. 
stellen, posar; piascir; netar. 
stellig, a. sert, adv. serte. 
stelligheid [de], sertttet 
stelling [de], tes. 
stelsel [het], sistem. 
stem [de], vok; vot (bij 

verkiezingen), 
stemmen, vot^r. 



382 



stem ming — stikken 



stemming [de], vot. 
stempel [de], stamp. 
stempelen, stampar. 
stenen, gemar. 
stengel [de], tronken 
stenigen, iapidar. 
stenograaf [de]^ stenograf. 
stenograferen, stenografar. 
stenografie [de], stenografl. 
stenografies, a. stenografltA; 

(stenografik). 
steppe [de], step. 
ster [de], stel (vaste); astr 

(hemellichaam), 
stère [de], JcubikmBtr, 
sterfelik, a. mortal. 
sterfelikheid [de], mortali^^^. 
steriel, a. steril. 
steriliseren, steriiisar. 
sterk, a. fort; vigoros; ro- 

bust; spritoa (van dranken). 

— maken, fortifikar, 
sterken, forti^A;ar; vigorar. 
sterkte [de], foriitet (fors); 

vigor. 
sterk water [het], akuafort. 
sterrebeeld [het], konsteia- 

sion. 
sterrekunde [de], astronomi. 
sterrekundig, a. astronomit/: 

(astronomik). 
sterrekundige [de], astro- 

nom. 
sterrewichelaar [de], astro- 

log. 



sterrewichelarij [de], astro- 

logi. 
sterven, moriar. 
steun [de], suport. 
steunen, suportar; gemar 

(stenen). 
steur [de], sturion. 
stevel [de], bot. 
stevig, a. flrm; solld. 
stevigheid [de], firmüet; so- 

WAitet. 
stichten, fundar (gronden); 

instltuar (instellen), 
stichting [de], instltuocZ (In- 

stitut). 
stiefbroer [de], sewifratr. 
stiefdochter [de], aemifiMa, 
stiefkind [het], semitiW, 
stiefvader [de], semifatv. 
stiefzoon [de], semiUWo. 
stier [de], taur. 
stieredoder [de], matador. 
Stiermarken [het], Stirta. 
stigma [het], stigmat. 
stijf, a. rigid. 
stijfheid [de], rigldt^^ 
stijf kramp [de], tetan. 
stijfsel [de], amidon. 
stijgbeugel [de], staf. 
stijgen, asendar. 
stijl [de], stil. 
stijven, amidonar (van was- 
goed), 
stikken, sufokar (verstikken); 

brodar (borduren). 



stikstof— straf 



383 



stikstof [de], asot. 


stoïcijns, a. stoiA;. 


stiL a. n^onor (niet luid); 


stok [de], baston. 


silensios (stilzwijgend) ; 


stoken, fornar. 


trankii (rustig). 


stokvis [de], stokflsh. 


stilhouden, stopar. 


stollen, koagular 


stillen, kaimar. 


stom, a. mut. — worden, 


Stille oceaan [de], Pasiflk 


deveniar mut. 


(osean pasiflk). 


stomen, vaporar. 


stilletjes, n^onor^. 


stomp, a. obtus, adv. obtuse. 


stilstaan, stagna?*, stilstaand 


— worden, obtus^a^ar. 


water, stagn. 


stomp [de], pus. 


stilte [de], kalm. 


stompen, pusar. 
stond [de], hor. 


stilte 1 silensi! 


stilzwijgen, silensiar. 


stool [de], stol. 


stilzwijgen [het], silensi. 


stoom [de], vapor. 


stilzwijgend, a. silensio8; ta- 


stoot [de], pus. 


siturn. 


stop [de], tampon, met een 


stilzwijgendheid [de], tasl- 


— sluiten, tamponar. 


turni^^ . 


stopl stop! 


stimuleren, stimular. 


stoppen, tamponar (toestop- 


stimulus [de], stimul. 


pen); stopar. 


stip [de], punkt 


storen, turba>-. 


stippel [de], punkt. 


storm [de], uragan. 
stortbad [het], dush. 


stippelen, punktar. 


stipt, a. punktual. 


storten, presipitar; versar 


stiptheid [de], punktualt^t. 


(gieten) . 


stipuleren, stipular. 


stoten, pusar. tegen elkaar 


stoel [de], stul. 


— , kolisionar. 


stoet [de], suit (gevolg). 


stotteren, balbusiar. 


stof [de], stof (bewerkte stof) ; 


stout, a. hard. 


materi. 


stoutheid [de], h^r AiteL 


stof [het], pulv. 


straal [de], radi. 


stofTelik, a. materitib (mate- 


straal-, VBiAiik (radial). 


riai). 


straat [de], strad. 


stoïcijn [de], stoffer. 


straf [de], puni. 



384 



straffen — stumperig 



strafTen, puniar. 

strak, a. rigid. 

strakheid [de], rigidi^^. 

stralekrans [de], nimb, 

stralekroon [de], nimb. 

stralen, radiar. 

strand [het], mar-bord. 

stranguleren, strangiar. 

strategie [de], strateai. 

strategies, a. strategiiX (stra- 
teglk). 

streek [de], fint (list); pe- 
gion (aard-, lucht-, land- 
streek). 

streep [de], stri; lini (lijn). 

strekken, tendar. 

strekking [de], tendens, de 
— hebben, avar tendens, 

strelen, delel(tar (de zinnen). 

stremmen, koagular. 

stremsel [het], Icoagulad. 

streng, a. sever. 

streng [de], strangi. 

strengelen, tresar (vlechten). 

strengheid [de], seve^^te^ 

strepen, striar. 

streven, aspirar. 

strijd [de], Icombat; Icontes- 
tasion. 

strijden, Icombatar. — om, 
Icontestar. 

strijdig, a. l(ontrar. 

strijdperk [het], aren. 

strijken, qMifikar; platar 
(van wasgoed). 



strik [de], atrap (val); Jaso, 

strike [de], strik. 

strikt, a. strikt. 

stro [het], paiia. 

strofe [de], strof. 

stromen, fluar. 

stronk [de], tronk, 

stront [de], eskart. 

strontium [het], stronsium. 

stroop, siroop [de], sirop. 

strop [de], strangi. 

strot [de], gora. 

struik [de], arBust. 

struikrover [de], brigand. 

struis(vogel) [de], strut. 

struktuur [de], struktur. 

student [de], studlan^ (stu- 
dent). 

studeren, studiar. 

studie [de], studi. 

stuip [de], konvulsion. 

stuiptrekking [de], konvul- 
sion. 

stuk [het], pies (dat op zich 
zelf een geheel vormt, 
b.v. een geldstuk); mor- 
sel (bete) ; parsel (^deeltje), 
in — ken snijden, dükupar. 
in — ken verdelen, mor- 
selar; parselar. 

stukadoorswerk [het], stuk, 

stukadoren, stukar. 

stuksgewijs opgeven, spesi- 
llkar. 

stumperig, a. nefupt. 



stu m perigheid —surrogaat 



385 



stumperigheid [dej , neaptïtet. 

stupide, a. stupid. 

stupiditeit [de], stupidi^t. 

sturen, guvernar; mitar (zen- 
den). 

stut [de], suport. 

stutten, suportar. 

stuur [het], guvern. 

subiet, a. subit, adv. subit^. 

subjekt [het], subyekt. 

subjektief, a. subyektiv. 

subjektiviteit [de], subyekti- 
yitet. 

subjunktief [de], subyunktlv. 

subliem, a. sublim. 

subordinatie [de], subordino- 
sion, 

subordineren, subordinar. 

subsidie [de, het], subsidi. 

subsisteren, subsistar. 

substantie [de], substans. 

substantief [het], substantiv. 

substitueren, substituar. 

substraktie [de], sqbtrakta- 
sion. 

subtiel, a. subtil. 

subtiliteit [de], subtilite^. 

suffisant, a. sütisik. 

sufToqueren, sufokar. 

suggereren, sugestar. 

suggestie [de], sugestoston 
(sugestion). 

suiker [de], sukr. 

suikeren, sukrar. 

suikergoed [het], konfet. 



suikerij, cichorei [de], sikor. 
suikerstroop [de], melas. 
suite [de], suit. 
sukcederen, suksedar. 
sukces, sukses [het], sukses. 

— met iets hebben, avar 

sukses ko kk, 
sukcessie [de], suksesion. 
sukcessief, a. suksesiv. 
sukcessievelik, adv. suksesi- 

ye, 
sukkelend, a. malados. 
sullig, a. neapt. 
sulligheid [de], nefiftitet. 
sultan [de], sultan. 
sumak, smak [de], sumak. 
superbe, a. superb. 
superficieel, a. superflsÜA; 

(superflsial) . 
superieur, a. superior. 
superioriteit [de], superiori- 

tet 
superlatief [de], superlativ. 
superstitie [de], superstisi. 
superstitieus, a. superstisioa. 
suppliek [de], suplik. 
suppliêren, supiikar. 
supplikatie [de], suplik. 
surnumerair, a. supernume- 

rar. 
surpasseren, surpasar. 
surplis [de], surplis. 
surplus [het], piuoc^. 
surprise [de], surpris. 
surrogaat [het], surogat. 

25 



386 



suspenderen — tante 



suspenderen, Sttspendar. 
sjllabe [de], silab. 
syllogisme [het], silogism. 
symbool [het], simboi. 
symmetrie [de], simetri. 
symmetries, a. simetrii^ 

(simetrik). 
sympathie [de], simpati. 
sympathiek, a. simpatÜA; 

(simpatik). 
symptoom [het], simptom. 
synagoge [de], sinagog. 
synoniem [het], sinonim. 
synoniem, a. sinonimi^. 
syntaxis [de], sintaks. 
synthese [de], sintes. 
Syrië [het], Siria. 
systeem ; sisteem [het], sis- 

tem. 
systematies, sistematies, a. 

slsUmik (sistematik) . 



taai, a. tenas. 
taaiheid [de], tenasi^t. 
taal [de], llngu; idiom. 
taalkundige [de], linguüt. 
taart [de], tart. 
tabak [de], tabak. 
tabel [de], tabel, 
tabernakel [de], tabernakl. 
tachtig, oktdes. 
taf [de], tafl. 
tafel [de], tabl. 



tafelschuimer [de], parastt 

taille [de], taii. 

tailleur [de], talter. 

tak [de], ram. 

takt [de], takt, 

taktiek [de], taktik. 

takse [de], taks. 

taksateur [de], taksator. 

taksatie [de], taksasion. 

takseren, taksar. 

talaar [de], talar. 

talent [het], talent. 

talisman [de], talisman. 

talk [de], seb. 

talmen, morar. 

talrijk, a. numro8. 

tamarinde [de], tamarind. 

tamboer [de], tambur (trom). 

tamboeren, tamburar. 

tamelik, adv. suflse. 

tampon [de], tampon. 

tamponeren, tamponar. 

tand [de], dent. —en krij- 
gen, dentar. 

tandletter [de ] , konsonant 
dental. 

tandmeester [de], itnÜst, 

tandrad [het], rot i%nted. 

tang [de], pins. 

tangens [de], tangent. 

tangentiaal, a. tangenti^. 

tannine [de], tanin. 

tans, «itempe. 

tantalium [het], tantal. 

tante [de], tanta. 



tapijt— tegenwerking 



387 



tapijt, tapeet [het], tapet. 

tapir [de], tapir. 

tarantella [de], tarantel (Ita- 
liaanse dans). 

tarantula [de], tarantul. 

tarief [het], tarif. 

tarok [het], tarok. 

tarra [de], tar. 

Tartaar [de], tatar. 

tartaars, a. tatari^. 

Tartarije [het], Tatarta. 

tartarus [de], tartr (wijn- 
steen) . 

tarten, obstin^^r (trotseren); 
provokar (uitdagen). 

tarwe [de], frument. 

tas [de], tas (kopje). 

tastbaar, a. palpa6Z. 

tasten, pal par. 

te, a; in; tro (al te). bij een 
infinitief soms onvertaald, 
zie § 6ö noot. - gelijk, 

— gelijker tijd, simultane. 

— gemoet, kontre. — ge- 
moet gaan, andar a kontre. 
— - niet doen, anular. — 
recht, yuride. — voren, 
avanse. — werk gaan, 
prosedar. 

techniek [de], teknik. 
technies, a. teknlkaZ. 
technologie [de], teknologi. 
teder, teer, a. tendr. 
tee [de], te. 
teeU [cle], kultur. 



teen [de], ped-digit. 
teer [het], pes Hmd. 
teer, teder, a. tendr. 
teerling [de], kub. 
tegel [de], brik. 
tegen, kontr. 
tegengesteld, a. kontrar. 
tegenhouden, r^tenar. 
tegenkanting [de],op08(mon 

(oposision). 
tegenkomen; iemand — , 

okurar kh. 
tegenover, prep. kontr; adv. 

kontre. — elkaar stellen, 

konfrontar. 
tegenoverstellen, oposar*. 
tegenoverstelling [de], opo- 

sasion (oposlsion). 
tegenpaus [de], an^tpap. 
tegenrede [de], Ofosamn 

(oposision). 
tegenspoed [de], adversitet. 
tegenstaan, disgustar. 
tegenstand [de], resistens. 
tegenstander [de], adversar. 
tegenstellen, oposar. 
tegenstelling [de], opostmon 

(oposision); kontrast. 
tegenstrijdig, a. kontrar. 

schijnbaar — , a. para- 

doks. 
tegenvoeter [de], antipod. 
tegenwerken, reaktar. 
tegenwerking [de], reakta- 

sion (reaksion). 



388 



tegenwerpen — tentoonstelling 



tegenwerpen, obyektar. 
tegenwoordig, a. present; 

adv. dttempe. — zijn, esar 

present. 
tegenwoordigheid [de], pre- 

seniitet (presens). in — 

van, presentia. 
tegenzin [de], aversion. 
teken [het], sign; mark 

(merk), 
tekenen, signar; deiiniar. 
tekort [het], deflsit. 
tekst [de], tekst. 
teksthaakje [het], parentes. 
telefoneren, teiefonar. 
telefoon [de], telefon. 
telegraaf [de], telegraf. 
telegraferen, telegraf ar. 
telegrafist [de], telegraf^^^ 
telegram [het], telegrafacZ 

(telegram). 
telen, generar; kultlvar. 
teler [de], generator. 
teling [de], generasion. 
teleskoop [de], teleskop. 
teleurstellen, frustrar. 
telgang [de], ambl. in — 

gaan, amblar. 
telganger [de], amblator. 
telkens, omnlfoa, 
tellen, kontar. 
teller [de], numrator. 
tellurium [het], telur. 
telwoord [het] , numerativ. dis- 
tributief — (verdelingsge- 



tal) ^ numerativ distributiv. 

herhalings— , numerativ 
iterativ. hoofd—, numera- 
tiv kardinal. rang—, nume- 
rativ ordinal. vermenigvul- 
digings— , numerativ mul- 
tiplikativ. 

temerair, a. temer. 

teraeriteit [de], iBmBtUeL 

tempel [de], templ. 

temperament [het], tempe- 
rament. 

temperatuur [de], tempera- 
tur. 

temporair, a. temporar. 

temporeel, a. temporal. 

temptatie [de], tenta«ton. 

ten, versu. 

tenaciteit [de], \en?Lsitet. 

tender [de], tendr. 

tenderen, tendar. 

tendens [de], tendens. 

te niet doen, anular. 

tenor [de], tenor (stem); te- 
norist (persoon). 

tenorist [de], tenorist. 

tent [de], pavilion. een — 
opslaan, tendar pavilion, 

tentatie [de], tentasion. 

tenteren, tentar (in verzoe- 
king brengen). 

ten toon spreiden, ostentar. 

ten toon stellen, eks-posar. 

tentoonstelling [de], e1(S-po- 
sasion (eksposislon). . 



tenzij — theoreties 



389 



tenzij, eksepté ke. 
ter aarde bestellen, sepultm*. 
te recht, yuridé. 
teren, konsumar (vertereu), 
tergen, iritar; provokar. 
tering [de], ftisi. 
teringachtig, a. ftisHk (ftisik). 
term [de], term. 
termijn [de], termin. 
ternauwernood, pen6. 
terneerslaan, deprimar. 
terpentijn [de], terebentin. 
terras [het], teras. 
ter rasser en, terasar. 
terrein [het], teren. 
terribel, a. teribl. 
territoor [het], teritori. 
territoriaal, a. teritoritA; (teri- 

torial). 
terstond, namediate. 
terug, retro. 
terugbetalen, rembursar. 
terugbetaling [de], remburs. 
teruggaan, regresar. 
teruggang [de], regres. 
teruggeven, reionor. 
terughouden, retenar. 
terugkaatsen, refleksar. 
terugkaatsing [de], refleks. 
terugkeer [de], return. 
terugkeren, returnar. 
terugnemen, reprendar. 
terugreizen, revoyajar. 
terugstralen, refleksar. 
terugtocht [de], retirad. 



terugtrekken, retirar. zich 

— , retirar se. 
terugvorderen, reklamar. 
terugweg [de], retro-via. 
terugwerken, reaktar. 
terugwerking [de], reakta- 

sion (reaksion). 
terwijl, duran^ ke. 
ter zijde, flankc?. 
testament [het], testament. 
testeren, testamentar. 
tetanies, a. tetaniA;. 
tetanus [de], tetan. 
teugel [de], brid, 
teugelen, bridar. 
teuggelloos, a. lisensiod. 
teugelloosheid [de], lisensio- 

siteL 
te voren, avans6. 
tevreden, a. kontent. 
tevredenheid [de], konten- 

titet. 
tevredenstellen, satisfaktar. 
te werk gaan, prosedar. 
textiel, a. tekstil. 
tans, ^tempg. 
thaler [de], talr. 
thallium [het], talium. 
theater [het], teatr. 
thema [het], tem. 
theologie [de], teologi. 
theologies, a. teologüA;. 
theoloog [de], teologÜst. 
theoretikus [de], teoretiker. 
theoreties,a.teoriiA;(teoretik). 



390 



theorie — toegang 



theorie [de], teopl. 

thermometer, termometer 
[de], ter?nometr. 

Thessalië [het], Tesalia. 

thesis [de], tes. 

thorium [het], torium. 

thuis, te huis, dom^. 

ticket [het], tiket. 

tien, des. 

tiendaags, a. dekaélurnik. 

tijd [de], temp. lange — , 
longe. op die — , Mempe. 
te gelegener — , oportune. 
te gelijker — , simultane. 
te zijner — , sue-tempr\ ten 
allen — e, in omni temp. 
ten — e van, in temp de. 
onvoltooid tegenwoordige 
— , present voltooid tegen^ 
woordige — , perfeict. on- 
voltooid verleden — , im- 
perfelct. voltooid verleden 
— , plusl(uamperfekt. on- 
voltooid toekomende — , 
futur. voltooid toekomende 
— , futur perfekt. 

tijdelik, a. temporar; tem- 
poral (wereldlik). 

tijdens, in temp de. 

tijding [de], avis. 

tijdmaat [de], takt. 

tijdperk [het], period. 

tijdrekening [de], era. 

tijdrekenkunde [de], krono- 

logi. 



tijdrekenkundig, a. kronolo- 
g^iik (kronologik). 

tijdruimte [de], period. 
tijdschrift [het], diurnal. 
tijdstip [het], epok. 
tijdvak [het], period. 
tijger [de], tigr. 
tijm [de], tim. 
tikken, tikar. 
tillen, levar. 
timide, a. timt^. 
timiditeit [de], iïmiditet, 
timmeren, karpentar. 
timmerman [de], karpen- 

iator. 
tin [het], stan. 
tinktuur [de], tintur. 
tint [de], tintad 
tiran [de], tiran. 
tiranniek, a. tirant'A;. 
Tirol [het], Tirol. 
titanium [het], titan. 
titel [de], titul, 
titelen, titular. 
tituleren, titular. 
tobbe [de], kuf. 
tobben, skruplar. 
tochtscherm [het],/)aravent. 
toebehoren, apartenar. 
toedelen, ad-yudikar. 
toeëigenen; zich — , apro- 

priar. onrechtmatig — , 

USUrpar. 
toegang [de], \n\rad (plaats); 

Intrasion (handeling). 



toegenegen — tomen 



391 



toegenegen^ a. devot. 

toegeven, kondesendar. 

toegevend, a. indulgent. 

toegevendheid [de], indulgen- 
\itet (indulqens). 

toegevoegd zijn, esar ad- 
yunkXed. 

toegrendelen, barar. 

toehoren, audiai'. 

toejuichen, akiamar. 

toejuiching [de], aklamosiort. 

toekennen, ad-yudikar. 

toekijken, spektar. 

toeknepen, butonar. 

toekomst [de], futur. 

toekomstig, a. futu)*. 

toelaten, admitar; tolerar 
(gedogen). 

toeiuisteren, auskultar. 

toen, adv . tetbmpe; k. kuande. 

toer [de], tur. 

toereiken, tendar; sufisar 
(voldoende zijn). 

toereikend, a. sufisiA;. 

toerekenen, imputar. 

toerijgen, lasear. 

toerist [de], turis^ 

toernooi [het], turnir. 

toeroepen; iemand — , Wa- 
rnar a kh. 

toerusten, preparar. 

toerusting [de], preparaaion. 

toeschouwer [de], spekta^. 

toeschrijven, imputa)*. 

toespeling [de], aludtmor». 



toespraak [de], apostrofacl. 
toespreken, apostrof^r . 
toestaan, permitar 
toestand [de], stand. 
toestel [de, het], aparat. 
toestemmen, konsentar. 
toestemming [de], konsent. 
toestoppen, tamponar. 
toets [de], klavL 
toetsebord [het], klavia?. 
toeval [het], fortuit; hasard. 
toevallig, adv. aksidenté. 
toevertrouwen, konfidar. 
toevlucht [de], refugi. — 

nemen, refiigiai* 
toevluchtsoord [het], asil. 
toevoegen, ad-yunktar. 
toevoegsel (het], augment. 
toewijden, dedikar. 
toewijzen, ad-yudikar. 
toezeggen, prometar. 
toezegging [de], promet. 
toezien, spektar. 
toga [de], tog. 
toilet [het], toalet.- 
tol [de], duan. — betalen, 

payar duan. 
tolereren, tolerar 
tolbeambte [de], duaner. 
tolhuis [het], duanm. 
tolk [de], interpret. 
tomaat [de], tomat. 
tombak [het], tombak. 
tombe [de], tomb. 
tomen, bridar. 



392 



ton — transport 



ton [dej, trn. 

toneel [het], skeii. 

toneelkijker [de], binoM. 

toneelspeelster [de], aktora. 

toneelspel [het], dranat 

toneelspeler [de], aktor. 

tonen, monstrar. 

tong [de], lanq (in de mond). 

tongval [de], idiom. 

tooien, dekorar. 

toom [de], brid. 

toon [de] ton; ped-digit 

(teen), halve — , semiion, 

eerste — , ton prlm. tweede 

-—, ton sekund. 
toonaard [de], ton. 
toondichten, komposar. 
toondichter [de], komposa^. 
toonladder [de], skal. 
toorn [de], koler. 
toornen, kolerar. 
toornig, a. kolero«. 
toorts [de], topk. 
toost [de], tost. 
toosten, tostar. 
top [de|, somlt. 
topaas [do, het], topas. 
topograaf [de], topograf. 
toppunt [het],kulmln. het — 

bereiken, kulminar. 
tor [de|, skarab. 
toren [de], tUPJ, 
torment [het], torment. 
tormenteren, tormentar. 
tornooi [het], turnir. 



torpedo [de], 

tortuur [de], toiïur. 

tot, Hsk. — nu toe. — dus- 
ver, ttsk siitmpe. 

totaal, a. total, adv. totale. 

totaal [het], totalit^e. 

totdat, usk ke. 

tourneren, tiirnar. 

touw [het], kordon. 

tovenaar [de], magi^. 

toveren, magiar. 

toverij [de], magi. 

toverkunst [de], magi. 

traag, a. inert. 

traagheid [de], inertit^t. 

traan [de], lakrim (oogvocht); 
pisk-gres. 

tracee [het], tras. 

traceren, trasa)*. 

trachten, aspirar. 

traditie [de], tradislon. 

traduceren, tradukar. 

traduktie [de], ïrdiAukaaion 
(traduksion) . 

tragedie [de], tragedl. 

tragies, a. tragiA;. 

traite [de], trat. 

traliewerk [het], treliaj. met 
— sluiten, Mosar medlt^ 
treliaj. 

transaktie [de], transaksion. 

transitief, a. transltiv. 

transito [het], transit. 

transparant, a. transparant. 

transport [het], transport. 



trans portabel — tro ra m elen 



393 



transportabel, a. transpor- 
iabl. 

transporteren, transportar . 

transpireren, transpirar. 

transversaal, a. transversai, 
adv. transversale. 

trap [de], skal; grad. — van 
vergelij king, grado^ion . 
stellende — , positiv. ver- 
grotende -—, komparativ. 
overtreffende — , super- 
lativ. 

trapeze [de], trapes. 

trapezium [het], trapes 

(geom.). 

trappen, kalkar. 

trapper [de], kalka^or. 

tratte [de], trat. 

travesteren, travestiar. 

travestie [de], travesti. 

tred [de], pasu. 

treden, pasuar; kalkar. 

treder [de], kalkator. 

treeft [de], ^nped. 

trein [de], tren. 

trek [de], traktu. 

trekken, traktuar (voorttrek- 
ken); tirar (rukken); ml- 
grar (zwerven), heen en 
weer —-, ambuJar. 

trem [de], tram. 

trembleren, trembi ar. 

trepaan, trepaneerboor [de], 
trepan. 

trepaneren, trepanar. 



tres [de], tres. 

treuren, v. intr. luktuar. — 

over, V. trans, deplorar. 
treurig, a. trist; luktuo8. 
treurigheid [de], trlsti^t. 
treurspel [het], tragedi. 
treuzelen, morar. 
triangel [de], irianaul. 
tricycle [de], trisikl. 
triest, a. trist. 
triestheid [de], trlsUtet 
trikot, triko [het], trIkot; 
trillen, tremblar; vibrar. 
triller [de], trill. een —slaan, 

triliar. 
trilling [de], vibroMon. 
trillioen, triljoen [het], kuin- 

tllion 
(1 .(X)0.000.000.000.(X)0.000). 
triniteit [de], trinitet. 
trio [het], trIo. 
triomf [de], trlumf. 
triomfeerder [de],trlumfator. 
triomferen, triumfar. 
tripel, a. Mupl (tripl). 
triumf [de], triumf. 
trocheus [de], troké. 
trocheïes, a. trokeiA;. 
troep [de], trup. 
trofee [de], trofé. 
trog [de], lign-vas. 
trom [de], tambur. 
trombone [de], trombon. 
trommel [de], tambur. 
trommelen, tamburar. 



394 



tromp— -tussenwerpsel 



tromp [de], probosk. 

trompet [de] , trompet, op de 
— blazen, trompetar. 

trompetten, trompetar. 

tronk [de], tronk. 

tronkeren, tronkar. 

troon [de], tron. 

troonhemel [de], baldakin. 

troop [de], trop. 

troosten, konsolar. 

tropen [de], tropikia (keer- 
kringslanden). 

tropies, tropikian (tot de tro- 
pen behorende) ; troptA; 
(oneigenlik). 

trots, a. orgulo8. — zijn op 
iets, esar orgulos d! kk. 

trots [de], orgul. 

trots, prep. obstint^. 

trotseren, obstinar. 

trolsering [de], obsWnddon. 

trotsheid [de], orgul. 

trottoir [het], trotoar. 

trouw, a. fidel. 

trouw [de], fideli^^. 

trouweloos, a. perfld. 

trouweloosheid [de], perfl- 
iitet, 

trouwen, maritar. 

trouwheid [de], fidelt^e^ 

trufïel [de], trufl. 

tsaar [de], tsar. 

Tsjech [de], cekh. 

tsjirpen, griUklamar. de kre- 
kel tsjirpt, gril klam. 



tube [de], tub. 

tuberkel [de], tuberkl. 

tuberkuleus, a. tiiberklos. 

tuchtigen, kastigar. 

tuchtiging [de], kastigo^ton. 

tuig [het], harnes (paarde- 
tuig). het — aandoen, har- 
nesar. 

tuigen, harnesar. 

tuighuis [het], arsenal. 

tuin [de], hort. 

tuingereedschap [het], uten- 
slli de hort. 

tulband [dej, turban (hoofd- 
deksel). 

tule [de], tul. 

tulp [de], tulip, 

tumult [het], tumultu. 

tumultueren, tumultuar. 

tunnel [de], tunel. 

turf [de], torf. 

Turkije [het], Turkio. 

turks, a. turk. 

turmalijn [de], turmalin. 

turnen, gimnastikar. 

tussen, intr. er — , Intre. 

tussenbeide komen, mediar. 

tussenkomst [de], media- 
8i(yn. 

tussenruimte [de], IntervaL 

tussenspel, [het], intr-lud. 

tussentijd [de], interval. 

tussen verdieping [de], me- 
sanin. 

tussenwerpsel [het] . inter- 



twaalf— uiterst 



395 



yeksion. 

twaalf, desdu. 

twee, du. 

tweede, dutm (sekund). 

tweedracht [de], diskord. — 
stoken^ disünïar. 

tweegevecht [het], duel. 

tweeklank [de], diftong. 

tweeling [de], gemel. 

tweemaal, du/oa. 

tweernen, torsar. 

tweespannig, a. bikBVdlik, 

tweespraak [de], dialog. 

tweetalig, a. biWnqmk. 

tweevoudig, a. Auupl (dupl). 

tweewieler [de], bisikl. 

tweezijdig, a. biHeinkiL 

twijfel [de], dubi. 

twijfelachtig, a. dubios. 

twijfelen, dubiar. aan iets 
— , dubiar di kk. 

twijg [ds], pam. 

twijnen, torsar. 

twintig, dudes, 

twist [de], diskord (onenig- 
heid); icuerel (geschil). 

twisten, kuerelar. 

twistpunt [het], kontrovers. 

tyfus [de], tif. 

type [het], tip. 

typograaf [de], tipograf. 

U. 
u, sing. vo; pi. vot. 



ui [de], bulb. 

uier [de], mamel. 

uil [de], ui. 

uit, eks. 

uitademen, eks-re8pirar(ek8- 
piPar). 

uitbarsten, eksplodar. 

uitbijten, kauterisar. 

uitblazen; de laatste adem 
- , eks-respirar (ekspirar). 

uitbloeien, de-florar. 

uitblussen, ekstinguar. 

uitbotten, botonar. 

uitbranden, kauterisar. 

uitbreiden, propagar (ver- 
spreiden) ; eks-tendar (uit- 
strekken). 

uitbreiding [de], propaga- 

8i07l. 

uitdagen, provokar. 
uitdampen, transpirar. 
uitdelen, distrlbuar. 
uitdenken, inventar. 
uitdiepen, profund^^^ar. 
uitdoven, ekstinguar. 
uitdrijven, eks-movar. 
uitdrukken, eks-presar ; eks- 

primar (uitspreken), 
uitdrukking [de], ekspresion. 
uiteenzetten, eksplikar. 
uiten, eksprimar. 
uiterlik, a. eksterior, adv. 

eksterior^. 
uiterst, a. ekstrem, adv. ek- 

stremt. 



396 



uiterste— uitstromen 



uiterste [het], ekstremi^^ 
uitgaaf, uitgave [de], spend; 

edita^on (edision). 
uitgaan, eks-andar. 
uitgang [de], ek8trad;flniac? 

(gram.), 
uitgebreid, a. vast. 
uitgelaten, a. lisensios. 
uitgelatenheid [de], lisensi- 

ositeL 
uitgestrekt, a. vast. 
uitgeven, spendar ; editar (in 

druk), 
uitgever [de], editator (edi- 

top). 
uitgezonderd, ekseptu. 
uitgieten, eks-versar. 
uitglijden, eks-glisar. 
uitgraven, eks-numar. 
uitheems, a. eksottA;. 
uithollen, kavernar. 
uitkiezen, selektar. 
uitkleden, de-vestar. 
uitkomen; doen — , markar. 
uitkomst [de], resultad 
uitlachen, de-ridar. 
uitleggen, eksplikar. 
uitlopen, botona)* (uitbotten), 
uitmuntend, a. eminent. 
uitnemend, a. eminent. 
uitnodigen, invitar. 
uitpakken, dtspaketar. 
uitpersen, eks-presar. 
uitrekenen, kalkular. 
uitrekening [de], kalkul. 



uitrekken, tendar. 
uitroeien, de-radikar. 
uitroepen, eks-klamar. 
uitroeping [de], eks-klama- 

sion. 
uitroepingsteken [het], sign 

de eks-klamasion. 
uitrusten^ ekipar; kuietar 

(rusten), 
uitrusting [de], ekipo^'. 
uitscheiden, flniar. 
uitslag [de], resultod; pustul 

(huiduitslag), 
uitsluiten, eks-klosar. 
uitsluitend, a. eksklusiv, adv. 

eksklusivê. 
uitspannen ; zich — , pekrear. 
uitspanning [de], rekreosion. 
uitspansel [het], firmament. 
uitspraak [de], pronunsia- 

8io7i; sentens (rechterlik) . 
uitspreid en , eks-tenda?* . 
uitspreken, pronunsiar; eks- 

primar (uiten), 
uitspruiten, germinar. . 
uitspruiting [de], germina- 

8ion. 
uitstaan, sufrar (lijden), 
uitsteken, tendar. 
uitstekend, a. eminent. 
uitstellen, adiurnar. 
uitsterven, eks-moriar. 
uitstorten, eks-versar. 
uitstrekken, eks-tendar. 
uitstromen, eks-fluar. 



uittering — utiliseren 



397 



uittering [de], marasm. 
uittrekken, ekstraktar. 
uittreksel [het], ekstrakt. 
uitvinden, inventar. 
uitvinder [de], inventa^or 

(inventor). 
uitvinding [de], inventadton 

(invension). 
uitvloeien, eks-fluar. 
uitvlucht [de], subterfugi. 
uitvoer [de], eksport. 
uitvoerbaar, a. praktika&Z. 
uitvoerbaarheid [de], prak- 

WkabliteL 
uitvoeren, eksportar; efek- 

tuar; eksekutar. 
uityorsen, eksplorar; inves- 

tigar. 
uitwasemen, transpirar. 
uitweg [de], ekspedient. 
uitwendig, a . eksterior, adv. 

eksterior^ 
uitwerken, eks-iaborar. 
uitwerking [de], efekt. 
uitwerpsel [het], ekskrement. 
uitwisisen, ekspiar (lig.), 
uitwissing [de], ekspioston. 
uitzetten, ekspandar. 
uitzicht [het], aspekt. 
uitzien, sembia?* (schijnen), 
uitzoeken, selektar. 
uitzonderen, ekseptar. 
uitzondering [de], eksept. 

met — van, ekseptu. 
uitzweten, transpirar. 



ulaan [de], ulan. 
ulcereren, ulserar. 
ulterieur, a. ulterior. 
ultimatum [het], ultim^t. 
ultramarijn [het], ultrama- 

rin. 
ultraviolet, a. ultraviolet. 
unaniem^ a. unanim, adv. 

unanim6. 
unanimiteit [de], unanimi^^. 
unduleren, undular. 
unie [de], union. 
uniek, a. unik. 
uniëren, uniar. 
uniform [de], uniform. 
uniformeren, uniformar. 
uniteit [de], UïïiteL 
universeel, a. universal. 
universiteit [de], universitet. 
ureter [de], ureter. 
urethra [de], uretr. 
urgent, a. urgant (urgent). 
urgeren, urgar. 
uranium [het], uran. 
urine [de], urin. 
urineren, urinar. 
urn [de], urn. 
Uruguay [het], Uruguay. 
usufructus, usufruit [het], 

usufruktu. 
usure [de], U8ur. 
usurpator [de] , usurpator. 
usurperen, usurpar. 
utensilieën [de], utensilt. 
utiliseren, utilisar. 



398 



utiliteit — vast 



utiliteit [de], utiltte^. 
Utopia [het], utopm. 
utopie [de], utopta. 
utopies, a. utopiA;. 
utopist [de], utopiat. 
uur [het], ure [de], hoP. 
uurwerk [het], hovmetr. 
uw, sing. votr; pi. vostr. 

V. 

vaag, a. vag. 

vaak, frekuenté. 

vaal, a. falb. 

vaandel [het],^ standart. 

vaardig, a. agil. 

vaartuig [het], nav. 

vaarwel! a Deo! 

vaas [de], vas. 

vader [de],.patr. Onze Va- 
der [het], patrnostr. 

vaderland [het], patrta. 

vaderlandsgezind, a. patrio- 
\ik 

vaderons [het], patrnostr. 

vagebond [de], vagabund. 

vagebonderen, vagabundar. 

vagina [de], vagin. 

vakant, a. vaku. 

vakantie, vakansie [de], va- 
kans. 

vakcinatie [de] , vaksinosion. 

vakcine [de], vaksin. 

vakcineren, vaksinar 

val [de], kad (het vallen); 



trap, atrap (om te vangen), 
valeren, valar. 
valeriaan [de], valerian. 
valeur [de], valor. 
valide, a. veMd. 
validiteit [de], weAiditet 
valk [de], falkon. 
vallei [de], val. 
vallen, kadar. — de ziekte, 

epilepsi. in de rede — , 

interumpar. 
val«:, a. fals. 
valsheid [de], feAsitet, 
valstrik [de], atrap. 
valuta [de], valut. 
vampier [de], vampir 
van, de; da. — af, da. 
vanadium [het], vanad. 
vandaag, aiAinrne, 
Vandaal [de], vandal. 
vandaar, da te\oke. 
vandalisme [het], vandali^m. 
vaneenscheuren, laserar. 
vangen, kaptar ; atrapar (in 

een val of strik), 
vanielje [de], vanili. 
varen [de], filis. 
varen, v. navigar. hoe vaart 

u? kuale vo stand? 
variabel, a. variaèZ. 
variatie [de], varloaion. 
variëren, variar. 
variëteit [de], varietet. 
varken [het], pork. 
vast, a. firm; solid. 



vastberaden— velocipedist 



:399 



vastberaden, a. resolut. 
vasteland [het], kontinent. 
vasten [de], karem. 
vasten, v. karemar. 
vastentijd [de], karem. 
vastheid [de], tirmitet; sol!- 

Aitet 
vasthouden, tenar. 
vasthoudend, a. tenas. 
vasthoudendheid [de], tena- 

sitet. 
vastklinken, rivetar. 
vastmaken, fiksar. 
vastsnoeren, lasear. 
vaststeken, fiksar. 
vaststellen, statuar. 
vat [het], vas; tun (ton). 
vatbaar, a. kapabl. 
vatbaarheid [de], kSijfabMtet, 
Vatikaan [het], vatikan. 
vatikaans, a. yaiikanik. 
vatten, sisar; komprendar 

(begrijpen), 
vazal [de], vasai. 
vechten, kombatar. 
veel, a. muit, adv. mult6. 
veeleer, plu volontar^. 
veelheid [de], muWiteL 
veelhoek [de], po^tangul. 
veelhoofd ig, a. poliksipik. 
veelkleurig, a. vari-kolortA;. 
veelkleurigheid [de], vari- 

kolor. 
veelkoppig, a. polikeLjf^k. 
veelvoudig, a. multt^p^. hoe — , 



kueiïïXupl. 
veer [de], plum; pesop 

(springveer), 
veerkracht [de], e\SLStikitet 

(elastisitet). 
veerkrachtig, a. elasttA;. 
veertig, kuatpdes. 
vegen, svipar. 

vegetabilieën [de], vegetabili. 
vegetariër [de], vegetapjan. 
vegetaries, a. vegetepian. 
vegetarisme [het], vegetari- 

anism. 
vegetatie [de], vegetaaton. 
vegeteren, vegetar. 
vehement, a. vehement. 
vehikel [het], vehikl. 
veilen, auksronar. 
veilig, a. sekup. 
veiligheid [de], sekuptte^. 
veiling [de], aukslon. 
veinzen, simular. 
veinzerij [de], simula^on. 
vel [het], fuP. — papier, 

papip-foli. 
veld [het], kamp; plas (op 

het schaakbord), 
veldkijker [de], binokl. 
veldslag [de], batali. 
veldtocht [de], kampani. 
velerlei, a. vapios. 
velg [de], anel poK*;. 
vellen, abatar. 
velocipède [de], velosiped. 
velocipedist [de], velosipedtse. 



400 



velociteit — verborgen 



velociteit [de], yblositet, 
vendu [de, het], vend. 
venerabel, a. venera6Z. 
veneratie [de] , venercmon . 
venereren, venerar. 
Venezuela [het], Venesuela. 
venijn [het], venen, 
venkel [de], fenul. 
venster [het], fenestr. 
ventiel [de], valv. 
ventilatie [de], ventilasion. 
ventilator [de], ventilator. 
ventileren, ventilar. 
ver, verre, a. distant. 
verachten, kontemtar. 
verachting [de], kontemt 
veraciteit [de], verasttet. 
verafschuwen, abominar. 
veranderen, miitar; vapiar 

(afwisselen), 
verandering [de], varioston. 
veranderlik, a. wariabL 
veranderlikheid [de], vaPia- 

blitet. 
verantwoordelik, a. respon- 

Aabl. 
verantwoordelikheid [de], 

responda&^t^^. 
verantwoorden, respondar. 
verarmen, povreskar. 
verbaasd zijn, esar surprised. 
verband [het], koneks; ban- 

iaj. in — staan, avar 

koneks. 
verbannen, eksilar; relegar 



(wegzenden), 
verbanning [de], eksil; pele- 

gaston. 
verbasteren, degenerar. 
verbazen; zich — ,esarsur- 

prised. 
verbeelden; zich — , imaginar. 
verbergen, okultar. 
verbeteren, plu-bont^A;ar ; 

korigar; rbktifikar, 
verbetering [de], korigo^on 

(koreksion). vatbaar voor 

— , koriga^Z. 
verbeterlik, a. koriga&Z. 
verbeurdverklaren,konfiskar. 
verbieden, inhibiar. 
verbijsterd, a. perpleksed. 
verbijstering [de], perplek- 

siieL 
verbinden, koneksar; uniar; 

konfederar. 
verbitteren, afliktar. 
verbleken, palid^sA;ar. 
verblijden, gaudiar. zich — , 

gaudiar se. 
verblijdend, a. yukund. 
verblijf [het], sejurn, 
verblijven, sejumar. 
verblinden, sleki^to'. 
verbloeden, eks-sanguinar. 
verbluffen, perpleksar. 
verbluft, a. perpleks^cT. 
verbond [het], liga; federa- 

sion; konfedero^on. 
verborgen, a. arkan. 



verbranden — verdriet 



401, 



verbranden, kombustar. 
verbreden, largt^/f ar. 
verbreiden, propagar. 
verbreiding [de] , propaga- 

sion. 
verbreken, disfranga/'. 
verbrijzelen, frakasar. 
verbrijzeling [de] ; — des 

harten, kontritac^. 
verbroederen; zich — , fpa- 

ternisar . 
verbroedering [de], fratemi- 

sasion . 
verbrokkelen, mopselar; par- 
sela r. 
verbruik [het], konsum. 
verbruiken, konsumar; eks- 

usar. 
verbuigen, deklinar (grarn.). 
verbuiging [de], deklinasion. 
verbum [het], vepb. 
verdagen, adiurnar. 
verdedigen, defendar. 
verdediger [de], defendator. 
verdediging [de],defendaston. 
verdeeldheid [de], diskord. 
verdek [het], dek. 
verdelen, divida? ; partiar; 

distribuar. 
verdelingsgetal [het], nume- 

rativ distributiv. 
verdelgen, destruktar. 
verdenken, suspektar. 
verdenking [de], suspekt. 
verder, a. ulterior, adv. ui- 



teriope. 

verderf [het], ruinaston. 
verdichten, kondensar; fingar. 
verdichting [de], kondensa- 

sion, 
verdienen, ganiar; meritar. 

zijn brood —, ganiar pan. 
verdienste [de], ganiacZ; me- 

rit. 
verdiepen, profundi^/car. 
verdieping [de], etaj. 
verdiept; in iets — zijn, me- 

ditar profunde di kk. 
verdikken, kondensar (trans.); 

koagular (intr). 
verdikt [het], verdikt. 
verdoemen, kondamnar. 
verdoeming [de], kondamna- 

sion . 
verdonkeremanen, defraudar. 
verdonkeremaning [de], de- 

fraudaaton. 
verdorven, a. pervers, adv. 

perverse. 
verdorvenheid [de], perver- 

siteL 
verdoven, narkotisar. 
verdovend, a. narkotlsan^ 
verdoving [de],narkoti8aston. 
verdraaien, karikar. 
verdrag [het], pakt; kon- 
vension. 
verdragen, sufrar (lijden), 
verdriet [het], afliksion. — 

aandoen, afliktar. 

26 



402 



verdrieten — vergetelheid 



verdrieten, afliktar. 
verdrijven, eks-movar. 
verdrukken, opresar. 
verduideliken, eksplikar. 
verduisteren, eklipsar (van 

een hemellichaam); de- 

fraudar (van waarde), 
verduistering [de], eklips; 

defraudaston . 
verduitsen, tradukrrr in [lln- 

gu] german. 
verdunnen, VBViJikar. 
verduren, sufrar. 
verdwalen, aberar. 
verdwijnen. disapaPar- 
vereenvoudigen, simpMfikar, 
vereenvoudiging [de], sim- 

pKfikdaion . 
vereerder [de], venerator, 
vereeuwigen, BiBmifikar, 
vereffenen, ad-yustar. 
vereisen demandar. 
vereiste [het], rekuisit. 
verenen, unia?\ 
verengen, 8tpeti/ïA;ar . 
Verenigde Stateft [de], Statt 

Unied. 
verenigen, uniar. 
vereniging [de], union; klub. 
vereren, venerar; honorar; 

adorar. 
verering [de], venercuton; 

honoraaion. 
verergeren, p\u-ma\ifikar . 
veretteren, uiserar. 



verf [de], tint. 
verfijnen, raflnar. 
verflensen, flaksid^sA^ar. 
verflensd, a. flal(sid. 
verfoeien, abominar. 
verfoeiing [de] , abomino^n. 
verfoeilik, a. aboniina6L 
verfraaien, bbUfikar, 
verfrissen, rrfreskar. 
vergaderen, konventar. 
vergadering [de], konvent. 
vergankelik, a. fugas. 
vergankelikheid [de], fuga- 

sitet, 
vergasten, regalar. 
vergeefs, a. van, adv. vane. 

te — , vane. 
vergeetachtig, a. oblivioüt. 
vergeetachtigheid [de], obli- 

Viositet. 
vergeet- mij -niet [de], miosot. 
vergelden, rekompensar . 
vergelding [de], rekompen- 

Sasion. 
vergelijken, komparar. 
vergelijking [de], kompara- 

81071 . 

vergemak keuken, fasili^A^r-. 
vergenoegd, a. l(ontent. 
vergenoegdheid [de], konten- 

üteL 
vergenoegen [het], plesir. 
vergenoegen; zich — , esar 

kontent. 
vergetelheid [de], obli vioaion 



vergeten — verjaardag 



403 



(oblivion). 
vergeten, obliviar. 
vergeven, pardonar. 
vergeving [de], pardon. 
vergezellen, kompanar. 
vergezicht [het], perspektiv. 
vergieten, misversar. 
vergif, vergift [het], venen. 
vergiffenis [de], pardon, om 

— vragen, pregar pardon. 

— schenken, pardonar. 
vergiftig, a. venenos. 
vergiftigen, venenar. 
vergissen; zich — , erar. 
vergissing [de], eror. 
verglaasbaarheid [de], vjtres- 

kablileL 
verglazen, yWreskar (intr.) ; 

vitri^^ai' (trans.), 
vergoden, Amfikar. 
vergoeden, boni^ /car ; rekom- 

pensar. 
vergoeding [de], rekompen- 

Sdsion. 
vergramd, a. koleros. 
vergroten, grandt^/car; pluar 

(vermeerderen), 
vergulden, aupar. 
vergulding [de], aurasion. 
vergunnen, permitar; lisen- 

siar. 
vergunning [de], permit; li- 

sensi. — hebben tot, avar 

permit a. met — van, ko 

permit de. 



verhaal [het], naroaion. 
verhalen, narar. 
verhandeling [de], 8kriba(2 

(geschrift), 
verharden, éuriflkar. 
verheerliken, glorifikar. 
verheerliking [de], glorlfl- 

kasion. 
verheffen, elevar. 
verhelen, okultar. 
verhelpen, remediar. 
verheugd, a. gaudios. 
verheugen, gaudiar. zich — , 

gaudiar se. 
verheven, a. subiim; eminent; 

relief t/r (van beeldwerk), 
verhevenheid [de], altt^^ 

(hoogte), 
verhinderen, impediar. 
verhitten, keAidifikar, 
verhogen, elevar. 
verhoren, eks-audiar ; intero- 

gar (ondervragen), 
verho vaardigen; zich — op 

iets, esar orgulos di kk. 
verhouding [de], proporsion; 

reiasion. in — brengen, 

proporsionar. 
verhuizen, mutar domisil. 
verhuren, prestar \uade, 
verifiëren, verificeren, vepi- 

fikar, 
verifikatie [de], swijikcmon. 
verijdelen, frustrar. 
verjaardag [de], aniversar. 



404 



verjagen — verlokking 



verjagen, eks-movar. 
verjongen, yunifikar. 
verkalken, kalsinar. 
verkeer [het], komunikasion ; 

relasion (betrekking), 
verkeerd doen, fasiar n^ko- 

rekte. 
verkeerstaal [de] ; algemene 

— , lingu universal. 
verkeren met, frekuentar. 
verkieslik, verkieselik, a. 

prefera^?. 
verkiezen, preferar; selektar 

(kiezen), 
verklaren, eksplikar; dekla- 

rar. 
verkleden, travestiar. 
verkleding [de], travestt. 
verkleinen, minuar. 
verklikken, denunsiar. 
verkondigen, anunsiar. 
verkoop [de], vend. 
verkoden, vendar. bij opbod 

— , auksionar. 
verkorten, abreviar. 
verkorting [de], abrevictaion. 
verkouden worden, friqadar 

se. 
verkoudheid [de], fpigad; 

nas-katar. 
verkrachten, violar. 
verkrachting [de], violaston. 
verkrijgen, obtenar. 
verkwikken, restaurar. 
verkwisten, prodigar. 



verkwistend, a. prodigi/c. 

verkwister [de], prodig. 

verkwisting [de], prodiga- 
sio7i, 

verlammen, parali8ar(trans.); ■ 
deveniar misandant. 

verlamming [de], paralis. 

verlangen [het], demand. 

verlangen, v. demandar ; fla- 
gitar. 

verlaten, abandonar. zich — , 
konfldar. 

verlaten, a. desert. 

verlenen, donar. 

verlegen, a. Wmld, 

verlegenheid [de], WmidileL 

verleiden, sedukar. 

verlengen, prolongar. 

verlenging [de], prolonga- 
sion, 

verlevendigen, animar. 

verlichten, lumar; iluminar; 
fBsWifikar (vergemakkeli- 
ken); minuar (verminde- 
ren). 

verliefd, a. amoros. 

verliefdheid [de]^smorositet, 

verlies [het], perd. 

verliezen, perdar. 

verlof [het], permislon (om 
afwezig te zijn); permit 
(veroorloving) ; lisensi (be- 
voegdheid). 

verlokken, alektar. 

verlokking [de], alektasion. 



verloochenen — verondersteld 



405 



verloochenen, negar. 
verloochening [de], negadton. 
verloofde [de] , flans^do ; 

fianseda. 
verloren raken, esar perAed, 
verlossen, redimar ; Wbrifikar, 
verlosser [de], redimator (re- 
demptor). 
verlossing [de], redlma«ion 

(redempsion). 
verloven, flansar. 
verloving [de], flanso^on. 
vermaagschapt, a. parent. 
vermaak [het], plesir. 
vermaard, a. selebr. 
vermaardheid [de], selebri- 

teL 
vermaken, amusar.bij erfenis 

— , trans, mitar hered^. 
vermalen, molinar. 
vermanen, monitar. 
vermaning [de], monit, 
vermeerderen, pluar; aug- 

mentar. 
vermeerdering [de],augmen- 

tdsion, 
vermelden, mensionar. 
vermelding [de], mension. 
vermengen, miksar. 
vermenigvuldigen, multipli- 

kar. 
vermetel, a. temer. 
vermetelheid [de], Umritet. 
vermeten; zich — , riskar. 
vermijden, evitar. 



vermiljoen [het], vermilion. 
verminderen, minuar (trans.); 

minueskar (intr.). 
verminken, mutilar. 
vermissen, netruvar. 
vermoeden [het], konvektur. 
vermoeden, v. konyekturar. 
vermoeid, a. fatig^a. 
vermoeidheid [de], fatig. 
vermoeien, fatigar. 
vermoeienis [de], fatig. 
vermogend, a. potent (mach- 
tig); rik (rijk), zeer — , 

opuient. 
vermooien, bBMfikar. 
vermoorden, asasinar. gru- 

welik — , masakrar. 
vermoorder [de], asasinator. 
verraoording [de], asasina- 

sion, 
vermorzelen, fl*aka8ar. 
vernauwen, stretifikar. 
\ernederen, btisifikar. 
vemeembaar, a. distinkt. 
vernemen, aprendar. 
vernielen, destruktar. 
vernietigen, anular; ekstin- 

guar. 
vernieuwen, renovar. 
vernikkelen, niklar. 
vernis [het], vernis. 
vernissen, vemisar. 
veronachtzamen, negligar. 
verondersteld dat, suposanto 

ke. 



406 



veronderstellen— verschonen 



veronderstellen, suposar. 
verongelukken, periar. 
verontrusten, agitar. 
verontschuldigen, ekskusar. 
verontwaardigen ; zich — , 

indiniar. 
veroordelen, kondamnar. 
veroordeling [de], kondam- 

nasion» 
veroorloven, permitar ; lisen- 

Har. veroorloofde zaak 

[de], lisensiad. 
veroorloving [de], permit. 
veroorzaken, kausar. 
verordenen, ordona)*; statuar 

(vaststellen), 
verordening [de],ordona8ion. 
verouderen, ansiane^A^ar. 
veroveraar [de], konkuista- 

tor. 
veroveren, konkuistar. 
verovering [de], konkuist. 
verpakken, paketar. 
verplaatsen, permutar. 
verplaatsing [de], permuto- 

sion. 
verplegen, alimentar. 
verpleging [de],alimenta«ion. 
verpletteren, frakasar. 
verplichten, obligar. 
verplichting [de], obligasion. 
verpozen, pausar. 
verpozing [de], paus. 
verraad [het], tradit. 
verraden, traditar. 



verrassen, surprisar. 

verrassing [de], surpris. 

verrekijker [de], teleskop. 

verrichten, prestar; efektu- 
ar (uitvoeren). 

verrichting [de], prtstasion. 

verrijken, riki fikar, 

verrot, a. putr. 

verrotten, puXreskar, 

verrotting [de], putreskasion. 

verruilen, kambiar. 

verruiling [de], kamblosion. 

verruimen, BJnpH fikar. 

verrukkelik, a. delisio^. 

verrukken, paviar. 

verrukking [de], ravioston; 
ekstas. 

vers, a. nov. 

vers [het], vers. verzen ma- 
ken, yersifikar, 

verschaffen, prokurai*. 

verscheiden, a. divers ; varios. 

verscheidenheid [de], vaPlo- 
dtef, 

verscheuren, rtiptar; laserar 
(van vlees). 

verschieten, pMAeskar (ver- 
bleken). 

verschijnen, aparar. 

verschijnsel [het], fenomen. 

verschil [het], diferens. 

verschillen, diferar. 

verschillend, a. divers; va- 
rios. 

verschonen, ekskusar. 



verschrikken — vertolker 



407 



verschrikken, teroPar(trans.). 

verschuilen, okultar. 

verschuiven, adiurnar (uit- 
stellen). 

versie [de], version. 

versieren, dekorar. 

versiersel [het], dekor. 

versifiëren, versificeren, ver- 
sifikar. 

verslag [het], raport. — 
geven, raportar. 

verslim meren, plu-maK^Arar. 

verslinden, devorar. 

versmallen, stVBtifikar. 

versnellen, akselerar. 

versnelling [de] , akselero^ion.. 

versnijden, diskupar, 

versperring [de], barikad. 

verspillen, prodigar. 

verspillend, a. prodigzA;. 

verspiller [de], prodig. 

verspilling [de], prodigasion. 

verspreiden, propagar; disl- 
par (verstrooien). 

verspreiding [de], propaga- 
sion. 

verspreken; zich — , mis- 
parlar. 

verstaan, komprendcrr. 

verstaanbaar, a. komprenda&2 
(begrijpelik) ; distinkt (ver- 
neembaar). 

verstand [het], intelektu. 

verstandig, a. Intelektuod. 

verstenen, petrifikar. 



versterken , forti fikar ; ren- 
fopsar; koroborar (o. a. 
van geneesmiddelen, voed- 
sel); pluar (vermeerderen). 

versterking [de], renfors. 

verstikken, sufokar. 

verstommen, deveniar mut. 

verstoppen, okultar. 

verstoten, apo-pusar. 

verstouten; zich — , riskar. 

verstrikken, atrapar. 

verstrooid, a. distrakt; spo- 
rsAik. 

verstrooidheid [de], distrak- 
titet, 

verstrooien, disipar. 

vertakken ; zich — , rejnifikar. 

vertalen, tradukar. 

vertaling [de] , tradukasion 
(traduksion) . 

verte [de], distanti^^ (dis- 
tans). 

vertegenwoordigen, repre- 
sentar. 

vertellen, narar. 

vertelling [de], narowon. 

verteren, konsumar (verbrui- 
ken); spendar (uitgeven); 
digestar (van spijzen). 

vertering [de], spend. 

vertikaal, a. vertikal. 

vertinnen, stanar. 

vertoeven, moror; sejurnar. 

vertolken, interpretar. 

vertolker [de], interpret. 



408 



vertonen — verwatenheid 



vertonen, monstrar (tonen); 

representar (voorstellen), 
vertoon maken, ostentar. 
vertoornd, a. kolerod. 
vertragen, retardar. 
vertraging [de], mop. 
vertrek [het], kamr (kamer) ; 

partad (afreis), 
vertrekken, partar ; de-voya- 

jar; karikar (verwringen), 
vertroosten, konsolar. 
vertrouwelik, a. konfldenstA; 

(konfldensial). 
vertrouwelikheid [de], konfl- 

dens. 
vertrouwen [het], konfld. 
vertrouwen, v. konfldar. 
vertwijfelen, desperar. 
vervaardigen, komposar; fa- 

brikar. 
vervaardiger [de], autor. — 

zijn, esar autor. 
vervalsen, fslsifikar, 
vervangen, substituar. 
vervelen, enuiar. 
vervelend, a. enuian^, enuioa. 
verveling [de], enul. 
verven, tintar. 
verver [de], tïntator, 
ververij [de], tinten. 
vervloeken, maledikar. 
vervloeking [de], malediko- 

sion (malediksion). 
vervoegen, konyugar (gram.), 
vervoeging [de], konyugasion. 



vervoer [het], transport. 
vervoerbaar, a. transporto&Z. 
vervoeren, transportar; ra- 

vlar [verrukken), 
vervoering [de], mwiadon; 

ekstas. 
vervoerloon [het], porto. 
vervolg [het], kontinuasion. 
vervolgen, kontinuar; perse- 

kuar. 
vervormen, reformar. 
vervormer [de], reformator. 
vervorming [de], reforma- 

aion, 
vervreemden, alienar. 
vervreemding [de], alieno- 

sion. 
vervullen, efektuar. 
verwaand, a. arogant. 
verwaandheid [de], arogan- 

titet (arogans). 
verwaarlozen, negligar. 
verwachten, ekspektar. 
verwachting [de], ekspekta- 

sion, 
verwant, a. parent. 
verwantschap [de], parentel. 
verward, a. perpleksed. 
verwarmen, k9\idifikar. 
verwarren, konfusionar. 
verwarring [de], konfusion; 

perpleksi^t. 
verwaten, a. insolent. 
verwatenheid [de], insolen- 

Xitet. 



verwedden — verzoeken 



409 



verwedden, pariar. 

verwekeliken, moMfikar. 

verwekken, generar (telen); 
eksitar (opwekken). 

verwelken, floksiAeskar, 

verwelkomen, velkomar. 

verwelkt, a. flaksid. 

verwensen, maledikar. 

verwensing [de], malediko- 
iion (malediksion). 

verwerkeliken, realisar. 

verwerken, eks-laborar. 

verwerpen, reprovar. 

verwerven, obtenar. 

verwezenliken, realisar. 

verwijden, ejnpUfikar, 

verwijderd, a. distant. 

verwijderen, removar. 

verwijdering [de] , distanttto^ 
(distans). 

verwijt [het], reprosh. 

verwijten, reproshar. 

verwijzen; naar iets — , du- 
kar atension a kk. 

verwikkelen, komplikar. 

verwilderen, f^roseskar, 

verwisselen, permutar (rui- 
len); konfundar (bij ver- 
gissing). 

verwisseling [de], permuta- 
sion; konfundo-sio??. 

verwoesten, destruk^ir . 

verwonden, vulnerar. 

verwonderd zijn, esar sur- 



verwonderen; zich — , esar 

surpris6<i. 
verwonding [de] , vulnerasion. 
ver worgen, ver wurgen, stran- 

glar. 
verwringen, karikar. 
verzachten, moKfikar; minu- 

ar (verminderen), 
verzachtend, a. moUfikant 
verzadigd, a. satur^d. 
verzadigen, saturar. 
verzadiging [de], saturosron. 
verzaken; iets — , renunsiar 

a kk. 
verzaking [de], renunsiasion. 
verzamelen, kolektar ; re^niar 

(samenbrengen), 
verzameling [de], kolektod. 
verzegelen, sigilai*. 
verzekerbrief [de], polis. 
verzekeren, aflrmar; aseku- 

rar (assureren), 
verzekering [de] , sfirmasion ; 

asekurasion. 
verzenden, mitar; ekspedlar. 
verzet [het],oposa«ion (opo- 

sision). 
verzetten ; zich — , oposar se. 
verziend, a. presblop. 
verzilveren, argentar. 
verzinken, sinKar (met een 

zinklaag), 
verzinnen, imaginar. 
verzoek [het], preg. 
verzoeken, pregar; tentar. 



410 



verzoeker — vink 



verzoeker [de], tentator. 

verzoeking [de], tentosion. 
in — brengen, tentar. 

verzoekschrift [het], petision. 
een — indienen, petisionar. 

verzoenbaar, a. plaka6^ 

verzoenen, plakar. 

verzoenlik, a. plaka&/. 

verzoeten, Auisifikar. 

verzorgen, kurar. 

verzuimen, mankar; omltar. 

verzwaren, nef^sWifikar. 

verzwelgen, devorar. 

verzweren, ulserar (verette- 
ren). 

verzwijgen, )i(>komunikar. 

vest [het], kamisol. 

vestibule [de], vestibul. 

vesting [de], fortres. 

vet [het], gres. 

veteraan [de], veteran. 

veto [het], veto. 

veulen [het], yun-kaval. 

vexeren, veksar. 

vezel [de], flbr. 

vezelstof [de], flbrin. 

via, prep. via. 

vibratie [de], yibroMon. 

vibreren, vibrar. 

vice-direkteur [de], viseAi- 
rektor. 

vice-president [de], viseprB- 
sident. 

vicieus, a. visios. 

vier, kuatr. 



vierde, kuatrtm (kuart). 

vieren, festar. 

vierhoek [de], Aiuac^n'angul. 

vierkant, a. kuadrattA;. 

vierkant [het], kuadrat. 

vierkants wortel [de], kua- 
drat-radik. 

viervoudig, a. kustrupl, 

vigilant, a. vigilaii^ 

vigileren, vigilar. 

vignet [het], vinlet. 

vigoreus, a. vigorod. 

vigueur [de], vlgoP. 

vijand [de], n^amik. 
I vijf, kuink. 

vijfde, kuinkim (kuint) . 
I vijftig, kuinkdes. 
I vijg [de], flg. 

vijgeboom [de] ; wilde — , sl- 
komor. 

vijl [de], lim. 

vijlen, limar. 

vijler [de], lima^. 

vijver [de], stagn. 

vikaris [de], vikap. als — 
optreden, vikarar. 

viktorie [de], viktori. 

viktorieus, a. viktorios. 

viktualie [de], viktual. 

vilain, a. vllan. 

villa [de], vila. 

vilt [het], feitP. 

vinden, truvar. 

vinger [de], digit. 

vink [de], fringil. 



violatie — vloeibaarheid 



411 



violatie [de], viola&-ion. 

violeren, violar. 

violet, a. violet. 

violist [de], violinis^ 

violoncel [de], violoncel. — 
spelen, musikar mediu vio- 
loncel. 

viool [de], vlolin. — spelen, 
musikar mediu violin. 

viooltje [het], violet. 

virtuoos [de], virtuoso. 

Yirtuose [de], virtuosa. 

vis [de], plek. 

vishaak [de], angl. 

visibel, a. y\sabl (visibl). 

visioen [het], vision. 

visite, vizite [de], vleit. 

visiteren, viziteren, visitar. 

visotter [de], lutp. 

vissen, piskar. 

visser [de], piskator. 

vitaal, a. vital. 

vitaliteit [de], yiteAitet. 

vitriool [de, het], vitriol. 

vivaciteit [de], vlvaet^t. 

vizier [het], vleier (helm- 
masker). 

Vlaanderen [het], Flandria. 

vlag [de], flaa. 

vlak, a. plant^; glat (effen). 

vlak [de], makui. 

vlak [het], plan. schuins — , 
ramp. 

vlakken, plam^Arar; makular 
(vlekken). 



vlakmaken, plani/ï^ar. 

vlakte [de], plan. 

vlam [de], flam. 

vlammen, flamar. 

vlas [het], lin. 

vlashekel [de], lin-pekt. 

vlaskam [de], lin-pekt. 

vlecht [de], tree; llken (huid- 
ziekte) . 

vlechten, treear. 

vleermuis [de], veepertill. 

vlees [het], karn. 

vleien, flatar. 

vlek [de], makui. 

vlek [het], burg. 

vlekkeloos, a. nemakul^d. 

vlekken, makular. 

vleugel [de], al. 

vlezig, a. pulpos. 

vlezige ; het — aan de 
lichamen van dieren en 
planten, pulp. 

vlezigheid [de], pu\po8itet, 

vlieg [de], muek. 

vliegen, voiar. 

vlies [het], membran. 

vlieten, fluar. 

vlijt [de], dlligenti^ee (dill- 
gene). 

vlijtig, a. diligent. 

vlinder [de], papilion. 

vloed [de], fluks (wassend 
water). 

vloeibaar, a. Huid. 

vloeibaarheid [de], tiuiditet. 



412 



vloeien — volharden 



vloeien, fluar. 

vloeistof [de], fluidad, 

vloek [de], maledikosion (ma- 
lediksion). 

vloeken, maledikar. 

vloer [de], flup. 

vloerkleed [het], tapet. 

vlok [de], flok. 

vlo [de], pulk. 

vloot [de], f lot. 

vlucht [de], fug; vol (van 
vogels). 

vluchten, fugar. 

vluchtig, a. fugas. 

vluchtigheid [de], fugasi^t. 

vlug! hastel 

vlugschrift [het], broshur. 

vocht [het], fluidad. 

vochtig, a. humid. 

vochtigheid [de], humidt^^^. 

voeden, nutriar; allmentar. 

voederbak [de], presepi. 

voeding [de], alimentoóton. 

voedingsmiddel [het], ali- 
ment. 

voedsel [het], edad. 

voedzaam, a. alimento^. 

voegen, yunktar (samenvoe- 
gen). 

voegen; zich — , akomodar se. 

voegwoord [het], konyunk- 
sion. 

voelbaar, a. palpa&2 (tast- 
baar); sentla^Z. 

voeldraad [de], palp. 



voelen, sentiar ; sensuar (met 

de zintuigen), 
voelhoorn, voelhoren [de] , 

palp. 
voelspriet [de], palp. 
voeren, dukar (leiden), 
voertuig [het], vehikl. 
voet [de], ped. te — , pede. 
voetstuk [het], sokl; pede- 

stal. 
vogel [de], ornlt. 
vogelkunde [de], ornitologi; 
vogelvrij verklaren, proskrl- 

bar. 
Vogezen [de], Vogest. 
voile [de], vel. 
vokaal [de], vokal. 
vokatie [de], vokasion. 
vol, a. plen. — maken, pleni- 

fikar, 
volapük spreken, volapukar. 
volbrengen, per-fasla?*; ek- 

sekutar (uitvoeren), 
voldoen, satisfaktar; payar 

(betalen), 
voldoende, a. sufist^. — zijn, 

suflsar. 
voldoening [de], satisfakta- 

don (satisfaksion). 
voleinden, voleindigen, peP- 

fasiar. 
volgen, sekuar. 
volgens, sekuan^u. 
volgreeks [de], suksesion. 
volharden, perseverar. 



volharding — voordragen 



413 



volharding [de], persever. 

volheid [de], plent^6^. 

volhouden, perseverar. 

volk [het], popl. 

volkomen, total (geheel) ; 
perfekt (volmaakt). 

volkomenh ' ] [de], perfek- 
litcl vperreksion). 

volkrijk, a. poplo.9. 

volksleider [de], demagog. 

volksmenner [de], demagog, 

volledig, a. komplet. 

volmaakt, a. perfekt. 

volmaaktheid [de], perfek- 
titet (perfeksion). 

volmacht [de], prokur. 

volmaken, perfekti/iA;ar. 

volontair [de], volontar. 

volstrekt, a. absolut. 

voltallig, a. komplet. 

voltige [de], voltij. 

voltigeren, voltijar. 

voltooien, per-faslar. 

voltrekken, eksekutar. 

volume [het], volumin. 

volumineus, a. voluminoa. 

volumineusheid [de], volu- 
minoaitet. 

voluptueus, a. voluptuod. 

volvoeren ; per-faslar ; ekse- 
kutar (uitvoeren). 

volwassen, a. adult. 

volzin [de], proposlslon. 

vomatie [de], yomasion. 

vomeren, vomar. 



vonk [de], sintil. 
vonkelen, briiiar. 
vonnis [het], verdikt. 
vonnissen, yudikar. 
voogd [de], tutor. 
voogdij ; onder — stellen, 

tutar. raad van — Xutel. 
voor, vore [de], sulk. voren 

maken in, sul kar. 
voor, adv. anterlor^. 
voor, prep. pro. 
vóór, prep. ante (tijd of 

plaats) . 
vooraan, anterior^. 
vooraangaan,andar anterlore. 
vooraf, anteriore. 
voorafgaan, andar anteriore. 
voorafgaand, a. anterior; 

prior. 
voorbedachtelik, Intension^. 
voorbeeld [het], eksempl. 
voorbehoud [het], reserv. 
voorbehouden, reservar. 
voorbereiden, preparar. 
voorbereiding [de], prepara- 

don, 
voorbijgaan, pasar, in 't — , 

pasanto. 
voordat, ante ke. 
voordeel [het], proflt; bene- 
fis. — trekken, profltar. 

ten voordele van, profltt^. 
voordelig, a. lukrativ. 
voordcin; zich — , afektar. 
voordragen, deklamar; rest- 



414 



voorgaan — voorspellen 



tar. 
voorgaan, andar anterior^; 

andar tro vetose (van een 

uurwerk), 
voorgebergte [het], promon- 

tori. 
voorgevel [de], fasad. 
voorgeven^ simular. 
voorgevoel [het], presenti- 
ment. 
voorgevoelen,pre8entlmentar. 
voorhang [de], kortin. 
voorheen, prelonge. 
voorhoofd [het], front. 
voorhuid [de], prepusi. 
voorkeur [de], preferad de 

— geven aan, preferar. 
vóórkomen, avar lok; aksi- 

dar. 
voorkómen, ^^reveniar; obvi- 

ar a kk. 
Toorkomen [het], aspekt. 
voorkomend, a. kompiesant. 
voorkoming [de], obvicmon. 
voorleggen, presentar. 
voorlezen, lektar. 
voorliefde [de], predileksion. 
voorliegen ; iemand — , men- 

War a kh. 
voorlopig, a. provisoriA;, adv. 

provisore; a. prellminar. 
voormalig, a. pristin. 
voormiddags ,- 's — , premedl- 

dlurn^. 
voornaam [de], nom personal. 



voornaam, a. nota^Z. 

voornaamheid [de], distin- 
sion, 

voornaamste, a. kardinal. 

voornaamwoord [het], pro- 
nom. aanwijzend — , pro- 
nom demonstrativ. betrek- 
kelik —, pronom relativ. 
bezittelik — , pronom pose- 
siv. korrelatief—, pronom 
korelativ. onbepaald — , 
pronom indefinit. persoon- 
lik — , pronom personai. 
vragend — , pronom inte- 
rogativ. wederkerig — , 
pronom refleksiv. 

voornemen ; zich — , desina?*. 

vooroordeel [het], preyudisi. 

voorouders [de], predesesort. 

voorraad [de], provision; 
reserv. 

voorrang [de], prioritet 

voorrecht [het], prerogatlv; 
privileg. 

voorschieten, prestar avanse. 

voorschoot [het], gremiad. 

voorschrift [het], preskriba- 
sion. 

voorschrijven, preskribar. 

voorslaan, proposar. 

voorslag [de], propososroM. 

Toorspannen, yunktar (paar- 
den). 

voorspel [het], prelud. 

voorspellen, profetar; omi- 



voorspoed— voorzien 



415 



1 



nar (door voortekens). I 

voorspoed [de], prosperitet. | 

voorspoedig zijn, prosperar. 

voorspreken, intersedar. ' 

voorstad [de], preurb. 

voorstander [de], partisan. 

voorstel [het], proposasion. 

voorstellen, proposar ; pre- 
sentar (persoonlik bekend- 
maken); representar (op- 
voeren, vertonen). 

voort! apo! 

voortaan, future'. 

voortbrengen, produktar; 
generar (telen). 

voortbrengsel [het], produkt. 

voortdrijven, remo Var. 

voortduren, permanar; kon- 
tinuar. 

voortdurend, a. permanant; 
a. kontinut^, adv. kontinue. 

voortduring, voortduur [de], 
permanaston. onafgebroken 
— , perpetui^/. 

voorteken [het], omin. 

voortgaan, kontinuar. 

voortkomen, proveniar. 

voortplanten, propagar. 

voortplanting [de], propaga- 

voortreffelik, a. ekselent. 
voortreffelikheid [de], ekse- 

\BntiteL 
voortrekken (voor-trekken), 

prefepar. 



voortrukken, avansar. 
voortslepen, traktuar. 
voorttrekken, traktuar. 
voortvloeien, sekuar (fig.). 
voortzetten, kontinuar. 
voortzetting [de], kontinua- 

sion. 
vooruit, avanse. 
vooruitbestellen, komitar 

avans6. 
vooruitgaan, progresar. 
vooruitgang [de], progres. 
vooruitzicht [het], perspek- 

tiv. 
vooruitzien, prey'isar, 
voorvader [de], predesesor. 
voorval [het], aksident; kasu 

(geval), 
voorvallen, aksidar. 
voorvoegsel [het], prefiks. 
voorwaarde [de], kondision. 
voorwaarts, vepsu anterior^. 

— gaan, avansar. 
voorwenden, simular. 
voorwendsel [het], pretekst. 
voorwerp [het], obyekt. 
voorzaat [de], predesdsor. 
voorzeggen, prognosar. 
voorzegging [de], prognos. 
voorzetsel [het], preposision. 
voorzetten, presentar. 
voorzichtig, a. prudent. 
voorzichtigiieid [de], pruden- 

titet (prudens); prekaut. 
voorzien, prcyisar, — van, 



416 



voorzitten — vriendschap 



prokurar. 

voorzitten, presedar. 

voorzitter [de], presf^Aant 

voorzorg [de], prekaut. 

voraciteit [de], vorast^^ 

vorderen, demandar, flagi- 
\nr (eisen); progresar 
(vooruitgaan). 

vordering [de] , demand ; pro- 
gres. 

vore [de], sulk. — n maken 
in, sulkar. 

voren ; te — , avanse. naar — , 
a anterior^. van — , da 
anteriore. 

vorig, a. pristin. 

vork [de], fork. 

vorm [de], form. bedrijven- 
de —, aktiv. lijdende — , 
pasiv. 

vormelik, a. formal. 

vormelikheid [de]yformB\iteL 

vormen, formar. 

vorsen, investigar 

vorst [de], prins ; fpost (vrie- 
zend weer). 

vos [de], vulp. 

votief, a. votiv. 

votum [het], vot 

vouw [de], plik. 

vouwen, plikar. 

vraag [de], interoga^n; ku- 
estion. 

vraagstuk [het], kuestion. 

vraagteken [het] sign de 



interogod^on. 

vraatzucht [de], vorasi^e^. 

vraatzuchtig, a. voras. 

vracht [de], shapj. 

vrachtloon [het], porto. 

vragen, interogar; pregar 
(verzoeken), dringend — , 
pregar urqante. 

vrede [de], paks. 

vreemd, a. foren; alient/c; 
eksoiik (buitenlands, uit- 
heems) ; estran (zonder- 
ling). — land, forenta; 
aiienia. — schijnen, sem- 
blar estran. 

vreemde; in den — , in fo- 
renm, fn alienm. 

vrees [de], timor. -— aanja- 
gen, tmidifikar. 

vreesachtig, a. timic^. 

vreesachtigheid [de], timi- 
ditet 

vreeswekkend, a. formidabl. 

vrek [de], avar. 

vrekkig, a, avar; sordid. 

vrekkigheid [de], avari^e^; 
soréiéitet (gemene vrek- 
kigheid) . 

vreselik, a. teribl. 

vreugde [de], gaudi. 

vrezen, timar. 

vriend, vrind [de], amik. 

vriendelik, a. afabl. 

vriendelikheid [de], afablit^^. 

vriendschap [de], amikod. 



vriezen — vuurtoren 



417 



vriezen, jelar. 
vrij, a. Iibr. 
Vrijdag [de], vendrdl. 
vrijdags, a. vendrdian, de 

vendrdi. 
vrijgevig, a. generos, 
vrijgevigheid [de], genero- 

sitet. 
vrijheid [de], libri^^. 
vrijkopen, redimar. 
vrijkoping [de], redimo^ton 

(redempsion). 
vrijlaten, emansipar. 
vrijmaken, Mbrifikar, 
vrijpostig, a. hard. 
vrijpostigheid [de], hardi^^. 
vrijspraak [de], absolvaaton 

(absolusionX 
vrijspreken, absolvar. 
vrijstellen, dispensar. 
vrijstelling [de], dispens. 
vrijwaren, presepvar. 
vrijwillig, a. volontar. 
vrijwilliger [de], volontar. 
vroeg, a. bon-temptA;, adv. 

bon-temp^. 
vroeger, a. anterior, adv. 

anterior^; a. prior. 
vroegrijp, a. pr&matur. 
vroegtijdig, a. bon-tempi^, 

adv. bon-tem pé. 
vrolik, a. yovial; yulcund. 
vrolikheid [de], yovlaltte^ 
vroom, a. plettA;. 
vroomheid [de], piet. 



vrouw [de], femin; marita 

(echtgenote). Onze Lieve 

Vrouwe, madona. 
vrouwelik, a. femintA; (femi- 

nin). 
vrouwekleed [het] ; lang — , 

rob. 
vrucht [de], frul(t. — dra- 
gen, frukti^to'. 
vruchtbaar, a. fertfl. 
vruchtbaarheid [de], fertl- 

\iteL 
vruchtgebruik [het],usufrul(- 

tu. in — hebben, usu- 

fruktua)*. 
vuig, a. sordid. 
vuigheid [de], sordidi^^ 
vuil, soréik (smerig); n^pur 

(onrein). — worden, sor- 

Aeskar, 
vuil [het], sord. 
vuilnis [de], sord. 
vuist [de], pun. 
vulgair, a. vulgar. 
vulkaan [de], voikan. 
vullen, plent^A;ar. 
vulnerabel, a. vulnera&Z. 
vulneratie [de], vulnera^n. 
vulnereren, vulnerar. 
vurig, a. ardoro8. 
vuur [het], fok; ardor 

(gloed), 
vuursteen [de], pirit. 
vuurtoren [de], far. 

27 



418 



waadbare plaats— wakker 



W. 

waadbare plaats [de], vad. 
waag [de], risk. 
waagstuk [het], hasard; 

risk. 
waaien, ventar; ventolar(met 

een waaier), 
waaier [de], ventoi. 
waaks, a. vigilant. 
waakzaam, a. vigilan^. 
waanwijs, a. pedantiA;. 
waanwijze [de], pedant, 
waanzin [de], delir. 
waar, a. ver. 
waar, adv. keloke, kep\sise, 

— ook, omni-loké ke. overal 

— , omni-loké ke. 
waar [de] merkantacZ. 
waarachtig, a. veras, adv. 

verase. 
waarachtigheid [de], vera- 

sitet, 
waarborg [de], garantac^. 
waarborgen, garantar. 
waard, a. kar. — achten, 

dignar. — zijn, valar. 
waard [de], albergis^. 
waarde [de], valor. gelijke 

— hebben, ekuiwèlar, 
waardeloos, a. vil. 
waardeloosheid [de], yfWitet, 
waardig, a. digntA;. — oor- 
delen, dignar. 



waardigheid [de], AiqnileL 
bisschoppelike — , epis- 
kopad, pauselike — , pa- 
pad. 

waarheid [de], yeritet, 

waarheidlievend, a. veras, 
adv. verasé. 

waarheidsliefde [de], vera- 
sitet. 

waarnemen, observar; per- 
septar (bespeuren). 

waarneming [de], observa- 
sion, 

waarom, ^^kaus^. 

waarschijnlik, a. probabi, 
adv. probabl^^ 

waarschuwen, prekautar. 

waarschuwing [de], prekau- 
tasion, 

wacht [de], gard. 

wachten, atendar. 

wachter [de], kustod. 

wad [het], vad. 

waden, vadar. 

wafel [de], vafr. 

wagen [de], kar; karos 
(koets). 

wagen, v. hasardar ; riskar. 

waggelen, vasiiar; tituliar. 

waggeling [de], titubo^ri. 

wagon [de], vagon. 

waken, vigllar (niet slapen) ; 
kustodar (bewaken). 

waker [de], viqiian^; kustod. 

wakker, a. vigiian^. 



wal — waterpas 



419 



wal [de], rampart. 
Walachije [het], Valakta. 
walg [de] ; een — zijn, dis- 

gustar. 
walgelik, a. disgustiA;; nau- 

8608. 

walgen, disgustar. 

walging [de], nausé. — wek- 
ken, nausear. 

-walros, walrus [de], mors. 

wals [de], vals (dans); rul. 

walsen, valsar; rular. 

walvis [de], balen. 

wand [de], pariet. 

wandelen, promenar. 

wandeling [de], promenod. 

wandluis [de], simeks. 

wanen, imaglnar. 

wang [de], guen. 

wanhopen, desperar. 

wankelen, vasilar; titubar. 

wankeling [de], Xitubaaion. 

wanklank [de]; een — geven, 
dissonar, 

wanneer, kuande (tijd); if 
(voorwaarde).— ook,oinni- 
foa ke. 

wanorde [de] ; in — brengen, 
disoréar. 

wanstaltig, a. de-formiA:. — 
maken, de-formar. 

want, k. kause. 

wantrouwen [het],?ntskonfld. 

wantrouwen, v. miskontiéar. 

wantrouwig, a. miskontiéik. 



wapen [het], arm; arm-em- 
blem (in de heraldiek). 

wapenen, armar. 

wapenkunde [de], heraldik. 

wapenrusting [de], armatur. 

warboel [de], pelmel. 

warm, a. kalm. — zijn, het 
hebben, kalar. — worden, 
keiideakar, 

warmen, keiidifikar. 

warmte [de], kalor. 

warmtegraad [d^], tempera- 
tur. 

was [het], sir. 

wasdom [de], kresktmon. 

wasem [de], vapor. 

wasemen, vaporar. 

wasgoed [het], linaj. 

waskom [de], lav-basin. 

wassen (groeien), kreskar; 
asendar (b. v.. van water). 

wassen (schoon maken), lavar. 

wasvrouw [de], lavatora. 

wat, A;ekos; kelk-kos (iets). 
— ook, omni kekos. — 
voor een, kual. al — , om- 
ni kekos, 

water [het], akua. 

waterachtig, a. akua^r. 

waterdicht, a. hidroéens, 

wateren, urinar. 

waterig, a. akua^r. 

waterpas, a. horisontiA; (ho- 
risontal). — maken, nive- 



waterpas — weer wi l 



waterpas [het], nivel. 

waterpassen, nivelar. 

waterschuw, a. hidrofobio8. 

waterslang [de], hidra. 

waterstof [de], hidrogen. 

waterval [de], kaskad. 

watervrees [de], hidrofobi. 

waterzucht [de], hidropsi. 

waterzuchtig, a. hidropsÜA;. 

watten [de], vat. 

wauwelen, bablliar. 

we, wij, noK 

wedden, pariar. 

weddenschap [de], pari. 

wedergeboorte [de], regene- 
raaion. 

wederhelft [de], sm. sf. ma- 
rit. 

wederkerig, a. resiprok, adv. 
resiproke. 

weder voortbrengen, reqe- 
nerar. 

wedervoortbrenging [de], re- 
genera.ston. 

wederzijds, a. resIprok, adv. 
resiproké. 

wedijver [de], emula^'on. 

wedijveren, rivalar (rivali- 
sar); emular. 

wedren [de], kurson. 

wedrennen, kursonar. 

weduwe [de], vidua. 

weduwnaar [de], vidu. 

weduwnaar of weduwe wor- 
den, wWueskar. 



weduwnaar of weduwe zijn- 
de, a. vidu. 

weduwschap [het], wed uw- 
staat [de], wiéuitet, 

weel ve! 

weegbaar, a. ponderoóZ. 

weegschaal [de], ponderato?^ 

week, a. mol (zacht). 

week [de], seman. 

weekdier [het], molusk. 

weekheid [de], moKtet 

weeklacht [de], lament. 

weeklagen, lamentar. 

weekmaken, moiifikar. 

weekmakend, a. moMfikanL 

weelde [de], luks. 

weelderig, a. luksur, adv. 
luksure. — leven, vivar 
luksur^. 

weelderigheid [de], luksuri- 
tel. 

weer, weder, adv. denove. 

weer, weder [het] , tempest. 

weergalm [de], resonans. 

weergeven, r^dónar. 

weerhouden, rr'tenar. 

weerkaatsen, refleksar. 

weerkaatsing [de], refleks. 

weerklank [de], resonans. 

weerkunde [de], meteorologi. 

weerleggen, refutar. 

weerlegging [de], refutastow. 

weerschijn [de], refleks. 

weerstand [de], resistens. 

weerwil, in — van, obstinu. 



weerziens— welven 



421 



weerziens ; tot — Ia rewlmd 1 

weerzin [de], aversion. 

wees [de], orfan. 

weg! apo! 

weg [de], via. gebaande — , 

rut. 
wegduwen, apo-pu8ar. 
wegen, ponderar (het gewicht 

bepalen) ; fesar (zwaar 

zijn), 
wegens, kaust^. 
weggaan, apo-andar. 
wegkwijning [de], marasm. 
weglaten, omltar. 
weglatingsteken [het], ap08- 

trof. 
i«regnemen, apo-prendar. 
wegruimen, weikuifikar. 
wegstompen, apo-pu8ar. 
wegstoten, apo-pusar. 
wegzeilen, apo-selar. 
wegzenden, relegar. 
wegzending [de], relegcmon. 
wei, weide [de], pastur; prat. 
wreiden, pasturar. 
weifelen, hesitar. 
weigeren, refusar. 
weigering [de], refus. 
weiland [het], prat. 
weinig, a. nemult, adv. ne- 

muite. 
wekeliks, omni-semane. 
weken, moUfikar, 
wekken, vigilt^Arar. 
wel, adv. bene. 



wel [de], font. 
weldaad [de], bene-fasioc^. 
weldadig, a. bene-fasian^. 
weldoen, bene-fasiar. 
weldoener [de],bene-fa8iator. 
weldra, po-breve. 
welgevallen [het], plisad. 

naar — , sekuantu p\isad. 
welgevallig, a. plisiA;. 
weliswaar . . . doch, vere . . . 

ma. 
welke, kei. 
welke? welk? kei? welke 

keer, kel/oa. op welke ma- 
nier, kemsinhre, 
welken, tiaksiAeskar. 
welkom [het],welkomst[de], 

velkom. 
wellen, fontar. 
wellicht, posible. 
welluidend, a. melodloa. 
wellust [de], voluptu. 
wellusteling [de], voluptuer. 
wellustig, a. voluptuoa. zeer 

— , \ubrik. 
wellustigheid [de] ; grove — , 

lubri^i^^ 
welriekend, a. aromattib. 
welriekendheid [de], aromat. 
welslagen [het], sukses. 
welsprekend, a. elokuent. 
welsprekendheid [de],eloku* 

entitet, 
welvaart [de], prosperitet. 
welven, voltar. 



422 



welvoeglik — wezen 



Avelvoeglik, welvoegelik, a. 
desent. 

welwillend, a. benevolent. 

Welzijn [het], prosperitet. 

wemelen, formikar. 

wenen, lakrimar. klaaglik — , 
vagiar. 

wenden, turnar. 

wenk [de], averta«ion. 

wenken, avertar. 

wens [de], desir. 

wensen, desirar. 

wentelen, rotar. 

wenteling [de], roXasion. 

wereld [de], mund. 

wereldkundig, a. notortA:. 

wereldlik, a. temporal. 

wereldtaal [de], lingu uni- 
versal. 

werk [het], labor; efektuad 
(gedane werk) ; stup (afval 
van gehekeld vlas of hen- 
nep, uitgepluisd touw), 
het — staken, strikar. te 
— gaan, prosedar. 

werkelik, a. real; efektiv. 

werkelikheid [de], VBsMteL 

werken, laborar. 

werkend ; sterk — , drasttA;. 

werkplaats [de], ofisin. 

werkstaking [de], strik. 

werktuig [het], utensil; in- 
strument. 

werktuigkunde [de], meka- 
nlk. 



werktuigkundige [de], meka* 
niker, 

werkwoord [het], verb. hulp- 
— verb auksiliar. onover- 
gankelik —, verb intran- 
sitiv.overgankelik — , verb 
transitiv. wederkerend — , 
verb refleksiv. 

werkzaam, a. aktiv. 

werkzaamheid [de] , aktivi^i. 

werpen, lansar. 

werpschijf [de], disk. 

wervel [de], vertebr (anat.), 

werven, rekrutar. 

wesp [de], vesp. 

westelik, a. UBsXik; adv. uestd. 

westen [het], u est. naar het 
— , versu uest, 

Westfalen [het], Vestfalta. 

wet [de], leg. 

wetboek [het], kod. 

weten, konosar. niet — , niet 
willen — , ignorar. 

wetenschap [de], sient. 

wetenschappelik, a. slentt^ 
(sientifik). 

wettelik, a. legitim. 

wettig, a. legitim. 

wettigheid [de], legitimi^ef. 

weven, teksar. 

wever [de], teksator. 

weverij [de], tekseri. 

wezel [de], mustel. 

wezen, esar. 

wezen [het], substans. 



wezenlik — winstgevend 



423 



wezenlik, a. real; efektiv. 

whiskey [de], uiskl. 

whist [het], vist, 

wichtig, a. important (be- 
langrijk). 

wie, ki. - ook, omni ki. al 
— . omni ki. 

wieg [de], kun. 

wiegen, Icunar. 

wiel [het], rot. 

wieirijder [de], velosipedta^ 

wierook [de], insens. 

wierookvat [het], insenser. 

wig, wigge [de], koin. 

wij, noi. 

wijd, a. ampl. 

wijden, konsakrar. 

wijdlopig, a. slrkuito^. 

wijdte [de], ampli^e^ 

wijfje [het], femin. 

wijk [de], kuartier (vaneen 
stad). 

wijken, kondesendar (toege- 
ven). 

wijkplaats [de], asil. 

wijl, k. kau86. 

wijn [de], vin. 

wijnruit [de], ruta, 

wijnsteen [de], tartr. 

wijnstok [de], sep. 

wijs, a. saplent. 

wijs [de] ; aantonende — , 
indikativ. aanvoegende — , 
subyunktiv. gebiedende — , 
imperativ. onbepaalde — , 



inflnitiv. voorwaardelike — , 

kondisional. wensende — , 

optativ. 
wijsbegeerte [de], fliosofl. 
wijsgeer [de], fliosof. 
wijsgerig, a. flIosofltA; (fllo- 

soflk). 
wijsheid [de], sapienti^^. 
wijsneus [de], pedant. 
wijsneuzig, a. pedanttA;. 
wijten, imputar. 
wijze, wijs [de], manier, op 



deze 



dtmanler^. op 



welke — , kemeinwe, 
wijzen, monstrar. 
wijzigen, modiflkar. 
wil [de], velu. 
wild, a. feros. 
wildbraad [het], venlson. 
wildheid [de], f%rositet. 
wilg [de], salis. 
willekeur [de], arbitrarit^^. 
willekeurig, a. arbitrar. 
willen, voluar. niet — weten, 

ignorar. 
wimper [de], sil. 
wind [de], vent. — maken 

met een waaier, ventolar. 
winden, guindar. 
winderig, windig, a. ventos. 
windscherm [het], paravent, 
winkel [de], butik. 
winnen, ganiar. 
winst [de], qaniad. 
winstgevend, a. lukrativ. 



424 



winter — wraak 



winter [de], frigotemp. 

wirwar [de], pelmel. 

wiskunde [de], matematik. 

wiskundig, a. matematika2. 

wissel [de], karobi; trat 
(traite). 

wisselbank [de], bank. 

wisselbrief [de], kambi. 

wisselen, wisselhandel drij- 
ven, kambiar. 

wisseling [de], kambiemon. 

wisselkoers [de],kambi-kur8. 

wit, a. blank. 

witachtig, a. blankafr. 

wittebrood [het], blank-pan. 

woede [de], furi. 

woeden, furiar. 

woedend, a. furios. 

woeker [de], U8ur. 

woekeraar [de], U8Ur^. 

woekeren, usurar. 

Woensdag [de], merkurdi, 

woensdags, a. merkurdiat^, 
de merkurdi. 

woest, a. feros (wild); desert 
(verlaten). 

woestheid [de], f%rositet. 

wol [de], ian. 

wolachtig, a. Iana<>'. 

wolf [de], lup. 

wolfram [het], volfram. 

wolfsboon [de], lupin. 

wolfskers [de], beladon. 

wolk [de], nub. met — en be- 
dekken, kuvrar medit^ nubi. 



wollen, a. laniA;. 

wollig, a . lana/r (wolachtig) ; 
lanos (van wol voorzien). 

wond [de], vulner. 

wondbaar, a. vulnera^/. 

wonden, vulnerar. 

wonder [het], mirakl. 

wonderbaar, a. miraklod. 

wonderbaarlik, a. miraklos. 

wonderlik, a. mirakio8 (won- 
derbaar); estran (zonder- 
ling). 

wonderspreukig, a. paradoks. 

wonen, lojiar; residar. 

woning, [de], loji. 

woonverblijf [het] ; wettig 
— , domisili. 

woord [het], parol; vokabl. 
afgeleid — , parol derived. 
samengesteld — , parol 
ko-fosed. 

woorde(n)boek [het], dlkslo- 
nar. 

woordvoeging [de], sintaks. 

worden, deveniar. 

worgen, stranglar. 

worgkoord [het], strangl, 

worm [de], verm. 

worp [de], lansad 

worst [de], sosis. 

wortel [de], radik; karot 
(moesplant) . 

woud [het], forest. 

wraak [de], winéïkasion. — 
nemen, vindikar. 



wrang — ze 



425 



wrang, a. aserb. 
wrat [de], veruk. 
wreed, a. kruel. 
wreedheid [de], kruelitet. 
wrekeoy vindikar. 
wrevel [de], rankor. 
wrijven, frikar. 
wrijving [de], friko^ion. 
wroeging [de], remors. 
wrok [de], rankor. 
wrongel [de], kuak. 
wurgen, strangia?-. 
wurm [de], verm. 
Wurtemberg [het], Virtem- 
berg. 

X. 

xylograaf [de], kdlograf, 
xylograferen, ksilografar, 

Y. 

ytterbium [het], iterbium. 
yttrium [het], itrium. 

Z. 

zaad [het], semin. dierlik — , 
sperm. 

zaag [de], seg. 

zaaien, seminar. 

zaak [de], kos; negosi (han- 
delszaak), zaken doen, ne- 
\\ar. man van zaken. 



negosian^. betrekking heb- 
bende op zaken, a. negosit^. 

zacht, a. mol (week); tendr 
(teer); nesonor (niet luid). 

zachtheid [de], moHtet. 

zachtjes, n^sonore. 

zachtmoedig, a. kiement 

zachtmoedigheid [de], kle- 
menti^^ 

zadel [de, het], sedl. 

zadelen, sedlar. 

zagen, segar. 

zak [de], sak; vest-sak (in 
de kleding), in de — ste- 
ken, in-sakar. papieren 
—je, papir-kornu. 

zakdoek [de], drap de sak, 

zalf [de], unguent. 

zalig, a. beat. 

zaligen, beati/i A;ar. 

zaligheid [de], beatt^^. 

zalm [de], salmon. 

zalven, unguentar. 

zamen; te — yunkte. 

zand [het], sabi. grof — , 
gravin. 

zandig, a. sabio8. 

zang [de], l<ant 

zangvogel [de],ornitkantant. 

zat, a. seiured (verzadigd); 
ebr (dronken). 

Zaterdag [de], satumdi. 

zaterdags, a. saturndian, de 
saturndi. 

ze, pr. iia (vrouwelik enkel- 



4ti6 



zebra — zelfzucht 



voud); ilt (mannelik en on- 
zijdig meervoud), \iai 
(vrouwelik meervoud). 

zebra [de], sebr. 

zecchine, zequine [de], sekin. 

zedelik, a. moral. 

zedelikheid [de], moralist. 

zedeieer [de], moralod; etik. 

zedig, a. modest. 

zedigheid [de], moóestitet. 

zee [de], mar. Baltiese — , 
Oost—, BMik (mar balttA;). 
Kaspiese — , Kaspt'A; (mar 
kasptA;). Middellandse — , 
Mediteran (mar mediteran). 
Noord—, NordiA; (mar nor- 
diA;). IJs— , GlastA; (mar 
piastA:). Zwarte — , Negr 
(mar negr). 

zeeboezem [de], golf. 

zeef [de], krib. 

zeekreeft [de], mar-krev. 

zeep [de], sapon. 

zeer, adv. mult«. — goed, 
muite bene. 

zeeroof plegen, piratar. 

zeerover [de], pirat, 

zeevaart [de], navigaaf on. 

zeewezen [het], marin. 

zeeziek, a. nauseod. — ma- 
ken, nausear. 

zeeziekte [de], nausé. 

zefier [de], seflr. 

zege [de], viktori; triumf. 

zegel [het], sigil. 



zegelen, slgilar. 
zegelied [het], pean. 
zegen [de], benedlkodion. 
zegenen, benedikar. 
zegepraal [de], triumf. 
zegepralen, triumfar. 
zegeteken [het], trofé. 
zegevieren, triumfar. 
zeggen, dikar. 
zeil [het], sel. 
zeilen, selar. 
zeilwedstrijd [de], regat. 
zeis [de], falsl, 
zeker, a. sert, adv. serte 

(gewis) ; sekur (veilig), een 

— iets, sert-kos. 
zekerheid [de], serXitet\ se- 

kurt^^. 
zelden, rare. 
zeldzaam, a. rar. 
zeldzaamheid [de], ravitet,^ 
zelf, aut, b.v. ik zelf, ml 

aut; de direkteur zelf, 

direktor aut. 
zelfbewegend, a. automobll. 
zelfde, pr. zie dezelfde, het- 
zelfde, 
zelfmoord [de], sulsidi. 
zelfmoordenaar [de], sulsl- 

éiist. 
zelfs, Ipse. — al, If et. 
zelfstandig, a. nedependawi . 
zelfstandigheid [de], nede- 

pendaneite^; substans. 
zelfzucht [de], egolsm. 



zelfzuchtige— zinken 



427 



zelfzuchtige [de], egoist. 


zieltoging [de], agoni. 


zemelen [de], bran. 


zien, visar. 


zenden, mitar. 


ziften, kribar. 


zengen, kombustar. 


zigeuner [de], tsigan. 


zenith [het], senit. 


zigzag [de], sigsag. 


zenuw [de], nerv. 


zij, pr. ila (vrouwelik enkel- 


zenuwachtig, a. nervos. 


voud); ilt (mannelik en 


zequine [de], sekin. 


onzijdig meervoud), Wai 


zes, seks. 


(vrouwelik meervoud). 


zesde, s%ksim (sekst). 


zijde, zij [de], flank; set 


zestig, seksdes. 


(stof), aan deze — gele- 


zet [de], marsh (bij het 


gen, slterior. aan deze — , 


schaken). 


siteriore. aan deze — van, 


zetel [de], sed. 


siterior^ de. aan gene — 


zetelen, sedar. 


van, trans, aan gene — 


zetten, metar; piasar; posar; 


gelegen, ulterior. aan gene 


marshar (schaakspel). 


— , ulterior^. aan gene 


zeven, n. sept. 
zeven, v. kribar. 


— van, ulterior^ de, op 


— , a flanké. ter — , 


zevende, septm. 


flanka. 


zeventig, septdes. 


zijn, z'n, sle. — (eigen), sue. 


zich, se. 


zijn, V. esar. 


zicht [het], aspekt. 


zijwaarts, versu flank. 


zichtbaar, a. visa6Z(visibl). 


ziltig, a. saloa. 


ziedaar I eksel 


zilver [het], argent. 


zieden, v. trans., v.intr. buliar. 


zin [de], sensu (zintuig) ; 


ziehier! ekse! 


sens (betekenis) ; propo- 


ziek, a. maiad. — worden, 


slsion (volzin), in zekere 


tnalaéeskar. 


— , sert-manieré. 


ziekelik, a. maladoa. 


zinne-, sensutA;. 


ziekehuis [het], hospitai. 


zindelik, a. net. 


ziekte [de], maladtie^. 


zindelikheid [de], mÜtet 


ziekteverschijnsel [het], 


zingen, kantar. 


simptem. 


zink [het], sink. 


ziel [de], anim. 


zinken, plonjar. doen — , mer- 



428 



zinnebeeld — zowel 



gar. 

zinnebeeld [het], simbol; 

emblem. 
zinnelik, a. sensuai. grof—, 

iubrtA;. 
zinnelikheid [de], sensualt- 

tet. grove — , lubfihitet. 
zinrijk, a. sensos. 
zinsbegoocheling [de], haiu- 

sinasion. 
zinspelen; op iets — , alu- 

dar a kk. 
zinspeling [de], aludasion. 
zintuig [het], sensu. 
zirkoninm [het], sirkonium. 
zitplaats [de], sed. 
zitten, sedar. 
zo, tak. — menigmaal, taie 

mult/oa. 
zoals, kuaie. 
zodanig, pr. tal. 
zodat, taie ke. 
zodiak [de], sediak. 
zodoende, simanieré. 
zodra, nemediate po ke. 
zoeaaf [de], suav. 
zoeken, shershar. 
zoen [de], oskul (kus), 
zoenen, oskuiar. 
zoet, a. duis. — maken, dui- 
st)^ A;ar. 
zoetheid [de], duisi^^ 
zo even, yesté sitempe. 
zogen, mamular. 
zolang, taie longe ke. 



zolder [de], grenm. 

zomen, bordar. 

zomer [de], termotemp. 

zon [de], sol. 

zondaar [de], pekaior. 

Zondag [de], soldi. 

zondags, a. soldian, de soldi. 

zonde [de], pekad 

zonder, sine. 

zonder dat, sine ke. 

zonderling, a. estran. 

zondigen, pekar. 

zonnescherm [het], parasol, 

zonneweg [de], ekliptlk. 

zoogdier [het], mamifer (ani- 
ma! mamifer). 

zoogster [de], nuMatora. 

zool [de], sole. 

zoölogie [de], sooiogi. 

zoölogies, a. soologftA; (soo- 
legik). 

zoom [de], bord. 

zoon [de], filio. 

zorg [de], kur; griv (kommer). 

zorgen, kurar. 

zot, a. fol. 

zot [de], fol. 

zotheid, folt^^ 

zout, a. 8alo8. 

zout [het], sal. 

zouten, salar. 

zoutwerk [het], salln. 

zoutziederij [de], salin. 

zoveel, tant (pr.) ; tante (adv.). 

zowel. . . als, e... e. 



zozeer— zweren 



429 



zozeer, tante. 

zucht [de], suspir. 

zuchten, suspirar. 

zuidelik, a. suéik, adv. sude. 

zuiden [het], sud. naar het 
— , versu sud. 

zuigen, sugar. 

zuiger [de], piston. 

zuil [de], kolumn. 

zuinig, a. parsimonio». 

zuinigheid [de], parsimonl. 

zuipen, bibar. 

zuippartij [de], orgi. 

zuiver, a. pur; adv. neto. 

zuiveren, purijikar. 

zuiverheid [de], purist. 

zulk, pr. tai. 

zuster, zus [de], soror. 

zuur, a. asid. 

zuur [het], asidad 

zuurheid [de] asidt/6^ 

zuurstof [de], oksigen. 

zwaaien, vasiiar (intr.). 

zwaan [de], sin. 

zwaar, a. pesan^; grav (ern- 
stig); Tiefasil (moeilik). — 
zijn, pesar. 

zwaard [het], gladi. 

zwaard vechter [de], gladia- 
tor. 

zwaarlijvig, a. korpulent. 

zwaarlijvigheid [de], korpu- 
lentt/6^ (korpulens). 

zwaarmoedig, a. melankolliA; 
(melankolik). 



zwaarmoedigheid [de], me- 

lankoil. 
zwaarte [de], pesac^ ; gravtto^ 
zwaartekracht [de], gravita- 

sion. 
zwaartillend, a. skruplo^ 

(skrupulos). 
zwaartillendheid [de], skru- 

f\o8itet (skrupulosi^e^). 
zwaarverterend, a. dispepsitA; 

(dispeptik). 
zwager [de], bei-fratr. 
zwak, a. febl. 
zwakheid [de], fMitet. 
zwakte [de]. fMitet. 
zwaluw [de], sval. 
zwart, a. negr. 
z war tachtig, a. negra^r. 
zwartbrood [het], negr-pan. 
zwarte [de], negr. 
Zwarte zee [de], Negr (mar 

negr). 
zwavel [de], sulfur. 
zwavellood [het], galen. 
Zweden [het], Suedia. 
zweefrek [het], trapes. 
zweep [de], flagel. 
zweer [de], ulser. 
zweet [het], suiad, 
zwelgen, krapuiar. 
zwellen, tumorar. 
zwemmen, flotar. 
zwepen, flagelar. 
zweren, yurar (een eed doenj; 

ulserar (etteren). 



430 



z werven — Zwitserland 



zwerven, migrar. 
zweten, sudar. 
zwijgen, silenslar. 



zwijgend, a. silen8io8. 
zwijn [het], pork. 
Zwitserland [het], Helvetia. 




AANHANGSEL 



Beknopte geschiedenis van de internationale 
wereldtaal-akademie. 

Kaar het duits van W. Rosenberger door W. B. v. B. 



Deze akademie dankt haar ontstaan aan drie kon- 
gressen die indertijd door de volapükisten zijn gehouden. 

Het 4e kongres ha^d plaats te Friedrichshafen aan het 
meer van Konstanz, van 25— 28 Augustus 1884. Hiertoe 
had de uitvinder van het volapük, pastoor J. M. Schleyer, 
in zijn eigen blad (Volapükabled) een oproep geplaatst 
„aau alle vrienden, beschermers en kenners van de 
wereldtaal". Dit k ongres werd bezocht door volapükisten 
uit Duitsland, Oostenrijk en de Elzas. Men sprak er 
duits. Belangrijke besluiten werden niet genomen, altans 
niet gepubliceerd. Er werd een komitee gekozen dat 
de opdracht kreeg op geschikte tijd en plaats een 2e 
kongres voor te bereiden 

Dit komitee richtte in het begin van 1887, zowel door 
middel van Schleyer's blad als van het te Mtinchen ver- 
schijnende Cogabled (moppeblad), een uitnodiging aan 
alle volapükisten op de wereld tot het bijwonen van een 
internationaal kongres te München, van 6 — 9 Augustus 
1887. 

Op dit Mtinchener kongres werd een beslissing ge- 
nomen over enige grammatikale kwesties van minder 
belang en werden statuten uitgewerkt voor een algemene 
internationale wereldtaal-vereniging die echter nooit tot 
stand is gekomen. Om de taal -eenheid te handhaven en 

28 



434 

het volapük te volmaken, vormde men een internationaal 
lichaam, de wereldtaal-akademie, die opl Januariel888 
aan het werk rnoest gaan. Tot direkteur werd met al- 
gemene stemmen gekozen prof. dr. Auguste Kerckhoffs 
te Parijs. Deze was sekretaris van de biezonder ijverige 
„Association fran(jaise pour la propagation du Volapük" 
en schrijver van het franse volapük- woordeboek, waarin 
hij enkele vereenvoudigingen van de taal had ingevoerd. 
Naast hem koos men 17 personen uit 12 verschillende 
landen tot kademals, dat wil zeggen leden der akademie. 

In § 9 van de kongres- besluiten stond, met betrekking 
tot de stichting van de akademie, dat deze zelf haar 
statuten moest vervaardigen. Tot basis konden gebruikt 
de door Schleyer voorgestelde statuten en de toepas- 
selike paragrafen van de statuten der „Académie fran- 
(?aise". Na bekrachtiging door de cifal (hoofdbestierder, 
een voor Schleyer geschapen erepost) moesten de sta- 
tuten worden meegedeeld aan het kongres, waarschijn- 
lik een toekomstig. 

§ 8 van dezelfde besluiten bepaalde dat om de drie 
jaar in 't begin van Augustus een kongres van de aka- 
demie zou plaats vinden, te gelijk met dat van de reeds 
genoemde algemene wereld taal- vereniging. Voor het vol- 
gend kongres dacht men aan Parijs of Wenen. 

Professor Kerckhoffs had de verkiezing tot direkteur 
aangenomen onder de volgende twee voorwaarden: 

lo. de besluiten van het Münchener kongres die be- 
trekking hadden op de akademie, moesten als voorlopig 
worden beschouwd en zouden op het te verwachten 
volapükisten-kongres in 1889, bij gelegenheid van de 
grote parijse wereldtentoonstelling, aan een nieuw onder- 
zoek worden onderworpen; 

. 2o. behalve de gekozen 17 personen, zouden nog 7 
dóór hem voorgedragen heren als lid der akademie wor- 
den aangenomen. 



435 

Deze voorwaarden werden hem toegestaan, zowel door 
<le 17 akademisten, als door Schleyer. Hiermee bezat het 
toekomstig kongres het volle bekrachtigings-recht over 
de statuten, en was de vraag over tijd en plaats van 
dat kongres ook beantwoord: Parijs 1889. 

Nu begon het werk van de akademie. Schleyer was 
de eerste die vragen voorlei, onder andere deze : Moeten 
alle stamwoorden, zonder uitzondering, beginnen met 
een medeklinker? 

De direkteur gebruikte tot korrespondentie met de 
leden het onder zijn redaktie staande blad „Le Volapük". 
Hij begon met de opstelling van een programma dat liep 
over: 1. alfabet; 2. woordvorming; 3. woordschikking; 
4. spraakkunst; 5. onderzoek van ondeugdelike woorden in 
de diktionaire; 6. vorming van nieuwe woorden. De 
akademie keurde dat program goed, en toen begon de 
direkteur al terstond met de vraag : Moet men de klan- 
ken: d, ö, ü in de taal opnemen; en zo ja, moeten zij 
worden weergegeven door de schrijfwijze a, ö, ü of anders ? 

Uit hetgeen Schleyer en de direkteur vroegen, ziet 
men dat de akademie niet enkel had te beslissen over on- 
beduidende vragen, zoals die tot dusver door de vola- 
plikisten waren gesteld, maar dat kern-rakende 'veran- 
deringen van de taal te wachten stonden en dat men 
de akademie een grote, ernstige arbeid had toegedacht. 
Want had de meerderheid die twee vragen met nee 
beantwoord, op slag waren alle leer- en woordeboeken 
onbruikbaar geworden en had de akademie nieuwe 
woorden en vormen kunnen opstellen voor de helft van 
de volapük- woorden en voor vele spraakkunstige vormen. 
Er zou een geheel nieuwe taal zijn ontstaan, waarvoor 
zelfs de naam volapük niel meer had gedeugd. In 't voor- 
bijgaan zij gezegd dat de antwoorden zo uitvielen dat 
voorlopig geen radikale veranderingen nodig ^aren. 



436 

Daarop stelde de direkteur, in aansluiting met zijn 
program, andere vragen. Waren de antwoorden van de 
akademie-leden ontvangen, dan vergeleek hij die, en de 
mening van de meerderheid vormde een besluit. De 
besluiten kwamen te staan in het blad „Le Volaptik.'* 
Bij het doen van de vragen en de publikatie van de 
besluiten gebruikte de direkteur volapük. 

Aanvankelik had de akademie zeer vlijtig gearbeid^ 
zodat begin 1889 reeds besluiten waren genomen over: 
de klanken in de taal op te nemen; de lettertekens om 
die klanken weer te geven: de betoning van de woor- 
den; enige grondbeginselen voor de woordvorming. De 
twee voornaamste principes voor de keuze van destam- 
woorden luidden : 

1. Het is geoorloofd stam woorden naar believen te 
scheppen, maar korte stam woorden die reeds in de 
natuurtalen bestaan, verdienen de voorkeur. 

2. Het is niet nodig de oorspronkelike voim te be- 
houden, maar de vorm die het meest lijkt op de oor- 
spronkelike, is de beste. 

Verder was besloten dat de woordschikking in de 
volzin niet vrij zou zijn, maar moest geschieden volgens 
vaste eenvoudige regels. Wat de verbuiging betreft,^ 
zouden beide manieren van veibuiging — als men zich 
aldus mag uitdrukken - zowel met behulp van uit- 
gangen (-a, -6, -i) als van voorzetsels (de voor de 2e,. 
al voor de 3e naamval), geoorloofd zijn. 

Er ontbraken nog besluiten over de vervoeging en de 
vorm van de voornaamwoorden, terwijl de akademie in 
't geheel niet gekomen was aan de punten 5 en 6: 
onderzoek van ondeugdelike en vorming van nieuwe 
woorden. 

Het programma was dus niet afgewerkt, zodat de direk- 
teur zijn plan om aan het 3e kongres in Augustus 1889 
een volledig spraakkunst-ontwerp ter deflnitieve bekrach- 



437 

tiging voor te leggen, niet kon volvoeren . Toch publi- 
ceerde hij kort vóór het kongres een ontwerp waarin 
deze belangrijke onderwerpen (vervoegingsvormen en 
voornaamwoorden) voorkwamen, niet opgesteld krachtens 
officiële akademie-besluiten, maar eenvoudig met enige 
persoonlike veranderingsvoorstellen van de direkteur, 
over welke de akademie nog niet was geraadpleegd. 

Omdat die voorstellen niet algemeen in de smaak 
vielen van de akademisten, kon er aan bekrachtiging 
van het spraakkunst-ontwerp door het kongres niet 
worden gedacht. Zelfs de bespreking van gram matikale 
kwesties op het kongres bleek onmogelik, want dat zou 
wel tot zeer tijdrovende debatten hebben geleid, maar 
niet tot een prakties resultaat. Daarom beperkte het 
kongres zich er toe de akademie met de opstelling van 
een eenvoudige spraakkunst te belasten. 

Het kongres had plaats m Parijs, van 19—21 Augus- 
tus 1889. Aanwezig waren volapükisten uit 13 verschil- 
lende landen: Frankrijk, Duitsland, België, Italiö, 
Engeland, Spanje, Rusland, Denemarken, Oostenrijk- 
Hongarije, Griekenland, de Verenigde Staten van Noord- 
Amerika, Turkije en China. De kongres-taal was volapük. 

Het voornaamste wat het kongres deed, bestond in 
het nauwkeurig nagaan van de 21 paragrafen van de 
statuten der internationale wereldtaal-akademie die het 
voorbereid ingskomitee, benoemd dooi* professor Kerck- 
hoffs, had uitgewerkt. Nadat enige veranderingen waren 
aangebracht, werden de statuten goedgekeurd in de 
vorm gelijk zij hierachter in nederlandse vertaling zijn 
afgedrukt en nog op het ogenblik gelden. In § 1 staat 
uitdrukkelik dat de taak der akademie bestaat in de 
voltooiing en verbetering van spraakkunst en woorde- 
boek van de uitvinder. Krachtens de laatste paragraaf 
kunnen deze statuten alleen door een internationaal 
kongres worden veranderd. En met betrekking tot 



4J« 
•A^f*:i :*.jii» !c'.ri;?r*?**^fi Ter», op i?'j A'^-v^t^-.-? 1JÏ*9 een 

t^anne^ ^frt voiirfTf.) k vn;:"^ z;il tliau vin-jeo: de 
ükw\hu,\^ Uiffhl r»*:l )k'Ai.XrH V if. V orCr^rei'Jiri^ To«jr bet 

hchlf'.y^r fÜH h^-t k ^fiST'r* ni->t had bïj%-ew.j.,.nd. Ter- 
klaaH<> djit f lij alle ï,ar'^:/raferj vandestaiuieD bekrach- 
tjf(d<;, m^ u\t7JfU'>.nu:£ \hïm d.^ zijne rechten io de 
i%\iw\fjii\f. vart*tell':fi, en dot hij zich vc»or alle ^evalJen 
^ri vet/# vooi l^hieid. \Vi;i Sc n lever vao hel kongres 
irolïjtrekt geen recht van J>^-krachtiging had ouiTangeo^ 
werd deze eis niet in aanr/.erkintr genomen. 

Z^/ wan de wereldfjal-akadernie geworden een levens- 
vatbare, zeir-tandi;.'e ifj^-telling die tot recht en plicht 
had ; 1, de «praakkufi^t en het woordeboek van de 
uitvinder te voltooien ; ^, daarin, zonder enige beperking, 
die veranderingen aan te brengen die de akadernie als 
verbeteringen b^5«chouwt. 

Ofkcboon men mocht verwachten dat de met zulk 
mik<^*M begonnen arbeid van de akademie overeen- 
komstig het programma ten einde zou worden ge- 
voerd, moet lielaa» na het kongres een vermindering 
van {(eestkracht woiden gekonstateerd, wat zelfs tot 
tydelik ntop-zetten leidde. Vooral dient dit geweten 
aan een nieuwe manier van vragen-stellen door de direk- 
teur ingevoerd. 'J'en eerste legde hij de akademie niet 
meer aif'zonderlike gedeeltes van de spraakkunst ter 
Ktemming vorir, maar o\) eens een volledig spraakkunst- 
ontwen» en liefst met nog meer voorstellen tot verande- 
ring. Ten tweede droeg hij de akademisten op, omtrent 
de ui of' niet aanneming van deze graramaire tot over- 
eenMterfjrning te komen met de wereldtaal- verenigingen 
van (Ie door hun vertegenwoordigde landen, een manier 
van Hternmen die in (Ui statuten niet voorzien was. 

Op di<; wyze viel aan eenheid niet te denken. Had 



439 

men ie voren al een gi'oot aantal meningen van de 
verschillende klubs, volapük-bladen en hun korrespon- 
denten, nu werd het nog erger. In korte tijd ontston- 
den in plaats van het ene spraakkunst-ontwerp een 
hele stapel ontwerpen, want vele akademie-leden had- 
den hun stem bij de direkteur uitgebracht in de vorm 
van een zelfstandig projekt en enkele hadden hun pro- 
jekten gepubliceerd. 

Vele van deze spraakkunst-ontwerpen bevatten goede 
voorstellen, waard door de akademie in aanmerking te 
worden genomen. De algemene wens was dan ook dat 
de direkteur de verschillende voorstellen ter stemming 
zou opnemen in het orgaan van de akademie. Dat was 
intussen . door de direkteur gesticht onder de naam 
Ca)abled Kadema (officieel blad van de akademie), maar 
er zijn nooit meer als twee nummers verschenen. 

Het woord was aan de direkteur. De hele volapük-we- 
reld wachtte vol spanning wat komen zou van Parijs. 

Maar professor Kerckhoffs liet maanden-lang niets 
van zich horen. 

Dat feit en de onenigheid onder de volapükisten had- 
den tot gevolg dat de belangstelling voor volapük vrij 
plotseling ophield en de ijverige propaganda van nu af 
allengs verminderde. 

Om weer stoom in de ketel te brengen werd in No- 
vember 1890, op aanstichting van de volapük-vereniging 
te Sint-Petersburg (Zilak volapüköl), een verzoekschrift 
aan de direkteur gezonden. Het was getekend door 23^ 
akademisten en 19 buiten de akademie staande vola- 
pükisten, en bevatte als verlangen dat de direkteur de 
9 voornaamste ontwerpen (van de akademie-leden Day 
en Holden, Guigues, Heyligers, Kerckhoffs, Knuth, Krü- 
ger, Lederer en von Rylski, Plum, Rosenberger), vol- 
gens de belangrijkheid in paragrafen zou afdelen en 



440 

voorleggen, opdat de akademie bij meerderheid van 
stemmen in elk biezonder geval uit de voorgestelde vor- 
men de beste kon kiezen. In strijd met § 17 van de 
statuten die zegt dat een voorstel, door minstens 6 aka- 
demie-leden ondertekend, in behandeling moet worden 
gebracht, voldeed de direkteur niet aan het gedane 
verzoek. Als enig antwoord bevatte nummer 2 van het 
officiële blad, gedateerd Desember 1890, nogmaals oen 
volledig spraakkunst-ontwerp met biezonder onnauwkeu- 
rige aantekeningen over de voorstellen van de akademie- 
leden. In een omzendbrief van 20 Julie 1891 deelde profes- 
sor KerckhofTs mee dat hij besloten had zijn ambt neer 
te leggen. 

Toen gaf de akademie aan een voorlopig komitee, be- 
staande uit drie medeleden Champ-Rigot, Guigues en 
Heyligers te Parijs, de opdracht het nodige te ver- 
richten voor de keuze van eene nieuwe direkteur. 

Dit komitee gaf bericht van zijn werkzaamheden in 
6 cirkulaires, van 2 November 1891 tot 14 Desember 
1892. Het maakte een afrekening van de geldmiddelen 
en liet een zogenaamde normaal-gram maire (Glamat 
nomik) in volapük drukken die de regels bevatte in 
de voi-m zoals de akademie ze had aangenomen. Ver- 
der deed het verschillende nieuwe leden der akademie 
verkiezen en ten slotte de direkteur; waartoe voor de 
tijd van 5 jaar werd gekozen de ingenieur Woldemar 
Rosenberger te Sint-Petersburg . 

Omdat een lid van het komitee, A. Heyligers, door 
middel van een cirkulaire, gedateerd 15 Jan uarie 1893, 
aan de akademie-leden meedeelde dat hij niets afwist 
van de verkiezing van een nieuwe direkteur, doordat 
hij in geen drie maanden een komitee- vergadering had 
bijgewoond, besloot de akademie de werkzaamheden van 
het komitee — voor zo ver deze de di rekte urs verkie- 
zing betroffen — aan een kontrole te onderwerpen die 



441 

werd opgedragen aan de volapük-vereniging te Leitraeritz 
in Bohemen. Die vereniging gaf in een cirkulaire van 16 
Mei 1893 als uitslag van haar onderzoek dat de heer 
Rosenberger inderdaad de nieuwgekozen direkteur was. 

Intussen had de akademie bijna 4 jaren niet gearbeid; 
de belangstelling voor volaptik was zeer verminderd; 
Schleyer wou van grote veranderingen niets weten ; het 
aantal akademisten was tot 15, dat van de volaptik- 
bladen tot 8 geslonken; de meeste klubs werkten niet 
meer en de enkele overgebleven wereldtaal-mensen ston- 
den vijandig tegenover elkaar: hier aanbad men 
Schleyer en diens volapük, daar was het volapük met 
de veranderingen van Kerckhoffs het* ideaal, ginds 
was men versnipperd in een massa groej^jes die elk 
ێn uit de stapel taalsystemen omhoog hield. 

Ondanks deze beslist ongunstige omstandigheden dorst 
Rosenberger het bestaan de neergelegde arbeid op te 
nemen, omdat hij, gelijk hij zegt, overtuigd was van 
het nut van een kunstmatige taal voor het algemeen 
verkeer en vertrouwen had in de mogelikheid van de 
akademie-taak en de bruikbaarheid van de in Parijs 
opgestelde statuten. 

Als prakties wereldtaal-man schoof hij de grammaire 
voorlopig op zij. Met een voorbeeld voor ogen en een 
beetje fantazie is het helemaal geen toer een grammaire 
voor een „al-taal" in elkaar te knutselen, zoals de 
reeks van wereldtalen, beter gezegd wereldtaal-ontwer- 
pen, bewijst. Soms komt er dan wat erg wonderliks 
of naïefs te voorschijn, maar toch haast in elk projekt 
ligt iets dat waard is te worden vastgehouden. En als 
de maker veel taalinzicht heeft of de bouw van ver- 
scheidene talen ernstig bestudeerde, moet men soms 
bewonderen de geniale gooi die hij doet naar het eind- 
doel. Maar dat is allemaal theorie. De praktijk vraagt 



442 

naar de woordenschat, of die zich raakkelik in het 
geheugen prent, of de afleidingen begrijpbaar zijn en 
een ergens vereiste vermenigvuldiging van de oer-woor- 
den die ieder taai-gebruiker als minimum nodig heeft, 
op eenvoudige manier toestaan. Als dan zo'n geestig in 
elkaar gezette grammaire moet werken, als arbeid- 
bespoedigende machine moet beetpakken, aanrollen en 
doorwerpen de woorden die voortaan de internationale 
verkeersweg zullen plaveien, dan blijkt het toestel, hoe 
vernuftig, onmachtig tot langtijdig functioneren wegens 
de onbehouwen zwaarte en onverzetbaarheid van zijn 
woord-materiëel. Zo wou Rosenberger niet falen en hij 
begon met het voornaamste : het onderzoek van ondeug- 
delike en de vqrming van nieuwe woorden. 

Hij bood de akademie een lijst aan van zulke volapük- 
woorden, waarvan hij, omdat zij in de meeste europese 
talen voorkomen, veronderstelde dat ze niet behoefden te 
worden veranderd, b v. karavan, latin, metal, tabak enz. 
Bij elk woord tekende Rosenberger aan in welke talen het 
voorkomt. Gelijk gezegd is in het hoofdstuk over de woord- 
vorming, hield men steeds rekening met het volgende 
7-tal : engels, frans, duits, spaans, Italiaans, russies, latijn. 

In een tweede lijst sloeg Rosenberger voor in plaats 
de bestaande volapilk-woorden zulke woorden op te 
nemen die — wat hun vorm aangaat — geheel pasten 
in het systeem van volaptik, dat wil zeggen begonnen 
en eindigden met een medeklinker en daarom aansloten 
bij de volaptlk-spraak kunst die zodanig begin en einde 
eist, maar die beter beantwoordden aan het onder Kerck- 
hoffs genomen akademie-besluit dat de oorspronkelike 
vorm der woorden zoveel mogelik dient gehandhaafd. 
Zo werd fabrik voorgesteld in plaats fablüd, balsamin 
plaats bain, Irup in plaats ilup. Daarbij stiet Rosenber- 
ger op weinig weerstand ; slechts bij enkele woorden 
deden de akademie-leden een tegenvoorstel. De direk- 



443 

tenr liad b.v. voorgeslagen fcZod te vervangen door /ra<, 
waartegen het akademie-lid Plum te Kopenhagen inbracht 
(lat de vorm frati' nog beter zou zijn. In zulk geval 
stelde de direkteur de vraag nogmaals en liet de leden 
kiezen tussen beide voorgeslagen woorden. Het woord 
dat de meeste stemmen kreeg, werd krachtens § 13 van 
de statuten aangenomen. 

Voor de voeling met de leden had Rosenberger afge- 
zien van het gebruiken van een tijdschrift, wijl dat 
onprakties was gebleken. Elk nummer daarvan moest 
immers een bepaald aantal bladzijden tekst brengen en 
op vastgestelde tijd verschijnen. Hij gaf de voorkeur 
aan gedrukte cirkulaires van 1-12 bladzijden die hij 
kon uitgeven als ze nodig waren. Ze waren natuurlik 
opgesteld in volapük en van elk werden 2 exemplaren 
aan de akademie-leden verzonden met verzoek één 
exemplaar te bezigen voor de stemming over de er in 
gedane vragen. Dat ene exemplaar moest zo spoedig 
mogelik worden teruggestuurd. De akademie had de 
direkteur gemachtigd ge^n rekening te houden met 
antwoorden die later dan 65 dagen na de vertrek-datum 
binnenkwamen. Men had zulk een groot tijdsverloop 
vastgesteld, omdat het braziliaanse medelid de gelegen- 
heid moest hebben deel te nemen aan de arbeid en 
zijn antwoorden niet vroeger in Petersburg konden 
aankomen. 

De vragen waren alle zo gesteld dat de akademisten 
met ja of n e e te antwoorden hadden, zodat de direk- 
teur gemakkelik de stemmen voor en tegen kon opne- 
men. Gold het echter nieuwe voorstellen, van woorden 
üf spraakkunstige regels b.v., dan moesten de leden — 
op verzoek van de direkteur — nooit volstaan met een 
droog nee. Wie het niet eens was met het voorge- 
slagene, moest een beter voorstel doen. Daarna kon de 
akademie een keus doen tussen beide voorstellen, gelijk 



444 

al gebleken is uit het boven meegedeeld voorbeeld van 
frat en fratr. 

Zodoende kwam menig, werkelik goed en prakties 
voorstel voor den dag. Ieder lid was in de gelegen- 
heid eigen voorstellen te doen en kreeg meermalen, om 
een eindkeiize te doen, verschillende voorstellen vóór 
zich. Daarom heerste tevredenheid onder de leden, wier 
aantal door het toetreden van ernstige krachten weer 
aangroeide . 

Gelijk reeds gezegd, toentertijde waren naast het 
volaplik verschillende andere systemen van kunstmatige 
talen verrezen. Daarvan moeten de voornaamste wor- 
den genoemd, wijl zij onmiskenbaar invloed hebben ge- 
oefend op de werkzaamheden van de akademie. 

1. La lingvo internacia van dr. Esperanto 
(Zamenhof) te Warschau (1887). 

2. Kosmos van Eugen A. Lauda te Berlijn (1888). 

3. Spel in van prof. J. Bauer te Agram (1888). 

4 Myrana van J. Stempfl te Oberreute in Beieren 
(1889). 

5. Mundolingue van J. Lott te Wenen (1890). 

6. Universala van dr. Eugen Heintzeler te Stutt- 
gart (1893). 

7. Novilatiin van dr. E. Beermann te Nordhausen 
a/H (1895). 

Verder onderging de akademie invloed van de geschrif- 
ten van de volgende personen: dr. T. C. Winkler te 
Haarlem, John Runström te Stockholm, Karl Lentze te 
Leipzig, Edgar von W^ahl te Reval en Anton von Gra- 
bovski te Ivanovo-Vosnesensk. Zo is de door de akademie 
aangenomen betoning van de woorden, op de klinker 
vóór de laatste medeklinker, voorgeslagen door Bauer 
(Spelin) en Wahl, terwijl de algemene meervouds-uitgang 
afkomstig is van Zamenhof en Grabovski. Ook dient 
vermeld het maandschrift „Linguïst", een onafhankelik 



445 

orgaan voor alle wereldtaal-voorstanders, dat in de jaren 
1896 en '97 te Hannover werd uitgegeven. 

Prakties stond de taal van dr. Esperanto het hoogst. 
Theoreties heeft J. Stempfl de beste aanwijzingen ge- 
geven hoe een internationale taal er uit moest zien. In 
één opzicht waren alle bovengenoemde schrijvers, mis- 
schien met uitzondering van Bauer, het eens: dat de 
woordstammen ontleend moeten worden aan de levende 
talen of aan het latijn, en liefst met zo weinig mogelik 
veranderingen . 

Van grote betekenis voor het werk van de akademie 
was het in 1891 verschenen boek van de Chileense 
marine-dokter Alberto Liptay : „Eine Gemeinsprache der 
Kulturvölker". Dit bevatte een kritiek op bestaande 
wereldtaal-ontwerpen en gaf grondbeginselen voor de 
opbouw van het woordeboek van een internationale taal. 
De schrijver lei er de nadruk op dat reeds een grote 
massa zogenaamde wereldwoorden bestaat, b. v. 
miimalj een woord dat begrijpelik is voor vrij wel alle 
volken en in elk geval voor alle beschaafde volken, ook 
voor die het niet — gelijk de Engelsen, Fransen, Ita- 
lianen, Spanjaarden, Portugezen enz. — als woord in 
hun moedertaal kennen; zo spreekt de Duitser van 
Animalismus, Animalien, animalisieren en van anima- 
lischen Eigenschaften. Als andere voorbeelden van zulke 
wereldwoorden werden gegeven: artificialy imiversaly 
amor, color^ baron, balkon^ <Mnen^ volumen, Tnerkaniil, 
vuhan, fabncant, miserable, natur^ divin^ adyectiv, ame- 
rik, observatoriiiyn^ autoritdt^ distanz, celibat, eva^igelist, 
adoptieren, tabak, ciqar, ka/é, té, sport, club^ aatronom, 
logarilm enz. — alles te zamen ruim 8000 woorden. 
Men mag niet weigeren die alle op te nemen in de 
diktionaire van een taal die voor het internationaal 
verkeer bestemd is, evenmin als de elementen waaruit 
deze woorden zijn samengesteld. Waar het op aan komt 



is ze te vinden en te verzamelen. Liptay geeft zelfs als 
stelling dat een wereldtaal niet uitgevonden, maar 
ontdekt moet worden. Omdat hij overtuigd is van de 
onmogelikheid een wereldtaal te maken die van begin tot 
einde nieuw is, stelt hij voor tot een gemeenschappelike 
taal te komen door synthese of kompilatie van haar 
elementen, van zulke elementen naraelik die al in het 
bereik liggen van ieder menseverstand, en er alleen op 
wachten te worden gekondenseerd in iets tast- of zicht- 
baars en te worden gebracht in homogene vorm. Ook 
over de spelling van de wereldwoorden vindt men in 
hetzelfde werk voortreffelike gegevens, terwijl de gron- 
dige beschouwing die Liptay geeft over de internationale 
waarde van de lettertekens, slechts op een heel enkel 
punt zou kunnen worden tegengesproken. 

Dr. Liptay heeft zijn werk ter beoordeling opgestuurd 
aan de nu overleden professor Max Muller te Oxford 
en deze zond hem een brief waarin onder meer het 
volgende staat: „Uw idee om stam woorden uit te kie- 
zen die bijna algemeen door ontwikkelde personen wor- 
den begrepen, is uitstekend, en de grammatikale arti- 
kulatie die u voorstelt, gemakkelik uitvoerbaar, hoewel 
hier en daar allicht iets kon worden voorgeslagen dat 
eenvoudiger en praktieser is. Wat u nu te doen 
staat is een volledig woordeboek uit te werken." 

Het schijnt dat dr. Liptay die raad niet behartigd 
heeft; altans tot dusver is geen woordeboek van hem 
verschenen . 

De wereldtaal-akademie echter volgde graag deze 
praktiese wenken op. Nadat Rosenberger de leden had 
gewezen op de genoemde werken, in 't biezonder op 
dat van Liptay, en uitgenodigd daarmee rekening te 
houden bij *t uitbrengen van hun stem, opdat de aka- 
demie niet achter zou blijven of tegen de stroom roeien, 
werden spoedig de voornaamste beginselen voor de spel- 



447 

ling opgesteld. Daarna werd als besluit aangenomen dat 
voor iedere stam de internationale vorm moest worden 
gezocht, dat wil zeggen dat die stam het geschikste is 
die in de meeste europese hoofdtalen voorkomt. 

In overeenstemming met dit besluit raadpleegde Ro- 
senberger bij het uitzoeken van de voor te stellen woor- 
den de vroeger genoemde talen e f d 8 i r I ; verder 
ging hij na of de wereldtaal-kundigen Esperanto, Lott, 
Heintzeler en Beermann voor dezelfde begrippen geen 
passender vormen gaven, en eerst dan liet hij de aka- 
demie over zijn voorstellen stemmen. 

Omdat — in tegenstelling met vroeger — niet de 
spraakkunst maar het woordeboek voor het belangrijkste 
werd gehouden en omdat vele internationale stammen met 
een klinker beginnen, moest Rosenbers:er ook zulke stam- 
men voorstellen, ofschoon de vormen van de volapük- 
grammaire daarvoor niet pasten. Verder moest hij nieuwe 
spraak kunstige vormen opsporen die wèl aansloten bij 
dergelijke stammen. 

Na lang zoeken vond men ook eenvoudige vormen, 
b. V. de ver voeging- voorvoegsels -av voor de verleden 
en -ero voor de toekomende tijd. Deze zijn met enige 
verandering ontleend aan de natuurtalen en voor de 
ontwikkelde Europeaan veel bekender dan de gekun- 
stelde volapükse, waarom ze dan ook door de akademie 
werden aangenomen. Ook de meeste willekeurig be- 
dachte volapükse voor- en achtervoegsels konden door 
natuurliker, jar zelfs door internationale vormen worden 
vervangen . 

Het merendeel van de voorgestelde woorden werd door 
de akademie aangenomen. Ten opzichte van tegen-voor- 
stellen handelde Rosenberger gelijk gezegd is. 

Toen de vijf jaren van zijn direkteurschap om waren, 
was het programma grotendeels doorgewerkt. De aka- 
demie had aangenomen: 



448 



1. regels voor spelling en uitspraak; 

2. de noodzakelikste stam woorden, ongeveer 3000; 

3. de noodzakelikste voor- en achtervoegsels voor de 

woordvorming; 

4. een groot aantal afgeleide en samengestelde woorden ; 

5. alle voornaamwoorden; 

6. de meest gebruikelike bijwoorden, voorzetsels en 

voegwoorden ; 

7. alle spraak kunstige vormen; 

8. regels voor de woordschikking. 

Het geheel van de Jioen aangenomen akademie-be- 
sluiten verdiende reeds de naam van een kunstmatige 
taal. De taal van de akademie verschilt hierin van 
alle andere kunst-talen dat zij niet werd gemaakt door 
een enkeling, maar het resultaat is van jaren-lange, ver- 
moeiende arbeid van heel een internationaal lichaam. 
Zij kan aan de ene kant even gemakkelik als hetvola- 
pük worden gesproken en gelezen, omdat de volapiik- 
beginselen van nagenoeg fonetiese schrijfwijze, regels 
zonder uitzonderingen, gemak om van stam woorden 
afleidingen te maken i) zijn behouden. Aan de andere 
kant zal deze taal, bij 't horen en lezen, veel gauwer 
worden begrepen als volapük, omdat voor alle woord- 
elementen vormen zijn gekozen die de meerderheid van 
de beschaafde Europeanen al kent 

Reeds vóór 1902 hebben enkele akademie-leden in 
de korrespondeutie met hun ambtgenoten het volapük ver- 
vangen door de nieuwe taal, wijl hun het schrijven 



1) Dit gemak wordt veroorzaakt door de volgende beginselen: 

1. de stam blijft steeds onveranderd; 

2. afgeleide woorden kunnen enkel worden gevormd door aanhech» 

ting van voor- of achtervoegsels ; 

3. voor elk biezonder geval bestaat slechts één voor- of achtervoegsel; 

4. de bestaande voor- en achtervoegsels kunnen aan elke stam wor- 

den gehecht, voor zo ver de betekenis het toelaat. 



449 

daarin beter af ging, en dat niettegenstaande de beslui- 
ten van de akademie nog niet in overzichtelike vorm 
waren samengevoegd: immers er was geen spraakkunst 
waarin de aangenomen vormen gegroepeerd, noch een 
woordeboek waarin de aangenomen woorden alfabeties 
geschikt stonden. 

Nadat Rosenberger verklaard had niet voor herbe- 
noeming in aanmerking te willen komen, werd van de 
voorgedragen personen het akademie-lid M. A. F. Hol- 
mes, geestelike te Macedon bij Rochester in de staat 
New York, met algemene stemmen tot direkteur geko- 
zen. Dit geschiedde 16 Mei 1898 voor de tijd van 
5 jaar. 

De nieuwe direkteur heeft van het begin af de 
cirkulaires aan de leden opgesteld in de taal van de 
akademie die in November 1899 gedoopt werd neu- 
trale taal (idiom neutral). 

Hij zette de arbeid in gelijke geest voort. De taal 
werd verder opgebouwd door verandering van enkele, 
vroeger aangenomen beschikkingen, waarvan gebleken 
was dat zij minder juist of inkonsekwent waren, door 
opneming van een groot aantal nieuwe stam-, afgeleide 
en samengestelde woorden, voor een deel met benut- 
tiging van enige nieuwe voor- en achtervoegsels. 

Nu is de taal in zo ver af dat zij prakties waarde 
heeft en daarom is het tijd de besluiten van de aka- 
demie in de vorm van een woordeboek met spraak- 
kunst openbaar te maken. 

Voor de uitgave in de verschillende talen heeft de 
akademie tot nu toe machtiging verleend aan de heer 
Rosenberger voor de duitse, de heer Holmes voor de 
engelse en de bewerker van dit boek voor de neder- 
landse taal, onder voorwaarde dat zij | van hun even- 
tuele netto- winst zullen afstaan aan de akademie-kas . 

29 



450 

Maar door deze en nog te volgen geautoriseerde 
uitgaven heeft de akademie haar taak niet beëindigd, 
hetgeen ook bezwaarlik kan, omdat de neutrale gelijk 
elke levende taal bestendig groter zal worden en de 
akademie dan aangewezen is het woordeboek aan te 
vullen. 



Statuten van de internationale wereldtaal- 
akademie. 

Vastgesteld door het internationaal volapükisten-kongres 

van Parijs (19—21 Augustus 1889). 

Uit het volapük-origineel vertaald door W. B. v. B. 

1. De akademie houdt zich alleen bezig met de vol- 
tooiing en de verbetering van de spraakkunst en het 
woordeboek van de uitvinder. 

2. De akademie is de enige autoriteit in taalkwesties. 

3. De akademieleden worden gekozen uit de beste 
wereldtaal-beoefenaars van de verschillende landen der 
aarde . 

4. In elk land kan op tien millioen inwoners één 
akademielid worden gekozen ; een gedeelte van tien 
millioen wordt voor tien millioen gerekend. 

5. Elk land zal alleen dan het normale aantal akademie- 
leden bezitten, als de wereldtaal er voldoende in ver- 
spreid is. 

6. Dit aantal kan, bij wijze van uitzondering, worden 
vermeerderd ten gunste van zeer verdienstelike personen. 

7. De verkiezing van de akademieleden geschiedt op 
voorstel van de direkteur en bij meerderheid vanstemmen. 

8. De direkteur der akademie is verplicht die per- 
sonen als akademieleden voor te hangen die hem zijn 
voorgesteld door de klubs van de betrokken landen. 



451 

9. Indien de klubs, binnen twee maanden, niemand 
voorstellen, of indien er geen k lub bestaat, wordt de 
kandidaat door de direkteur gekozen. 

10. De akademieleden worden voor vijf jaar gekozen ; 
herkiezing is geoorloofd. 

11. De akademie wordt bestuurd door een direktie, 
bestaande uit: a) de uitvinder, b) de direkteur, c) de 
onderdirekteur, d) twee sekretarissen. 

12. De direkteur en de onderdirekteur worden door 
de akademieleden gekozen voor vijf jaar. Zij mogen 
herkozen worden. De sekretarissen worden door de 
direkteur benoemd. 

13. De meerderheid van stemmen beslist. 

14. Indien er evenveel stemmen vóór als tegen zijn, 
geeft de stem van de direkteur de doorslag. 

15. De besluiten van de akademie moeten terstond 
aan de uitvinder worden voorgelegd. Indien de uitvinder 
na dertig dagen niet tegen de besluiten heeft gepro- 
testeerd, zijn deze definitief. Besluiten die de uitvinder 
niet goedkeurt, zullen de akademie opnieuw worden 
voorgelegd en eerst definitief zijn, als twee derde van 
de stemmen zich er vóór verklaart. 

16. De besluiten van de akademie worden in de 
wereldtaal gepubliceerd in het officiële blad der akademie 
dat door dit lichaam wordt gekozen.' 

1 7 . De direkteur is verplicht de akademie elk voorstel 
voor te leggen dat door zes akademieleden is ondertekend. 

18. Een akademielid dat weigert de definitieve be- 
sluiten van de meerderheid te gehoorzamen, of dat 
gedurende één jaar en zonder wettige reden heeft ge- 
weigerd deel te nemen aan de werkzaamheden van de 
akademie, heeft opgehouden akademielid te zijn. De 
direkteur is verplicht zijn ontslag voor te stellen. 

19. Het ontslag van een akademielid wordt besloten 
door twee derde van de stemmen. 



452 

20. Elk akademielid betaalt een jaarlikse bijdrage 
van tien frank, tot de akademie de nodige geldmiddelen 
zal bezitten. De direktie van de akademie besluit hoe 
dit geld zal worden gebruikt. Eén van de sekretarissen, 
is kassier der akademie. 

21. Deze statuten kunnen alleen worden veranderd 
door een internationaal kongres. 

Het origineel is ondertekend door Paul Champ-Rigot, 
sekretaris van het kongres. 



5C 





a 



I SS 

08 > fl 



4) 



'S 

o 
o 



08 

'S. 


O 
O 



03 
08 



O 

^2; 



OiOOOC^OiOiO Oi C<l O 

oo 05 00 Oi 00 00 Oi 00 Oi os 

00 OO 00 00 00 OO 00 00 00 00 



O'^ 53 Ü 



W).S 



a|5igS.S é 59 






& 

-< 



Oi 00 Ö5 Oi Oi 00 
00 5o 00 000000 

1—1 ,_( T—l t— I t—l TH 



^ » a s « 



o 



öc.2 © 






<i> d S 



'3 






OQ 

O 

o 



03 

*3 fl 

Q © 



-!^ 



0.2'S «i-s S-S 



ca 






o, 



08 



^^as. 



d 
d A >H © 
d d-g ^ S^ 



C8 o 

§fSS 

pq" o 

<I> A 08 



O .2 

r^ Pi o 

© © M 
CdD bc © 

d © 03 

©Ja 
2 1 




! ® O £ 5) 

• 2 « fc d 



d 08 © 

.32 i 

'3,2 N t, 

W, OQ^ © 

© d 'ö 
Abc .'S 
d d ^^tï 



a 



© 

Ph d 

«3 *§ 
d CD 

S .1.3 • 
•2 2° 2^ 



© 

« d 

S bL 
© h 

•502 © 

•^ «**^ d 
, 00 .M 

'.'S «^ a 

■•^ a,^ s 

' *^ ojt . 



rH « 00 Tt< iO «o l>- 00 OS Oi-INCO 



"^ oooioco 00 <Me<i o oo(MC<i c<i 

OO O00OQOC30 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 






o. 



.?; ® <D fl Pi Pi Pi « .S -M 'C M 



!« 



^ *® "§ d 



a ^o.s 



C<1 ^ • 












9^ 
00 
00 



> 
O 



0< 

<1 



a 
08 



s 

o 

> 




M 



:2 -S-S^-a i 

Z4 !^ !j CD t)0 O) 

H IL, Pi P © ^ 



^ fl 08 08 o 
g "' 'S W) W) H 

S . o d fl O) 



a 



3 H^^ fl ^ 



S 



tB^ 



^ <o jg 






d 



5 
•08 

d 
o 
o 




08 oï^ w 



S c8 ^ 

O ® 08 

oO dg oQ 

08 <» ® O^ ÖC 



d 



o a 






: ®rd 



OU '*' (D .0 **• O ^ZL 



i 



OQ ^ 



QQ 

■«!i> 









-^ © d 
i_^ d 
d.2^.05 
:Ê^dd 

.t: . ®^ 

<PL,2 o 



d 

08 -^ 

?*^ 
d « 

£3 






1^ 



COh-» d 

dgö 



Pi 

s *^ 
o? 

73 O 

« 9 
ö s 

•ö 08 
S d«ö 

d'C A . 

Sg^ g 



00 . V 

dOQ ^^ 
:o8 . . 

'S|§ 
&<6 



d <o 

sO P4 

. . o? 

I <t-l *t-l 't 



^ s ^^ 

. d 

^ ;; 08 

r<t«-i '^ 



^■2 






si 

0.2 

M a> 

CL. . 
_^l-9 © 

2 • o 



t-l <M CO '^ »0 
CM (M <M (M <M 



t^ 00 



co co co co cc co co co et co -r 



co 
00 



9 

'3 

o 



- Oi 

00 • 



2 ^ 



CO 
00 



• N <M (N CO 

• Oi Oï> Oi Oi 

• 00 0)00 00 



,_^ • S S T^S 



00 « Oi 

00 00 00 



C<I C<l ca <N co 

O) Od Ot Cd Od 
00 QO 00 00 00 



SSpS SS 






eo-^ ^co 

00 00 js^OO 
(M 



00 



o:>o 

00 05 



SS 



Oi 05 05 Oi 
00 00 00 00 






co 



COCO "^ 

Oi Oi Gd 

00 00 00 



;^ 



o o® 






<1 



=3 



1^^ 



08 



08 

'3 
Q 



03 

a 
o 

ö 2 • d o £ • 



'3 

O'S d o „ .„, 



d 



'd* 
•c 



03 (B:<I> 






s<i ö •?•?*!' 



'2^ §^ - M M s 
® S .'S ®ij5 S 






M 
C8 

p 

g= 

08 d t2 



O) 

ö i 

•pH I 

O) 
OQ 



d a> . 

o o *i 

»-^ 23 0Q 



1^ 

© 

'ra 

a 

03 



d d 

d;g a'^ d 

2 «2 go 



d 

t! o dl t> 



^1 

d M 



ff 

'S 4^ 



03 QQ ^ »J 52; C/3 Ph Ph h5 



o 

o 

d fH 

.:d 
J-H .S -M 

«^'^ ® 



I'S 

SI 

®> 
15 !> 



o • o 

M M « 

OhQO 



=^a 



2 04 

rd a> 

i: .H ® o 

ï. ■_ M td d 

" -^'0«t-i O) 
■ — C 33 o •>-• 



Pi 

d 

<D 

'l 

o 



II 

ü o jd rs -^ 

®NH;2 Ö 

Ö 00 • 'Sj^ 
Ti . .'o ^f- 

, 08 >-( ^4 >H ^ 







9 fl:;^ 






3? •§ 



^^ 'S I 



co 

o 



08 







sss 


3 


SS 


ggg 


s 


«g 






GO QC 








t-l rH t-l 


rH 


-HrH 


f-l r-t 1-1 


rH 


f-H 1-H 




1 > 


'S > 


■*' .^ "-« 

^2 © 0? ï= 


» tc 






1 ^2; 


^ê 





-< 


fe'^J^I-B 




'^t< 




«5 


t— 1 




g 


1-1 CC 


Q* 


Tfi t- 


w 


T}* 


1— t 



• p <= s §«^5 

00 P 









C ^ r^ « ^ *^ .fc -2 



Pi 

s 



"5 



0< 

d 
o 
o 






c a 



•S i^QD 



^ 









o 

'm 

1^ 






. ^«ö'^' 






bo 

&c.£ 
§543 •§£ 

2 05 o os • 



R bO 



Êf^ o a 



r^ r< ^ ► 



f3 



o3 O 






^ OQ 42 -M 

b 5 3^ fl ® 

:f3 o o 3 03 



OD 

03 
X 

H 



a 
o 

d 

<: 

CQ 



OD ,<r 

Ö" 1 



^1 OD 2 " ^ >^ 






's; g^ 



OQ ^ 



b^ d 



03 



03 






'ai 



I ■ i2 



03 S 
(33 08'^ 








S 




»r 


§ 


s 


ri*l 




03 


1") 


«3 





^ 


d 






OP=5 



03 



OQ 

d 
bc 

d 



^ OQ 
03 d 

«1 

ui-g 

• co 

«1 






:§' 



£ 03 

a . 

i2^ d 
_g ü d 



bCü 
d ^ 

-^^ s 

S.2 ^ 

>t 2 

• c8 d 



.2 -^ 



03 ^. "^ 

• 03 08*^ ^,.Ï2 



OQ 

d 

08 



d 

d 

OJ • 



.S -, .id 00 r^ '=*' 

a;Sör-ii»iS25o • 
^ i2 ^ t^ w -S rt, 00 



Korte biografieën. 

Woldemar Rosenberger werd 4/10 Februarie 
1849 te St. Petersburg geboren. Zijn vader dr. Karl 
Rosenberger die chef van de russiese marine-doktoren 
was, kon hem een goede opvoeding geven. Zo doorliep 
hij de gymnasium-afdeling van de duitse Sint-Petrus- 
school en het instituut voor ingenieui^, beide in zijn 
geboortestad. 

Afgestudeerd trad hij in 1873 in staatsdienst met de 
ietwat lange titel van „assistent-bouwmeester van vuur- 
torens in het gebied van de Zwarte zee en de zee van 
Azov". Onder andere bouwde hij niet ver van het 
stadje Tuabse een vuurtoren op de helling van de 
Kaukasus, en één in de Krim nabij de stad Yalta. Ver- 
volgens was hij korte tijd bouw-ambtenaar van de zee- 
haven Kroonstad aan de Oostzee. 

Reeds in 1877 had hij genoeg van zijn officiële 
betrekking en nam een partikuliere aan, die van tech- 
nies inspekteur bij de brandassurantie-maatschappij 
„Salamandra" te Petersburg, in welke kwaliteit hij vaak 
door Rusland moest reizen tot vaststelling van de brand- 
schade. Niet onwaarschijnlik bestond er verband tussen 
deze verandering en het huwelik in hetzelfde jaar 
gesloten met juffrouw Julie Steinmann, dochter van een 
bekend russies linguïst, direkteur van het keizerlik 
geschied- en taalkundig instituut te Petersburg. 

Als torenbouwer en later in dienst van de maatschappij 
voelde hij dikwels de behoefte aan een algemene ver- 
keerstaal; immers kwam hij in aanraking met personen 
van niet minder dan 34 verschillende talen : Basj kieren, 
Boelgaren, Boerjaten, Chinezen, Duitsers, Engelsen, Esth- 
landers, Finnen, Grieken, Groesiërs of Georgiërs, Ime- 
retiërs, Italianen, Joden, Kalmukken, Kirgiezen, Klein- 
russen, Lasen, Letten, Littauers, Mingellanders, Neder- 



458 

landers, Ostjaken, Osseten, Perzen, Polen, Roemeniërs, 
Russen, Sarten. Spanjaarden, Tartaren, Tsjeremissen» 
Tsjoewassen, Turken, Zweden. 

Voor zijn maatschappij onder weg zijnde, kocht hij 
begin 1886 bij wijze van reislektuur een russies boekje 
van Holin over het volapük. Hij had al van die taal 
gehoord, maar de gelegenheid gemist er kennis mede 
te maken. Het boekje bracht hem in geestdrift voor de 
geniale uitvinding en met behulp van Schleyer's werken 
vervolgde hij de zelfstudie. Na een maand schreef hij 
zijn eerste volapük-brief aan de uitvinder en ontving 
als antwoord het diploma van onderwijzer no. 298. Zijn 
diploma van hoofdonderwijzer droeg het nummer 26, 
en dat van professor nummer 9. Dit laatste was gedag- 
tekend 8 April 1887, juist één jaar na de eerste ken- 
nismaking. Niet dat deze zaken biezonder belangrijk 
zijn, maar de vermelding geeft een kijkje in de wereld- 
taal-beweging van die dagen. 

Rosenberger heeft in 1887 vijf lezingen over volapük 
te Petersburg gehouden, hetzij in *t duits hetzij in 't 
russies, de laatste keer in kombinatie met een ten- 
toonstelling van volapük- dingen. Ook hield hij in 
de jaren *87 en '88 drie malen een kursus, onder 
andere in het gebouw van de Sint-Petrusschool voor 
70 leerlingen. 

Maar vooral interessant en van betekenis voor de 
propaganda in Rusland is het volgende. In 1887 had de 
censuur alle volapük-drukwerk verboden. Toen schreef 
Rosenberger in Februarie 1888 een brief aan de cen- 
soren, waarin hij uiteenzette wat het volapük beoogde, 
wees op de toenmalige verbreiding en opmerkzaam 
maakte op de niet-politieke inhoud van zijn periodieken. 
Die brief had tot gevolg dat het peterburgse komitee 
van de buitenlandse censuur een van zijn leden opdroeg 
de taal aan te leren. Sedert zijn de volapük-boeken 



459 

niet langer verboden, raaar evenals die in andere talen 
aan de censuur onderworpen. 

Voor het tienjarig bestaan van volapük in Maart 
1889 vertaalde Rosenberger een blijspel van Gustav von 
Moser en liet het door leerlingen van zijn laatste kursus 
opvoeren. Dit was de eerste maal dat in die taal kome- 
die werd gespeeld. 

In 1892 moest hij om ziin zwakke gezondheid de 
vermoeiende betrekking bij de verzekeringmaatschappij 
opgeven. Na een rust van enkele maanden trad hij in 
'93 opnieuw in staatsdienst, als ingenieur in de ekono* 
miese sektie van het centraal bestuur der spoorwegen. 
Daar is hij nu nog werkzaam. In de russiese hiërarchie 
heeft hij recht op de titel van hofraad. Hij behoort tot 
de lutherse kerk. 

Rosenberger die sinds 1887 lid van de wereldtaal- 
akademie is — hij was onder de eerstgekozenen van 
het Münchener kongres — trad in 1893 op als direk- 
teur. Wat hij voor en door die instelling heeft verricht, 
blijkt uil dit hele boek. 

* 

Over Reverend M. A. F. H o 1 m e s kan ik slechts 
weinig biezonderheden geven. Hij zelf vindt wat in zijn 
leven is voorgevallen niet zeer belangrijk en verwijst 
mij naar hetgeen hij er over schreef, toen hij in 1898 
tot direkteur van de wereldtaal-akademie werd geko- 
zen. [S. 45] 

Holmes werd 10 Augustus 1857 te Auburn, New York, 
in de Verenigde Staten geboren. 

Hij bezocht de scholen te Auburn, studeerde op het 
kollege van St. Hyacinthe te St. Hyacinthe in Kanada 
en doorliep de filosofiese en theologiese kursus op het 
seminarie van St. Joseph te Troy, N. Y. 



460 

Na op 25 Julie 1880 tot katholiek priester gewijd te 
zijn, leefde hij drie jaren te Rochester, N . Y. Vervolgens 
werd hij in 1883 benoemd tot pastoor (of gelijk men 
daar zegt: rektor) van de kerk in het dorp Macedon, 
waar hij tot nu toe is blijven wonen. 

In 1887 maakte hij kennis met het volapük. Hij spreekt 
engels, latijn en frans. Verder bestudeerde hij grieks en 
hebreeuws en kent in meer of mindere mate duits, 
italiaans en spaans, terwijl hij ook nog enkele andere 
talen een weinig heeft bestudeerd. Van jongs af stelde 
hij belang in taalkundige kwesties. Hij beweert niet 
dat hij een linguïst is, alleen interesseert hij zich en 
zal zich steeds blijven interesseren voor taaistudie. 

In 1903 werd hij als direkteur van de wereldtaal- 
akademie voor de tijd van 5 jaar herkozen. 

Aanbevolen boeken. 

Nu nog zijn er volapükisten die nooit verder gekeken 
hebben dan de literatuur van hun taal, en als het er 
op aan komt een oordeel te geven over een andere, 
zich verdekt trachten op te stellen achter een paar 
afmaak- zin netjes die zij indertijd in een brochure of 
krant vonden en waarvan de beslistheid hun is bijge- 
bleven. 

Ook esperantisten lijden aan deze onzelfstandigheid. 
Als zij het hebben over volapük dan heet dat eens en 
vooral dood . . . het ligt daar in een hoek ... je kunt 
er eens tegen trappen, maar eigenhk is het de moeite 
niet waard. Zelf kijken echter deden zij niet, ze praten 
enkel hun propaganda-geschriften na. 

Ik hoop dat de neutralidiomisten zich ruimer van 
oog en van oor zullen betonen, zelf zullen onderzoeken 
de ontwikkelingsfases van de wereldtaal-beweging. Wie 
zich geheel zou willen inwerken in het vraagstuk, hem 



461 

wijst de beknopte geschiedenis van de akademie genoeg 
boeken aan, schoon niet alle meer verkrijgbaar zullen 
zijn. Maar elk ernstig belangstellende zal minstens kennis 
moeten maken met het nu, in 1903, 24-jarige volapük 
en het 16-jarige esperanto. 

Voor de eerste taal kunnen aanbevolen worden: 

Dr. H. van de Stadt en A. A.. Moll van Sant- 
bergen, Korte spraakkunst en lijst der voor- 
naamste stammen, voor- en achtervoegsels 
van volapük. - Verkrijgbaar bij . . G. M. 
Reijnders te Delft. — Prijs 60 cent. 
De lijst bevat alleen een volapük-nederlands deel ; 
het nederlands- volapük gedeelte ontbreekt tot dusver. 
De spraakkunst is overeenkomstig de werken van Schleijer. 
Arthur Heyligers, Volledige handleiding tot het 
aanleeren der wereldtaal volapük. — P. van 
Gittert Zonen, Haarlem, 1891. 
Een prakties boekje, bewerkt naar de franse spraak- 
kunst van prof. Kerckhoffs. Van dezelfde schrijver is er 
ook een woordeboek van het jaar 1889. 
Voor esperanto bestaat: 

Dreves Uitterdijk, Volledig leerboek der opko- 
mende wereldtaal esperanto . - P. de Jong» 
Bolsward, 1902. — Prijs 1 gulden 50. 
Behalve spraakkunst en aanhangsel, bevat dit door 
een geestdriftig schrijver met zorg afgewerkte boek een 
woordelijst van 104 bladzijden. Er is nog een ander 
esperanto-leerboek in Nederland uitgegeven, maar dat 
maakte op mij de indruk afgeroffeld te zijn en geeft 
voor bijna dezelfde prijs (1 gulden 25) een veel kleiner 
en onaantrekkeliker inhoud. 

Van de werken die Rosenberg noemt in de akademie- 
geschiedenis, kan ik biezonder aanbevelen: 

J. Stempfl, Myrana und Weltsprache. — Jos. 
Kösel, Kempten, 1889. -- Prijs 1 mark 60. 



462 

Dr. Alberto Liptay, Eine Gemeinsprache der 
Kulturvülker. — F. A.. Brockhaus, Leipzig, 
1891. — Prijs 4 mark. 

Deze boeken die onaf hankelik van elkaar ontstonden, 
behoren tot de beste die over de kwestie geschreven 
werden. Het projekt dat elk hunner geeft, is geen van 
tweeën volkomen uitgewerkt, maar heeft vooral waarde 
om de er aan verbonden algemene beschouwingen. Het 
zijn werken over een taalkundig onderwerp, dat is 
waar, maar lang niet dor, gelijk daarvan meestentijds 
gedacht wordt, omdat wij allen in de taalles op school 
zo godsgloeiend verveeld werden door zwaar op de handse 
grammatikale geleerdheid dat als gevolg de begrippen 
taal en grammatika vaak met elkaar verwisseld zijn en 
zijn gebleven. 

Met de taal Myrana was het Stempfl niet te doen 
om konkurentie met volapük, maar om bouwstenen te 
leveren voor een betere wereldtaal die nog komen moest. 
In de grammaire wordt telkens uitgelegd waarom iets 
zo en zo moet zijn. De gebreken in volapük worden 
doorlopend te pakken genomen en enkele andere systemen 
komen eveneens ter sprake. Het tweede gedeelte van 
het boek bestaat uit algemene opmerkingen over wereld- 
taal ; in korte hoofdstukken spreekt de schrijver over 
het doel, de raogelikheid enz. van zulk een taal en 
behandelt verschillende kwesties en moeilikheden die 
zich bij het zoeken naar een oplossing voordoen. 

Liptay bood eerst zijn ontwerp aan in een spaans 
kleed onder de titel „La lengua católica". Om hettoe- 
gankeliker te maken bewerkte hij zelf een uitgave in 
het duits. Na al wat gezegd is op bladzijde 445 is verder 
aanprijzen onnodig. 

De 141 besluiten die de akademie tot nu toe heeft 
-aangenomen en die gezamenlik het samenstel van de 
neutrale taal vormen, komen voor in: 



463 

De cirkulaires van de wereldtaal-akademie . 

Er verschenen er over de 70. Maar de peterburgse 
cirkulaires, nummer 1 tot en met 45, uitgegeven onder 
het voorzitterschap van Rosenberger, hebben een vola- 
pttk-tekst en eisen om ontcijferd te worden een afzon- 
derlike studie van die taal. De overige, macedonse 
cirkulaires, van de hand van Holmes, zijn opgesteld in 
de neutrale taal en voldoende om een inzicht te geven 
in het werken van de akademie ; in nummer 47 zijn 
gemakshalve de tot toen genomen besluiten, in de neutrale 
vertaling, samengevat. 

Personen, buiten de akademie, die haar willen onder- 
steunen, kunnen zich op deze cirkulaires abonneren 
tegen een jaarlikse bijdrage van minstens 75 doUar- 
cents, li gulden of 3 frank. De cirkulaires van voor- 
gaande jareo zijn verkrijgbaar voor de halve prijs. 

Het geld kan gezonden worden, rechtstreeks aan de 
kassier der akademie E. W. Earle, 55 Monroe avenue, 
Rochester, New York, U. S. A. ; of aan W. Bonto van 
Bijlevelt, tot 30 April 1904 te Amsterdam, en na die 
datum : Hobbemastraat 73, Brussel. 

Wie in de cirkulaires een uitspanningslektuur denkt 
te vinden, doet beter niet met het abonnement te be- 
ginnen en te wachten tot de neutrale taal haar bladen en 
tijdschriften bezit. De cirkulaires worden enkel gebruikt 
voor de afwerking van idiom neutral, ze vormen de 
smidse waar die taal die tot duurzame brug wil zijn 
tussen mensen van verschillende moedertaal, woord voor 
woord, bout voor bout, is behamerd en geklonken. Voor 
wie dat werk wil afkijken, zijn ze aantrekkelik. Andere 
wereldtaal-makers, b.v. Schleyer of Zamenhof, hebben 
niet zo aan de openbare weg gearbeid. Hun werk ge- 
schiedde binnenskamers en als het dan af was, kwamen 
zij er mee voor de deur staan, zonder dat men wist 
waarom zij het materiaal op hun wijze hadden be- 



464 

nuttigd . 

De reeds, met bewilliging van de akademie, verschenen 
werken over de neutrale taal zijn: 

Rosenberger, Wörterbuch der Neutralsprache 
rait einer vollstandigen Grammatik etc. — 
E. Haberland, Leipzig-R., 1902. — Prijs 6 
mark. 
Holmes, Dictionary of the Neutral Language 
with a complete grammar etc. — John P. 
Smith Printing Company, Rochester, N. Y., 
1903. - Prijs 'l| dollar. 
Beide werken bevatten niets wat ook niet in dit boek 
voorkomt. Om het gemak bij het citeren hebben alle 
drie dezelfde paragrafering in de spraakkunst. 

* 

M. A. F. Holmes woont te Macedon, New York, U. S. A. 
W. Rosenberger woont in St. Petersburg, Vosne- 
senski 28. 



Slotwoord. 

(Algemene verkeerstaal. Vereenvoudigde schrijftaal.) 

De tijden zijn rijp voor een algemene verkeerstaal. 
Het komt er slechts op aan het eens te worden in de 
keuze. 

Het nationaliteitsgevoel verzet zich, en te recht, tegen 
het opdringen van een der natuurtalen, enke) omdat 
ze door méér personen gesproken wordt Groter in 
aantal te zijn is geen deugd, maar betrekkelik een toe- 
vallig feit. Werd in een toekomstperiode een derde volk 
nog talrijker; de taal daarvan zou weer de voorkeur 
verdienen . En de kleinere volken, al was hun taal minstens 
even bruikbaar, zelfs volkomener, zouden voorgoed uit- 



465 

gesloten blijven. Neen, aantal aanvoeren als argument 
is opkomen voor het misbruiken van overmacht, is goed- 
keuren het recht van de sterkste. 

Als dus een van de bestaande talen niet in aanmer- 
king kan komen, rest alleen een kunsttaal te kiezen. 
Een dergelijke taal — bestaande projekten bewijzen 
dat — kan door beknoptheid en regelmatigheid van 
grammaire oneindig makkeliker worden dan welke 
natuurtaai ook. Is bovendien het woordeboek zodanig 
samengesteld dat de europese volkeren die verspreid 
zijn over alle werelddelen en het sterkst gevoelen de 
behoefte aan één enkel, eenvoudig verkeersmedium, 
geen bezwaar hebben het aan te nemen, dan zal de 
wil dier volkeren voldoende zijn om de kunsttaal te 
proklameren tot algemene verkeerstaal, dat wil zeggen 
de taal die de tweede wordt voor elk ontwikkelde. 

Nu geloof ik dat idiom neutral een toekomst heeft. 
Niet omdat het al volmaakt is. maar omdat het van 
de drie stelsels die in aanmerking komen: volapük^ 
esperanto en idiom neutral, het beste is; en omdat het 
fondament van zijn woordeboek het enige is, waarop 
een voor de volken van europese beschaving aanneem- 
bare wereldtaal kan worden opgebouwd. 

Al zal men natuurlik nog veel kunnen aanvullen^ 
zelfs door beter vervangen, van de uitgekozen woorden 
zal het merendeel onveranderd moeten blijven, wijl 
zij histories al wereld woorden zijn. Elk nieuwer stelsel 
dat komen mocht, zou moeten beginnen met ook deze 
woorden aan te nemen en naderhand evenzeer verbetering 
van node hebben. 

Op de verdere afwerking van de neutrale taal behoeft 
echter niet te worden gewacht. Zoals ze nu al is, kan 
de handel, de wetenschap, de propaganda voor verschil- 
lende geestesrichtingen profijt trekken van haar bestaan. 
Gebeurt dat, dan is aanvulling en verbetering een kwestie 

30 



466 

van tijd. De gedane keuze houdt de krachten bijeen en 
de akademie, nu bestaande uit eenvoudige wereldtaai- 
mannen, dan versterkt door de beste krachten van alle 
naties, zal het aangewezen lichaam zijn om in rustige 
arbeid zich te geven aan de verdere afwerking, ont- 
wikkeling en volmaking van de taal. 

Waar ik geloof dat idiom neutral opgang zal maken 
en daaraan verbind de hoop dat mijn boek in handen 
zal komen van menigeen die zich interesseert voor het 
wereldtaal- vraagstuk, mocht ik als, oprecht voorstander 
van de vereenvoudigde schrijftaal de gelegenheid niet 
onbenuttigd laten om deze groter bekendheid te ver- 
schaffen, ïk durfde haar gebruiken, omdat ik meen dat 
zij die voelen voor het vereenvoudigen van het wereld- 
verkeer door het aannemen van een algemene verkeers- 
taal, ook zullen voelen voor, altans niet vijandig staan 
tegenover de vereenvoudiging van onze schrijftaal. 

Wie weet hoevelen nog nooit de regels van de „ver- 
eenvoudigde" onder de ogen hadden en toch uit instink- 
tieve vrees voor het nieuwe zich tegenstanders denken ? 

Als deze hierachter kennis hebben genomen van die 
regels, zal misschien door het weten van het motief 
veel van de vreemdheid die om elke nieuwe, dus onge- 
wone schrijfwijze hangt, zijn weggeschoven ; zij zullen 
met minder vooroordeel kunnen overwegen welke van 
de twee de voorkeur verdient, de spelling van de Vries 
en te Winkel, waaraan zij weliswaar door opvoeding 
en gebruik gewend moesten zijn, maar die zo ingewik- 
keld is dat geen sterveling — zelfs de vurigste ver- 
dediger niet — haar in de praktijk volkomen beheerst, 
of de „vereenvoudigde" die niets anders beoogt als door 
het aanvaarden van enkele regels die geheel in de ont- 
wikkelingsweg van onze taal liggen, het schrijven er 
van makkeliker te maken. 



467 

Wie van § 73 de punten 1, 2, 3,6, 7, 10 en 11 inziet, 
zal konstateren hoe wonderwel zij overeenkomen met 
de beginselen die de vereenvoudigers voorstaan, en toe- 
geven dat het voor mij logieser was te schrijven 
dinamit, s. dinamiet; eksaminar, v. examineren, eksami- 
neren; fosfor, s. fosfor; komisar, s. kommissaris; konsert^ 
s. koncert, konsert; Krist, s. Christus, Kristus, dan mij 
uitsluitend te houden aan wat de Vries en te Winkel 
aangeven . 

Andere argumenten laat ik achterwege. Hij die er 
belang in stelt, onderzoeke zelfverder. Een onderhoudend 
boek, waarin over dit onderwerp meer in den brede 
en dieper gesproken wordt, is: 

Dr. R. A. Kollewijn, Opstellen over spelling 
en verbuiging. — H. J. W. Becht, Amsterdam, 
1899. — Prijs 1 gulden 25. 

Ook komt dit werk ter sprake in de „Hollandsche 
Revue", 6e jaargang, no. 4 (25 April 1901). 
Verder zijn zeer onlangs verschenen: 

P. H. Mulder, Handleiding bij het gebruik van 
de vereenvoudigde schrijftaal. — Scholtens 
& Zoon, Groningen, 1903. — Prijs 40 cent. 

Dr. R . A. Kollewijn, Dr. F. Buitenrust Hettema 
en Dr. J. J. Salverda de Grave, Nederlandse 
woordelijst (volgens de beginselen van de „Ver- 
eniging tot vereenvoudiging van onze schrijf- 
taal" samengesteld). — W. E. J. Tjeenk Wil- 
link, Zwolle, 1903. — Prijs 50 cent. 



Regels voor het gebruik van de Vereenvoudigde Schrijftaal. 

De grondregel van elke bpelling luidt: Duid bij het schrijven 
van een woord de letterklanken die in een 'zuivere en beschaafde 



468 

uitspraak worden gehoord^ door de daarvoor vastgestelde 
lettertekens aan. Bg voorbeeld: ham, deur, voelen ^ genootschap ^ 
metselaarshaas enz. 

Een tweede regel (in 't algemeen wenselik voor de ylugge 
opvatting van het geschreven woord) is die van de gelijkvor- 
migheid : Schrijf een zelfde woord , zoveel de uitspraak en de 
verbuiging of vervoeging het toelaten^ steeds met dezelfde letters. 
Dus hoofddoel en niet hoof doel of hoovdoel; voorop en niet 
vorop; dag (naast dagen) en niet dach ; pctard {u&a^t paardefi) 
en niet pa>art ; heb (naast hebben) en niet hep. 

Behalve naar de beschaafde uitspraak en de gelgk- 
vormigheid richtten de Vries en te Winkel zich naar de 
etymologie ( breede in verband met het gotiese braids, booze 
in verband met „het middellatijnse bauziare^\ vorsch in ver- 
band met het friese frosk, althans van al te hands enz.) en 
naar de overeenkomst {handelsschool om ha^idelsinrichting , 
boerendochter om boerenbedrijf enz.). 

De Vereenvoudigde Schrijftaal, die in de spelling het gezag 
van de overeenkomst en vooral dat van de etymologie 
wil beperken, wijkt in de volgende opzichten van de regeling 
van de Vries en te Winkel af: 

1, De e en o worden op het eind van een lettergreep even- 
min als do a en uyevdubheldidelenj erelid, kwekeling, preken^ 
zeperig, een lege schede; lopen, stromen, stro, zo, dove oren, 
rode kolen. 

Op het eind van een woord wordt echter ee geschreven: 
twee, zee, mee, dominee, In afleidingen en buigings vormen van 
zulke woorden {tweede, zeeën, zij vreeën naast hij vree) blgft 
dan de ee. Ook in samenstellingen : tweetal, weemoed, veevoeder. 

2. In nederlandse en geheel met nederlandse gelgk te stellen 
woorden wordt de i'e-klank door ie (niet door i) aangeduid: 
wielewaal, kieviet, afgodies, russies, biezonder, plezierig. 

In open lettergrepen van vreemde en bastaardwoorden blijft 
de i: individu, naïveteit, favorite, solide. 

Maar op het eind van een bastaardwoord schrijft men ie : 
genie, traditie, kolibrie, Februarie. 

Bastaardwoorden, eindigend op ie, of op ie gevolgd door 



469 

«en medekÜDker, houden ie in de verbogen yormen: genieën^ 
traditieën^ kolotiieëtif projektielen, Israélieten^ astronomiese 
ontdekking. 

3. De toonloze klinker wordt in de uitgangen -lik en 'liks 
^eyenals in de woorden havik, monniky leeuwerik, hinniken 
enz.) door een % aangeduid : gewoonlik, huiselik, degelike kost, 
«erliker, dagelika, 

4. Alleen d^n wordt sch gesohreyen, wanneer men na de 
s een ch uitspreekt (schip, schoon^ scheppen. Ook yoor de r 
laten velen de ch-klank horen : schrijven, schrikken.). Dus : 
fles, mens, vis, bars, nors, ruisen, wensen, tussen, hollandse, 
franse, Pasen, asschop. 

Ook schrijve men tans, altans, tee (zonder h), ert (zonder 
w), besje (zonder t). 

5. De n en s worden niet als „tussenletters" geschreven, 
als ze in de beschaafde uitspraak niet worden gehoord. Dus: 
zedeleer j sterrekundCy hondehok, pennehouder, amhachtschool, 
bruidsuiker, oorlogschip. (Natuui'lik wèl: toetssteen uit toets 
en steen, lansstoot enz., waar men niet met een tusnenletter 
te doen heeft.) 

6. In bastaardwoorden schrgve men k in plaats van A;-klank- 
aanduidende c : lokomotief, advokaat, aktrice, akcent, direkteur, 
kadet, kollekte, konklusie, konstruktie, koncilie, krucifix ; 

f in plaats van ph : alfabet, fotograferen, f ysika, fantasie; 

r in plaats van rh : retorika, rachitis, rododendron, rythmus; 

e in plaats van ae: ether, pedagogie(k), preparaat. 

Bovendien werden verscheidene algemeen gebruikelike 
"bastaardwoorden in spelling vernederlandst : bazaar, bloeze, 
hoeket, faljiet, foksia, grok, kanapee, koket, rosbief, toost, 
trem enz. enz. 

7. Eigennamen (familienamen en aardrijkskundige namen) 
behouden de gebruikelike spelling: Oeorge, Hendrickx, Tus- 
^chenbroek, van den Berg, van Straalen, Visscher, Charlois, 
Rhenen, ^s-Hertogenbosch. 

8. Bg de verbuiging van lidwoorden, bgvoeglike naam- 
woorden en voornaamwoorden richte men zich uitsluitend naar 
het beschaafde spraakgebruik. Men schrijve dus de, hij, hem, 
zijn enz . , wanneer men de, hij, hem, zijn zégt . Yoorbeelden : 
Zet de stoel in de hoek . — De boeken van die aardige kleine 
jongen. — Is de kachel niet aan? Neon, hij is uit. Zal ik 



470 



aan de meid zeggen dat ze hem moet aanmaken? — Die 
soep is erg warm, ze (of ook: hij) is anders lekker. 

Wie uitspreekt: yoor den dag, aan den drank, onder den 
daim, schrgve in deze getallen de door hem uitgesproken -m. 



Register op de spraakkunst. 

(De cijfers verwijzen naar de § §.) 



achtervoegsels, 81, en tel- 
kens, 
afgeleide woorden, 80, 81. 
afkortingen, 84, en vöörl. 
ariese talen, stamwoorden 

ontleend aan de, 72. 
bepalingen van tijd, enz., 

plaats van de, 64. 
bijvoeglik naamwoord, 8,15. 

— , plaats van het, 10. 

— , zelfstandig gebruikt,! 1. 
bijwoord, 58-64, 17, 20. 

— , deelwüordelik, 49. 

— , plaats van het, 64. 
breuken, 18. 

— , plaats van de, 19. 
datum, 22. 

deelwoord, 39, 47, 48, 51. 
„-dubber', 15. 
gerundivum, 52. 
geslacht, 5. 

herhalingstelwoorden, 17. 
hoofdtelwoorden, 13. 

— , plaats van de, 19. 
jaargetijden, 22. 
klemtoon, 2. 
klinkers, 1. 



klinkers naast elkaar, 1. 
letters voor het schrijven 

van vreemde woorden, 1. 
lidwoord, 4, 27. 
„-maal", 17. 
maanden, 22. 
mannelik, 5. 
medeklinkers, 1. 
meervoud, 3. 
naamval, 3. 

niet- vol wassen dieren, 7. 
„om te, te", 65 noot. 
om te zeggen hoe laat het 

is, 23. 
onzijdig, 5. 
rangtelwoorden, 14. 
samengestelde woorden, 82,. 

83. 
spelling, 1, 73. 
stam blijft onveranderd, 75. 
stamwoorden, 72-79. 
telwoord, 13-23. 

— , plaats van het, 19. 
tijdsbepalingen , vorming 

van, 62 
toonteken, 2. 
trappen van vergelijking. 



471 



9, 63. 

tussenwerpsel, 69, 70. 

„twee aan twee", een vorra 
als, 16. 

uitspraak, 1, !2. 

verbuiging, 3. 

— van voornaamwoorden, 
29, 31, 33, 34. 

verkleinwoorden, 6. 

vermenigvuldigingstelwoor- 
den, 15. 

vervoeging, 36. 

~ , overzicht van de, 53. 

voegwoord, 67, 68. 

voorbeelden van de taal, 85, 
en telkens. 

voornaamwoord, 24-35. 

— , aanwijzend, 32. 

— , betrekkelik, 33. 

— , bezittelik, 30, 31. 

— , korrelatief, 35. 

— , onbepaald, 34. 

— , persoonlik, 24-29. 

— , plaats van het, 31. 

— , vragend, 33. 

voorvoegsels, 80, 82. 



voorzetsel, 65, 66. 

— , plaats van het, 66. 

vorm, bedrijvende, 37-49. 

— , lijdende, 50-52. 

„-voudig", 15. 

vraag, 57. 

vrouwelik, 5. 

wederkerigheid, het begrip 
der, 56. 

weekdagen, 22. 

werkwoord, 36-57. 

— , plaats van het, 37. 

— vaneen bijvoeglik naam- 
woord, 12. 

werkwoorden als „vereen- 
voudigen, verdubbelen," 
21. 

— , onpersoonlike, 54. 

— , wederkerende, 55. 

wijs, aantonende, 36-40. 

— , aanvoegende, 43. 

— , gebiedende, 44. 

— , onbepaalde, 45, 46. 

— , voorwaardelike, 41, 42. 

woordvorming, 71-83. 

zelfstandig naamwoord, 3. 



INHOUD. 



BIz. 

Voorwoord, roet 4 portretten 5 

Spraakkunst IS 

Taalproeven 61 

Woordeboek : 

1, neutraaKnederlands 67 

% nederlands-neutraal 231 

Aanhangsel : 

1. Beknopte geschiedenis van de wereldtaal- 
akademie 433 

2. Statuten van de akademie 450 

3. Ledelijst van de akademie 453 

4. Korte biografieën (Rosenberger, Holmes). . 457 

5. Aanbevolen boeken 460 

6. Slotwoord 464 

Register op de spraakkunst 470 



■- 



1 \